De dood slaat toe, onverwacht en onrechtvaardig. Hij schokt de families en treft alle generaties. Ook alle vrienden, zelfs tot in Haacht. Tientallen goede herinneringen aan Henk zijn een pleister, die een beetje helpt.
Bij die herinneringen zitten ook droevige geschiedenissen. De dood van Henks broertjes. Er zijn in de jaren ’65, ’67 en ’71 al zoveel tranen geplengd om de twee Dirken en Stefaan, die de pech hadden jongens te zijn, die de pech hadden met foute chromosomen het leven in te stappen. Daar kwam nog niet zo lang geleden de dood bij van de vader van Henk. Wat een verdriet voor tante Adrienne, wat een verdriet voor Matthias en Alexander, wat een verdriet voor Annick, wat een verdriet voor iedereen in dat gezin, voor iedereen ook die met hen meeleeft.
Henk was een geweldige vriend en neef, altijd graag van de partij, altijd vriendelijk en toeschietelijk. Ik herinner me zoveel goede en mooie dingen. Hij kwam samen met Annick van Beernem helemaal naar Kampenhout om me te feliciteren met de roman die ik had gepubliceerd. Hij kwam naar Leuven om te gaan squashen met mijn dochter Jolente. Hij vond in tegenstelling tot zovele anderen Tokio Hotel eigenlijk niet zo’n slechte band, waarmee hij mijn dochter Winke een geweldig plezier deed.
Samen met mijn meisjes en Matthias mocht ik met Henk meerijden op vakantie naar Les Tillets in Frankrijk. Daar woonde mijn zus Els toen, met haar man Bart en hun drie jongens. De kinderen speelden er uren potteke stamp en de mannen Kolonisten van Catan. Henk ontbolsterde er als een volbloed spelfanaat. Zo belandde hij ook in de groep oudscouts van Haacht.
Hij ging met mij, mijn zussen, mijn broer en mijn dochters mee naar een huisje in een bungalowpark in Nederland, wat we als neven en nichten wel meer deden met de families en daarna ook met onze eigen kinderen. Henk trok ook mee op stamweekend en het mannenweekend van de scouts van Haacht. Hij had het karakter om moeiteloos te integreren in groepen.
Afgelopen zomer nog, waren onder meer Henk en Annick bij mij en Marianne te gast voor een nevenactiviteit. Wij, de inmiddels volwassen kleinkinderen van opa Nestor en oma Elisabeth, deden dergelijke activiteiten om onze familiebanden te bewaren. Vandaag is die zomer-bbq van toen onverwachts een mooie herinnering aan Henk geworden. Mijn neven Piet, Bart en Henk, en hun nichtje Inge, leeftijdsgenoten uit het geboortejaar 1969, waren er ook. Ze hebben er zovele jaren na hun plechtige communie een remake gemaakt van hun iconische foto achter de boom.
Vandaag moeten we allemaal helaas verder zonder Henk. Velen gaan opnieuw een moeilijke periode van gemis tegemoet. Annick zal haar gezin moeten heruitvinden zonder Henk. We hopen dat iedereen die Annick graag heeft, haar daarbij helpt. De jongvolwassen Matthias en de kleine Alexander moeten ook verder zonder hun papa. Ook zij staan voor een zware opgave.
We leven ook allemaal heel erg mee met onze tante en oma Adrienne, die niet zo lang geleden opgenomen werd in een Woonzorgcentrum. Zij had op haar hoge leeftijd nooit durven denken zonder haar enige overblijvende zoon te komen vallen.
Gelukkig had Henk veel familie, een sterke en goede schoonfamilie, veel vrienden en collega’s. Zij rouwen hier nu mee om zijn overlijden. Laten we hopen dat al die mensen zullen helpen om Annick, Matthias, Alexander en oma Adrienne te ondersteunen.
Van Müllerthal naar Echternach 13,1 kilometers, 412 meter stijgen en 461 meter dalen
Onze derde dagtocht is misschien nog de zwaarste, niet in het aantal kilometers die we moeten malen, maar door de 412 stijg- en 461 daalmeters. Aan het ontbijt zal het alleszins niet gelegen hebben: in Hotel Le Cigalon was het ontbijtbuffet haast zo goed als dat in Le Bon Repos. We misten alleen spek met eieren. Een ander minpuntje is het late ontbijt, dat pas opent om half negen.
In Le Cigalon hebben we maar twee mensen van de staf gezien. Een jonge man en een jonge vrouw. Het zouden broer en zus kunnen zijn, maar ook een koppel. Zo staat het althans op de afrekening, waar sprake is van een Rita en Philippe, met verschillende familienamen. Afwisselend bevonden ze zich aan het onthaal, in de grote gezellige bar of in de grote eetzaal die de Cigalon rijk is. Het spreekt voor zich dat er nog ander personeel aan het werk zou moeten zijn, zoals onderhouds- of keukenpersoneel.
Tussen de scharen Vlamingen in slagen we erin af te rekenen en meteen daarna koers te zetten naar Echternach. Het pad begint met een stevige klim. We zetten er een flinke pas in. Het eerste uur kruisen we geen tegenliggers. Logisch, de eersten zijn waarschijnlijk rond hetzelfde uur vertrokken als wij, maar dan uit Berdorf.
Al snel passeren we weer spectaculaire rotspartijen in het beukenwoud, waar we foto’s van maken. Na enkele kilometers stappen zien we de eerste tegenliggers uit Berdorf wandelen. Toevallig of niet, alweer Vlamingen. Even komen we aan een grote baan piepen, waar je een extra klimmetje kan doen naar een spectaculair uitzichtpunt, de predikersstoel. We laten die stoel voor wat hij is, steken de baan over en verdwijnen weer in het woud.
Steeds meer tegenliggers komen intussen aangestapt uit Berdorf. Gezinnen met kinderen vinden de hangbrug die dichtbij Berdorf gespannen is een geweldige attractie. Vlakbij lopen we het woud uit en passeren we een camping. Een jaar of dertig geleden ben ik al eens in Berdorf geweest. Maar het landelijke boerendorpje van weleer is haast niet meer herkenbaar. Heel wat weiden en velden hebben plaats geruimd voor nieuwe hotels, woningen en residentiële woonkazernes en appartementen.
Even voorbij de kerk, uitgerust met een dak vol zonnepanelen, en het gemeentehuis vinden we een muurtje in het zonnetje, waar we ons laatste zakje goulashsoep oplepelen en wat voedselrepen de honger laten bestrijden. De wegwijzers van de trail brengen ons weer verder op het pad, opnieuw het woud in. In dat woud zijn best wel wat bezienswaardigheden te bezoeken, zoals een grot onder de kalkstenen, waar een openluchttheater is aangebouwd. Uit de zachte kalkstenen hebben vorige generaties lang molenstenen uitgehaald.
