De Muts (5): Wartet, 2 december 1985

Peter Verbraeken had verwacht bij de kleinsten en de jongsten te zijn. Dat laatste klopt ook, maar dat kon hij de eerste dag nog niet weten. Het eerste klopt niet. Rond zich ziet hij wel een stuk of tien jongemannen kleiner dan zijn eigen 1,77 meter. Een van hen herkent hij als Stille Mario. Mario was de snelste op de veldloop in Flawinne, tijdens de fysieke selectieproeven enkele maanden geleden. Alle dienstplichtigen die in het CRS voor het Regiment Paracommando kozen, moeten vooraleer ze toegelaten worden tot de opleiding, bijkomende proeven afleggen, zoals hardlopen tegen de tijd. Tijdens die veldloop had Peter lang gelijke tred kunnen houden met Mario, tot die de laatste tweehonderd meter versnelde en hem er onverbiddelijk afliep. Na de cross kwamen er niet meer woorden uit Mario’s mond dan ervoor, daarom had Peter hem Stille Mario gedoopt. En nu zit hij hier opnieuw, schuw naar beneden kijkend op het bed rechtover hem aan de overkant van de zaal. Peter is zelf geen roeper maar tegenover Mario kost het hem niet zoveel moeite zijn schuchterheid te overwinnen. Hij zwaait en roept ‘Hey, dag Mario! Alles ok?’
‘Ja.’ Dat woord en een flauwe glimlach van herkenning, daar kan Peter het mee stellen. De ongemakkelijke stilte die hij verwacht, krijgt de kans niet te vallen want van enkele bedden verder borrelen ho’s en he’s op. Een johnny in wit T-shirt en jeans zuigt iedereens aandacht naar zich toe. Lachend stroopt hij zijn korte mouwen wat hoger en laat hij zijn biceps rollen. Ongelooflijk, we zijn hier vijf minuten en er staat al eentje te pronken met zijn spierballen, denkt hij. De lach van de macho schalt door de zaal. Hij schijnt zich al helemaal thuis te voelen. Een andere kerel schiet er naar toe, onbedwingbaar en met uitgestoken hand. Peter spitst zijn oren.
‘Hallo, ik ben Frank.’
‘Hey man, ik ben De Greef Alain, maar zeg gerust Alain.’
De twee drukken elkaars hand krachtig en dat is blijkbaar niet genoeg. Ze slaan elkaar nog uitbundig op de schouder, blij dat ze elkaar gevonden hebben. Nog geen minuut later zetten ze het op een zingen. ‘Steek een kaars in je aars vannacht…’ Peter moet denken aan de verhalen van Dirk over de cantussen in Leuven. Zouden ze daar ook zo’n liedjes hebben gezongen? Daar volgt ‘hoe sterk is de eenzame neuker die kromgebogen over zijn vrouw het gat niet vindt…’ Luide bijval. Ook Mario is rechtgestaan en stevent op de zangers af. Peter wrijft over de puist op zijn kin. Zijn broer Dirk zingt nu niet meer. Hij zucht.
‘Wel, is alles ok?’
Het is een tengere kerel met een brilletje die hem aanspreekt. Hij knikt kort en wendt de blik dan dankbaar naar de meezingers die zich wat verderop rond De Greef Alain hebben verzameld en luidruchtig met elkaar kennis maken.
‘Hoe heet je?’ Hij kijkt terug naar de brillenkas en zegt na een kleine aarzeling zijn naam: ‘Peter.’
‘Dag Peter, ik ben Marc.’ Ze schudden elkaars hand.
‘Hoe ben jij hier terechtgekomen?’
‘Euh, waar kan ik beginnen? Ik heb net de humaniora af.’
‘Welke richting?’
‘Latijn-wiskunde.’
‘Dat is toch geen stop-richting? Waarom studeer je niet verder?’
‘Ik wist niet wat doen. Waarom niet eerst naar het leger gaan, dacht ik zo.’ Hij pulkt aan zijn neus en kijkt naar zijn voeten. Hij ritst zijn sporttas open. Een oortje van zijn walkman wipt eruit en een van de cassetjes valt op zijn bed.
‘Waw, een walkman. Mag ik eens zien ?’ vraagt Marc. Peter wil hem zijn cassetterecordertje met de oortjes geven.
‘Neen, die cassetjes’. Het zijn audiocassetjes waarop lp’s zijn opgenomen. Marc leest de titels op de rug van de doosjes: Wish you were here/Pink Floyd, Decade/Neil Young, Blonde on blonde/Bob Dylan, Blood on the tracks/Bob Dylan, Born to run/Bruce Springsteen en Lou Reed/Live.
‘Man, wat een goeie platen! Maar…’
‘O, als je soms eens naar muziek wil luisteren, vraag maar’.
‘Graag’, knikt Marc hem toe. ‘Je hebt een goede smaak.’ In de ogen van Peter verschijnen lichtjes.
‘Mag ik eens proberen?’
‘Hier.’ Hij reikt Marc de walkman aan. ‘Zeg me eens welk liedje er begint.’
Marc zet het lichte boogje uit aluminium dat de twee oortjes verbindt voorzichtig op zijn hoofd. Hij drukt de play-toets van de Sony-walkman in. Een bas komt aangewandeld. Een makkelijke.
Walk on the wild side’. Dat ken ik al een hele tijd.’
‘Holly came from Miami FLA.’ Peter begint het liedje fluisterend mee te zingen, zonder oortjes. Marc trekt het schelpje van zijn linkeroor om beter te kunnen horen wat Peter amper hoorbaar zingt. Hij kijkt hem geamuseerd aan.
‘Hitch-hiked her way across the U.S.A
Plucked her eyebrows on the way
Shaved her legs and then he was a she’
En dan fluistert Marc mee:
‘She said, hey baby, take a walk on the wild side‘
Ze lachen. Marc drukt op de stoptoets, haalt het laatste oortje van zijn oor en geeft de walkman terug. Hij klopt even op de schouder van Peter.
‘Waw, jij kent die tekst van buiten!’
‘Oh, mijn grote broer heeft eens de tijd genomen om me dat liedje uit te leggen.’
Marc trekt zijn wenkbrauwen op.
‘Ah ja? En over wat gaat het dan precies volgens hem?’
‘Euh, over de scène van de homo-prostitutie in New York. Of… Waarover dacht jij misschien dat het ging?’
‘Oh, dat weet ik eigenlijk niet. Ik heb er nooit bij stilgestaan, bij die tekst… Maar wat je zegt zal wel kloppen zeker?’
Een antwoord komt er niet meer van Peter. De deur zwaait open en een militair stapt de slaapzaal binnen.

