Van Cucugnan naar Duilhac

Met z’n vieren vertrokken we op zondag 4 september om 5 u ’s morgens aan het station van Haacht met de auto van Bart naar Cucugnan, zo’n 1.200 kilometer verder. Cucugnan ligt op de Katharenroute die er door de wijngaarden van de Corbières loopt, in de Zuid-Franse regio Occitanië. Het was voor sommigen onder ons een kort nachtje geweest, want we waren nog wat blijven plakken op het feestje dat Ward de avond voordien gaf voor z’n zestigste verjaardag. Maar met vier chauffeurs kregen we de rit makkelijk achter de kiezen.

We zijn er bijna!

Rond 19 u reden we de smalle, steile straatjes op van het piepkleine dorpje met een honderdtal inwoners. Het lag al vredig te slapen aan de voet van chateau Quéribus, een van de laatste katharenburchten die we nog gaan bezoeken. Na wat voorzichtig gemanoeuvreer parkeren we op een petieterig pleintje voor onze bestemming: de Auberge de Cucugnan.

Achter een ruit van de inkomdeur hangt een briefje met een telefoonnummer op, dat je moet bellen als er niemand thuis is. Net als we dat willen doen, gaat er tien meter verder op een bovenverdieping een raam open. Een vrouw van middelbare leeftijd heeft voor ons een onaangename boodschap. De Auberge is sinds meer dan een maand definitief gesloten. De vrouw vertelt dat de oude zaakvoerder zwaar ziek is geworden en helaas zijn herberg niet meer kan runnen.

Jullie zijn niet de eersten die ondanks een reservatie bij Booking niet meer in de herberg terecht kunnen, voegt ze eraan toe. Maar gelukkig heeft ze al een oplossing achter de hand: ze stuurt ons het blokje om naar het winkeltje waar buiten wat stalletjes met postkaarten staan. Dat winkeltje hadden we al gespot, het is vermoedelijk het enige van heel Cucugnan. Aangezien de eigenaars er ook kamers verhuren, zullen we er volgens onze redster wel onderdak vinden.

Vlaamse wandelaars in Duilhac-sous-Peyrepertuse

Helaas pindakaas, alle kamers die de winkeluitbaters verhuren, zitten ook vol. Geen paniek, zegt de winkelier. Hij neemt het heft voor onze reddingsoperatie stevig in handen. Uit zijn bruingroen gevlekte camouflagebroek vist hij een smartphone. Hij begint driftig te bellen naar kamerverhuurders, hotels, chambres d’hôtes en b&b’s in de buurt. Intussen snuisteren wij in zijn winkel. Er worden vooral boeken verkocht over de katharen en het leven in de middeleeuwen. Er is ook een collectie strips met ridders en kinderboeken. Er is een speciale plek voor oude boeken en een andere voor pas gepubliceerde. Alles in het Frans. Het koppel verkoopt ook zwaarden, dolken, messen en speelgoedversies daarvan, streekproducten, snoep en wijnen afkomstig van de druiven in de uitgestrekte wijngaarden van de Corbières waar we door zijn gereden.

Terwijl de man het ene telefoongesprek na het andere zonder succes afbreekt, stelt Marianne me voor om een goede fles wijn te kopen. Zo kunnen we de winkelier-kamerverhuurder danken die voor ons lege bedden aan het toveren is. Ik kies er een van de duurdere kasteelwijnen uit en vraag aan de vrouw of ik een goede keuze heb gemaakt. Met een lach en een knipoog erbij gaat haar duim omhoog. Intussen heeft haar man nieuws: bij één hotel beloofde een receptioniste aan onze redder dat haar baas die een boodschapje is gaan doen, binnen een kwartiertje zal terugbellen.

We vrezen al dat we ergens in een stal terecht zullen komen, als de telefoon in de zak van de winkelier overgaat. Er is nog plaats in Duilhac-sous-Peyrepertuse, enkele kilometers verder. We kennen het hotel, want bij onze vorige tocht langs de katharenroute verbleven we er en bezochten we hoog boven het dorp de prachtige burchtruïne van Peyrepertuse. Van daar zagen we toen al in de verte dat kleine zwarte rechthoekje tegen de kim, op een bergtop van meer dan 700 meter, de massieve toren van de Quéribus.

De Quéribus vanuit de auto

Een half uur later al hadden we twee kamers versierd en gingen we dineren in het restaurant waar we bij onze vorige wandelvakantie al eens lekker gegeten hadden. De hond, de gastvrouw en de kwaliteit van het eten waren dezelfde gebleven, de dochter was nog knapper geworden. In het restaurant valt een kwartier na ons een viertal Vlamingen uit het Aalsterse binnen. Ze zijn uitgedost met bergschoenen en lopen ook de GR van de Katharen. Er valt natuurlijk heel wat te bespreken over hoe en wat zij en wij dat doen.

Het wordt nog een lange en zware avond, wellicht van opluchting dat we dan toch aan onze wandelvakantie kunnen beginnen. ’s Anderendaags zie ik de ook met wandelstokken gewapende Vlamingen terug aan de kruidenier van Duilhac, waar ze ook hun lunch komen kopen.

De Quéribus, vooraleer we hem beklimmen

Wat later stappen wij de auto in, weg van onder de schaduw van de Peyrepertuse naar de Quéribus. Eerst terug de vallei in, waar we snel weer uitrijden om de klim naar de katharenburcht aan te vatten. En die is erg steil. Op een klein stukje van die toegangsweg naar de parking aan de burcht moet Bart terugschakelen naar eerste versnelling. Intussen maken Marianne en Kristel foto’s van het silhouet van de burcht, scherp afstekend boven de golvende horizon van bergtoppen waar wolken over jagen. Straks beklimmen we het pad naar de burcht.

Geplaatst in Katharen, reizen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

In en uit de Imbroskloof, dolend naar Chora Sfakion (12)

Al om 6:30 u gaat de wekker. Marianne en ik reppen ons naar de bushalte, waar we zoals gewoonlijk te vroeg arriveren. Door mijn toedoen, een soms vervelend atavisme, die schrik om te laat te komen. Voor ons zien we nog een koppel zich naar de bussenparking haasten. Nog flukser dan wij vliegen ze de lange trap op. Ze zien er ook wat jonger uit. Terwijl we even later samen op de bus staan te wachten, zie ik dat de man een T-shirt draagt van een marathon in Engeland. Het toeval wil dat ik ook een sport-T-shirt draag met een geschiedenis, van een Race Against Nature enkele jaren geleden.

Nieuwsgierig als ik ben, vraag ik de man of hij effectief die marathon gelopen heeft. Ja, zegt hij. En ja, zoals ik al dacht, nemen ze ook de bus naar de Imbroskloof. De Imbroskloof, de Aradenakloof en de Samariakloof zijn drie kloven die in elkaars buurt in de Witte Bergen liggen. De Imbroskloof is met z’n zeven kilometer de kleinste. Ze loopt van het dorpje Imbros op de Askifou-hoogvlakte naar Komitades, aan de Libische Zee.

We rijden mee met een goed gevulde bus richting Chania. We vragen de chauffeur om ons te waarschuwen als hij aan Imbros stopt. Na een half uurtje klinkt luid door de bus: “Imbros!”. Wij, het Engels koppel en een jonge vrouw stappen af. Marianne troont me mee naar de taverne, enkele honderden meters van de ingang van de kloof. We hebben immers nog niet ontbeten. Dat was blijkbaar ook het plan van het Engels koppel. Waarom dus niet samen ontbijten?

We zetten ons aan dezelfde tafel in de lege ontbijtzaal en keuvelen met Phil en Tracy over wat we tijdens onze vakantie in Kreta zoal hebben gedaan. Even later komt tot onze aangename verrassing de jonge vrouw die samen met ons van de bus stapte, nu met een schortje om, onze bestelling opnemen.

Uit het gesprek met de Engelsen blijkt dat we in Kreta veel gelijkaardige dingen hebben gedaan: kloven afdalen, bergen beklimmen, af en toe eens luieren en zwemmen, lekker eten en drinken. “Wat we ook heel bijzonder vonden”, gaat Tracy verder, “was ons bezoek aan Gavdos.” Marianne kijkt me met grote ogen aan. We vertellen hoe wij ons gepland bezoek aan Gavdos door de neus geboord zagen. “Oh, wat spijtig”, zegt Phil. “Wij hadden Gavdos niet op voorhand geboekt, maar we hebben op goed geluk geprobeerd er nog een kamer te vinden. En toen zei de eigenaar dat we nog welkom waren omdat hij vruchteloos de gasten van een eerdere boeking had proberen bereiken.” We vielen net niet van onze stoel. De kans is dus groot dat Phil en Tracy een van onze kamers hebben gekregen. Ze vonden het er zo leuk dat ze nog een nacht hebben bijgeboekt. Nu ja, we gunnen het hen.

Rond half negen vertrekken wij naar de kloof. Phil en Tracy zullen ons wel inhalen, met hun hoger wandeltempo. De ticketbalie in de chalet aan de ingang van de kloof is nog niet bemand. Dus lopen we gewoon verder de kloof in. De Imbroskloof zou na de Samariakloof de meest bezochte kloof van Kreta zijn. Deze kloof heeft dan ook veel troeven. Ten eerste is ze in tegenstelling tot de Samariakloof heel het jaar toegankelijk. Er stroomt immers geen rivier meer door.

In die kleine kloof valt er heel wat te bezien aan fauna en flora. De zo’n 30 miljoen jaren oude kloof ontstond toen Kreta nog een tropisch klimaat kende met hevige regenbuien. Daardoor werd een zeer erosieve rivier met diepe insnijdingen gevormd, een proces dat werd versterkt door tektonische verschuivingen. Wie nieuwsgierig is naar het natuurschoon dat in de kloof te beleven valt, komt zeker aan zijn trekken.

Een derde troef van de kloof is haar geringe lengte, zo’n zeven kilometer. Die maakt de wandeling voor minder geoefende bezoekers makkelijker. Ook het hoogteverschil van slechts bijna 600 meter maakt de Imbroskloof voor een breder publiek goed te pruimen.

