Verander(en)de tijden

Beste bezoeker, het is een hele tijd stil geweest op deze pagina’s. De Grijze Man heeft lang gezwegen, terwijl toch veel lezers zijn website bleven bezoeken. Er zijn vele redenen voor dat stilzwijgen. Enkele daarvan wil de Grijze Man wel kwijt.

Het gaat de Grijze Man tegenwoordig heel goed. Hij is gelukkig en tevreden. Er zijn de voorbije maanden wel enkele tegenslagen geweest. Maar er waren veel meer mooie en gelukkige momenten in zijn leven.

De Grijze Man heeft het voorbije jaar veel verhuisd. Voor anderen en ook voor zichzelf. Zijn appartement is verkocht. Hij woont nu met zijn grote liefde Marianne voor een jaartje in een prachtig houten huis met een geweldige tuin, in het buitengebied van zijn gemeente Haacht, op een boogscheut van de Dijle.

Een droomhuis voor een jaar

Het grote huis, veertig jaar oud, werd ontworpen door een Noorse architect. Het ligt in een enorme tuin en heeft alle comfort. Zoals een kachel die de Grijze Man de gelegenheid geeft ongestoord in het vuur te staren. Of een terras zo ruim dat het de komende lente en zomer onvergetelijke barbecues zal mogelijk maken, als het weer meewil.

Als tijdelijk schuiloord en ontmoetingsplaats voelt het huis als een vakantiechalet uit de duizend. Tijdelijk inderdaad, want wat de toekomst de Grijze Man en zijn vriendin zal brengen, is nog onzeker en ligt misschien wel in handen van notarissen, erfgenamen en uiteindelijk rechtbanken. Maar daar liggen ze niet meer en nog niet opnieuw van wakker.

De Grijze Man en Marianne zijn straks anderhalf jaar een koppel. In die periode hebben ze heel wat avonturen beleefd en anekdotes verzameld in binnen- en buitenland. Ze wandelden in groep met Vlaamse stappers, met vrienden of gewoon samen. Ze leden dorst en zweetten in de Spaanse hitte en ze bibberden in de sneeuw van de Oostkantons. Ze bunkerden in de Sierra Nevada, verslonden paëlla in havenstadjes op Spaanse eilanden en beklommen er de bergtoppen. Ze baadden onder watervallen, trokken kloven door en zwommen in zee, dat laatste Marianne iets meer dan de Grijze Man. Ze dronken regelmatig een geweldig lekker glas wijn teveel, de Grijze Man iets vaker dan Marianne, wat meermaals eindigde in lachkrampen in bed. Ze kampeerden met vrienden en familie langs de Semois en vierden vakantie in Frankrijk met hun dochters en hun aanhang. Ze lazen elkaars favoriete boeken, leerden elkaars familie kennen en werden bevriend met elkaars echte vrienden.

In de buurt van Sankt Vith

En vaak telewerkten ze schouder aan schouder in de woonkamer van die Noorse chalet, met uitzicht op een eik en een notelaar. Uit hun verstrengeld geraakte takken daalt elke dag een eekhoorn af die even op het terras passeert om goeiedag te zeggen. Tussen het werken door smeedden Marianne en de Grijze Man hun plannen voor van alles en nog wat.

In de voorbije maanden verzamelde de Grijze Man ook snippers vrije tijd om aan een nieuw manuscript te werken over een onderwerp dat verschillende lezers niet zal verbazen: de avonturen van zijn vader als cadet op het schoolschip Mercator, in de tweede helft van de jaren vijftig van vorige eeuw.

en maar schrobben, dat dek!

Die epoque met zijn West-Vlaamse dorpen, de provinciestad Brugge en de wijde wereld waarvan de vader van de Grijze Man gretig en met grote ogen een flink deel al zeilend kon proeven, was heel anders dan vandaag. Maar tegelijk werden ook toen de mensen zoals nu gedreven door dromen en ambities, tegenslagen en ontgoochelingen, winstbejag en pijnlijk verlies, meeval en ongeluk. Nu hij de kans krijgt zijn overleden vader als jonge man te leren kennen, ziet de Grijze Man in dat als de tijden veranderen, de mensen zich aanpassen, de ene weliswaar sneller dan de andere, maar ook hetzelfde blijven.