We volgen het pad naar Echternach langs een riviertje, geflankeerd door rotspartijen. Ik herinner me nog de spectaculaire rotsen van de Wolfschlucht, waar we door wandelen tussen neergevallen bomen en rotsblokken. Wie een extra uitdaging wil, kan nog langs een trap naar een hoge rots de omgeving afspeuren. Voor ons hoeft dat niet meer, we volgen gewoon het pad tot aan een reusachtige ligzetel, waar zich wat wandelaars hebben verzameld.
We kijken even uit over het panorama over Echternach dat zich beneden ons uitstrekt. De wandelaars die de reuzenligstoel bezet hielden, zijn inmiddels weer vertrokken richting Wolfschlucht en van daar vermoedelijk naar Berdorf. Marianne en ik hebben ons net geïnstalleerd als de collega van mijn vriendin met haar zoon weer opduikt. Wat een toeval: twee keer bekenden op dezelfde trail ontmoeten!
Marianne vraagt wat hun plannen nog zijn. Ze blijven nog een nachtje slapen in Echternach en gaan ’s avonds op restaurant eten, om het welslagen van hun hike te vieren. Wij dalen ook op ons gemak af. In de winkelwandelstraat zetten we ons op het buitenterras van een koffiehuis, waar we bij een koffie een wafel en appelstrüdel eten. En daarna zoeken we de gratis parking weer op, van waar we moe maar tevreden huiswaarts rijden.
Van Scheidgen naar Müllerthal 15 kilometers, 310 hoogtemeters, 414 daalmeters
Het ontbijt in Le Bon Repos opent om 7 u. De meeste Vlamingen schuiven op hun sokken in de eetzaal langs aan het overvloedige buffet. Er is keuze uit verschillende fruitsappen, koffie, thee, melk, broodjes, chocoladebroodjes, croissants en boterkoeken. Je kan er verschillende soorten lokale charcuterie proeven, kaas, gerookte zalm, yoghurtjes, hard of zacht gekookte eitjes, omeletten en gewoon wit brood. Er ligt ook fruit: mandarines, appelen en bananen. Het mag wel eens luxueus zijn. Maar Vlamingen komen natuurlijk niet voor het ontbijt alleen. Ze pakken hun rugzakken weer in, kijken nog eens of ze niets vergeten zijn en vertrekken in schuifjes weer richting Müllerthal. De overnachting hadden wij al op voorhand betaald. We moeten alleen nog onze drankjes en avondmaal afrekenen. Onder Vlamingen gaat dat allemaal gemakkelijk en snel.
We zijn nauwelijks op pad of we kruisen een vrouw van middelbare leeftijd met een verdomd zware rugzak op haar schouders. Een Vlaamse, je raadt het al. Ze draagt een tent, een slaapzak, een matje en ook nog een kooktoestelletje. We schatten dat ze twintig kilogram torst. Maar ze is niet alleen op trektocht, vertelt ze. Ze is speciaal vroeger opgestaan dan haar man, haar zoon en haar vriendin. Zij wandelt immers wat trager dan haar compagnons. Dat vindt ze niet erg, ze verwacht over een uurtje ingehaald te zullen worden.
Van uit de andere richting krijgen we een mooi palet van verschillende soorten wandelaars langs de trail. De overgrote meerderheid is ook vandaag van Vlaamse origine. Een man die de trail al verschillende keren gestapt heeft, verzekert ons dat de tocht nog veel mooier wordt dan de vorige dag, dankzij enkele spectaculaire rotspartijen. We kruisen koppels, moeders met meerderjarige dochters, veel gezinnen met een waaier van hondenrassen aan de lijn of, hoewel het niet toegelaten is, los lopend.
In een dal waar een riviertje door kabbelt stuiten we op een lege en droge bank, een te mooi plekje om er niet te picknicken, want we hebben al een hongertje. Uit onze rugzakken diepen we nog wat voedselrepen op en een zakje om hete goulashsoep van te brouwen. In de verte zien we een jongeman de heuvel afdalen. Het is ook zo’n uitslover met een zware rugzak op de rug. Op verstaanbare afstand roepen we al: ‘Zet je er maar bij, als je wil.’ Dat doet Mauro, want zo heet de jongeman, graag.
Mauro is een geboren Westvlaming, afkomstig van Veurne. Op een uurtje delen we onze respectievelijke levens in een notendop. Mauro blijkt net als een dochter van Marianne psycholoog te zijn. Mijn vriendin vraagt of ze hem mag fotograferen. We wisselen de foto’s uit en pakken onze picknick weer in om onze paden te vervolgen. Dat is nu het leuke aan dit soort wandelingen, je komt geregeld mensen tegen die je graag hun levensverhaal vertellen.
Wat verder stuiten we aan een spectaculaire rotspartij op een koppel waarvan de vrouw vruchteloos het goede pad aan het zoeken is. De trail is doorgaans uitstekend bewegwijzerd, voor ons met rode letters M. Op de rotsen waar de vrouw de weg kwijt is, staat een blauwe rechthoek geschilderd. Bij andere van die blauwe rechthoeken op de rotsen staat er normaal een beschrijving vermeld, die de wandelaar helpt om de route te vervolgen. Op die plek echter zijn de schilders de naam vergeten toe te voegen. We helpen de vrouw en haar gezelschap terug op het juiste pad.
Wat verder komen we weer aan zo’n wonder van de natuur: kalkrotsen waartussen een spleet van enkele tientallen meters hoog maar nauwelijks veertig centimeter breed de passage spannend maakt. Zeker als je met je rugzak opeens vastzit. Terug achteruit dus, de rugzak voor je uit dragen op z’n smalste zijde en zo terug verder langs het pad, dat nu helemaal in het donker is gehuld. Daarom staat er aan het begin van die passage ook een waarschuwing: een lamp is er geen overbodige luxe. De meeste wandelaars gebruiken het lichtje van hun gsm om tussen het smalle gesteente door te kruipen. Wat een avontuur!
Aan de uitgang van de rotspartijen ontmoeten we een Waalse oudere man met z’n vrouw en een jonge Mechelse scheper. Hij is nog niet lang geleden gepensioneerd en geniet nu van zijn leven, vertelt hij. Met hun zwerfwagen staan ze op een camping in de buurt. Hij heeft vele jaren in een koekjesfabriek gewerkt. Tot die fabriek dichtging en enkele tientallen kilometers verdere een nieuwe vestiging opende, die voor de man een veel langer thuis-werk-traject inhield. Na enkele maanden doorbijten besliste hij zo gauw het wettelijk kon toch maar met pensioen te gaan.
Als we even de beukenbossen van de Müllertrail verlaten en de warmte van een deugddoend zonnetje op ons bolleke voelen, zien we een vader, zijn zoon en nog een vrouw van middelbare leeftijd in t-shirt hun zware rugzak oppakken. Het is het gezelschap van de eerste vrouw die we zwaarbepakt in het begin van onze wandeling vanuit Scheidgen ontmoet hebben. De vader maakt zich niet teveel zorgen. Hij is er gerust op dat ze zijn vrouw wel weer ingehaald zullen hebben vóór het donker wordt.