Advertenties
Geplaatst in De Muts | Een reactie plaatsen

De Muts (4): Wartet, 2 december 1985

De stoptrein van Namen naar Luik rijdt bij het naderen van Marche-les-Dames over de smalle oeverstrook tussen de Maas en de steile rotsen die koning Albert I op 17 februari 1934 een fatale loer hebben gedraaid.
‘Wisten jullie dat koning Albert naar het schijnt nauwelijks een voet heeft gezet in de loopgraven ?’ Marc vindt niet dat ze de beroemde rotsen zonder meer kunnen passeren. Er moet iets historisch in herinnering worden gebracht, al was het maar een mythe. Johan en Frank reageren niet. Met de ogen van schelvissen reikhalzen ze naar de grote kaki tenten en het paradeplein van de Kampcompagnie van het Trainingscentrum voor Commando’s, langsheen het spoor, vlak voor het station. Voor hun tent poetsen enkele soldaten hun schoenen. Als de trein remt, zien ze achter de tenten tussen de beuken een kasteeltje liggen. ‘Kijk, het kasteel van de Prinsen van Arenberg’, wijst Johan. Het kasteel en zijn omgeving doen sedert september 1945 dienst als legerplaats van de commando’s. Johan, Marc en Frank hebben ogen te kort als ze tussen andere kort geschoren jongens afstappen en de weg van het station naar Wartet inslaan. In de Rue du Roi Chevalier die langs de Maas en de spoorweg loopt, staan slechts enkele huizen, een restaurant en een café. Later zullen ze ontdekken dat het café uitgerust is met een toonbank vol snoep, om op suiker beluste soldaten in opleiding ter wille te zijn. Van de Rue du Roi Chevalier slingert naast het kasteel Arenberg de Rue Notre Dame du Vivier de flank van de Maasvallei op naar het plateau van Wartet. Dat gehucht draagt dezelfde naam als het kwartier waar de kandidaat-paracommando’s hun basisopleiding krijgen. Zingend marcheert een peloton de weg voor het kasteel op. De groentjes houden eerbiedig halt om de passerende aspirant-para’s in hun bruin-groen gevlekte tenue beter te kunnen bekijken. Overrompelend zingen ze hun strijdlied terwijl ze in een urenlang gedrillde uniformiteit van de kleinste van hun bewegingen voorbij dokkeren op de cadans van combathielen die hakken op de macadam. De trots in de blik van de soldaten bezorgt Marc kippenvel. ‘Zo waar als ijs, als vuur’, prevelt hij. Frank kijkt hem niet begrijpend aan.
Het leger is alomtegenwoordig in Marche-les-Dames. Boven op de klippen en over de ravijnen hangen, vanaf de begane grond nagenoeg onzichtbaar, de hoogte- en risicopistes van de commando-opleiding. Op de loodrechte rotsen staan klimsporen uitgezet. Twee deathrides landen in de buurt van het gerestaureerde kasteel, fraai als een postkaart in sepia. Van uit garages en depots langs weerszijden van de weg omhoog naar Wartet keuren de anciens onbeschaamd als veehandelaars de nieuwkomers. Wat verscholen links ligt de Coêtquidan, meer dan tweehonderd jaar geleden gebouwd als gerieflijk landhuis van de meestersmid, vandaag de kwartierbibliotheek en het verblijf van de onderofficieren. Verder omhoog tussen de Rue Notre Dame du Vivier en de Gelbressée bevinden zich de Kantine Troep en de filmzaal. De Gelbressée, een flink uit de kluiten gewassen beek die haar eigen valleitje heeft uitgesleten vooraleer ze zich in de Maas stort, stroomt nog wat hoger door een vijver. Aan de overkant van de plas staat een loods neergepoot. Van de straat loopt links een verharde zijweg met een brugje over de beek naar die constructie in snelbouwstenen. De Kampcompagnie bewaart er haar dinghy’s, stevige rubberboten met peddels. Aan de rand van de vijver tiert iemand op de bemanning van twee boten. Maar voor de groentjes die het tafereel hongerig aanstaren, zonder merkbaar effect. Vanuit de mess in Hotel Belle-Vue, een statig herenhuis aan de rechterkant van de straat, hebben de officieren een mooi uitzicht op het water en de deathride die erover is gespannen. De verharde zijweg loopt aan de rechterkant van de Rue Notre Dame du Vivier over in de Golgotha, een voetpad dat steil de beboste rotshelling op kronkelt naar het boven op het plateau gelegen deel van het kwartier. Voertuigen bereiken Wartet via de straat, een omweg. De miliciens worden doorgaans beneden aan de Golgotha gedropt om verder te voet naar hun nieuwe thuis te klimmen.
‘Is ‘t wel langs hier ?’ roept Frank als een haantje de voorste zonder aarzelen de beklimming van het rotspad aanvat. Johan bevestigt dat ze goed zitten. Hij is met zijn vader al op een opendeurdag in Marche-les-Dames geweest.
‘Pas maar op voor uw kuiten, dat pad is steil’, waarschuwt hij. Het pad is ook glibberig. Hier en daar zijn trappen aangelegd. Op Franks voorhoofd parelen de zweetdruppels als hij met zijn valies eindelijk boven is geraakt. Op de heuvelkam stoten ze op het wachtlokaal en de blokken van de Schoolcompagnie, waar de dienstplichtige officieren en onderofficieren worden opgeleid. Een wachtpost stuurt hen door naar de Instructiecompagnie. ‘Officieren en onderofficieren krijgen scholing’, zegt Johan, ‘soldaten krijgen instructies.’ Vlakbij het wachtlokaal bevindt zich een klein doorzichtig eenpersoonskamertje waar op vrijdagavond soms een lange rij van gestraften staat aan te schuiven: de telefooncel. Achter de barakken van de Schoolcompagnie gaat de koordenpiste schuil. Van hieraf voert een betonweg de nieuwelingen nog een klein beetje hoger, met links de nieuwe sportzaal en het door weiden en akkers omgeven paradeplein waar de drills geoefend worden en rechts de hindernissenbaan met haar spectaculaire obstakels. De straat loopt uit op een verzameling blokken in cellenbeton: de ziekenboeg, het wapenmagazijn, de keuken, de refter, het sanitair en de slaapzalen van de Instructiecompagnie. Hun bestemming.
In een van die slaapzalen moet de kleurrijke troep wachten op verdere instructies. Langs beide lange wanden van de ruimte staan twaalf grijs of zwart geschilderde gietijzeren stapelbedden, getatoeëerd met roestplekken, met hoge stalen kasten ertussen. Het overige meubilair bestaat uit één houten tafel met twee banken, een oud schoolbord aan de verste smalle muur en een grote plastieken vuilnisemmer naast de dubbele buitendeur. De verwarming in de grijze zaal blaast veel te hoog. De grote, kale ruimte ruikt onaangenaam intiem als een huis waarvan je je gelukkig prijst dat je niet met de bewoners onder één dak moet wonen. Iedereen claimt een bed door er zijn valies of tas op te leggen. Vrienden zo vers als een treinrit leggen hun reisgoed in elkaars buurt. Pas nu ziet Gillis dat aan de weekendtas die Adriaenssens op het onderste stapelbed zwiert, een sleutelhanger van Vredeseilanden hangt. Die piepkleine hanger maakt de spartaanse zaal ineens veel vertrouwder. De 48 nieuwelingen van peloton 12N, twaalf voor de maand december, N voor Nederlandstalig, druppelen nu volop binnen.