Maar de volgens mij grootste troef van deze kloof is de rol die ze heeft gespeeld in de Tweede Wereldoorlog, bij de Slag om Kreta. In mei 1941 heeft de Duitse Wehrmacht onder de codenaam Operatie Mercurius, zo’n achtduizend parachutisten op het eiland gedropt. Het was op dat moment de grootste luchtlandingsoperatie uit de geschiedenis. Hoewel er veel meer geallieerde troepen op het eiland gestationeerd waren, slaagden de Duitsers erin een vliegveld te veroveren. Ze vlogen er met Junkers 52-transportvliegtuigen nog zo’n 14.000 bergjagers over.

Een geallieerde tegenaanval op het vliegveld van Maleme mislukte, waardoor de geallieerde troepen zich gedwongen zagen terug te trekken naar het oosten van het eiland. Nadat de Duitsers erin waren geslaagd uit hun bruggenhoofd te breken, besloot het geallieerd opperbevel in Londen tot een terugtocht vanuit Chora Sfakion. Tussen 28 en 31 mei 1941 werden zo’n tienduizend geallieerde soldaten via de Imbroskloof geëvacueerd. Wat een vreselijk gevoel moet het die soldaten gegeven hebben om zich in een eindeloze sliert door die hoge en smalle wanden van de kloof te haasten om hun leven te redden. Vanuit Chora Sfakion geraakten uiteindelijk zo’n zestienduizend militairen op een boot naar Egypte.

Voor Marianne en mij is de tocht door de kloof makkelijk als een wandeling in een park. Het pad is goed begaanbaar. Zonder geklauter over rotsen, zoals in de Aradenakloof, schiet het ook goed op. Toch halen Phil en Tracy ons sneller dan we verwachten in. Even later lopen we over een overhangende rots door. Daarna komen de loodrecht oprijzende wanden dichter bij elkaar, tot we door de beroemde flessenhals wandelen waar de wanden op iets meer dan anderhalve meter van elkaar loodrecht oprijzen. Dat is nog dichter bij elkaar dan de IJzeren Poorten van de Samariakloof.

Ongeveer halverwege stuiten we op een half in de rotswand gebouwde schuilhut, waar de vreemdste voorwerpen uitgestald zijn. Heel wat wandelaars hebben er pasfoto’s nagelaten of andere herinneringen. In deze hut zou er een of andere kluizenaar wonen, maar op het moment dat wij er passeren, is er niemand te bekennen. Er zouden ook enkele geweerlopen hangen die na de vlucht in de kloof waren achtergebleven, maar ik zie ze niet.

We wandelen verder richting zee en na een half uurtje zien we honderd meter verder een vrouw op een klapstoel aan een plooitafeltje zitten. Als we haar met een vriendelijke groet willen passeren, vraagt ze onze tickets. We leggen uit dat het ticket office aan de ingang nog onbemand was toen we aan de afdaling begonnen. Ze vraagt toch 2,5 euro per persoon, de prijs van de tickets. Die betalen we graag.

Rond half twaalf lopen we de kloof uit. We hebben haast niemand gekruist of gepasseerd, op Phil en Tracy na. Als dit de meest bezochte kloof van Kreta is, hebben we er misschien wel de rustigste dag van het jaar voor uitgekozen. Op het einde van de kloof komen we aan een taverne waar een jong meisje ons vrolijk goeiedag zegt. We feliciteren haar met haar vlekkeloze Engels. Hoe oud ben jij, vraag ik. Raad eens, antwoordt ze zonder blikken of blozen. Ik zeg 11. En hoe oud denk jij dat ik ben, vraagt ze aan Marianne. Twaalf, antwoordt Marianne. Zie je wel, zegt het meisje tegen mij, de vrouwen weten het altijd best.

Deze bijdehandse Christina leerde haar Engels op school en van een juf die haar bijles geeft. En ik leer ook veel Engels van de toeristen, zegt ze. Haar vader en twee andere mannen zijn inmiddels cement aan het mengen voor de renovatiewerken aan de taverne. Wat een pientere dochter heb jij, complimenteer ik de vader. Zeg dat wel, antwoordt de man. Maar soms is ze me wel teveel betweter, zucht hij.

We zetten ons neer aan een tafeltje onder een boom en bestellen een drankje. Christina is de perfecte ober. Ze vraagt me of ze een bloem rond mijn hals mag hangen. Eerst heeft ze ook Marianne al bloemen in het haar gestoken. Ik voel me vereerd: versierd door zo’n jong meisje. Dan vraagt ze of ze een cijfertruukje mag uithalen. Doe dat maar met Marianne, antwoord ik, zij is van ons twee de slimste en al zeker in wiskunde. Ook Marianne staat versteld als Christina na enkele bewerkingen het getal raadt dat Marianne had opgeschreven. Dat truukje wil Marianne ook wel leren, om het ook haar slimme kleindochter te kunnen bijbrengen. Enkele weken later zal die er haar bompa versteld mee doen staan.

Het wordt tijd om terug te keren naar Chora Sfakion. Vijf minuten verder passeren we in het dorpje Komitades verschillende tavernes en kiosken. Obers bieden ons taxi’s naar Chora aan, of proberen ons binnen te lokken voor een lunch of een drankje. Maar Marianne herinnert zich nog een gemarkeerd wandelpad dat naar Chora Sfakion leidt, dus slaan we alle voorstellen af en een nieuw bergpad in, steil omhoog. De markering van het pad laat echter zwaar te wensen over. Bovendien staat de zon nu hoog aan de hemel. We zweten ons te pletter. Het blijft zoeken naar markeringstekens.

Ten einde raad steken we een bergrug over en dalen naar een gehuchtje met enkele huizen. Maar we stuiten op een manshoge stevig beveiligde omheining die zo ver loopt als we kunnen kijken. Erachter springt een grote hond wild blaffend tegen het hek op. We zien ons verplicht terug te keren op onze schreden. Langs een ander paadje geraken we weer terug over de bergrug en dalen vervolgens een dal in waar we opnieuw markeringen vinden. Tot die ophouden en we op een zandweg komen. Maar helaas loopt die opnieuw dood op de afsluiting van een steengroeve. Marianne is uitgeput. Ons water is op. De zon staat in het zenith.

Ik wring me dan maar door het hek. Als we het terrein van de steengroeve oplopen, herkennen we enkele honderden meter verder de asfaltweg waarover de bus ons ’s ochtends naar Imbros heeft gebracht. We sluipen zo stil mogelijk langs de barakken, loodsen en kranen en machines van de steengroeve. Honderd meter naast ons staan op een parking enkele auto’s en bestelwagens. Er komen mensen een gebouw uit, maar ze zien ons niet of doen alsof. Achter een kerkje dat vreemd genoeg op dit terrein staat, lopen we eindelijk door een open poort de asfaltweg op.

De laatste twee kilometers wandelen we onder een beukende middagzon langs de drukke weg naar Chora Sfakion. Marianne slaakt een zucht als ze zich kan neerploffen in de taverne van Georgis aan de haven. Een biertje, een heerlijke Griekse salade en een lekkere pita brengen ons weer tot leven.

Na onze stevige lunch gaan we op zoek naar Erwin en Christel. We passeren op de promenade de lookalike van Stromae, de ober met het hoverboard en de quick service. Hoi, spreek ik hem aan, ken jij soms Stromae? Meteen komen er nog wat andere obers rond ons staan. Neen, zegt de nep-Stromae. De andere obers googelen en dan gaat Stromae ineens een licht op: alors on dance, zegt hij. En hij somt nog enkele liedjes op van de superster. Waw, spreek jij ook Frans, vraag ik hem. Ah oui, antwoordt hij met de flair van Stromae, c’est la langue de l’amour. Je parle souvent le Français avec les filles. Je suis un pecheur d’amour, tu sais. We schieten in de lach.

Despina, toen nummer 1 op TripAdvisor!

Marianne en ik besluiten nog even te gaan siësten vooraleer we met Erwin en Christel gaan aperitieven en dineren. We eten weer in een van de door TripAdvisor aanbevolen resto’s. Ik weet niet meer wat de anderen aten, maar mijn risotto met ouzo en garnalen was alleszins heerlijk. Daarna gaan we nog naar Despina, de lokale nummer 1 van TripAdvisor, een dessert eten. De uitbaatster en haar helpende zoon wisten niet eens dat hun zaak de lijst van Trip Advisor aanvoert. We proppen nog vier grote stukken lekkere taart in onze maag. Morgenochtend komen we hier terug ontbijten, beloven we, vooraleer we met de bus naar Chania terugkeren, en van daar het vliegtuig op naar huis.  

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , , | 1 reactie

Naar Chora Sfakion (11)

We staan weer vroeg op. Om half acht drinken we een laatste koffie in taverne Akrogialis, waarna we afscheid nemen van de hoteleigenaar Pavlos, zijn broer Costas en Whynot. We beloven plechtig over enkele jaren terug te keren. Pavlos ontfermt zich over onze rugzakken. Hij brengt ze met zijn motorboot naar de ferry in Loutro. Daar heeft hij geregeld dat de uitbater van een taverne aan de haven van Chora Sfakion onze rugzakken van de veerboot zal halen. We kunnen ze dan daar ophalen.

We vertrekken langs de E4, via het korte pad naar Loutro en van daar verder naar Chora Sfakion. Marianne ziet af na de zware dag op en af naar Aradena. Ze stapt nog mee tot Loutro en neemt daar de veerboot naar Chora Sfakion.

Loutro van op de E4 richting Chora Sfakion

Voorbij Loutro volgen we de E4 naar onze bestemming. Om 9:30 u zijn we al aan Sweet Water Bay. Daar gaan we ontbijten. We zijn de eerste gasten in de taverne die wat hoger gelegen is dan de zee. We genieten van ons ontbijt met vers fruitsap en omelet bij een prachtig uitzicht over het strand en de zee. Er zijn op dit vroege uur al mensen aan het zonnen en zwemmen.

Ook dit strand heeft recent een metamorfose ondergaan. Sweet Water Bay staat tegenwoordig vol strandstoelen en parasols. Het strand dankt zijn naam aan de zoetwaterbronnen die hier en daar opborrelen. Aan het einde van de stoet ligstoelen kampeert een handvol nudisten in kleine tentjes. Een oudere hippie en zijn vrouw zijn aan een zoetwaterbron de afwas aan het doen. Erwin en ik doen ook onze kleren uit en genieten van een kort maar krachtig zwempartijtje. Christel vindt het water zo vroeg in de ochtend nog wat te koud.