Wat verder loopt het pad even tussen akkers en weiden. Om een hoek komen een vader van middelbare leeftijd met zijn volwassen dochter gewandeld. Denkend dat iedereen dezer dagen in het Müllerthal Nederlandstalig is, spreek ik hen aan, maar daar bega ik een vergissing: de vader en de dochter zijn van Duitse herkomst. Gelukkig spreekt iedereen tegenwoordig ook nog wel een mondje Engels om elkaar te begrijpen.
Terug in het woud komen we ouders met kinderen tegen. Opeens herkent Marianne een van haar collega’s die met haar zoon van 14 de Müllerthaltrail doet. Van een andere collega had Marianne al gehoord dat zij met haar zoon tijdens de herfstvakantie ook de Müllerthaltrail wilde doen. Ze hebben het beiden heel erg naar hun zin, zien we.
Het pad begint stilletjes aan vooral weer te dalen in plaats van te stijgen. We naderen het riviertje dat langs een asfaltbaan verder kabbelt. Op een bank zit een moeder met haar dochter uit te rusten. Ze waarschuwen ons dat we even verder zullen moeten oppassen om de rivier over te steken op de plek waar het pad loopt. Moeder en dochter durfden het niet aan om dat via de stenen in de snelstromende rivier te doen. Ze namen een omweg via een mooie brug over de rivier, waaronder drie watervallen voor fotografisch spektakel voor de toeristen zorgen. Vanzelfsprekend is het er druk.
Verder in de rivier liggen die grote platte rotsstenen, waar de moeder en haar dochter die we ontmoetten niet over durfden. Nochtans is het echt wel mogelijk om van steen tot steen naar de overkant te springen. Een Franstalige vader die blijkbaar op de camping vlakbij verblijft, helpt zijn zoon van een jaar of vijf over de rivier, terwijl Marianne er een filmpje van maakt. Met whatsapp is het tegenwoordig makkelijk om filmpjes uit te wisselen. Met het nummer van de papa krijgt de familie er een mooie herinnering op video bij.
Voorbij de camping, de ruïne van een oud hotel en de parkings aan het toeristisch hoogtepunt van het Müllerthal naderen we Le Cigalon, het hotel dat Marianne geboekt heeft. We nemen er een douche, gaan in de bar een drankje drinken als aperitief en schuiven om 19 u mee met de gasten aan tafel, waar we ons weer onder Vlamingen voelen. Marianne bestelt er een gepaneerde vis en ik een tartare de boeuf, elk met een ijsje als dessert. Ik laat me even gaan met een Coupe Colonel, normaliter geserveerd met citroensorbet en vodka, maar hier met ingevroren frambozen en vodka. Le Cigalon is wel wat duurder als Le Bon Repos. Een glaasje merlotwijn kost er € 8,5… Nu ja, na het eten vielen we weer als een blok in slaap.
Van Echternach naar Scheidgen 9,8 kilometers, 345 hoogtemeters, 190 daalmeters
Wat doet een mens in de herfstvakantie? Veel wandelen in de bossen in hun gouden herfsttooi. Wat een kleurenpracht zien we in het woud van Klein Zwitserland in Luxemburg. Marianne en ik zijn jaren terug al in de ban geweest van het Müllerthal. Van de drie grote lussen die samen de Müllerthaltrail vormen, kozen we voor Route 2, die vertrekt en weer aankomt in Echternach.
Die Route 2 zal ons in drie dagen van Echternach naar Scheidgen leiden, van Scheidgen naar Müllerthal en van Müllerthal via Berdorf terug tot Echternach. We weten al van een vorig bezoek aan Echternach, vele jaren eerder en elk los van elkaar, dat we onderweg in het woud op spectaculaire kalkrotsformaties zullen stuiten. Het is een van de redenen waarom de Müllerthaltrail gecertificeerd is volgens de strenge kwaliteitscriteria van de Europese wandelaarsvereniging. De Trail heeft de titel “Leading Quality Trails – Best of Europe” gekregen.
’s Ochtends vroeg rijden we in een uur of drieënhalf van Haacht naar Echternach. Op een grote gratis parking laten we de auto achter. We zwieren onze rugzakken op de rug, rijgen onze bergbotinnes aan de voeten en nemen een kijkje aan de basiliek. Daar stuiten we al meteen op andere Vlamingen. Ze zijn niet zo enthousiast over het toeristenbureau daar vlakbij. Wisten wij soms waar hier de winkelstraat was, vroegen ze. Ja dus, dat wisten wij. Zo’n honderd meter verderop. Het toeval wilde dat wij na enkele honderden meters van het startpunt van onze route ook door die autovrije straat moesten. Maar al snel sturen de wegwijzers ons een steil en smal kasseipad op. Na een nijdige klim zien we beneden het stadje van de beroemde processie en zijn basiliek liggen. We wandelen verder het heuvelende woud in. We zijn goed van start gegaan voor onze eerste dagtocht, de minst zware van de drie.
Ik herinner me van jaren terug dat dit pad, toen nog zonder de kasseien, ons langs de Wolfschlucht verder naar Berdorf zou leiden. Maar het bewegwijzerd pad van Route 2 beslist anders. We wandelen door een majestueus beukenwoud. Als onze maag knort installeren we ons op een plastieken poncho op een dikke omgehakte boomstam om enkele sandwiches te verorberen. Voor de lunch hadden we van thuis belegde broodjes meegebracht, fruit en voedingsrepen. Marianne heeft ook nog enkele droge voedingszakjes meegenomen, een restje dat we over hadden van de Laugavegur, een meerdaagse spectaculaire trektocht in IJsland die we in juli 2023 op ons palmares schreven. De houdbaarheidsdatum van die zakjes was nog net niet verstreken. We gieten heet water uit onze thermosfles in een zakje en drinken met behulp van één lepel samen de goulashsoep op. Dat soepje smaakt.
Hoe dieper we het bos inlopen, hoe meer hikers ons tegemoet wandelen. Het valt ons op dat de grote meerderheid van de wandelaars Vlamingen zijn. Dat het in Vlaanderen herfstvakantie is, zal daar wellicht toe bijdragen. Als we even verder op een zitbank wat zitten uit te rusten, wil een groepje Antwerpenaars van een jaar of zestien ons voorbij lopen. Maar we spreken hen aan en ze houden even halt. Er ontspint zich een gesprek. Ze dragen allemaal supergrote rugzakken van tien tot achttien kilogram alsof het niets is. Die van ons wegen amper 7 en 8 kilo. De jongens vertellen wat ze allemaal meesleuren: tenten, matjes, slaapzakken, foerage, een kookstelletje en vermoedelijk ook nog wat flessen met alcoholische dranken, maar daar zwijgen ze over. Het kost ons maar enkele minuten of we zijn aan de praat over scholen die we kennen, leraars en kennissen uit het Antwerpse.