Geplaatst in De Muts | Een reactie plaatsen

De Muts (3): Tussen Leuven en Namen, 2 december 1985

De lange, struise playboy ziet de rossenkop met het ronde brilletje rechtover hem opschrikken uit zijn gepeins. Het brilletje haalt de vulpen uit zijn mond, legt ze op het tafeltje en tracht nonchalant zijn portefeuille uit zijn achterzak te nemen. Dat gaat niet zo gemakkelijk. Hij zit op zijn parka. Die heeft hij nog niet uitgetrokken, hoewel de verwarming in de wagon aan staat en voor een onaangename stoffige geur zorgt. De vulpen rolt langzaam van het tafeltje. Een fractie van een seconde overweegt hij of hij de pen zou proberen te redden. Aan de lippen van de weirdo ontsnapt een gesmoorde ‘godver’. Eindelijk heeft hij zijn portefeuille uit zijn broek gepeuterd. De pen valt met een zachte tik op de vloer. De playboy buigt zich voorover en raapt ze op. Het is een Waterman, constateert hij. De punt is gelukkig niet beschadigd. Hij legt hem terug op het tafeltje, veilig tegen het dekseltje van de asbak. De weirdo doorzoekt nu zijn portefeuille. Ha, daar heeft hij het ticket.
‘Sorry hoor’, zegt hij. Is het tegen hem of tegen de conducteur? Uit zijn gezicht spreekt niet zozeer verontschuldiging maar opluchting. Terwijl de conducteur zijn kaartje knipt, heeft hij al gecontroleerd of zijn pen niet stuk is. Niet de Waterman maar het ticket trekt de aandacht van de struise. Het is hetzelfde treinkaartje. Met zijn middelvinger schuift de weirdo dat intellectuelenbrilletje terug zijn neus op, tot tegen zijn wenkbrauwen. Een zenuwpiet, denkt de playboy. Hij kijkt omhoog en ziet op het bagagerek boven zijn overbuur een sporttas liggen met olympische ringen. Zo gauw de conducteur hen de rug heeft toegekeerd, legt de struise de Heroes van Bowie in zijn walkman het zwijgen op.
‘Excuseer…, moet jij vandaag soms ook het leger in?’
‘Ja, ik ben op weg naar Marche-les-Dames.’
‘Oh dat treft. Ik ook. Dan zullen we waarschijnlijk in hetzelfde peloton zitten. Ik heet Johan. Adriaenssens.’
‘Marc Gillis. Aangenaam.’
‘Ben je ook van Leuven?’
‘Nee, uit de buurt. Maar ik heb er wel gestudeerd.’
‘Ah, ik ook!’ De verholen tegenzin waarmee Marc Gillis zijn vulpen en maagdelijk briefpapier terug opbergt, ontgaat Johan niet. Maar hij weet dat hij met zijn innemende zelf ongeveer iedereen voor zich kan winnen, dus waarom niet deze rare kwiet. De studentencafés van Leuven bieden voldoende gespreksstof om elkaar te besnuffelen. Als Marc vraagt hoe hij erbij is gekomen voor de para’s te kiezen, weet Johan al dat hij goed zal kunnen opschieten met dat Marcske.
‘Dat ik hier vandaag zit, heb ik aan mijn vader te danken.’ Vader Adriaenssens heeft in Korea gevochten. Marc Gillis neemt de vergeten sigaret van het asbakje en steekt ze terug aan.
‘Bij de para’s gaan, zou me volgens mijn vader goed doen. Je moet weten, ik heb als student redelijk het varken uitgehangen.’ Hij grinnikt. Hij is er in drie jaar tijd niet in geslaagd met vrucht zijn tweede kandidatuur Rechten af te ronden. De eerste kandidatuur heeft hij gebist, de tweede was hij na twee zittijden opnieuw gebuisd. Maar dat hangt hij niet aan de neus van Gillis. Nu toch nog niet.
‘Ik vrees dat ik geen genie ben.’
‘Och, ik ben ook maar een pol&soccer, ik kom zoals ze zeggen uit de vuilbak van de unief gekropen. Maar ik heb wel mijn diploma gehaald.’
Sjouwend met een veel te grote valies laveert een jongeman door het gangpad hun richting uit. ‘Goedemorgen gasten, sorry voor de storing hoor, maar ik hoorde jullie bezig over de para’s’, zegt hij luider dan nodig. ‘Moeten jullie misschien ook naar Marche-les-Dames?’
Een ijsbreker. Ze knikken, overtroefd. Zelfs de kletsende wijven kijken op.
‘Ha tof zeg, ik ook.’ De koffer van de nieuwkomer is te groot voor het bagagerek. Hij zet hem schots en scheef naast zich in het gangpad, dat nu zo goed als geblokkeerd is, laat zich op de bank vallen, slaakt een voldane zucht en veegt met de rug van zijn hand over zijn voorhoofd.
‘Amai!’ En dan zwijgt hij even. Adriaenssens zoekt en vangt de blik van Gillis. Ze wisselen onopvallend een lachje uit.
‘Ja mannen, wat zal er ons daar allemaal te wachten staan?’ Tijd om zijn vraag te beantwoorden, laat de nieuwkomer niet.
‘Ik vind toch dat wie niet waagt, niet wint’, antwoordt hij zelf op een vraag die niemand heeft gesteld. Johan en Marc kijken hem in de mond geblazen aan. Dan beseft hij het.
‘Sorry mannen.’ Hij steekt zijn hand uit. ‘Ik heet Frank. En jullie?’
Vooraleer hij meer over Marc en Johan te weten is gekomen dan hun voornamen, doet Frank nog een bekentenis van formaat: dat hij van de para’s zijn beroep wil maken.
‘Al van mijn twaalfde droom ik ervan om paracommando te worden. Parachutespringen en bergen beklimmen, waw! Ja, ik weet nu al dat ik ga bijtekenen.’ Bijtekenen is een optie waarvan Johan het bestaan kent sedert zijn bezoek aan het rekruteringscentrum van Neder-Over-Heembeek. Wie na zijn militaire dienst in het leger wil blijven, kan “bijtekenen” en beroeps- of tijdelijk vrijwilliger worden. Bij de para’s gebeurt het vaak, vertelde de rekruteringsofficier. Maar Johan ziet aan de blik van Marc dat hij net als hij zelfs niet overweegt om in het leger te blijven. ‘Ik hoop dat het lukt’, zegt Johan. Om iets te zeggen.
‘Ik ook.’ Frank tast in zijn broekzak. Hij diept een dik zakmes op.
‘Kijk, dit Zwitsers zakmes heb ik van mijn schoonbroer gekregen. Die is getrouwd met ons Mia, mijn oudste zus. Het heeft een zaag en een schaartje. Dit hier is een tandenstoker. En kijk, er zit zelfs een vergrootglas op. Volgens Rik, dat is mijn schoonbroer, kan je daar vuur mee maken!’
‘Wat geweldig zeg!’ Terwijl Frank het zakmes met gepaste eerbied dichtvouwt en terug in zijn broekzak steekt, knipoogt Johan naar Marc. Die lacht terug. Dat komt hier dik in orde, weet Johan.