Geplaatst in De Grijze Man, familie, geschiedenis, Haacht, reizen, Uncategorized | Tags: , , , | 4 reacties

De notenboom

Net nu het toeval me terug in contact bracht met enkele volwassen geworden jongens en meisjes uit mijn kindertijd in Nossegem, denk ik terug aan onze notenboom in Wespelaar. Over die boom heb ik in 2016 al eens verteld, een speechke dat ik uitsprak bij het verrassingsfeest voor de 75ste verjaardag van mijn moeder.

Die tekst begon aan de tafel in onze woonkamer in de Pachthofstraat in Nossegem. Iets minder dan een halve eeuw geleden trok papa daar de gesprekken op gang over ons nieuw huis. We zouden in 1973 verhuizen naar Wespelaar, een dorp dat vanaf 1978 ingedeeld is bij de fusiegemeente Haacht. Ik weet het nog goed: ik was tien jaar oud. Op een donkerblauwe T-shirt stond dat nummer genaaid. Mijn broer had hetzelfde T-shirt gekregen, met nummer vier op. Er zijn ergens nog super 8-filmpjes waarop wij tweeën met dat T-shirt staan, aan het ravotten rond het niet omheinde huis in Wespelaar waar de tuin nog overging in de vrije natuur.

Die naam alleen al: Wespelaar. Wat een grote verwachtingen gingen erin schuil voor iemand die in Nossegem woonde. Het klonk haast zo mooi als Brugge, volgens mijn vader, die tenslotte de wereldzeeën had bevaren, de schoonste stad ter wereld. Zelfs de naam van de straat sprak hij met eerbied uit: Olivier de Spoelberchstraat. En die d schrijf je met een kleine letter, zei papa, want dat is een adellijke naam. Lang heb ik ernaar uitgekeken om de graaf van Wespelaar in onze straat eens tegen te komen.

In wat voor een droomhuis zouden wij gaan wonen, als je papa bezig hoorde. Hardop dromen, het was een geliefkoosde bezigheid bij ons aan tafel. Over de Fiji-eilanden of een zeiljacht. En in de aanloop naar die zomer van 1973 vooral over wat er allemaal mogelijk zou worden na de verhuizing. Grotere slaapkamers. Een garage met twee poorten, waarin we zouden kunnen pingpongen. Een reusachtige woonkamer met een open haard. Een bureau. Een logeerkamer voor als er familie uit Brugge met vakantie kwam.

Een enorme tuin. In die tuin zou plaats zijn voor een hoge schommel, een voetbalplein, een tennisveld, een zwembad zelfs. En naast en achter die tuin bossen en braakliggende velden om in te spelen en kampen te bouwen. Alles was mogelijk. Het voetbalveldje kwam er. Naast ons huis. Later maakten we met de kinderen uit de buurt ook nog een atletiekveld om Olympische Spelen na te spelen en een crossparcours voor mountainbikes die nog uitgevonden moesten worden. De schommel kwam er. De pingpongtafel kwam er. Het tennisplein kwam er. Op straat, want er reden toen nog geen auto’s in de Olivier de Spoelberchstraat omdat er nog geen andere mensen woonden. Alleen het zwembad werd altijd maar uitgesteld. Om veel redenen. Vooral om redenen die bij kinderen geen begrip wekken. Uiteindelijk vergaten we dat zwembad. We hadden al zoveel gekregen.

In de tuin maakte ook papa zijn dromen waar. Een tuinhuis, een groententuin vol ongespoten groenten en fruit. Kippen die scharreleieren legden. Konijnen om te kweken. En een echte druivenserre, afgebroken in Overijse en langzaamaan terug opgebouwd in de tuin, een meerjarenproject.

Maar het belangrijkste van die droomtuin heb ik nog niet vermeld. De notelaar. Toen papa het kleine boompje met een stam als een stok plantte, was het drie jaar oud. Nog zeven jaar wachten, zei hij, en dan hebben we okkernoten. Zeven jaar! Het was een eeuwigheid voor de tienjarige die ik was.

Het is inmiddels 23 jaar geleden dat onze papa onverwacht stierf. Onze notelaar die nadien jaar na jaar verder groeide, deed me nog vaak aan hem denken. Want die notelaar heeft de verwachtingen van papa volslagen ingelost. Jaar na jaar dikte zijn stam en strekte hij zijn takken en bladeren verder uit over de tuin. In de zomer was het heerlijk toeven onder zijn lover. Kilo’s noten leverde hij elk jaar trouw af. Mama deelde ze kwistig uit. Net als mama was de boom de jongste jaren wat scheef gegroeid. Je zou voor minder, na al die vruchten die hij heeft gegeven, al de bescherming, de troost en het geluk dat we onder zijn bladeren hebben gevonden.