Doorheen het bos stromen beekjes, lopen we over houten bruggetjes, klimmen we op houten treden omhoog en kijken we naar die enorme rotsen van zachte kalksteen die hun geschiedenis geheim houden. Bij het afdalen van de natte houten trappen kijken we uit niet uit te schuiven. Hier en daar liggen dikke stokken en takken in de modder naast het pad, dat op sommige stroken onder water staat. Maar als je wat uitkijkt, lukt het wel de bottinnen waterdicht te houden. Maar dan moeten we wel wat springen van wortels naar stukken steen en rots. In het bos zien we geen wilde dieren, maar ze zijn er wel, want de Antwerpse jongens waren al op jagers gebotst. Af en toe slaat een Vlaamse gaai alarm voor het gevederd volkje. Op mijn app voor vogelgeluiden vang ik de courante zangvogels en ook een blauwborst.
Wanneer de trail op een asfaltbaan uitloopt, zien we verderop een bushalte liggen. Achter het bushokje ligt hotel Le Bon Répos, waar we een kamer hebben gereserveerd. Aan de bushalte klampt een Vlaams echtpaar ons aan. Of de bus naar Berdorf naar links of naar rechts rijdt? We weten het zelf niet zo direct, maar even navraag doen in het hotel volstaat voor het antwoord. Voor de deur van het hotel staat een vuilnisbak, gevuld met blauwe plastieken overschoenen. Het is de bedoeling om die over je bemodderde schoeisel te trekken, om de lobby niet te bevuilen.
We checken in en installeren ons op onze kamer, waar we eerst van een heet ligbad genieten vooraleer we in de gelagzaal van het hotel een biertje of aperitiefje drinken. Die Orval is lekker, maar € 6,50 is wel wat aan de dure kant, vind ik. Het avondmaal wordt geserveerd om 19 u. De kaart van het restaurant is zeer overvloedig. Er is een wildmenu, een pizzakaart, een bladzijde vol pasta’s en nog een voor de vegetariërs. Natuurlijk zijn er ook tal van nagerechten. Marianne kiest als hoofdgerecht voor een lasagne met zalm, ik voor de groene gnocchipasta.
Wanneer alle gasten aan tafel gezeten zijn, tellen we twintig eters in de gelagzaal. De meerderheid onder hen heeft de bemodderde schoenen op de kamer gelaten en zit op z’n sokken aan tafel. We tellen een tafel van vier, een tafel van een vrouw alleen en een tafel van acht vrouwen, die elkaar in hun wijk hebben leren kennen bij het lopen. Verder zijn er twee tafels van koppels, waaronder wij, en tenslotte nog een tafel van drie. De gasten aan al die tafels hebben één ding gemeen: het zijn allemaal Vlamingen.
Het Müllerthal is tijdens de herfstvakantie blijkbaar zeer populair in de Lage Landen, want onderweg kruisten we naast Vlamingen ook nog wat Nederlanders. Na ons avondmaal kruipen we moe maar tevreden in bed. Ik leg me neer en val boempatat in slaap.
De boshut waar we een nachtje zullen verblijven, heeft al een lange geschiedenis achter de rug. De hut werd gebouwd door de vader van Ward en een goede vriend, vermoedelijk in de jaren zeventig. Ze trokken zich er regelmatig met nog andere vrienden terug om te schaken of te kaarten. De houten wanden van de hut zijn getooid met de affiches van Lineart, een kunstbeurs die Ward jaren geleden mee organiseerde.
Rond de hut liggen stapels stookhout. Er is ook een vijver met een aanlegsteiger. Ward heeft er als kind nog gezwommen en in rubberbootjes gevaren. De hut heeft een mooi terras dat uitzicht geeft op de vijver. Het hout van dat terras is gevaarlijk glad na een regenbui.
De vijver is momenteel bruin van de algen. Af en toe landen er eens eenden in of komt een reiger een visje jagen. Tot twee keer toe spotten we een ijsvogeltje dat ook een kijkje komt nemen naar die twee rare snuiters op het terras. Voor het geval dat het nodig zou zijn, troont Ward me eerst nog mee naar het toilet, dat zich een vijftigtal meters verder in het bos bevindt. Het hokje is een beetje scheefgezakt. Je moet je op het toilet zittend een beetje plooien naar die scheve houten wanden. Er staat een oude wc-pot in het hokje, die op een ijzeren plaat rust waar een gat in is gemaakt om de ontlasting in een put te laten vallen. Een spoelsysteem is er helaas niet, maar er is wel voldoende WC-papier voorhanden. Soit, Ward en ik hebben jaren geleden op scoutskamp leren wennen aan een “hudo”, een afkorting van ‘houd uw darmen open’.
Na de exploratie van het toilet begint Ward het voorgerecht klaar te maken, meloen met parmaham. Terwijl mijn vriend ons diner voorbereidt, beginnen we stilletjes aan de jenever van passievruchten op te drinken. Daarbij serveert Ward ons voorgerecht op houten borden. Hij heeft ook nog een boel vlees mee om te braden op de barbecue. Het is mijn taak om het vuur aan te steken en voldoende houtskool te maken om het vlees goudbruin te bakken. Dat lukt me aardig, er ligt voldoende droog aanmaakhout. We gooien er enkele dikke houtblokken bij en na nog een tijdje aperitieven proeven we de rode wijnen.
Terwijl ik mijn boekje aanvul, zorg ik voor vuurWard zet de tafel
In afwachting dat er genoeg houtskool is geproduceerd om het vlees te bakken, maakt Ward ruimte in de hut om onze slaapzakken en matjes uit te rollen voor de nacht. Er is geen elektriciteit in de hut, maar er hangt wel een kandelaar waarin we de boel met wat kaarsen kunnen verlichten.
We bakken het vlees op een stevige rooster die we boven het vuur plaatsen. Het eten is verrukkelijk, de wijnen zijn lekker en we onderhouden elkaar met betogen over onze voorgeschiedenissen, onze politieke overtuigingen, waarin we al vele jaren blijvend van mening verschillen zonder ruzie te maken. En de sterren staren teder.
’s Morgens sta ik op met diarree. Gelukkig niet al te zware, maar ik moet toch enkele keren gebruik maken van het scheefgezakte toilet. Zou het kunnen liggen aan die houten borden en het lichtbruine water uit de pomp? Het gaat gelukkig over na een lekker ontbijt met ons brood uit het woonzorgcentrum.
Straks hebben we kaarsen nodigHet vlees wordt gebraden
Als alles netjes opgeruimd en ingepakt is, verlaten we de boshut en beginnen we onze terugreis, opnieuw een kilometer of vijftien wandelen. De wandeling begint onder een stralende zon. We lopen aanvankelijk langs een deel van het parcours van de stamdropping van twee jaar geleden, die in Holsbeek langs de Chartreuzeberg en het kasteel van Horst liep. Maar nu wenden we de steven naar de andere richting, langs de weiden, bossen en velden waar Ward nog wat familie heeft wonen, naar de brug over de autosnelweg. Kort daarna slaan we rechts een overwoekerd pad in dat ons door manshoge varenpartijen tot in het Wingepark brengt.