Geplaatst in De Muts | 1 reactie

De Muts (2): Leuven, 2 december 1985

Marc Gillis kijkt omhoog en ziet wolken in antraciet en lood. Het kan elk moment beginnen regenen. Gelukkig is het voor de tijd van het jaar zacht, denkt hij. Met een kordate ruk aan de aluminium leuning trekt hij zich de donkergroene trein in. Jef Peeters had hem beklaagd toen hij vertelde dat hij op 2 december binnen moest. Zijn vriend was nu twee maanden bij de stormfuseliers in Leopoldsburg. Wat had hij al afgezien, daar bij de karpatten. Volgens Jef zijn de stormfuseliers fysiek even goed getraind als de para’s. Ze doen alleen niet aan valschermspringen en rotsklimmen. Net om dat springen en klimmen had Marc voor de para’s gekozen. En ook omdat karpatten nu eenmaal geen para’s zijn, wat Jef daar ook over beweert. Bijvoorbeeld: bij de para’s moet je vijftien maanden kloppen en bij de karpatten slechts tien. De laatste vijf maanden als paracommando krijg je dan het loon van een tijdelijk vrijwilliger in plaats van soldij, maar toch schrikken vooral die extra maanden veel jongens af. Want wie wil nu vijftien maanden naar het leger als je er ook van af bent met tien? Of acht zelfs, als je het vaderland vanuit Duitsland dient? Hij zwiert zijn oude sporttas met de Olympische ringen in het bagagerek en installeert zich aan het raam.
Zijn vrienden op de faculteit Sociale Wetenschappen begrepen er geen bal van. De para’s? Was jij geen pacifist? En die rakettenbetogingen dan? Tja, hoe leg je dat uit? Meestal maakte hij zich er snel van af. Maar niet bij Bert en Patricia. Hij vertelde natuurlijk dat het avontuur hem aantrekt. Inclusief het risico, de kans op de sensatie van een echte operatie. De enige troepen in het hele Belgische leger die binnen de 24 uur overal in actie kunnen komen, zijn de paracommando’s. Van kindsaf was hij het die eerst durfde, als er ergens af gesprongen moest worden, van een dak, een boom of een brug. Hij ademt diep in. Hij herinnert zich hoe de schrik op de Trambrug zijn maag wee maakte maar hem toch niet belette het kanaal in te springen. Vandaag tintelt de opwinding van het groot avontuur. Door het raam ziet hij aan de toog van het stationsbuffet pendelaars een eerste Stella drinken. Hij ziet zich fronsen in de weerspiegeling van het raam. Er is nog een reden waarom hij vandaag op deze trein zit. Dat was zelfs de eerste reden die hij bij Bert en Patricia had opgedist. Hij vertelde dat hij bij de para’s ging om er een boek over te schrijven.
‘Vertel’, zei Bert en hij schoof de gele, rode, blauwe en groene mannetjes van Vredeseilanden die hij op de salontafel aan het sorteren was terzijde.
‘Wel, je hebt twee soorten verhalen over de para’s’, legde hij uit, breed zwaaiend met zijn armen vanop een stoel tegenover de divan waarop Bert en Patricia onderuit gezakt lagen. ‘Langs de ene kant de verhalen van heldenmoed en kameraadschap en langs de andere kant de verhalen van mentale verkrachting en kadaverdiscipline. Ik wil ontrafelen hoe de oversten een troep rekruten tot een vechtmachine kneden.’ In het venster verschijnt een glimlach, af en toe kan hij zich echt aanstellen, in zijn Leuvense pose van de geëngageerde intellectueel. In ieder geval, de onverwachte keuze voor de para’s vindt hij van zichzelf moedig. ‘Eens ondertekend, is er geen weg terug’, waarschuwde de selectieofficier in het Centrum voor Rekrutering en Selectie in Neder-over-Heembeek, net voor hij zijn handtekening plaatste.