Het leven trekt de mensen verder zoals de seizoenen onze scheve notelaar. Zoals de mens zijn lot niet kan ontlopen, kan de notelaar er niet voor kiezen om eens een jaar geen noten te dragen. Het is hem onmogelijk om het botten, ontbolsteren, schaduw geven, bruinen en vallen van zijn bladeren eens een jaartje uit te stellen.

Zo’n twee jaar geleden verkocht mijn moeder ons ouderlijk huis. Ze ruilde het voor een appartement in Haacht, vlakbij het kerkhof waar Philippe begraven ligt. Over dat kerkhof worden soms grapjes gemaakt, maar bijgelovig is mijn moeder niet. Terwijl ze even in het ziekenhuis verbleef om een op hol geslagen hart te kalmeren, schreef ze zich alvast in voor de volgende reis met Okra.

Gisteren kon ik me niet meer houden. Ik moest onze oude tuin nog eens zien. Langs de nieuwe verkaveling achter ons huis kon ik er alleen nog een glimp van opvangen. De tuin is sinds kort helemaal door andere tuinen ingesloten. Heel de buurt van ons ouderlijk huis is daarmee verkaveld. Vandaag is Haacht een verkavelingsgemeente met meer dan 15.000 inwoners geworden, een toename van haast 50 procent in vergelijking met het begin van de jaren zeventig.

Achteraan in de tuin stond de serre nog en het oude kippenhok. Boven het tuinhuis zag ik kale takken in de blauwe lucht grijpen. Onze notenboom komt straks weer tot leven. 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | 1 reactie

Het zeemansboekje

Op 10 december 1956 leverde de Koopvaardij en Zeevisserij van het Koninkrijk België het eerste en enige Zeemansboekje af aan mijn vader. In mooi gekrulde letters en zwarte inkt heeft hij de verplichte identificatiegegevens ingevuld. Bij de opruim van mijn ouderlijk huis kwam het als een relikwie uit de kast.
Lees verder

Geplaatst in familie, geschiedenis, Haacht, liefde, reizen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Hoe Leopold II zijn Vrijstaat kwijtspeelde en een verrader held kon worden

In “De droom van de Ier” maakt Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa een geromantiseerd portret van Roger Casement, een Ier die als een van de eersten de massale uitbuiting en wreedheid in Congo Vrijstaat aan de kaak heeft gesteld. Door de aanhoudende kritiek op Leopolds bewind moest de vorst zijn privéstaat overdragen aan België.
Lees verder

Geplaatst in cultuur, geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Op veldtocht tegen de slavenhandel

Naast het sedert de onthanding historisch zeer betekenisvol geworden beeldhouwwerk van de gebroeders Courtens aan de Drie Gapers in Oostende, bevindt zich nog een merkwaardige bronzen plaquette. Ze bewijst eer aan Aristide Doorme, een in 1905 overleden officier, omschreven als de “Held der veldtochten tegen de Arabieren en de Batetelas”.

Van die veldtochten hebt u wellicht nog nooit gehoord, nietwaar? Wel, het zijn militaire campagnes die Leopold II in de Afrikaanse jungle liet ondernemen tegen Arabische slavenhandelaars. Het was één van de drie beloften van Leopold II die David Van Reybrouck aanhaalt in zijn onvolprezen meesterwerk Congo, een geschiedenis, op grond waarvan onze baardigste vorst in 1885 Congo als privéterrein verwierf.

Aan België beloofde de koning nooit geld te vragen voor zijn persoonlijk project in Afrika. En aan de Conferentie van Berlijn beloofde hij twee dingen: in Congo de vrijhandel te respecteren en de slavenhandel te bestrijden. Zo’n vijf jaar later, toen de vorst quasi bankroet was door de investeringen die hij in de infrastructuur van zijn Vrijstaat Congo had moeten laten uitvoeren, verbrak hij twee van die beloften.