Discussiërend over politiek gaan we de nacht inHet pad loopt door hoge varens
Van daaruit volgen we even de Aarschotsesteenweg en lopen we de Abdijlaan in langs het Montfortanencollege. Wat verder stappen we de spoorweg onderdoor en volgen we een tijd de Winge naar de Steenweg op Wezemaal, waarna we aan de achterkant van de Plas in Rotselaar belanden. Daar dwingt een onweer ons om onze regenkledij aan te trekken en onze rugzak te overkappen. Terwijl we langs de Plas wandelen horen we de redders waarschuwen voor bliksems en donderslagen. Iedereen moet het zwemwater verlaten. Als we aan de Sportcafé Ter Heide arriveren, komen we doornat de cafetaria ingedropen. Daar consumeren we nog een biertje terwijl onze kleren de kans krijgen een beetje te drogen.
Van de Plas nemen we het pad dat ons naar de Demer leidt. Op de Demerdijk slaan we af naar Werchter, waar we een bezoek brengen aan de moeder van Ward. Ze heeft een heleboel goede bieren uit haar koelkast getoverd en serveert ons daar bovenop nog een lekkere croque-monsieur. Van Werchter naar Wakkerzeel stappend langs de achterkant van het festivalterrein worden we nog eens verrast door een striemende regenvlaag, maar kort daarna lopen we Wakkerzeel binnen, waar onze auto’s nog op de parking van de Pastorie staan en we mekaar een goede thuiskomst wensen.
Eindelijk is het er van gekomen: een tweedaagse wandeling van alles samen ruim dertig kilometers van aan de Pastorie in Wakkerzeel tot aan een boshut in Holsbeek. In Wakkerzeel laten we onze auto’s achter en gaan we op tocht. Ward had me al meerdere keren gevraagd om eens met hem naar de boshut van zijn vader te trekken, te voet of per fiets, hij liet de keuze aan mij. Aangezien ik mocht kiezen, vertrekken we te voet.
We hebben allebei wel een redelijk zware rugzak mee. Ward zou voor het eten zorgen, ik voor het drinken. Toen ik hem vroeg wat hij zoal wil drinken bij ons avondmaal, wist hij goed wat hij wilde: een fles rode wijn, een fles witte, een fles rosé en een aperitiefje of degustiefje. Dat vond ik nu net allemaal een beetje teveel alcohol om op een avond op te drinken. Dus hield ik het bij twee flessen rode wijn en een halve liter fruitjenever.
Met de app van wandelknooppunten zette ik twee wandelingen van iets meer dan 14 kilometer uit. Eentje om naar de boshut te gaan en een tweede om ’s anderendaags langs een andere route terug naar Wakkerzeel te stappen. We zijn nog geen vijfhonderd meter onderweg op de Dijlekant, waar de Leibeek naast loopt, of we zien tegen de bosrand zo’n honderdvijftig meter ver een hinde en een jong reetje grazen. Ik haal meteen mijn verrekijkertje boven. Na enkele minuten krijgen de reetjes ons in de gaten en verdwijnen ze in het kreupelhout.
We volgen de Dijlekant tot we Strijland inslaan, een onverharde weg die ons naar de Achterheidestraat leidt. Van daar gaan we rechts de Kapoenstraat-landweg in, die in de Kapoenstraat uitmondt. Zo lopen we via de Vijfde Liniestraat Rotselaar in. Daar grijpt Ward zijn kans om me het verhaal te vertellen over een veldslag tijdens de Eerste Wereldoorlog, waar op één dag meer dan driehonderd Belgische soldaten sneuvelden.
Tijdens zijn verhaal begint het zachtjes te regenen. We kunnen er aan de herdenkingsplek gelukkig onder de bomen schuilen. Eens we aan de molen van Rotselaar twee keer de bruggen over de Dijle-armen zijn overgestoken, heeft Ward het verhaal van de Slag om Rotselaar verteld en was het regenen alweer gestopt.
We wandelen de Molenstraat uit tot de route ons rechts laat afslaan naar de Kwellenbergstraat, die ons naar de Hamelbroekweg voert, langs de Dijlekant. We blijven de rivier een heel stuk volgen maar verlaten ze weer terwijl we nog steeds op het Hamelbroekweg lopen, die ons naar de Durasstraat brengt. Zo lopen we Wilsele-Putkapel binnen. Onderweg zijn we twee lege broodautomaten gepasseerd. In Wilsele-Putkapel hopen we een bakkerij te vinden, want we moeten nog een brood vinden voor de volgende ochtend.
Op de Aarschotsesteenweg vinden we een bakkerij waarvan de deur open staat. Brood zien we er niet direct liggen en de bakker vertoont zich al evenmin. Na voldoende hard geroepen te hebben, komt er toch iemand poolshoogte nemen. De bakkerij is eigenlijk gesloten, zegt de jongeman die ons te woord staat. Hij heeft de voordeur open laten staan om voor wat verluchting te zorgen bij het zweterig weer. Bij de AD Delhaize in het dorp kunnen we ook al niet terecht voor een brood, want maandag is er de sluitingsdag.
We passeren de sporthal en vinden een pad langs de spoorweg. Daar zien we een bank staan, net wat we nodig hebben om onze picknick aan te spreken. We houden een mooi uitzicht op het zwembad. In het water zijn een heleboel jonge en oude dames onder de leiding van een energiek bewegende instructeur die zelf op het droge blijft, aan het aquagymmen. Wij doen alvast ons best om er niet als oude geilaards uit te zien.
Dus gaan we direct na ons middagmaal weer op stap langs de spoorweg, waar we links afslaan in de Daalputstraat en de brug over de A2 oversteken. Zo belanden we in het Gasthuisbos, waar we langs een onverhard pad een heleboel kleine poelen en vijvertjes voorbijlopen zonder natte voeten te krijgen.
Via de Gebroeders Van Tilststraat passeren we de Sint-Mauruskerk en steken we de Rotselaarsebaan over. Daar zien we de Sportschuur liggen. Helaas is ook daar de cafetaria gesloten. Onderweg passeren we een vrouw van middelbare leeftijd die haar hondje uitlaat. We vragen of er in het dorp nog een bakker open is. Ze denkt van niet, want het is immers al namiddag. Maar enkele straten terug zou de broodautomaat van de bakker wel nog broden hebben. Terwijl Ward wat uitrust op het terras van de gesloten cafetaria van de Sportschuur rep ik me naar de broodautomaat. Helaas, brood genoeg in voorraad, dat zeker, maar de automaat is defect.
Ik keer dan maar weer terug naar de Sportschuur, waar Ward zit te wachten. Onderweg vraag ik aan een dame die ik kruis of er in Holsbeek dan echt geen enkel café noch bakker op maandagnamiddag geopend is. Helaas, helaas, antwoordt ze. Tot er haar een lichtje opgaat. Maar jullie kunnen altijd wel terecht in het woonzorgcentrum, zegt ze. Ze is zelfs zo vriendelijk om ons de weg te wijzen.