De trein naar Namen geraakt langzaam gevuld. Enkele oude wijven kwetteren luid aan de andere kant van het gangpad. Hij kijkt zo onopvallend mogelijk rond. Nergens een knappe griet. Of misschien toch, twee banken verder. Is dat niets? Een meisje met donker lang haar zit een tijdschrift te lezen. Hij kan haar gezicht niet goed zien. Alsof ze voelt dat ze wordt aangegaapt, licht ze haar hoofd en kijkt hem onbeschaamd in de ogen. Wat een lelijke trien! Hij wendt net te laat zijn blik af naar de jonge gast die op dat moment rechtover hem neerploft. Een grote, stevige manskerel. Hij haalt een walkman uit zijn weekendtas, zet hem op zijn hoofd en sluit zijn ogen. Gillis kijkt terug naar buiten. De conducteur ijsbeert op het perron. Hij kijkt op zijn uurwerk en heeft zijn fluitje al tussen de lippen. Nog even en de trein zal in beweging komen, zijn onzekere toekomst tegemoet. Zal hij die rode muts wel halen? Zal hij dat Regiment vol macho’s en fighters binnen de kortste keren niet hartsgrondig vervloeken?
De conducteur trekt zijn uniformbroek omhoog en fluit. Dan draait hij zich om, roept iets naar de toog waar de drinkebroers lachen en hun hand opsteken en verdwijnt uit zijn gezichtsveld. Over enkele seconden zullen de deuren sluiten. In stilte begint Gillis te tellen. Vóór hij aan twintig is, moeten ze in beweging zijn. Al van in zijn kindertijd telt hij in gedachten als hij ergens op wacht. Of om zichzelf ertoe te brengen iets te durven. Zoals die keer dat iedereen hem van beneden aanstaarde, eenzaam en hoog op de oude Trambrug boven de vaart. De aanblik van de diepte onder hem gaf hem draaiingen. Behoedzaam steun zoekend met zijn handen ging hij op zijn achterste op de rand van de brug zitten, de benen naar beneden. Hij keek recht voor zich uit over de bossen, telde tot tien en duwde zich met zijn handen af. Met een gedempte klap hoort hij de deuren van de trein sluiten.
‘En wat ga je doen als het tegenvalt? Kan je daar dan terug weg?’ Die ambetante vraag kwam van Patricia.
‘Ik weet het niet. Ik ben gewoon benieuwd of het me zal lukken. Ik ben er ergens van overtuigd van wel.’ De trein staat nog altijd stil. Zal hij alvast een sigaret rollen? Waarom is die trein nu nog niet vertrokken? Omdat de juiste woorden hem niet te binnenvielen, was hij tegen Patricia weer over dat boek begonnen.
‘En ik hoop dat ik ook kan ontleden hoe de legerleiding van een hoop jonge mannen een peloton soldaten maakt.’
‘Je wil dus de participerende observatie van Dobbelaere beoefenen’, merkte Bert op. Karel Dobbelaere was in de eerste kandidatuur hun prof sociologie geweest. ‘Dat zal niet gemakkelijk zijn. Is er daar wel tijd voor?’ De woorden van Bert waren een mooi aanloopje voor zijn verzoek. Hij steekt zijn sigaret aan. Met een schokje komt de trein in beweging.
‘Tja, dat weet ik nog niet. Ik kan proberen een dagboek bij te houden. De weekends mogen we normaal gesproken naar huis. Dan kan ik alleszins tijd maken. En ik kan brieven schrijven. Hé, da’s een idee. Ik zal jullie schrijven en jullie schrijven af en toe eens terug. Zo kunnen jullie mij motiveren om door te doen en voel ik me sterker verplicht om bij te houden wat ik beleef. En na mijn legertijd geven jullie me mijn brieven terug.’
Hij staat recht en vist uit zijn tas briefpapier en de Watermanvulpen met de lichtblauwe inkt. Met de sigaret in zijn mond schroeft hij het dopje van zijn pen. Aan wie zou hij nu al een brief schrijven? De pen blijft even zweven boven het papier. De sigarettenrook irriteert zijn ogen. Hij opent het klepje van de asbak en legt de sigaret op het roostertje. En wat heeft hij op dit moment al te vertellen?
‘Kaartjes alstublieft.’