Hij smeekte België om geld en dwarsboomde de vrijhandel waar hij maar kon. Dat laatste deed hij door alle Congolese grond die niet verbouwd of bewoond werd eigendom van de Vrijstaat te noemen, inclusief de ondergrond en de dieren en planten erin, erop of erboven, die soms lucratieve handelswaar opleverden, neem nu koper, ivoor of rubber. Die nationalisatie betrof zo’n 99% van het grondgebied. ‘Een pygmee die een olifant schoot en de slagtanden verkocht, voorzag niet langer op legitieme wijze in zijn onderhoud, maar beroofde de staat’, schrijft Van Reybrouck.

Aan de belofte om de slavenhandel te bestrijden, hield Leopold II zich wel. Volgens Van Reybrouck verschafte die hem een ideale dekmantel voor zijn expansiedrift. De krijgsverrichtingen tegen de slavenhandelaars concentreerden zich in Katanga, Oost-Congo en Zuid-Soedan. Eerst werd Katanga, het rijk van zo’n slavenhandelaar, vrij makkelijk veroverd. Leopold liet daar haast mee maken omdat hij wist dat de Brit Cecil Rhodes vanuit Zuid-Afrika ook zijn oog op Katanga had laten vallen, met de bedoeling om de Engelse koloniale bezittingen in Afrika aaneen te rijgen van de Kaap tot Kaïro.

De strijd om de andere gebieden was geen wandeling in Leopolds park. Zeker die om Zuid-Soedan. Leopold was betoverd door de Nijl, na zijn huwelijksreis naar Caïro in 1855. Als hij Zuid-Soedan zou kunnen veroveren, bedacht hij, zou hij de bovenloop van de Nijl controleren. Een regio die rijk aan ivoor heette te zijn. Leopold zette enkele expedities op touw, geleid door Belgische officieren, onder wie de Oostendse held Aristide.

Een leger van zwarte miliciens

Al die expedities mislukten. Dat kwam vooral omdat de soldaten van de Force Publique, het leger van de Vrijstaat dat bestond uit blanke officieren en zwart voetvolk, massaal aan het muiten sloegen. In de Vrijstaat had Leopold een nogal middeleeuws systeem van gedwongen rekruteringen ingevoerd voor zijn privéleger, de Force Publique.

De dorpshoofden en de missieposten moesten allemaal enkele jonge mannen afstaan voor het leger, waar die dan zeven jaar militaire dienst moesten kloppen. Wie ooit in ons land verplicht was om zijn militaire dienst te doen, was afhankelijk van de periode, zo’n acht tot twaalf maanden milicien. En die herinnert zich wellicht dat niet elke dienstplichtige met volle overgave zijn diensten aan het vaderland leverde.

In Congo Vrijstaat dus ook niet. Bovendien namen de soldaten vaak hun vrouwen, kinderen en ouderen mee op veldtocht met de Force Publique. Die veldtocht mogen de ex-miliciens niet vergelijken met een of ander militair kamp in Elsenborn of Leopoldsburg. Op die jungletochten in Leopoldland was zelfs voor de troepen geen ravitaillering geregeld. Dus nam de bonte bende wat men nodig had in de dorpen die het leger passeerde, nog zo’n middeleeuws gebruik.

De soldaten van de Force Publique en ook de dorpen waaruit ze stamden of waar ze door trokken, waren op die manier allesbehalve bevrijd van de slavernij. Integendeel: de militairen werden ziek, ze geraakten ondervoed, ze waren nauwelijks getraind, sommigen vochten met een geweer, anderen hadden alleen hun speer.

Hoeft het te verbazen dat er in de Force Publique muiterij uitbrak? Vier jaar zou die opstand duren, aangevuurd door de Batetela, lees ik bij Van Reybrouck. Meer dan zesduizend soldaten en hulptroepen zouden zich tegen hun commandanten hebben gekeerd, waarbij er tien Belgische officieren vermoord werden.

De officieren, onder leiding van hun commandant baron Dhanis, traden daar toen ook wat strenger op dan de instructeurs en bevelhebbers van ons leger onder de dienstplicht, die stoute miliciens wel eens tien keer lieten pompen of ze zelfs een weekend in de kazerne durfden te houden. Veelzeggend was al de bijnaam van commandant Dhanis, Fimbo Nyingi, wat betekent: ‘veel zweepslagen’.