Het prachtig gelegen Sweet Water Bay met de taverne in zee, de ligstoelen op het strand en de wildkamperende nudisten op het eind van het strand

We stappen verder naar Chora Sfakion, genietend van de prachtige zichten op de kust. De E4 is hier vrij gemakkelijk te bewandelen. Onderweg zien we de veerboot passeren waarop Marianne zou moeten zitten. We zwaaien vanop een uitkijkpunt met een sjaal van Christel naar de boot die zo’n kilometer verder door de golven ploegt. We zien niemand terugzwaaien.

De laatste twee kilometer wandelen we langs een drukke asfaltweg tot in Chora Sfakion. Motorrijders scheuren er hard door de haarspeldbochten. Erwin is al eens in Chora Sfakion geweest en hij weet een trapje waarlangs we verlost geraken van de verkeersdrukte. We dalen de laatste meters tot aan de strandboulevard af. We bellen Marianne op om te vragen of ze al aangekomen is. De boot is aan het ontschepen, zegt ze, en we spreken af aan de trappen van het busstation vlakbij de haven.

Terugblik op Sweet Water Bay

Chora Sfakion is het belangrijkste dorp uit de regio Sfakia. Het is ook de enige plaats in heel Griekenland die nooit bezet is geweest door een externe vijand. Heel de streek heeft een sterke reputatie van verzet. Tegen overheersers als de Venetianen, de Turken en de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 31 mei 1941 heeft de lokale bevolking vele geallieerde troepen uit Nieuw-Zeeland en Australië helpen evacueren vanuit de haven van Chora Sfakion. Het dorp is vervolgens gebombardeerd door de Duitsers.

Marianne zit al te wachten op de trappen naar het busstation. Onze bagage ligt nog niet in de taverne maar dat vinden we niet erg. We gaan eerst een Mythos drinken aan de strandboulevard. Het is er aangenaam zitten, dus blijven we er ook lunchen. Het is zondag en dan is het druk in Chora Sfakion. Overal zijn families met kleine kinderen samengekomen. Ze praten en lachen honderduit op de terrassen en showen hun baby’s in de koets en peuters in de buggy.

Vlakbij onze tafel rijden enkele grotere kinderen de smalle promenade af en aan met een hoverboard. Die hebben ze geleend van hun slungelachtige jonge nonkel, die ober is op ons terras. Hij bedient de klanten per hoverboard. I deliver a quicker service, zegt hij lachend. De jonge kerel trekt hard op Stromae.

In de late namiddag meert de ferry Daskalogiannis aan in de haven. De boot komt van Loutro en Agia Roumeli. De ontscheping duurt lang. Eerst rijden de voertuigen van de boot. Daarna volgt een massa toeristen. Het zijn hoofdzakelijk wandelaars die de Samariakloof overleefd hebben, zoals sommigen het de wereld laten weten van op een fonkelnieuwe T-shirt. Dat hebben ze gekocht in de souvenirshops van Agia Roumeli.

Even uitblazen op een terras langs de promenade van Chora Sfakion

Enkele minuten lang hou ik van op het terras die stoet in de gaten. Dan begin ik te tellen. Er komen nog 418 mensen van de Daskolgiannis gestapt. Ze nemen wat verder de trappen naar de bussenparking. Vanuit Rethymon, Chania of Heraklion, de grote toeristische centra aan de noordkust van Kreta, kan je excursies boeken naar de Samariakloof, voor circa honderd euro per volwassene.

Als de drukte aan de kade voorbij is, halen we onze rugzakken op en trekken we naar de kamers die we gehuurd hebben. ’s Avonds eten we in een van de door Trip Advisor best geklasseerde resto’s van het kustdorp alle vier een mixed grill. Deze keer krijgen we hem helemaal op. Al kost dit Erwin en mij toch enige moeite.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Van Lysos naar Aradena door de kloof (10)

Vroeg in de ochtend stappen we de E4 in westelijke richting op, naar het strand van Marmara. Hoewel ze nog helemaal niet hoog geklommen is, geeft de zon al zoveel warmte dat de schapen en geiten van Pavlos samenhokken in de schaduw van de steile kliffen aan de kust. Het pad is daar op enkele plekken echt wel gevaarlijk, met steile stukken waar we ook onze handen nodig hebben om erover te klauteren. Niet voor mensen met hoogtevrees, want naast ons op de kliffen gaapt een afgrond, zonder reling of ketting.

De Aradenakloof staat op het programma. Reisgidsen noemen het één van de topwandelingen van West-Kreta. We passeren snel en makkelijk Marmara, eertijds een verlaten baai voor zonnekloppers en zwemmers, tegenwoordig een min of meer aangelegd geëgaliseerd stenenstrand waarop ligbedden en parasols verhuurd worden. Na Marmara begint de klim naar Aradena.

De Aradenakloof is kleiner dan de Samaria-kloof. Maar ze is erg indrukwekkend door de hoge steile wanden. En vooral: je komt er nauwelijks een kat tegen. Al snel lopen we tussen wanden van meer dan 200 meter hoge rosse rotsen. De kalderimi, het ezelspad loopt tussen prachtige rozerode oleanders die in het voorjaar welig bloeien.

De kloof wisselt vals plat en traag stijgende stukken door een breed ravijn af met steil opgehoopte rotspartijen tussen hoge wanden. Daar moet je dan klauterend op handen en voeten je weg zoeken. Af en toe zien we de geschilderde merktekens van het pad over het hoofd en moeten we op onze stappen terugkeren. Na een half uurtje wandelen passeren we een aftakking in het pad naar rechts naar Livaniana en wat later voert een aftakking naar links je op het bergpad dat je tot Agios Ioannis leidt.

Af en toe zien we naast het pad oude geitenkadavers liggen. Na een bocht stuiten we op het lijk van een jonge bunzing. Het is niet duidelijk of hij van een hoogte is gestort of op een andere manier om het leven is gekomen. De gieren of roofvogels die geregeld de kloof screenen op verse kadavers zullen het onfortuinlijke jong wel opruimen. 

Spectaculair zijn de twee ijzeren trappen en het klimkoord om een haast loodrechte wand in de kloof te overwinnen. Het klimkoord vergt enige durf. Je moet je lichaam achterover laten hangen aan het koord en je zo stap voor stap en hand voor hand omhoog hijsen. Wandelaars die verkiezen de ladders en touwen te vermijden, kunnen links omhoog een bergpad op met hier en daar een reling.

Na enkele uren wandelen zien we in de verte de ijzeren brug die beide kanten van de kloof verbindt. De brug heeft houten planken. Er kan maar één auto tegelijk over. Als er eentje over rijdt, hoor je het gerammel tot in de kloof, die onder de brug een kleine 150 meter diep is. Vanaf de brug wordt er af en toe gebungeejumpt.

De brug is een cadeautje van de rijke familie Vardinogiannis. Ze verbindt sinds 1986 het bergdorpje Agios Ioannis, waarachter alleen nog bergpaden liggen, met de dorpjes Livaniana en Agios Dimitrios. Van daar kan je met de auto doorrijden naar de baai van Lykos of naar het grote kustdorp Chora Sfakion.

Als we een kleine halve kilometer onder de brug zijn doorgewandeld, komen we aan een hoop stenen waarin een stok is geplant met een geitenschedel op. Zowel langs links als langs rechts kan je hier de kloof uit langs een steil maar makkelijk begaanbaar pad. Wij nemen het linkse dat ons naar het spookdorp Aradena brengt. Dit pad was tot 1986 de enige manier om de kloof over te steken.

Aradena heeft een lange en bewogen geschiedenis. Als het antieke Aradin werd deze plek al in de tweede eeuw voor Christus bewoond. In de eerste eeuwen na Christus was er een bisdom gevestigd. Tussen de ruïnes van het dorp staat nog een kleine 14de eeuwse Byzantijnse kerk gewijd aan de aartsengel Michaël, met mooie muurschilderingen en iconen. Rondom Aradena liggen nog restanten van de oude stad Aradin.

De vrome voorgeschiedenis van Aradin heeft niet kunnen verhoeden dat halverwege vorige eeuw een regelrecht drama plaatsvond in het dorp, waardoor alle bewoners stierven of het verlieten. Volgens wat ik op internet kon terugvinden, begon het tragische verhaal met een ruzie tussen twee jongens om een geitenbel. De ruzie escaleerde in een mum tot een vendetta waarbij bijna alle inwoners de dood vonden. De paar mensen die het bloedbad overleefden verhuisden naar het nabijgelegen Anopolis.

Het doet vreemd aan tussen de bouwvallen van nochtans fraaie, oude woningen te wandelen, met boogpoorten en terrassen. Hier en daar zijn er weer tekens van bewoning en herstellingen. We lopen het lege dorp terug uit door een rasterhekken en wandelen naar de kleine taverne aan het open terrein voor de ijzeren brug over de kloof. Het terras onder de schaduw van wat bomen is onmogelijk te weerstaan.

We zijn op die eerste zaterdag van juni niet de enige gasten. Drie Kretenzers houden er een drinkgelag. Ze worden bediend door een jonge vrouw die tussendoor probeert haar kleuterdochter te laten eten. Op de tafel van de drie mannen, uitgedost in soldatenhemden en katoenen broeken met beenzakken, staan 21 lege blikjes bier. De vrienden bestellen nog een rondje. Wij bestellen Griekse salade en ook wat drankjes, want het is heet op de middag.

Het duurt even vooraleer de salade klaar is, maar hij is heerlijk. Tien minuten nadat één van de drie mannen een telefoontje heeft gekregen, rijdt een reusachtige pick up de brug over. De chauffeur parkeert de auto aan de overkant van de straat naar Agios Ioannis. De man is stevig gebouwd en rond de twee meter lang. Als de kolos de straat oversteekt, lijkt de tijd stil te staan, zo traag stapt hij. Het tafereel doet me denken aan de beginsequenties van Once upon a time in the west, maar dan zonder de muziek van Ennio Morricone. Zelfs zijn drie drinkebroers lijken hun adem in te houden. Uiteindelijk schuift hij mee aan tafel. Een volgend rondje volgt. De reus heeft nu het hoge woord.