Geplaatst in De Muts | Een reactie plaatsen

De Muts (1): Otterburn Training Area, 14 oktober 1998

De wind waait woest als altijd door de Wilkwoodvallei en kouder nog over de kale heuvelkruin waarop een tent staat opgesteld. In een geïmproviseerde commandopost achter klapperende dekzeilen in camouflagekleuren, wachten hoge officieren er de actie op het operatietoneel af. Naast de tent trotseert een enkele militair de storm. Bij hem staat een burger te kleumen met een notaboekje in de hand. De tweede burger in het gezelschap van de militairen, een jonge, mooie vrouw van een jaar of dertig met een gebruinde huid en blinkend zwart haar, is de barre plek net ontvlucht. Beide burgers zijn een klein uurtje eerder per Agusta-helikopter vanuit Bierset nabij Luik het noorden van Engeland ingevlogen. Voor ze zich naar de beschutting van een jeep liet begeleiden, vervloekte de vrouw haar baas die haar op deze missie naar een negorij tegen de Schotse grens had gestuurd. In het spoor dan nog van wat volgens haar de meest barbaarse eenheid zou zijn die het Belgische leger telt, mocht daarvan een rangschikking worden bijgehouden. Ze verschuilt zich samen met persofficier Jimmy Ostyn tegen de klauwende wind in de wat bergaf geparkeerde jeep waarmee de burgers van de heli-strip naar de Wilkwoodvallei zijn gevoerd. De twee burgers zijn journalisten. Ze zijn ingegaan op de uitnodiging van de stafchef van de Landmacht om de manoeuvres in het trainingskamp van Otterburn bij te wonen. De hoge officieren maken deel uit van de staven van Belgische eenheden, het 3de Para uit Tielen, de batterij Paracommando uit Brasschaat en het 18de bataljon antitankhelikopters uit Bierset. Samen met enkele officieren in een uniform van de luchtmacht superviseren ze een gecombineerde oefening van lichte infanterie met lucht- en artilleriesteun, beneden in de vallei. Die zullen ze als een film aan de toeschouwers presenteren.
De burger op de top houdt een klein notablokje paraat om de woorden van de stafchef op te schrijven. De wind plakt zijn jeansbroek als een natte dweil tegen zijn benen, een onaangenaam gevoel dat op deze plek spoort met herinneringen van een dozijn jaren oud. Nog een geluk dat hij zijn bergschoenen en zijn lederen jack aan heeft. Een geruite sjaal, half onder en half boven de jas, zwalkt rond zijn nek. Op zijn hoofd draagt hij een chocoladekleurige fleece muts met oorkleppen en een grijze voering. Dat Erika beschutting heeft gezocht in de jeeps, vindt hij een opportuniteit waarvan hij gebruik moet maken. Erika Clarysse is reporter voor De Morgen, de concurrent van zijn krant De Standaard. Als de luitenant-generaal nu nog iets nieuwswaardigs te vertellen had. Het is al een spannende namiddag geweest. Dankzij de helikoptervlucht, maar ook omdat hij nerveus was bij het vooruitzicht na zoveel jaren terug te keren naar dat onherbergzame oord. Hij hoopt dat hij niet opeens de plaats zal herkennen waar het drama zich exact twaalf jaar en vier maanden geleden heeft afgespeeld. Neen, die kans is klein. Als hij het goed heeft, was dat niet in de Wilkwoodvallei maar aan Quickening Cote. Hij roept liever de verse herinnering op aan die heerlijke, avontuurlijke helikoptervlucht over het Kanaal. De eerste keer in zijn leven dat hij een helikoptervlucht had gemaakt, was in Schaffen. Toen er zo’n Amerikaanse Chinook op bezoek was, een transportheli met twee schroeven, was hij er zelfs met zijn valscherm langs de brede achterdeur uit gesprongen, iets wat maar weinig dienstplichtige paracommando’s voor elkaar hebben gekregen.
Enkele woorden van de generaal trekken zijn aandacht. Hij concentreert zich terug op de uitleg van de grijsaard die hij hier voor zich alleen heeft. ‘Pas over enkele jaren, als de leeftijdspiramide terug gezond is, zullen we de effectieven van onze gevechtseenheden op peil kunnen brengen door volop te rekruteren’, zegt de stafchef wat decibels harder dan hij gewoon is, om verstaanbaar te blijven boven de gierende wind. ‘Tot dan moet er in heel het leger vooral buiten de gevechtstroepen ouder personeel afvloeien. Nu brandt de rekrutering door onze budgettaire restricties op een laag pitje. Dat houdt in dat we ook in de infanterie vandaag met soldaten zitten die eigenlijk te oud zijn. De oudste para-infanterist die straks in actie moet komen, is 35. In het peloton mortieren zit er zelfs eentje van 42.’
De journalist kent de achtergrond bij het verhaal van de stafchef. De regering heeft enkele jaren geleden de militaire dienstplicht opgeschort. De omvorming van de Belgische strijdkrachten naar een performant beroepsleger zonder instroom van jonge, tijdelijke dienstplichtigen, zal in een strak financieel keurslijf jaren volgehouden inspanningen vergen.