Aan het onthaal van het woonzorgcentrum vragen we vriendelijk of we met onze rugzakken en bezwete kledij binnen mogen om onze dorst te lessen. Geen enkel probleem, verzekert de onthaalbediende ons vriendelijk. Gretig zetten we ons neer in de cafetaria, waar net de verjaardagen worden gevierd van de bewoners die in juli jarig zijn. Ze zijn herkenbaar aan het papieren hoedje op hun hoofd. Twee vrij jonge medewerksters dragen ook een hoedje en zorgen voor de animatie van het verjaardagsfeest. Intussen hebben wij al elk een biertje besteld. Tegenwoordig moet je dus naar de cafetaria van woonzorgcentra trekken om tegen zeer democratische prijzen te kunnen kiezen uit een grote keuze aan sterke bieren.
Als onze bieren schuimend voor ons staan, komt een of andere leidinggevende van het woonzorgcentrum even kennis maken met die twee rare snuiters die op het verjaardagsfeest binnengevallen zijn. We vertellen dat alles was begonnen met het gebrek aan brood onderweg. Daar wil hij wel een mouw aan passen. Hij stelt voor om ons aan de democratische prijs van de broodautomaat een brood te verkopen. Daar stemmen we meteen mee in. Zo zullen we de volgende ochtend toch kunnen ontbijten! Welgezind verlaten we het woonzorgcentrum en richten we eindelijk onze inmiddels vermoeide schreden naar de boshut.
Alweer een broodautomaat zonder brood…Memoriaal van een veldslag in WO IWandelen langs de DijleEen verjaardagsfeestje in het Woonzorgcentrum, met een feestelijk biertje!
We zijn op de laatste stapdag van onze driedaagse weer meer dan 30 kilometers onderweg naar Saint-Quentin. Aangezien ik na onze aankomst in die stad met een kathedraal mijn notaboekje niet meer heb aangevuld, moet ik nu hier en daar wat improviseren.
In de bronnen van de Somme
We verlaten Bohain-en-Vermandois langs een pad dat ons langs een beek leidt die onder de spoorweg doorloopt. Van daar volgen we een track door de glooiende velden en bossen van Noord-Frankrijk. We speurden de horizon af om van kerktoren naar kerktoren te wandelen en rijgen de gehuchten langs de Compostellaroute aan elkaar.
Een van de hoogtepunten van de laatste wandeltocht is ons bezoek aan de bronnen van de Somme. Ik dacht dat we het water ergens van uit de grond zouden zien komen, maar dat was een vergissing. Wat ze in het gehucht Fonsomme de bronnen van de Somme noemen, is een vijver die gevoed wordt door een stevig uit de kluiten gewassen beek met erg koud water dat ergens van onder een duiker tevoorschijn vloeit.
De bronnen van de de Somme hebben een toeristisch kleedje aangetrokken, met mooie wandelpaadjes, een keurig afgereden grasperk, wat afgeboorde wandelpaadjes en natuurlijk een parking voor de toeristen. Er staat nog een hokje dat gesloten is en waarvan we dus het nut niet kunnen doorgronden. Onze hoop om eens iets anders dan water te kunnen drinken was daarmee gesmoord.
Aan het vijvertje dat voor de bronnen van de Somme doorgaat, waren we niet de enigen die pootje baadden in het water. Twee jonge vrouwen speelden met een hond aan de oever van het water. Ze experimenteerden met een drone en lieten de hond erachteraan hollen. Wij maakten van een rustpauze gebruik om even onze botinnes uit te trekken, onze drinkflesjes aan te spreken en een snack die nog in onze rugzakken zat te verorberen. In de zon op het gras was het al lekker heet.
Achter het parkje van de bronnen volgen we de Compostellaroute langs een beek. We komen in een gebied met diverse kanaaltjes, vijvers en beken met veel groen en bos. We spotten er een specht, een stel eenden en een reiger. Enkele kilometers verder belanden we weer tussen de velden. Op een pad onder een hoogspanningslijn eten we onze picknick op.
Het landschap blijft langs het Compostellapad hetzelfde: op de grote glooiende velden lopen we weer langs reusachtige herenhoeves met enorme schuren en stallingen. Brede stroken groene hagen bakenen de landbouwpercelen af. Tussen de velden geselen tracks van granieten stenen onze voetzolen. Alleen reusachtige tractoren met een oplegger voor de balen kunnen er makkelijk over rijden.
Wanneer we aan een veld met grote windmolens komen, zien we voor het eerst in de verte de kathedraaltoren van Saint-Quentin. We passeren nog enkele gehuchten en straten met triestige, eenvoudige en kleine huurwoningen tot we aan de eerste huizen van Saint-Quentin komen, waar we op een geopend café stuiten. Daar kunnen we niet zomaar aan voorbijgaan. In de kroeg zitten vier klanten hun dorst te lessen, want buiten is het te warm. We kopen er twee blikjes ijskoude cola, want ons resterend water is al lang niet meer koel. Bart kijkt eens op zijn wandelapp en schat dat we nog een vijftal kilometers langs het kanaal van Saint-Quentin moeten stappen vooraleer we in de stationsbuurt arriveren.
Op een halve kilometer van het station passeren we een strand met een grote zwem- en roeivijver. Op het strand staan speeltuigen en minstens één grote cafetaria. Het lijkt wel Hofstade plage, maar het complex werd Plage d’Etang d’Isle gedoopt. Voorbij de vijver zien we in de verte het station liggen.
De middeleeuwse basiliek van Sint-Quintinus
Even aarzelen we of we ook nog naar de uit de middeleeuwen stammende Sint-Quintinusbasiliek van Saint-Quentin zullen stappen, wat we eigenlijk moeten doen om onze stempel te halen, maar die kerk laten we voor wat hij is. Onze volgende etappe op de Compostellaroute zal immers in Saint-Quentin starten, dan hebben we nog een kans om ons stempelboekje aan te vullen.
We besluiten eerst onze treintickets naar Maubeuge te kopen. Daarna gaan we nog een pint drinken op het terras van een café zonder klanten. Paix Dieu heeft de uitbaatster niet, maar Karmeliet wel. Het is er duurder om op het terras een consumptie te gebruiken dan binnen te zitten. Goed op tijd belanden we terug in het station van Saint-Quentin om de trein naar Maubeuge te nemen.
Het ticketje om de gratis parkeergarage binnen te geraken vind ik niet in mijn portefeuille, het zal dus nog op het dashboard van mijn wagen liggen, hoop ik in stilte. In Maubeuge hebben we een strategie bedacht om toch zonder ticket de garage in te geraken: terwijl ik aan de voetgangersingang aan de parlofoon iemand aan de lijn probeer te krijgen, trekt Bart gewoon aan de toegang voor de wagens de wacht op tot een auto de poort binnenrijdt en hij mee binnen kan glippen. Maar voor dat gebeurt, krijg ik een man aan de parlofoon zo vriendelijk om de voetgangersdeur voor mij open te maken. Anderhalf uur later zet ik Bart af in Wakkerzeel.