Niet veel later, onze salade is bijna op, horen we weer de houten balken op de ijzeren brug rammelen. Groot en dik komt er nu een zwarte Ford-jeep met Duitse nummerplaat overgereden. Hij draait op de open ruimte voor de taverne en parkeert zich dan naast de pick up. Een dikke man en een vrouw die zich als een dienstmeid gedraagt, stappen uit. Ze wisselen enkele woorden en dan kruipt de man terug in zijn auto. De vrouw wandelt naar het begin van de brug terwijl de man de jeep terug start en naar de brug rijdt. In tegenstelling tot wat we denken dat er zal gebeuren, stapt de vrouw niet in. De man geeft haar nog wat aanwijzingen en begint dan traag over de brug te rijden. De vrouw filmt de jeep met haar iPhone. Als het voertuig de brug over is, keert de man en rijdt hij terug over de rammelende brug, alweer gefilmd door de vrouw. Dan stapt de vrouw in en rijden ze weg, nog eens over de brug, een nieuw avontuur met hun zwarte Ford-jeep tegemoet.

Onze Griekse salade is op. We rekenen af. Snel tel ik intussen de lege blikjes aan de tafel met vier mannen. Er zijn er twaalf bij gekomen. Wij keren terug naar het verlaten dorp. Aan een ruïne vlakbij het ezelspad naar de kloof trekken we de laatste foto’s vooraleer we afdalen. De terugtocht naar zee gaat veel sneller dan de klim tot Aradena.

Hoe verder we afdalen, hoe meer mensen nog aan de tocht in omgekeerde richting lijken te beginnen. Eigenlijk nemen ze vooral een kijkje in dat natuurwonder, om dan weer op hun stappen terug te keren. We kruisen een Vlaamse vrouw uit Rotselaar die het zonnekloppen op het ligbed naast haar man aan het strand van Marmara even moe was. Ze wist niet dat achter het strand in die magistrale kloof zoveel avonturen en een prachtige natuur wachten.

Vooraleer we de E4 naar Pavlos weer afdalen, drinken we op het hoog gelegen terras van de taverne van Marmara nog een biertje. We hebben een fraai uitzicht op de schaars en nog schaarser geklede zonnekloppers op het strand en op de zeilers en de zwemmers in zee, die niet weten wat ze vandaag hebben gemist maar daar ook niet om malen.  

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Even naar Loutro (9)

De ochtend na onze eerste nacht in hotel Akrogialis ontbijten we laat. De avond tevoren waren we wat te diep doorgezakt. Marianne heeft veel wakker gelegen, door mijn gesnurk maar ook omdat ze nog pijn heeft in haar gewrichten en voet.

Na het ontbijt gaan Erwin, Christel en ik even op en af naar Loutro. Marianne is al vaak in Loutro geweest en ze verkiest in het hotel te blijven en wat te lezen en luieren. Loutro is het volgende kustdorpje ten oosten van het schiereiland in de Libische Zee waar Lykos tegenaan ligt en wat verder ook Finikas, nog een andere diepe baai met enkele rustige hotels en restaurants en een mooie aanlegsteiger, zij het niet voor veerboten.

Dit kleine plaatsje heeft een lange geschiedenis. Het was de haven van het grote bergdorp Anopolis. Het is nog stil in de hotels in Finikas, als we er passeren. Er zijn vanuit Lykos twee wegen die naar Loutro leiden. Een korte wandeling over de heuvel gevolgd door een steile afdaling, of een meer gezapige wandeling via Finikas en het schiereiland. De korte tocht duurt volgens Marianne zo’n twintig minuten.

Voor de heentocht naar Loutro lopen we langs de kaap. Daar passeren we nog twee kapelletjes en de ruïnes van het Turkse kasteel, Turki Kastro. Deze Koule keek neer op het huidige Loutro en de omgeving. Het rechthoekig gebouw met twee verhoogde torenposten dateert van 1868. Enkele muren zijn bewaard gebleven. Buiten lag een grote cisterne om het garnizoen in het fort van water te voorzien.

Langs Café Kastela, een taverne met een enig zicht op de baai, dalen we af naar het kustdorpje. Eigenlijk bestaat het uit niet meer dan een promenade. Er rijden geen auto’s. Het dorp is alleen via wandelpaden en de veerboot bereikbaar.

Net als we beneden aan de promenade zijn, meert een ferry aan. Meteen is het een drukte van jewelste aan de kade. Uit de veerboot komen wagens en kleine vrachtwagens, passagiers, maar ook ijsjes, geld, kasten, groenten, bouwmaterialen, allerhande dozen, valiezen, rugzakken, geneesmiddelen en zelfs boxspringmatrassen. Op de kade staat een dozijn mensen te wachten met karren en kruiwagens. De auto’s en kleine vrachtwagens kunnen er hun lading lossen en eventueel nieuwe lading terug meenemen. Het eerste voertuig dat de veerboot verlaat, is een kleine vuilniswagen. Die komt het vuilnis van Loutro ophalen.

Het haventje ligt mooi in een half maantje, waardoor het ook bij slechte weersomstandigheden een veilige plek is. Wie in Loutro de nacht doorbrengt, kan volgens diverse getuigen op verblijfswebsites de volle maan uit de zee zien oprijzen. Grote hotels vind je niet in Loutro, maar op Google Maps vond ik toch een zevental kleinere hotelletjes. Bovendien biedt ongeveer elk huis in Loutro wel kamers aan en er worden ook heel wat appartementen verhuurd. Het dorp leeft van het toerisme en de horeca. Alle terrassen zijn op zee gericht. Je vindt er veel winkeltjes en souvenirshops, er staat een mooi maar klein kerkje gewijd aan de maagd Maria en er is een bankautomaat.

We slenteren langs de promenade tot op het einde, waar we in een strandwinkeltje zwembrilletjes kopen. In de baai van Lykos is het zalig snorkelen tussen de rotsen in de zee. Op het einde van de promenade kan je nog via de E4 verder wandelen naar Chora Sfakion, maar die tocht staat pas over enkele dagen gepland. Dus keren we maar op ons gemak terug naar waar het korte pad naar Lykos begint.  

Als we het terras van Loutro Café passeren, is het nog zo goed als leeg. We twijfelen niet en nemen plaats aan een tafeltje met uitmuntend zeezicht. Dicht aan de bar zitten een paar obers te praten. Toch duurt het nog vijf minuten vooraleer er eentje onze bestelling komt opnemen.

Intussen geven we onze ogen de kost: in een naburig hotel wordt de ene boxspring na de andere binnengebracht. De grootste onderdelen werden van de veerboot in een kleine motorboot verscheept en worden dan aan de kade vlakbij het hotel uitgeladen. Er is wel een tiental mannen in de weer om alle kamers van het hotelletje met zo’n hip bed uit te rusten.

Als de ober van dienst de drankjes brengt, geef ik hem een briefje van tien euro. Hij loopt ermee weg vooraleer ik kan zeggen dat hij het wisselgeld mag houden. Maar in plaats van die halve euro terug te brengen, schuift hij weer bij zijn collega’s aan tafel. Ze hebben misschien wel belangrijke zaken te bespreken, zoals de stoet van de boxsprings, veronderstellen we. Ook bij Pavlos waren er nieuwe bedden in het hotel, waarover iedereen praatte. Welkom in het moderne Kreta.  

Als onze drankjes op zijn, klimmen we het steile pad achter de promenade omhoog tot we weer aan het plateau zijn. Na het middageten bij Pavlos testen we onze zwembrilletjes uit. We snorkelen naar hartenlust tussen de rotsen en riffen onder water.

Marianne heeft kano’s geboekt om in de late namiddag te gaan varen. We peddelen van het hotel tot aan de baai van Marmara, met een prachtig strand. In Marmara Beach mondt de Aradenakloof uit. Op het strand ligt het vol zonnekloppers en badgasten die met bootjes uit Loutro of Agia Roumeli zijn komen aanvaren. In Loutro hebben we een bedrijfje gezien dat zich toelegt op de verhuur van motorboten in verschillende formaten.

Boven het strand van Marmara is een taverne met een groot terras. Aan het uiteinde van de baai zijn nog grotten waarin je kan gaan zwemmen of spelevaren. Morgen zullen we terug in Marmara zijn, maar dan niet per kano maar te voet via de E4. En wij komen niet naar Marmara om te zwemmen of zonnen, maar om naar Aradena te stappen en terug. Door die kloof natuurlijk.    

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , | 1 reactie

Eindelijk naar Pavlos (8)

Als er één pleisterplaats in Kreta is waaraan Marianne haar hart verloren heeft, dan is het hotel Akrogiali, in de baai van Lykos nabij Loutro, bij Pavlos. Ze heeft daar weliswaar ook een onaangenaam voorval te vermelden. Ze viel er in het duister van een trap waarbij ze haar enkel ontwrichtte. Daardoor kon ze de rest van die vakantie niet meer mee wandelen. Vandaag gaat ze voor de vierde keer naar Pavlos. Voor Christel is het de derde keer, voor Erwin de tweede en voor mij de primeur. Ik ben zeer benieuwd.

Om van Agios Ioannis in de baai van Lykos te geraken, moeten we eerst vijf kilometer zweten langs een asfaltbaan, tot voorbij de brug over de Aradenakloof. Daar slaan we dan een pad in dat ons na een lange afdaling langs het bergdorp Livaniana tot op onze bestemming brengt.

Waar gaan jullie naartoe vandaag, vraagt de patron van het Alonia Guesthouse, die we voor het eerst zien als hij van ons afscheid komt nemen. Oh, zegt hij als hij de bestemming vernomen heeft, dan voer ik jullie wel tot aan de Aradenakloof. Dat moet hij ons geen twee keer zeggen. We hebben wat langer geslapen en de zon schijnt om negen uur ’s morgens al flink warm. Als we die asfaltkilometers kunnen vermijden, doen we dat graag.

Vooraleer de patron ons afzet, zien we links van ons net vóór de brug een taverne waarachter het zo goed als verlaten dorp Aradena schuilgaat. Onze chauffeur heeft ons dan al het verhaal verteld van de twee dorpen. Agios Ioannis, het dorpje waar de weg eindigt en de bergpaden beginnen, heeft enkele kerkjes en kapelletjes maar telt nog slechts tien permanente inwoners.