‘Over hoeveel jaren precies verwacht u dat dit probleem opgelost zal zijn?’
‘Ten vroegste tegen 2002, denk ik.’ De journalist ziet meteen de kop boven zijn scoop: ‘Leger pas in 2002 terug op sterkte’. Ha, hij zou die Erika even een poepje laten ruiken.
‘Tot dan blijven we ook in onze meest operationele eenheden zoals het paracommando-bataljon dat u hier zo meteen in actie zal zien komen, met personeelstekorten kampen. Niets aan te doen. Enfin, je zal een bataljonsaanval bijwonen met twee compagnieën in plaats van drie, elk bestaande uit twee pelotons in plaats van drie.’ Net als mijn laatste compagnie-aanval, bedenkt de journalist. ‘De organisatietabel van het bataljon 3 Para telt circa 450 manschappen. Maar vandaag heeft het slechts 337 effectieven, van wie er 261 meekwamen naar hier.’
‘Generaal, is het toegestaan? De CP vraagt me u te melden dat ze eraan komen!’ Een jonge luitenant is aan komen lopen. Hij hijgt nog. De generaal knikt.
‘Tot uw orders, generaal.’ De officier salueert en maakt rechtsomkeer. De journalist ziet hoe eerste luitenant Ostyn galant de deur van de jeep openhoudt. Erika Clarysse dribbelt haastig de heuvel terug op, gevolgd door haar chaperon. ‘Het spektakel gaat beginnen’, meldt Ostyn overbodig als ze de heuveltop zijn opgeklommen. De generaal kijkt hem geërgerd aan.
‘Begin uw briefing dan maar snel’, beveelt hij.
‘Hier beneden ligt de Wilkwoodvallei waar net een colonne vijandelijke tanks is binnengereden’, licht de persofficier toe. ‘We gaan zo meteen zien hoe deze colonne in de dodelijke val loopt die onze troepen hebben uitgezet.’ Erika Clarysse begrijpt er niets van. Ze kijkt haar ogen uit, maar ziet geen enkele tank, laat staan een vijandelijke colonne. De persofficier kijkt haar met pretoogjes aan. ‘Om de colonne te zien, moet je wat verbeelding hebben. Ze wordt gesimuleerd. Stel je voor dat je in het midden van een grote klok staat. Wat je recht voor je ziet, ligt zo op 12 uur en wat recht achter ons is te zien, bevindt zich op 6 uur. Kijk dan in de richting van wat op die klok 11 uur moet zijn, en je zal in de verte enkele hopen schroot zien.’ Jimmy Ostyn wijst voor alle duidelijkheid ook nog met zijn arm in de goede richting tot Erika de karkassen diep in de vallei ziet liggen. De vijandelijke colonne tanks.
Hoge knallen klinken uit het oosten. ‘Dat zijn Milan-antitankraketten’, zegt de persvoorlichter. ‘Ze zijn begonnen.’ Wat zijn PR-officieren toch sterk in het geven van overbodige informatie, denkt de journalist. De hoofden draaien zich naar het geluid van het schietkraam in de vallei. Een beetje meer links volgen gedempte bonken. Kleine rookpluimen stijgen op aan de rand van een bosje, enkele kilometer verder aan de andere kant van de vallei. Het zijn de mortieren van de rode mutsen. Ze slaan seconden later in op de vijand. Terwijl de echo uitsterft, rollen nieuwe zware slagen over de vallei. Vanuit het westen is ook de batterij in actie getreden. De granaten van de vier houwitsers slaan in rond het schroot. De zogenaamde vijandelijke tanks krijgen de volle laag. De journalist draait zich naar zijn vrouwelijke collega. ‘Nogal een lawaai hé’. Met de handen tegen haar oren slaat ze de ogen ten hemel. Ze vindt het maar niks, interpreteert hij haar gebaren. Wat verder schreeuwen de bevelhebbers van de operatie op de commandopost hun orders in de radio. De journalist met het bruine hoofddeksel wordt plots getroffen door de stentor die een fractie van een seconde boven de wind uittorent. Hij herkent de stem uit een tafereel van meer dan tien jaar geleden, ook in deze Cheviot heuvels. Hij hoort diezelfde man tekeer gaan, met de benen wijd open en de handen in de zij, tegen een dienstplichtige soldaat die van schrik wat dieper in het natte gras wegkruipt.
‘Moet ik u in uw kloten stampen, stukske bougnoul, of ga je uw dekking verzorgen? Ga daar midden in die plas liggen, daar ben je veilig!’ Duchatelet. Hij reikhalst om een glimp van de man op te vangen maar trekt het hoofd in een reflex tussen de schouders als een schicht voorbijschiet. Onmiddellijk gevolgd door een razend geluid dat zijn handen naar de flappen van zijn bruine muts jaagt. Hij voelt de adrenaline gieren. Alsof hij terug wankelend met zijn bergham en Lee Enfield op de smalle balk boven de kloof hoog op de rotsen van Marche-les-Dames schuifelt. De Alpha Jet duikt de vallei in en bestookt op zijn beurt de tanks. Het geluid is nog niet uitgestorven als opnieuw de zware knallen en doffe bonken van houwitsers en mortieren de oren teisteren. Als het gedonder uitdooft, horen de journalisten weer de opgewonden bevelen in de radio’s op de commandopost. Luitenant Ostyn tikt hem op de schouder, draait zich een kwartslag en wijst. ‘Kijk daar, net boven de horizon’. Zonder ze te horen, zien de waarnemers in het westen drie stippen, de A109-antitankhelikopters zoals de militairen de Agusta’s noemen. Strak in de formatie van hun tactische vlucht, glijden ze zo laag mogelijk over de aardbodem de vallei binnen en dan blijven ze hangen, nog ver van de schroothopen. ‘Waarom blijven die helikopters daar…’, vraagt de vrouw. Ze onderbreekt haar zin als de A109’s het vuur openen. ‘Normaal vuren ze draadgeleide precisieraketten af’, schreeuwt Ostyn terug. ‘Dat kunnen ze dan van een veel grotere afstand doen, zonder verontrust of zelfs opgemerkt te worden door de vijand. Maar dat is hier in Otterburn verboden. Daarom simuleren we die raketten met machinegeweren.’