In de Chambres d’hôtes La Maison du Parc de Papidan in Bohain-en-Vermandois, een uit de kluiten gewassen dorp van zo’n zesduizend inwoners, heerst wat chaos. Een man van middelbare leeftijd laat ons binnen. In het mooie huis staan, zitten en liggen een hoop jonge lieden. Eentje staat te slapen in de salon, anderen zitten in de tuin, in de eetplaats of op een slaapkamer, waar een groepje jongeren van verschillende leeftijden zich creatief bezighoudt met stiften, kleurpotloden en verf.
De man die ons verwelkomt, excuseert zich meteen. Normaal gesproken, zegt hij, houdt mijn dochter zich bezig met de B&B. Helaas is ze nu met vakantie. Nu moet ik het hier allemaal regelen. Hij zucht eens. De B&B heeft voor die nacht nochtans maar drie gasten, wij zelf en een assertieve Nederlandse dame van halverwege de zestig.
problemen met het wier in de schroef op de Samber
Wat mijn broer meteen gezien heeft, is dat er in de tuin een cirkelvormig zwembad staat opgesteld. Je moet met een trapje over de rand klimmen om te genieten van het verkoeling brengend water. Thuis hebben wij een gelijkaardig opzetzwembad. Het is intussen alweer afgebroken.
Onze gastheer neemt ons mee naar de bovenverdieping, om er ons onze kamer aan te wijzen. In het piepkleine kamertje staan twee éénpersoonsbedden. Tussen de muur en het voeteneind van de bedden is de afstand 25 centimeter. Onze rugzakken zetten we in een hoek van de kamer, om ruimte te winnen, want als we ze achter het voeteneind van de bedden zouden plaatsen, zouden we altijd over elkaars bedden moeten klimmen.
De gastheer toont ons ook het toilet en de badkamer. Het toilet ligt helemaal aan het einde van de linkerkant van de gang. De badkamer, die bestaat uit een wastafel en een kleine douche, ligt helemaal aan de rechterkant van de gang.
Het zwembad in de tuin geeft mijn broer inmiddels grote kriebels om te gaan baden. Hij belandt in het water naast de Nederlandse vrouw. Ze raken in een geanimeerd gesprek verwikkeld, want de vrouw heeft al meer ervaring met de Compostellaroute dan wij. Zij vertelt honderduit over haar wandelavonturen. Zo heeft ze bijvoorbeeld al de Caminho Português gelopen, van Porto naar Santiago de Compostela.
Niet voor niets heeft de vrouw die variant gekozen, zegt ze, want die route loopt langs de zee. Je kan dan altijd even uitrusten om een tijdje te zonnen of te zwemmen. Die Caminho Português staat bekend als de makkelijkste bedevaartroute naar Compostella.
Pas na een kwartier, na mijn stortbad, klim ik ook in het ronde zwembad. Bart en de Nederlandse zijn nog steeds niet uitgepraat. De vrouw vertelt dat ze speciaal naar Bohain is gekomen voor Matisse, een beroemde Franse schilder. Op Wikipedia lees ik dat deze Franse kunstschilder, graficus en beeldhouwer samen met Pablo Picasso beschouwd wordt “als een van de meest invloedrijke en vernieuwende kunstenaars van de 20ste eeuw”.
Ineens is iedereen uit het opzetzwembad verdwenen…
Matisse bracht zijn jeugd door in Bohain-en-Vermandois, een dorpje vlak bij zijn geboorteplaats Le Cateau-Cambrésis, waar zijn ouders handel dreven in graan en drogisterij. In 1952 schonk hij 82 werken aan zijn geboortestad Le Cateau-Cambrésis, waar een museum voor hem werd opgericht. In Bohain-en-Vermandois is er geen specifiek museum aan hem gewijd. Er staat wel een Maison de Matisse en in de Rue de la République werd er een school naar hem genoemd, het Collège Henri Matisse.
Wat de Nederlandse niet vertelde, was dat zij vlak voor onze neus met onze kamer was gaan lopen. Mijn broer had immers de kamer gereserveerd waar zij was ingetrokken. In die kamer waren er naast twee ledikantjes ook een privé stortbad en een toilet aanwezig. Toen hij dat in het snotje kreeg, ging mijn broer verhaal halen bij de reserve-gastheer. De man bood ons dan maar een korting op de huurprijs aan. Hij was ook zo vriendelijk om ons de weg te wijzen naar de Borsalino, een pizzeria, niet zo goed als Gio in Maroilles, maar toch ook best te pruimen. Al was het frambozenijs er niet zo lekker als het zelfgemaakt frambozenijs van Marianne. Tripadvisor plaatste de Borsalino op de 4de plaats van 13.
Frambozenijs! Maar het zelfgemaakt frambozenijs van Marianne is beter…
’s Ochtends bij het ontbijt had de invaller-gastheer flink zijn best gedaan om ons een uitstekend ontbijt te serveren. Hij had zelfs croissants en chocoladebroodjes in huis gehaald. Daar bovenop gaf hij ons nog een goede raad vooraleer we het pand zouden verlaten om naar Saint-Quentin te stappen: neem voldoende water mee. Het zou weer een heel hete dag worden, zei hij, en hij voegde daar aan toe dat er tussen Bohain-en-Vermandois en Saint-Quentin geen cafés, winkels of andere neringen te vinden zijn waar je wat te drinken kan kopen. Daar hadden we na twee stapdagen al niet meer op gerekend. Met al onze drinkbussen en plastieken flesjes gevuld, vatten we de laatste etappe van onze driedaagse aan: naar Saint-Quentin. Het zou alweer een hete en zware dag worden.
Redelijk stinkend bezweet en verregaand vermoeid bellen we aan bij de Chambres d’Hôtes Vert Bocage in Maroilles. Een Franse vrouw van middelbare leeftijd opent de deur. Marie-France Vilbas, zo heet onze gastvrouw, lees ik op de naamkaartjes die we later die avond zullen meenemen. Marie-France is een rot in het vak. Ze baat al meer dan twintig jaar de tot Chambres d’Hôtes verbouwde hoeve uit.
Gelukkig trekt ze geen neus op voor de stinkerds die ze nu moet ontvangen. Ze had ons al verwacht, zegt ze. Zet jullie stokken maar in het rek, zegt ze nog. Die stokken moeten daar tijdens ons verblijf blijven staan. We vertellen over onze lange wandeling van Maubeuge langs de Samber tot aan haar Chambres d’Hôtes. De vele kronkelingen van de Samber hebben onze tocht langer gemaakt dan verwacht, zegt mijn broer. We hebben dik meer dan 30 kilometers gestapt.
Hebben jullie geen dorst?, vraagt ze. Natuurlijk wel, denken we, ons water is trouwens zo goed als op en onze tongen smaken naar karton. Hebt u misschien een pintje in huis, vraagt mijn broer. O jawel, antwoordt de vrouw, en ze komt met twee ijskoude pilsjes aandraven en twee halve literflesjes water. Ze is ’s anderendaags zo vriendelijk om die pintjes niet op de rekening te zetten.