Als ze de mis willen bijwonen moeten zij nu elders naar de kerk, en dat terwijl het dorp een Sint-Janskerk heeft waarnaar het dorp is genoemd, die dateert uit de veertiende eeuw. We tellen even op onze vingers: van die tien inwoners hebben we er tijdens ons verblijf in het dorp dus al zeven gezien: de drie op het terras, de patron van het verblijf met zijn vrouw en dochter en een eenzame jager die ’s avonds tijdens ons diner langs het terras passeerde.

Sneller dan verwacht rijden we over de rammelende brug over de Aradenakloof en een minuutje later stappen we uit met onze picknickrugzakken. Zoals Marianne had voorspeld wil de patron niet betaald worden voor zijn taxi. We bedanken hem en goedgemutst beginnen we aan de afdaling naar de zee. In principe zouden we ook via de Aradenakloof naar de baai van Marmara kunnen afdalen en vandaar de E4 volgen die een kilometer verder de Lykos baai passeert. Maar die mooie kloof houden we nog voor een latere dag.

Het pad naar Livaniana is vrij makkelijk en goed gemarkeerd. Gelukkig maar, want Erwin heeft wat last in zijn onderrug en Marianne sukkelt nog met haar voet. In het eerste deel van de tocht lopen we nog een kort stukje over asfalt op een plateau met zicht op de besneeuwde Witte Bergen. We spotten er nog eens een hop.

Het tweede deel van de tocht loopt wat steiler naar beneden langs een lastiger pad, tot we in het bergdorpje Livaniana belanden. Hoog boven het dorp zien we weer verscheidene lammergieren cirkelen. Erwin slaagt er met zijn telelens in enkele mooie foto’s te maken.

Als we bijna het dorpje doorgelopen zijn, passeren we een taverne waar we halt houden voor een biertje op het terras. Beneden ons zien we van daar de blauwe Libische Zee en de baai van Lykos al goed liggen. Een man van middelbare leeftijd bedient ons. We geraken aan de praat met een jong Duits stel, dat naar het strand van Marmara wil.

Als de Duitsers afscheid genomen hebben, vertelt Marianne dat er bij haar vorig bezoek aan het café een mannelijke modepop naast de deur stond. De vrouw die de zaak toen op haar eentje runde, had de zwijgende man daar gezet na een mislukte relatie. Ze vertelde aan iedereen die op haar terras kwam dat ze alleen nog een man wou die zich niet moeide, niet sprak en haar met rust liet. Die modepop was voor haar de ideale man en zo stelde ze hem voor aan haar klanten. Maar die pop stond er dus niet meer. Helaas hebben we de bazin tijdens ons bezoek niet te zien gekregen. We wilden wel eens weten of ze vond dat haar nieuwe, levende man aan de verwachtingen voldeed.

Tijdens de afdaling vanuit Livaniana lopen Erwin en ik in dynamisch evenwicht voorop. We zien bij elke stap beter hotel Akrogiali liggen, de steiger met een motorbootje, het keienstrand met blauwe ligzetels en de zee die schittert in het late ochtendlicht. Voor we het beseffen lopen we op het erf van Pavlos, waar een bord in het Engels en het Grieks waarschuwt: Pas op! Geiten kunnen je auto beschadigen! Parkeren alleen op eigen risico.

Een vriendelijke jongeman heet ons welkom op het prachtige terras van het hotel, met zicht op zee. En nee, dit is niet Pavlos maar zijn jongere broer Costas, die enkele jaren in Engeland heeft gestudeerd. Costas is terug uit Albion en helpt zijn broer en moeder mee in de familiezaak. Hij vertelt dat Pavlos ’s avonds terug zal zijn van een bezoek aan zijn vrouw en zoontje, die in Chania wonen. Erwin en ik bestellen een biertje en het is de Albanese ober die ons bedient. Als we een kwartiertje later nog een tweede bier bestellen, zegt hij lachend why not! Sindsdien noemen we hem ook Whynot.

Eindelijk komen ook Marianne en Christel veilig aan, gevolgd door Pavlos. Het weerzien van de dames met de knappe dertiger is hartelijk. Ze hebben allen veel te vertellen, zeker Pavlos, die bij het vorige bezoek nog vrijgezel was en nu vrouw en kind heeft. We nemen een Griekse salade als lunch. Alles in het gerecht is vers en bereid door de mama van de broers. We hebben nog een mooie namiddag voor de boeg. Eerst gaan we douchen en siësten, maar daarna gaan we ook zwemmen in zee en wat luilekker lezen op de ligbedden. Na een tweede douche is het tijd voor het avondmaal.

Na zo’n anderhalve liter bier als aperitief smullen we van de calamares met Griekse frieten. Er volgen nog vele halve liters witte wijn en een drietal kannetjes raki, die Whynot steevast met een vrolijk why not! serveert. Marianne en ik gaan nog naar de sterren kijken op het verlaten strand. Maar het teveel aan alcohol houdt ons uit een vredige slaap.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Van Agia Roumeli naar Agios Ioannis (7)

Om 6 u gaat de wekker op mijn gsm in hotel Calypso. Tijd om op te staan, ons wat te verfrissen en in te pakken. Om half zeven staat de gepensioneerde baas van het hotel ons al buiten op te wachten met zijn bestelwagen. Daar laadt hij onze rugzakken in. Straks brengt hij ze naar de veerboot. Met Pavlos, de eigenaar van hotel Akrogiali, waar we morgenavond zullen overnachten, heeft hij afgesproken dat onze rugzakken in de loop van de dag in Loutro zullen afgezet worden, de aanlegplaats van de veerboot die het dichtst bij Akrogiali ligt. Pavlos zal ze dan met zijn motorboot in Loutro gaan ophalen en naar zijn hotel brengen, enkele kilometers ten westen van Loutro aan de Lykosbaai.

Voor deze service rekenen de twee hoteleigenaars ons niets aan. Het scheelt misschien wel dat Marianne al enkele keren bij hen verbleven heeft. Om onze bagage van Sougia naar de ferry naar Agia Roumeli te brengen, vroeg de baas van hotel Irene één euro per rugzak. Nu ja, de man moest het transport naar de ferry dan ook met zijn brommertje doen.

De rijzige grijze baas van hotel Calypso wordt emotioneel als we afscheid nemen. Hij omhelst de vrouwen en schudt de mannen stevig de hand. De zeventiger hoopt ons een van de komende jaren nog eens terug te zien in Agia Roumeli. Tegen dan zullen zijn zoons wellicht helemaal zonder hem het hotel runnen. Tijd om afscheid te nemen. ‘Over enkele jaren keren we terug’, beloven we. Dan vertrekken we op tocht. We dragen dagrugzakjes, met wat drinkbussen en het hoogstnodige voor één nacht. We hebben een hotelletje geboekt in het piepkleine Agios Ioannis, ongeveer 800 meter hoog in de bergen. We steken het brugje over waaronder het riviertje van de Samariakloof naar zee stroomt. We passeren een camping met trekkerstentjes onder de bomen. Er is nog geen teken van leven te bespeuren.

Mijn maag knort als we de E4 verder oostwaarts volgen langs de kust. Het plan is om te ontbijten aan de taverne naast het oude kerkje van Agios Pavlos. Van daar volgen we dan verder de E4 tot we een zijpad bereiken dat naar Agios Ioannis leidt. Vanaf de camping golft het pad gezapig langs de kustlijn. Maar de zware dag van gisteren zit nog in mijn benen. Het wandelingetje van vier kilometer tot aan Agios Pavlos is toch lastiger dan verwacht.

We moeten toch weer wat over en tussen rotsen klauteren en ploeteren door wegzakkende kiezels of zand. Ook zo dicht bij de kust zijn er enkele steile afdalingen en bestaat de ondergrond soms uit los steenpuin of grote rotsblokken. Iets na achten horen we geitenbellen en zien we in de verte de taverne Saint Paul en erachter het kerkje Agios Pavlos liggen, een van Kreta’s meest fotogenieke Byzantijnse kerkjes langs het strand.

Eerst lopen we het terras van de taverne Saint Paul op, waar al een koppel en een Nederlandse vader met zijn zoon aan het ontbijten zijn. In de taverne kan je ook kamers huren, om eens een nacht door te brengen in een compleet lichtloze omgeving, ideaal om de magistrale sterrenhemel boven dit verlaten stukje Kreta te bewonderen. Ook nu is er op het mooie en uitgestrekte strand van Agios Pavlos niemand te bespeuren. Dat komt natuurlijk omdat deze plek zo moeilijk bereikbaar is. Het strand ligt aan de uitgang van de Eligiakloof. Je kan er alleen met een bootje of te voet geraken. Via de E4 geraak je langs de kust naar het strand vanuit het westelijk gelegen Agia Roumeli en het oostelijke dorpje Loutro, waar er verbindingen met de veerboot naar de bewoonde wereld zijn. Ook in de Eligiakloof loopt een pad door de Witte Bergen dat hier en daar vertakkingen heeft. Maar om van daar op een berijdbare weg te geraken moet je nog langer dan langs het kustpad hiken.

In de taverne bestellen we alle vier omelet als ontbijt. Na een dik kwartier komt de patron met de eerste twee eiergerechten, brood en koffie aanzetten. Tien minuten later volgt het tweede koppel omeletten. Ze hebben waarschijnlijk maar twee vuren in de keuken, bedenk ik. Het is onwaarschijnlijk dat op deze plek een taverne is waar je niet alleen iets kunt drinken, maar je ook kunt ontbijten en eten. Een deel van het menu is op een rots geschilderd.

Het Byzantijns kerkje dat zo’n honderd meter verder op het strand staat, is ongeveer duizend jaar oud. Het is waarschijnlijk gebouwd met stenen die ter plaatse op het strand werden verzameld. Agios Pavlos is Grieks voor Sint-Paulus. Volgens de overlevering is het kerkje opgetrokken op de plaats waar de apostel Paulus omstreeks 59 na Christus in Kreta aan land ging, al bestaan daar geen bewijzen van. Het kerkje bevat nog enkele goed bewaarde fresco’s uit de dertiende eeuw.