Nu is het pandemonium van de JAAT, het Joint Air and Artillery Team, compleet. De Wilkwoodvallei is al een killing ground geworden als minuscule mannetjes oprukken en er nog wat flauwe pop-pop-pops opstijgen uit hun geweren en mitrailleurs. Het zijn de tot dat ogenblik onzichtbaar gebleven infanteristen van 3 Para die nu beneden in de vallei als muizen uit de grond lijken te zijn gekropen en elastisch vooruit bewegen om, voor zover het nog nodig zou zijn, de laatste weerstand van de vijand te breken. Aan die vorderingstechnieken is niets veranderd, stelt de man van De Standaard vast. Hoe lang zouden ze daar perfect gecamoufleerd in de kou en nattigheid hebben liggen wachten zonder te verroeren, om het hoge bezoek met hun plotse verschijning te kunnen verrassen? Zouden ze fuseliersputjes hebben moeten graven? Schieten ze met scherp? Zouden ze nog droge kleren hebben, bruikbare rantsoenen? Hebben ze vannacht geslapen? Zo ja, in een tent, onder een poncho of in een schuur? Of mogen ze tegenwoordig overnachten in een paviljoen?
‘Het is ’14-’18 niet meer’, schreeuwt de stafchef van de landmacht. ‘Toen moest de infanterie veel meer forceren. Nu hebben we de JAAT. Wat vond je van de show?’
‘Geweldig.’ Maar de blik van de journalist glijdt van de luitenant-generaal naar de CP, waaruit een lange slungel tevoorschijn is gekropen. Op de epauletten van zijn camouflagevest draagt hij een gouden ster met een streep eronder.
‘Wie is die lange man?’
‘Die majoor? Dat is de tweede bevelhebber van het 3de bataljon Para.’ Luid lachend met de commandant van het 18de bataljon antitankhelikopters loopt Duchatelet met enorme passen terug naar de jeeps. De majoor van 3 Para heeft geen aandacht voor de clown met zijn oormuts maar stoot zijn collega-officier aan. Samen gapen ze onbeschroomd de vrouwelijke journaliste aan als was ze het meest begerenswaardige schepsel dat de voorbije weken hun blikveld heeft gekruist. Duchatelet heeft nog altijd die lange hangsnor, ziet hij, de nonchalante stap en brutale blik.
‘Maar waarom moeten jullie voor zo’n oefening helemaal naar de Schotse grens komen? Heeft het leger in de Ardennen ook geen oefenterreinen?’ Erika doet haar best onverschillig te blijven onder de blikken van de macho’s.
‘Het terrein van de Otterburn Training Area’, doceert de stafchef, ‘heeft op zijn uitersten een oppervlakte van ongeveer zestien bij achttien kilometer. Hier kunnen we een infanterieaanval uitvoeren op het echelon bataljon, met scherpe munitie. Zoiets kunnen we op geen enkel militair terrein in België oefenen. Bovendien vormen de aard van het landschap, de barre natuur en de doorgaans abominabele weersomstandigheden in deze streek voor onze troepen op zich een beproeving die voor hun operationaliteit zo waardevol is, dat we hen er regelmatig aan blootstellen. Kortom mevrouw Clarysse, Otterburn is een vrij uniek oefenterrein in Europa.’ De stafchef knikt naar zijn aide de camp en beent naar de jeeps. Nog net ziet de journalist de flits van een knipoog die Jimmy Ostyn naar Erika Clarysse uitstuurt. Ze bedankt de luitenant met haar mooiste glimlach.

Geplaatst in De Muts | Een reactie plaatsen

Verwondering

Het is tien jaar geleden dat Hugo Claus doodging. Ik ben een fan van hem, al vele jaren. Om een reden die met de tiende verjaardag van zijn heengaan heeft te maken, las ik onlangs een van zijn romans die tot nog toe aan mijn aandacht was ontsnapt: ‘De Verwondering’. Lees verder

Geplaatst in cultuur, literatuur | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Ondiep

We waren nieuw op de school, mijn broer, nog een kleuter, mijn twee jongere zussen en ikzelf, die eerste schooldag na de grote vakantie waarin we van Nossegem naar Haacht-Station waren verhuisd. Ik was tien jaar oud. In het vijfde leerjaar kwam ik terecht bij mevrouw Wynants, een al wat oudere leerkracht die stiekem verslaafd was aan snoepjes. Het kon erger, in een tijd toen de leerkrachten nog rookten tijdens de lessen. Lees verder

Geplaatst in familie, Haacht, vriendschap | Tags: , , , , , | 2 reacties