Wat niet wil zeggen dat alleen de zweep voor de zwarte soldaten een straf was. Ook aframmelingen en de dood door ophanging of executie waren op weg naar Zuid-Soedan schering en inslag. Dorpshoofden die zich weerbarstig gedroegen, dreigden levend te worden begraven, hun hoofd net boven de grond, indien mogelijk in volle zon of nabij een mierenhoop.

Was Aristide Doorme een van de vermoorde officieren op die onmenselijke veldtocht? Wellicht niet. De veldtocht was in 1905, toen Doorme volgens de plaquette in Oostende overleed, al stopgezet. Maar zekerheid hierover heb ik in de me onmiddellijk beschikbare bronnen niet gevonden. Wie meer over Aristide of de opstand van de Batetela weet, mag het me altijd signaleren.

Van Aristide Doorme heb ik alleen een spoor teruggevonden in La mutinerie militaire au Kasai en 1895, een rapport van Marcel Storme voor de Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen uit 1970 dat als pdf te googelen is. Doorme wordt erin vermeld als de commandant van het kamp van Kasongo, op de rechteroever van de Lualaba, één van de vier zones die een belangrijke rol zouden spelen in de strijd tegen de Batetela.

In Congo doet Van Reybrouck het relaas van de 92-jarige Martin Kabuya, een kleinzoon van zo’n recalcitrant hoofd uit een dorpje nabij de Soedanese grens, die hij in Kinshasa sprak. Ook Martins grootvader werd levend begraven. Alle kinderen van zijn opa, ook zijn vader, werden daarop door de gebroeders maristen meegenomen naar het internaat van Buta, zeshonderd kilometer meer naar het westen. Daar werd zijn vader op de missiepost katholiek, huwde er en kreeg drie kinderen. Martin was van het gezin de laatste overlevende.

Het vaderland dienen, beschaving brengen en het geloof verspreiden, het waren harde stielen in de tijd van Leopolds Vrijstaat.

Geplaatst in geschiedenis, vrije tijd | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Onthanding in Oostende

Op winterwandel met Marianne in Oostende viel er heel wat te bekijken. De toeristische dienst verwende de vele bezoekers met een boeiend Valentijnsprogramma. Oostende kreeg wellicht nog niet eerder al half februari zoveel toeristen op bezoek. Op de dijk, op het strand, in de winkelstraten, langs het parcours van The Crystal Ship of aan en in de vele andere publiekstrekkers en attracties die er ondanks corona te genieten vielen, het zag er zwart van het volk.
Lees verder

Geplaatst in Brussel, cultuur, geschiedenis, vrije tijd | Tags: , , , , , , , | Plaats een reactie

De spiegel en het licht

Met veel plezier en ook wat volharding heb ik De spiegel en het licht gelezen. Dit boek begon en eindigde met een onthoofding. Tussenin gaf Hilary Mantel in ruim twaalfhonderd bladzijden vorm aan het laatste deel van haar schitterende trilogie over het leven van Thomas Cromwell. Voor de eerste twee delen, Wolf Hall en Het boek Henry, won de historica telkens de Man Booker Prize. Lees verder

Geplaatst in geschiedenis, literatuur | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Tranen na de Weerdse kronkels

Terug in Hombeek zat ik wat lui in de zetel op mijn smartphone te facebooken, wordfeud woordjes te zoeken, mails te checken, whatsappjes te beantwoorden, kortom de normale zooi te doen waartoe zo’n ding me telkens als ik hem openklap verleidt.
Lees verder

Geplaatst in familie, geschiedenis, reizen, vrije tijd | Tags: , , , , , | 1 reactie

Het vliegend dorp

Sinds het thuiswerken de Grijze Man de meeste werkdagen in zijn kot gekluisterd houdt, droomt hij vaker dan vroeger weg bij schone luchten, veelal doorkruist door vogels. Dat is niet zo moeilijk: hij is woonachtig in een dakappartement in het slaperige dorp Wespelaar. Lees verder

Geplaatst in De Grijze Man, Haacht, samenleving, vrije tijd | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Excursie naar de Veleta

Aangezien het in Los Guajares om en bij de 35 graden warm was, stelde Marianne voor wat verkoeling te gaan opzoeken op de Pico Veleta, de 3.396 meter hoge berg in de Spaanse Sierra Nevada.
Lees verder

Geplaatst in reizen | Tags: , , , , , | Plaats een reactie