Na de bezichtiging van het kerkje klimmen we een zandduin op die ons weer op de E4 brengt. Marianne ondervindt hinder van haar knieën, zowel de goede als de slechte. Ook in haar enkel schiet er af en toe een stekende pijn, wellicht een scheut die terugkeert bij dezelfde voetbeweging. Na een kilometer behoorlijk vlak wandelen met rechts van ons de kust en onder het lover van naaldbossen, staan we voor een splitsing op de E4. Rechtdoor loopt het pad verder naar de baai van Marmara, aan de monding van de Aradenakloof, en van daar verder naar het kustdorp Loutro. Wij moeten links af, steil omhoog tegen de beboste bergflank naar het bergdorpje Agios Ioannis. Er komt net een Duitse hiker met een hoed op zijn hoofd het pad afgedaald. We groeten elkaar en hij wenst ons goede moed bij de steile klim.

Het klimmetje is inderdaad nijdig. Over een afstand van een kilometertje stijgen we van 100 meter naar bijna 600 meter hoogte. Daar komen we aan een hoogvlakte en dwarsen we een weg. Hier is het gelukkig minder steil. Intussen hebben we weer honger. We picknicken onder een grote den en zien een hop overvliegen. Na de lunch loopt het pad wat minder op en neer. We passeren links van ons een kapelletje en enkele honderden meters verderop zien we rode daken. Een kwartiertje later lopen we het dorp in. Er staan amper huizen maar nog drie kerkjes in dit godvergeten gat op 800 meter hoogte.

Alonia Guesthouse is de ideale uitvalsbasis voor trekkings in de Witte Bergen. De eigenaar van het gastenverblijf is er niet, maar op het door bomen tegen de zon beschut terras met drie tafels zitten zeven andere mensen. Vier Duitse hikers bespreken tochten die ze de volgende dagen misschien nog willen maken. Aan het tweede tafeltje zitten drie Grieken met forse baarden bier te drinken en dingen te bespreken waar wij het raden naar hebben. Het zijn herders, boeren of jagers, vermoeden we, op basis van hoe ze gekleed zijn. We schuiven bij aan het vrije tafeltje naast hen. De vrouw van de eigenaar neemt onze bestelling op en geeft ons onze kamersleutels. We drinken een biertje en Erwin en ik elk nog een tweede. Dan gaan we naar een bijgebouwtje achterin, waar in oude paardenstallen comfortabele kamers zijn gemaakt. Het stortbad doet deugd en we beslissen nog een middagdutje te doen.

’s Avonds aperitieven we weer op het terras. Rondom ons zien we hoog in de lucht lammergieren wieken. Rond het huis nestelen er tal van distelvinken. Zwaluwen en mussen vliegen af en aan van de olijfbomen naar nissen en holten in de muur en onder de dakrand van de gelagzaal van de doening, waar alleen ’s winters het avondmaal geserveerd wordt. Dan zijn er vooral Kretenzische families te gast, voor een weekendje sneeuwpret, om er kerstvakantie te houden of nieuwjaar te vieren in een bijzonder kader. Marianne en ik eten een lekkere huisgemaakte lasagne, Erwin en Christel eten er lamsvlees. De bijdehandse dochter des huizes komt met een rode wijn aanzetten die we mogen proeven. Althans, ze noemt de wijn rood terwijl de kleur veeleer lichtbruin is. Hij smaakt echt niet naar wijn, vinden we. Geen erg, antwoordt ze met een brede lach op haar gezicht, nu weten we dat ook. Ik heb het gevoel dat zij al veel langer wist dat het bruine vocht niet te drinken is. In de oude paardenstallen slapen we als roosjes. De sterren staren teder.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Langs de E4 naar Agia Roumeli (6)

De E4 is een Europees wandelpad van meer dan 10.000 kilometer. Het start in Tarifa, een klein stadje op het zuidelijkste punt van Spanje en Europa, in de regio Andalusië. Het pad loopt door Spanje, Frankrijk, Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Roemenië, Bulgarije en Griekenland en eindigt in Cyprus. De route door Roemenië en een deel van Bulgarije is (volgens Wikipedia) nog niet helemaal uitgezet.

In Griekenland springt de E4 van het zuidelijke Gytheon naar Kastelli Kissamou op Kreta. Het pad loopt verder naar het zuiden, naar het wondermooie Elafonisi in het westen. Van daar gaat het naar het oosten tot in Kato Zakro, waar het terug noordwaarts buigt tot Sitia. In Sougia zijn er noordelijke en zuidelijke zijtakken. De noordelijke gaan door de Witte Bergen, waar we het stuk tot aan het zadel van de Gingilos hebben gevolgd (zie https://peterdejaegher.com/2022/07/04/stekels-op-de-gingilos/). De zuidelijke tak volgt de kustlijn langs een ruw kliffenpad. Beide aftakkingen zijn zo’n 320 kilometer lang. Heel wat informatie over de E4 en de verschillende etappes in Kreta vind je op https://www.destinationcrete.gr/nature/e4-european-trail/.

Erwin en ik hebben onze zinnen gezet op de kustroute die van Sougia naar Agia Roumeli voert. Daar hebben we voor ons vier kamers geboekt in hotel Calypso, een plek waar onze vrouwen jaren geleden gecharmeerd werden door de eigenaar en zijn zoons. Vanuit Sougia is dat echter een behoorlijk zware en lange kliffenwandeling van 20 kilometer. Rother raadt de etappe alleen aan voor ervaren bergwandelaars in uitstekende conditie. Veel water meenemen, raadt de wandelgids aan. De auteur van de gids suggereert minder getrainde wandelaars ook om de tocht in twee dagen te doen. Halverwege kan je dan overnachten op een strandje.

Marianne heeft voor Erwin en mij nog een betere suggestie: de tocht van dik tien uur inkorten door een motorbootje te huren. Als we een bootje vinden dat ons van Sougia naar Kaap Tripiti vaart, wordt de tocht met zowat twee vijfden ingekort. Een bootje vinden is voor de hoteleigenaar van Santa Irene klein bier. Hij fikst voor ons een kapitein en een bootje, dat ons van het vissershaventje van Sougia voor 50 euro afzet in de baai van Tripiti.

Om zoveel mogelijk de hete middagzon te vermijden, spreken we al om 7 uur ’s morgens af met onze kapitein. Zo vroeg op de dag zijn we de enige passagiers aan boord. Het kleine bootje ploegt dapper door de golven. Een half uurtje later zijn we in Tripiti. De boeg van het bootje deint op en neer terwijl Erwin en ik veilig op de piepkleine steiger proberen te springen. Als we afgezet zijn schakelt de kapitein in achteruit en wordt de afstand tussen de steiger en de boeg langzaam groter. Tot Erwin ineens naar zijn fototoestel aan zijn schouderriem grijpt, naar de kapitein zwaait en roept dat hij iets vergeten is. Gelukkig heeft de kapitein de gebaren gezien. Hij zet de boot terstond terug in vooruit. Erwin was het kapje van zijn fototoestel vergeten.

Eens aan wal vinden we snel de geelzwarte palen die de E4 markeren. Het pad slingert omhoog langs de steile kliffen. Hier en daar is het pad smal en brokkelig met losliggende stenen. We kijken soms wel twintig meter in de diepte naar rotsen, stenen en de zee. Dit is geen pad voor wie hoogtevrees heeft. Nergens zijn er relingen, kabels of kettingen om je houvast te geven. In de Ardennen zijn er voor veel ongevaarlijker paden omheiningen geplaatst of trappen aangelegd. Nog een geluk dat we sommige halsbrekende toeren niet met onze zware rugzakken moeten uitvoeren. De grote rugzakken gaan van Sougia samen met Marianne en Christel op de ferry naar Agia Roumeli.

De geelzwarte palen van de E4-route staan behoorlijk ver uit elkaar. Het is niet steeds mogelijk om van de ene paal of gele verfstreep al de volgende te bespeuren. We moeten regelmatig gokken: zitten we nog op het goede pad, of zijn we op een geitenpaadje beland? Zeker op de schraal begroeide kammen met stekelige struiken lopen we al eens enkele decameters verkeerd vooraleer we terug het goede spoor terugvinden. Zo ’s morgens in de vroegte is de temperatuur nog heel draaglijk. Maar de inspanningen op het zware terrein zorgen ervoor dat het zweet ons van het lijf drupt.

Vanuit de hoogte zien we na een uur of twee klimmen en dalen een verlaten strandje van keien voor ons uit liggen. Dat moet het strand van Domata zijn. We moeten eerst een flink stuk dalen tot we zo’n tweehonderd meter voor het strand in de Kladoukloof uitkomen. Pas als we echt op het keienstrand staan, zien we dat het niet helemaal verlaten is. Een hiker heeft er overnacht. Hij knikt ons toe terwijl hij zijn tentje aan het opbreken is.

Erwin en ik spreken eerst onze knapzak en drinkbus aan. Intussen is de hiker in zijn blootje de zee in gegaan voor een ochtendzwemmetje. Daar hebben we ook wel trek in. Ik speel in een wip mijn kleren uit en wiebel over de keien de zee in. Erwin volgt. We zwemmen een minuutje of tien en laten ons dan drogen op het strand. Intussen is er een motorbootje onze richting uit aan het varen. We zien nochtans nergens aan het strand een steiger. Maar de kapitein kan zijn passagiers ook zonder steiger afzetten. Een oudere man en twee jonge vrouwen, klauteren uit het bootje in het ondiepe water dat net boven hun knieën golft. Zo waadt het trio een voor een het strand van Domata op. De drie leggen hun rugzakjes op een hoopje, trekken hun T-shirt en watersandalen uit en gaan meteen terug de zee in om te zwemmen. Hun zwempak hadden ze al aan.

Terwijl de drie nog aan het zwemmen zijn, kramen Erwin en ik op. Enkele honderden meters verder wijst een E4-paal het binnenland in. Het pad gaat weer de hoogte in over kale rotsen, waar de zon hoog genoeg geklommen is om al haar hitteduivels op onze al afgepeigerde lijven te ontbinden. Het pad loopt nu van de kust weg en klimt steil van zeewaterniveau naar een hoogte van meer dan 500 meter. Gelukkig priemt de zon hogerop niet meer door de bomen. Voor een korte tijd, helaas. Wat verder puffen we weer op een nieuwe hoogvlakte waar de lagere begroeiing geen zonnestralen meer tegenhoudt. We zitten inmiddels over de helft van onze route.