In Vert Bocage wordt er geen avondmaal geserveerd. Maar onze gastvrouw raadt ons wel een zeer goed pizza-restaurant aan. Het is maar een kleine kilometer lopen. We kunnen Pizzeria Gio niet missen, het is een van de eerste neringen die we in het dorpscentrum tegenkomen. Er zijn volgens mevrouw Vilbas nog tal van andere restaurants en cafés in het dorp. De bakker bevindt zich vijftig meter verder langs de overkant van de straat, gaat ze verder. Daar kunnen jullie dan morgenochtend een lunchpakketje kopen.
We moeten volgens Marie-France zeker ook de kerk bezoeken, de watermolen en de abdij, waar nog altijd renovatiewerken plaatsvinden. Na onze douche trekken we propere kleren aan en wandelen we nog een kilometertje verder naar de dorpskom. Van ver zien we het terras van pizzeria Gio al liggen. Er zit een jong koppel te eten. Ze drinken Duvel. U leest het goed: ze drinken Duvel. We zwaaien het koppel toe met een vriendelijke goeiedag. En ja hoor, de man antwoordt ons in het Nederlands. Maar we gaan eerst een kijkje nemen in de kerk.
Maroilles blijkt een dorp met een geweldig oude geschiedenis te zijn. De voormalige abdij van Maroilles was een klooster van benedictijner monniken, gesticht halverwege de zevende eeuw. De abdij werd tijdens de Franse Revolutie geplunderd en helaas deels verwoest. De watermolen en de tiendenschuur bleven wel overeind. Die laatste werd fraai gerenoveerd tot toeristisch centrum, dat al gesloten is als wij er passeren.
Dus lopen we even de Saint-Humbertkerk binnen. Voor de kerk ligt er al een Sint-Jacobsschelp in de plavuizen van het kerkplein. In de kerk hangen er raadgevingen voor de pelgrims op: waar ze kunnen overnachten, wie ze daarvoor kunnen bellen en wanneer. Informatie die wij natuurlijk niet meer nodig hebben.
In de kerk staat een maquette van de abdij in haar gloriejaren. We stuiten er op nog andere merkwaardige dingen. In de rechter zijbeuk staat een gouden schrijn waarin we achter een glazen raampje een schedel ontwaren. U raadt het: die van de Heilige Saint-Humbert, de heilig verklaarde abt. In de linkerzijbeuk staat een grappig beeld van een priester in zijn misgewaad. Ik vertaal even het bordje dat onder zijn sokkel hangt: ‘laat een parochie tien jaar zonder priester en men zal er de beesten vereren’, wat een gezegde was van pastoor d’Ars. Bij het buitengaan port de parochie de kerkbezoekers nog aan om mee te doen aan een inzamelingsactie voor de missies. Op een bordje staat een bril getekend, met de boodschap: ‘hier kan u uw oude bril brengen voor de missies. Merçi.’
We hebben honger gekregen, dus keren we weer naar de pizzeria. Het jonge koppel zit er nog. Ze zwaaien eens naar ons, of zijn het de wespen die rond hun pizza zoemen waar ze vanaf proberen te geraken? We zetten ons neer naast hun tafeltje en kiezen een pizza uit het menu. Ik kies een vierkazenpizza. Eén van de kazen is een kaas waar ik nog nooit van heb gehoord: een Maroilles.
De gemeente Maroilles blijkt in het noorden van Frankrijk welbekend om zijn Maroilles-kaas, een AOP-kaas (Appellation d’Origine Protégée) die een eeuw geleden door de monniken van de abdij werd gecreëerd. De zachte kaas heeft een gewassen korst en is gemaakt van koemelk. Op de pizza smaakt hij heerlijk romig en melkachtig. De abt liet overigens niet alleen zijn kaas en zijn schedel na, maar je vindt zijn naam ook terug op de flesjes witbier van de ambachtelijke brouwerij van Saint-Humbert.
Sociaal als we zijn, geraken we aan de praat met de twee Duvel drinkende Vlamingen naast ons. Het verbaast me eerlijk gezegd dat de jonge vrouw ook aan de Duvel zit. Op de drankenkaart van Gio wemelt het van Vlaamse bieren. Nu ik dit schrijf heb ik spijt dat ik van die bierkaart geen foto heb gemaakt. Los uit mijn geheugen herinner ik me dat ongeveer alle trappistenbieren erop vermeld waren, en zeker ook Karmeliet, Cornet en Paix Dieu.
Kris en Jaen, onze Vlaamse buren op het terras, zijn al een tijdje samen, vertellen ze. Kris was vooraleer hij met Jaen een koppel vormde godsdienstleerkracht in Ronse. Jaen is van Turkse origine. Ze leerde Kris kennen tijdens een Erasmusstage in Gent, waar ze een opleiding tolken volgde. Jaen spreekt vlekkeloos Nederlands. De twee werden verliefd op elkaar en nu hebben ze trouwplannen. Ze verhuisden van Ronse en Gent naar Leuze, een dorp in de buurt van Maroilles, waar ze een huis hebben gekocht dat ze aan het renoveren zijn.
Kris stelt ons een vraag die we niet hadden verwacht: zijn jullie gelovig? Tja, dat is relatief, antwoord ik terwijl ik mijn broer aankijk. Wij zijn allebei in een katholiek gezin opgegroeid. We zijn zelfs lang misdienaar geweest. Maar echt gelovig, neen, ik denk niet dat wij dat nog zijn. En jullie, kaats ik de bal terug. Wij zijn wel gelovig, zegt Kris. Om dat te staven zegt hij dat hij heel de bijbel heeft gelezen. En Jaen is nu ook het heilig boek beginnen lezen. Zij is inderdaad in Gent tot het katholiek geloof bekeerd. Ze hebben intussen al een tijdje hun pizza achter de kiezen en nemen afscheid.
Bart en ik lopen nog wat rond in het dorp, op zoek naar een cafeetje om nog een pint te drinken. Maar alle restaurants en cafés zijn al dicht, of staan op sluiten. Alleen op het terras van de cafetaria aan de abdij is er nog leven: aan drie tafeltjes zitten er nog klanten. Ook op die kaart staan tal van Belgische bieren. Bart bestelt nog een Duvel maar dan zie ik dat er ook Paix Dieu van het vat op de kaart staat. Ik kan hem nog net van de Duvel redden. En gelukkig maar, want de Paix Dieu bestaat in drie inhoudsmaten, 25 cl, 33 cl en 50 cl. Bart komt terug met twee Paix Dieus. Ik denk dat het mooie engeltje dat er de bar deed, erover heeft gewaakt dat onze bestelling dichter bij de halve liter lag dan bij de 33 cl.
Als ons bierglas leeg is, wandelen we terug naar de Vert Bocage. Nu we in de andere richting stappen, merken we onderweg een koffiehuis op. Het is natuurlijk ook al gesloten, maar de naam doet ons glimlachen: Chez Georgette. Moest onze moeder mee op tocht naar Compostella geweest zijn, dan zou ze voor ons wel opengedaan hebben, zegt ze, voor tv gezeten in haar zetel.