Maar de tweede helft van de pittige kliffenwandeling wordt een nijdige klovenwandeling, van hoogten met fraaie uitzichten op de kust en de zee over een handvol afdalingen naar een droge bedding. We dalen af langs brokkelige paden en klimmen daarna weer over gevaarlijke passages tot aan plateautjes met lage begroeiing. Na de tweede kloof draait het pad weer richting kust. Een van de laatste afdalingen loopt over een steile steenpuinvlakte met rollende stenen, een levensgevaarlijke route waar we bovendien het geelzwarte E4-spoor enkele honderden meters kwijt geraken.

De zware tocht laat in mijn spieren sporen na. Het laatste deel van de tocht, op de flank van de hoogten achter het langgerekte strand van Agia Roumeli, zien we af. Maar gelukkig blijven we ongeveer op dezelfde hoogte lopen. Eindelijk zien we door de bomen tekens van bewoning en dalen we naar het kustdorp op het eind van de Samariakloof. Opgewekt lopen we terug het ons al bekende Agia Roumeli in. Vijf minuten later zitten we op het terras van Hotel Calypso. Het is half twee ’s middags, we hebben er zes uur over gedaan.

Een van de twee obers die op het zowat lege en grote terras rondhangen, komt op ons toegelopen. ‘Ha, jullie zijn gearriveerd’, zegt hij in het Engels, alsof we oude bekenden zijn. ‘Jullie vrouwen zijn hier al, ze zijn in ons nieuw gebouw’. Marianne en Christel waren al een poos gearriveerd met de ferry uit Sougia. Een van de obers had alle rugzakken tegelijk op zijn rug genomen en ze afgeleverd in de gloednieuwe kamers van het bijgebouw van de Calypso. ‘Geef ons eerst maar een mythos, we gaan daarna wel douchen’, zeggen we aan de ober. ’s Avonds zullen Erwin en ik op hetzelfde terras zwaardvis eten. Met zo’n tocht in de benen konden we een stevige vis wel smaken. ’s Anderendaags moeten we weer vroeg uit de veren. We verkassen naar Agios Ioannis, terug de bergen in.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , | 1 reactie

Wandeling naar Lissos (5)

Een beetje cultuur opsnuiven tijdens onze twee weken lange reis? Awel ja, waarom niet. Cultuur kan nooit kwaad, zeker niet in combinatie met een fikse wandeling. Marianne, onze grootste Kreta-specialist, heeft een tocht voorbereid die twee Rotherwandelingen combineert: de klassieke wandeling heen en weer van Sougia naar de archeologische site van Lissos en de rondwandeling door de Lissoskloof. Alles samen toch weer ruim 500 meter stijgen en dalen. 

Langs een stuk asfaltweg klimmen we omhoog tot aan de Agia Irini kapel. Van op het pleintje voor de kapel heb je een fraai uitzicht over het vissershaventje en het kustdorpje Sougia. Wat verder slaan we langs een hekken het wandelpad in. We klimmen langzaam verder omhoog over een hoogvlakte met veel struiken en dalen dan af naar de Lissoskloof. Die is met z’n zeven kilometer een klein broertje van de Samariakloof. Maar het is een mooie kloof, met veel mooie bomen en planten maar lang niet zo’n hoge wanden als in de Samariakloof. Aan een grote den kan ik het niet laten om naar een overhangende tak te springen en erop te klimmen, zoals in de goede oude paracommandotijd.

Wat dieper in de kloof komen we aan een splitsing. Het pad naar Lissos is rechtsaf. We volgen een steil en spectaculair klimparcours dat ons in een wip hoog tussen de bomen en rotsen van de kloofwand brengt, tot de dichte begroeiing schraler wordt en we weer een hoogvlakte moeten oversteken, de Kandouni-vlakte. Daar geraken we aan de praat met twee vriendelijke, jonge Franse klimsters die we voor laten gaan.

Op het einde van de hoogvlakte krijgen we zicht op de zee en de baai van Lissos. Het pad brengt ons nu steil naar beneden de vallei in, naar de archeologische site. Lissos en Syia, het huidige Sougia, waren in de oudheid de haventjes van Elyros, een van de belangrijkste steden van die tijd op Kreta, meer landinwaarts gelegen. Lissos bloeide tussen de derde eeuw voor en de zevende eeuw na Christus. In de negende eeuw werd het vernietigd door de Saracenen. In zijn bloeiperiode beschikte het over een grote handels- en visserijvloot. 

Op de site volgen we de wegwijzers naar de ruïnes van de tempel van Asklepios, de Griekse god van de geneeskunde. De tempel van Asklepios, die dateert uit de derde eeuw voor Christus, was in de bloeiperiode van Lissos beroemd in heel Kreta. Van over het hele eiland kwamen er zieken naar Lissos, dat bekendstond voor het geneeskrachtige water van de bron. Om de god van de geneeskunde te eren, werd in de stad het heiligdom van Asklepios gesticht, een Dorische tempel gebouwd met kalksteen. 

Een korte zucht van spijt ontsnapt mijn keel als ik een omheining rond de ruïne zie staan, waaraan een bordje met verboden toegang hangt. Maar na eens snel in het rond gespied te hebben naar mogelijke bewakers van de site, kruipen we net als een Nederlands koppel dat we daar tegen het lijf lopen via een gat in de omheining naar binnen. Op de vloer van de ruïne zien we de overblijfsels van een fraaie mozaïek die aangelegd werd door de Romeinen. In de mozaïek zaten afbeeldingen van dieren, al kan je daar vandaag niet zoveel meer van maken. De tempel zou vernield zijn door een aardbeving.  

Als we terug het pad volgen dat door de site loopt, stuiten we op een verhoging in het landschap op een klein kerkje. We lopen het aanvankelijk voorbij want verderop zien we de resten van een klein Romeins theater liggen. Er zijn nog opgravingen bezig, waarschuwt een verboden toegang-bord dat op de ditmaal efficiënte omheining errond is bevestigd. Na de obligate foto’s keren we op onze stappen terug en nemen we toch maar een kijkje in het Grieks-Orthodoxe kerkje Agios Kyrikos, dat gebouwd zou zijn op de grondvesten van een vroegchristelijke kerk uit de vierde eeuw na Christus. Het gebedsoord is niet afgesloten. Ook daar liggen op de vloer nog de resten van een mozaïek. Op de muren zien we enkele fraaie fresco’s.

Van aan het kerkje is het een boogscheut naar het centrum van de site. Daar staat naast een reusachtige eucalyptus een laag gebouwtje voor het personeel dat op de site werkt. Het is gesloten, maar ernaast staan enkele infoborden over de werken. Onder de boom en onder een afdak staan ook banken waar je kan schuilen voor de zon. Aan de eucalyptus borrelt een bron met drinkbaar water. Handig om onze veldflessen bij te vullen en, wie weet, heeft het bronwater hier nog geneeskrachtige eigenschappen. Dan gaan we snel op de banken zitten om te picknicken. Want van waar ze ineens komen, weten we niet, maar opeens smachten er op het centrale plein van de site veel mensen naar een zitplekje in de schaduw.

Na de picknick besluiten we het strandje op te zoeken om te zwemmen. Het pad naar zee loopt langs prachtige eeuwenoude olijfbomen en blokken en stenen waarin je hier en daar nog de hand van een steenhouwer herkent. Je moet je inbeelden dat heel de site hier eeuwen geleden vol gebouwen stond. 

De opgravingen van het oude Lissos begonnen ruim zestig jaar geleden, op het eind van de jaren vijftig in de vorige eeuw. Aan onder meer het Romeins theater te zien, zijn ze nog bezig. Meer dan een halve eeuw geleden ontdekten de archeologen al de ruïnes van het nog steeds niet geheel blootgelegde Romeins theater, maar ook die van een aquaduct, een begraafplaats, thermen en vroegchristelijke gebedshuizen. 

Op de site werden ook enkele dozijnen standbeelden gevonden. De belangrijkste, van de godin Hygeia, de godin van de gezondheid, en van Asclepius en Pluto, kunnen bewonderd worden in het Archeologische Museum van Chania. De archeologen dolven ook gouden munten op. Lissos moet echt wel een belangrijke plaats geweest zijn, als het z’n eigen munten sloeg. Op basis van die munten uit de derde eeuw voor Christus kon worden afgeleid dat het havenplaatsje een bondgenootschap had met koning Magas van Cyrene. Tijdens de opgravingen werd ook een groot aantal kleine beeldjes gevonden in de ruïnes van de tempel. Dat toont ook nog eens het belang van het heiligdom in die tijd aan. De beeldjes, de meeste zonder hoofd, staan ook uitgestald in het museum van Chania.

Op weg naar het kleine keienstrandje passeren we nog de kapel van Panagia, waarin oude marmerblokken zijn verwerkt. Nu pas zien we tegen de heuvel aan de andere kant van de vallei tientallen gewelfde stenen gebouwtjes staan. Dat moeten de graftombes van een eeuwenoude Romeinse begraafplaats zijn. Er zouden er zo’n 120 staan maar we zijn ze niet gaan tellen.

Aan het piepkleine strandje honderd meter verder zitten, liggen of zwemmen nog zo’n dozijn zonnekloppers. Er is tegen de rotsen van de baai een kleine steiger gebouwd. De keien en stenen op het strand maken het wel niet comfortabel om te zonnen of gemakkelijk om in zee te gaan. Toch lukt het ons om te zwemmen, het diepblauwe zeewater is einde mei in Kreta al heerlijk.

Er komt een motorbootje aangevaren dat nieuwe passagiers naar Lissos brengt. De site is dus niet alleen te voet bereikbaar via de wandelpaden. Het bootje wiegt nog fel op en neer terwijl de passagiers voorzichtig op de steiger stappen en enkele baders terug aan boord proberen te klauteren. Op deze manier waren er dus ineens zoveel mensen op het pleintje rond de eucalyptus toegestuikt, realiseren we ons. 

De komst van het motorbootje geeft Marianne en Christel een idee: ze kunnen voor enkele euro’s met het bootje terug naar Sougia. Dan moeten ze niet meer die driehonderd meter hoge klim uit de vallei doen, de hoogvlakte oversteken en de afdaling door de kloof naar Sougia doen. Erwin en ik willen wel nog het laatste stuk van de kloof doen, ook als we daarvoor eerst nog weer driehonderd meter tot aan de hoogvlakte moeten klimmen.

Na het vertrek van het motorbootje komen er ineens verschillende andere bootjes uit Sougia aangevaren. Ze hebben tafels en stoelen aan boord, koffers en kisten, vaten en manden. Het is de werkploeg van de trouwpartij, die alles aan land begint te zeulen om op het pleintje rond de eucalyptus een onvergetelijk vervolg op het trouwfeest op poten te zetten.  

Als Erwin en ik op de terugweg opnieuw het centrale pleintje van Lissos passeren, zijn tien goedgemutste Grieken volop bezig met de herinrichting van het plein tot een trouwzaal zonder dak of muren. Daar hadden we die avond wel graag bij geweest. Met goede moed en gevulde drinkbussen verlaten we Lissos en klimmen we op een stevig tempo de berg op. De hoogvlakte is even desolaat en heet als bij de heenroute, maar het stuk van de Lissoskloof dat we nog niet hebben gedaan, loont echt wel de moeite. 

We lopen weer vrolijk in de schaduw tussen de oleanders, magistrale rotsen en bomen en genieten van verrassende uitzichten in de kloof terwijl we als jonge snaken van steen naar steen op het pad naar beneden huppelen. We dalen af in dynamisch evenwicht, legt Erwin uit. Om je evenwicht bij het dalen te behouden, is het makkelijker om van punt naar punt te springen zonder halt te houden dan telkens opnieuw te stoppen en te moeten wiebelen vooraleer je de volgende stap zet. 

In ons dynamisch evenwicht dalen we in minder dan een uur de kloof af tot aan de vissershaven van Sougia. Over een kwartiertje zitten we op het terras van Santa Irena met een biertje, schat Erwin, het zal wel weer een uur duren vooraleer de vrouwen arriveren. Misschien kunnen we daarna nog een dutje doen, antwoord ik, want die avond kunnen we in hotel Santa Irena onze kamers betrekken. 

Opgewekt struinen we de boulevard van Sougia af en als we hotel Irena willen binnenlopen, komen Marianne en Christel lachend buiten. Ik geloof mijn ogen niet. Blijkbaar konden ze ongeveer op hetzelfde moment als wij vertrekken uit Lissos, met een motorbootje. Wat denken jullie, vragen ze, gaan we een terrasje doen of dragen jullie eerst de bagage naar onze kamers? 

Geplaatst in cultuur, geschiedenis, kreta, reizen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Dan maar eerst naar Sougia (4)

Volgens de planning zouden we daags na de Samariakloof bedwongen te hebben, na de middag vanuit Agia Roumeli naar Gavdos varen. Op het kleine meest zuidelijke Europese eilandje van de Middellandse Zee zouden we dan twee dagen verblijven. Maar dat leuke uitstapje kon helaas niet doorgaan.

Het probleem met de afgelaste ferry was nochtans wel opgelost. Alsof zoiets de gewoonste zaak van de wereld was, stond de veerboot van de namiddag gewoon terug op de tabellen van de website van de veerbootonderneming.

We konden niet naar Gavdos omdat het hotel zelf onze boeking had geannuleerd. De eigenaar had Christel de dag voordien proberen te bellen, toen we nog in de Samariakloof aan het wandelen waren. Aangezien er daar geen gsm-bereik was, had Christel de gemiste oproep pas ’s avonds laat gezien. De eigenaar had een boodschap ingesproken. Als we niet binnen het uur terugbelden om onze kamers te bevestigen, zou hij ze aan anderen verhuren, want hij had al gegadigden. En aangezien het Christel simpelweg niet mogelijk was om terug te bellen, deed hij dat effectief. De hoteleigenaar schakelde zelfs Booking.com in om ons te beboeten voor een “no show”, omdat we dus geboekt hadden en niet waren opgedaagd. Dat vonden we toch wel een brug te ver. Na wat heen en weer gemail met de reiswebsite werd die sanctie teruggedraaid.

Maar daarmee was de vraag waar we de komende nacht zouden verblijven nog niet beantwoord. Een mogelijkheid was Sougia. Dat kustplaatsje stond na Gavdos op onze agenda, dus waarom onze aankomst in Hotel Santa Irene niet proberen te vervroegen. Marianne en Christel hadden in dat hotel bij een eerdere reis ook al eens overnacht en ze kenden de eigenaar. Helaas meldde de man dat alle hotels in Sougia vol zaten. In het dorpje stond namelijk een trouwfeest op stapel, waarvoor heel wat bezoekers uit de omgeving een hotel hadden geboekt. De eigenaar van Santa Irene beloofde ons eens rond te bellen of er toch niet ergens nog kamers beschikbaar waren. Een uurtje later had de brave man toch nog twee kamers gevonden die we voor één nacht konden huren. De volgende nacht konden we dan bij hem terecht. We twijfelden geen seconde.

Eerst rustten we nog wat uit van de twee voorbije loodzware wandeldagen. We installeerden ons op het privéstrand van onze geliefd hotel, lazen wat, gingen zwemmen in zee en varen met de gratis kajaks en waterfiets van Sweet Corner. Na de lunch deden we nog een wandelingetje naar het dorpscentrum om wat inkopen te doen en op een terras een biertje te drinken. Daarna stapten we op de boot naar Sougia. Minder dan een uur later waren we in Sougia aangemeerd. Naast de steiger zagen we een binnenhaventje liggen met visserssloepen en kleine motorbootjes. We sloegen de weg in naar het dorp en passeerden een sliert geparkeerde autocars die stonden te wachten om de Samariagangers van die dag naar hun hotels terug te brengen. Vanuit Sougia lopen er berijdbare wegen die via onooglijke dorpjes over de Witte Bergen zestig kilometer verder naar Chania leiden.

Voorbij de bussen wandelden we het dorp binnen via een boulevard van restaurants, hotels en tavernes met zicht op zee en het kiezelstrand met donkere keien en keitjes. Sougia is gebouwd op de ruïnes van het oude Syia, dat dicht bij Lissos ligt, een stad uit de Romeinse en Byzantijnse tijd waarvan we de ruïnes nog gaan bezoeken. Sougia telt twee mooie, kleine kerken, de kerk van de heilige Moeder en de kerk van Agios Kyrikos.

Het dorp is vandaag vooral een toeristische badplaats. Niet alleen langs de boulevard maar ook wat meer achterin het dorp dat ongeveer 250 inwoners telt, zijn er nog verrassend mooie tavernes, winkeltjes en eetgelegenheden. Een Nederlandse vrouw die hier jaren geleden op vakantie is gekomen, een man heeft gevonden en hier sindsdien niet meer weg wil, houdt er een supermarktje open. Het lange afstandspad E4 verbindt Sougia langs een schitterend maar zeer avontuurlijk parcours met Paleohora en Agia Roumeli.

Op het terras met zicht op zee van de Lotosbar dronken we een aperitief. Schuinweg over de strandboulevard op de hoek met de straat die richting binnenland voert, was nog een terras, aan de taverne Omikron. Een grote groep mensen hield er een zangstonde. De meerstemmige gezangen klonken aangenaam en aanstekelijk. Als de zangers opkraamden voelden we onze maag knorren. We gingen op zoek naar een goed restaurantje. TripAdvisor gaf ons een tiental tips. Eerst probeerden we een tafeltje te versieren bij Anchorage, de nummer 3 in de top 10 van Tripadvisor, maar daar vingen we bot: helaas was heel het restaurant afgehuurd voor het trouwfeest.

Een beetje verder van zee weg stuitten we op Rebetiko, de lokale nummer 1 van onze reisadviseur. Het restaurant heeft een schitterend terras op een binnenkoer. We liepen binnen door een open stenen boogpoort. De binnenplaats was omwald met dikke muren van ruwe okeren stenen. Grote bomen zorgen overdag voor schaduw. Een supervriendelijke en gedienstige ober nam in zijn beste Engels de bestelling op. We kozen een mix van wat klassieke voorgerechtjes en bestelden halve liters rode en witte wijn. Als hoofdschotel kozen Erwin en ik voor de mixed grill.

Wat we korte tijd later voorgeschoteld kregen, zag er heerlijk uit: twee grote schotels met enorme brochettes, kipfilet, kalfsrib, spek, merguez- en andere worstjes, allemaal geweldig lekker. Hoe we ook ons best deden, we kregen het gewoon niet op. Een beetje gegeneerd biechtten we de ober die de tafel afruimde op dat het heel lekker maar voor ons wat teveel was. O, zei hij verwonderd, hebben ze jullie bij het bestellen dan niet gezegd dat de mixed grill voor twee personen is? Aha, daarom dus… Dessert kon er bij Erwin en mij niet meer bij, maar om de vertering te stimuleren namen we nog een kannetje raki.

Als we op de terugweg naar onze kamers restaurant Anchorage passeerden, was het trouwfeest volop aan de gang. Heel het restaurant en het aangrenzend terras zat bomvol gasten aan lange tafels. Op straat stond een geschminkte clown met kegels te jongleren, tot groot jolijt van een grote kluit kleine kinderen.

De avond was zacht en Sougia leefde nog volop. We besloten aan de strandbar van hotel Santa Irène nog een afzakkertje te drinken. Marianne en Christel herkenden de zus van de eigenaar die achter de bar stond. Terwijl ze ons een oude metaxa inschonk, begonnen ze een gesprek. De oude vrijster was nog altijd alleen. Lang geleden werd haar verloofde kort voor hun huwelijk vermoord in een vendetta. Clangevechten behoorden in Kreta in een niet zo heel lang geleden verleden tot de lokale mores.

Morgen is het zondag. Dan doen we die mooie wandeling naar Lissos, stelden Marianne en Christel voor. Daar willen ze ook het trouwfeest verder zetten, wist de barvrouw. Ze moeten er alles, feestvierders, tafels en stoelen, spijs en drank, verlichting en versiering met bootjes heen brengen. Zelf zal ze niet gaan, vermoedde ik.

Geplaatst in kreta, reizen, vriendschap | Tags: , , , , | 1 reactie