Wandeling naar Lissos (5)

Een beetje cultuur opsnuiven tijdens onze twee weken lange reis? Awel ja, waarom niet. Cultuur kan nooit kwaad, zeker niet in combinatie met een fikse wandeling. Marianne, onze grootste Kreta-specialist, heeft een tocht voorbereid die twee Rotherwandelingen combineert: de klassieke wandeling heen en weer van Sougia naar de archeologische site van Lissos en de rondwandeling door de Lissoskloof. Alles samen toch weer ruim 500 meter stijgen en dalen. 

Langs een stuk asfaltweg klimmen we omhoog tot aan de Agia Irini kapel. Van op het pleintje voor de kapel heb je een fraai uitzicht over het vissershaventje en het kustdorpje Sougia. Wat verder slaan we langs een hekken het wandelpad in. We klimmen langzaam verder omhoog over een hoogvlakte met veel struiken en dalen dan af naar de Lissoskloof. Die is met z’n zeven kilometer een klein broertje van de Samariakloof. Maar het is een mooie kloof, met veel mooie bomen en planten maar lang niet zo’n hoge wanden als in de Samariakloof. Aan een grote den kan ik het niet laten om naar een overhangende tak te springen en erop te klimmen, zoals in de goede oude paracommandotijd.

Wat dieper in de kloof komen we aan een splitsing. Het pad naar Lissos is rechtsaf. We volgen een steil en spectaculair klimparcours dat ons in een wip hoog tussen de bomen en rotsen van de kloofwand brengt, tot de dichte begroeiing schraler wordt en we weer een hoogvlakte moeten oversteken, de Kandouni-vlakte. Daar geraken we aan de praat met twee vriendelijke, jonge Franse klimsters die we voor laten gaan.

Op het einde van de hoogvlakte krijgen we zicht op de zee en de baai van Lissos. Het pad brengt ons nu steil naar beneden de vallei in, naar de archeologische site. Lissos en Syia, het huidige Sougia, waren in de oudheid de haventjes van Elyros, een van de belangrijkste steden van die tijd op Kreta, meer landinwaarts gelegen. Lissos bloeide tussen de derde eeuw voor en de zevende eeuw na Christus. In de negende eeuw werd het vernietigd door de Saracenen. In zijn bloeiperiode beschikte het over een grote handels- en visserijvloot. 

Op de site volgen we de wegwijzers naar de ruïnes van de tempel van Asklepios, de Griekse god van de geneeskunde. De tempel van Asklepios, die dateert uit de derde eeuw voor Christus, was in de bloeiperiode van Lissos beroemd in heel Kreta. Van over het hele eiland kwamen er zieken naar Lissos, dat bekendstond voor het geneeskrachtige water van de bron. Om de god van de geneeskunde te eren, werd in de stad het heiligdom van Asklepios gesticht, een Dorische tempel gebouwd met kalksteen. 

Een korte zucht van spijt ontsnapt mijn keel als ik een omheining rond de ruïne zie staan, waaraan een bordje met verboden toegang hangt. Maar na eens snel in het rond gespied te hebben naar mogelijke bewakers van de site, kruipen we net als een Nederlands koppel dat we daar tegen het lijf lopen via een gat in de omheining naar binnen. Op de vloer van de ruïne zien we de overblijfsels van een fraaie mozaïek die aangelegd werd door de Romeinen. In de mozaïek zaten afbeeldingen van dieren, al kan je daar vandaag niet zoveel meer van maken. De tempel zou vernield zijn door een aardbeving.  

Als we terug het pad volgen dat door de site loopt, stuiten we op een verhoging in het landschap op een klein kerkje. We lopen het aanvankelijk voorbij want verderop zien we de resten van een klein Romeins theater liggen. Er zijn nog opgravingen bezig, waarschuwt een verboden toegang-bord dat op de ditmaal efficiënte omheining errond is bevestigd. Na de obligate foto’s keren we op onze stappen terug en nemen we toch maar een kijkje in het Grieks-Orthodoxe kerkje Agios Kyrikos, dat gebouwd zou zijn op de grondvesten van een vroegchristelijke kerk uit de vierde eeuw na Christus. Het gebedsoord is niet afgesloten. Ook daar liggen op de vloer nog de resten van een mozaïek. Op de muren zien we enkele fraaie fresco’s.

Van aan het kerkje is het een boogscheut naar het centrum van de site. Daar staat naast een reusachtige eucalyptus een laag gebouwtje voor het personeel dat op de site werkt. Het is gesloten, maar ernaast staan enkele infoborden over de werken. Onder de boom en onder een afdak staan ook banken waar je kan schuilen voor de zon. Aan de eucalyptus borrelt een bron met drinkbaar water. Handig om onze veldflessen bij te vullen en, wie weet, heeft het bronwater hier nog geneeskrachtige eigenschappen. Dan gaan we snel op de banken zitten om te picknicken. Want van waar ze ineens komen, weten we niet, maar opeens smachten er op het centrale plein van de site veel mensen naar een zitplekje in de schaduw.

Na de picknick besluiten we het strandje op te zoeken om te zwemmen. Het pad naar zee loopt langs prachtige eeuwenoude olijfbomen en blokken en stenen waarin je hier en daar nog de hand van een steenhouwer herkent. Je moet je inbeelden dat heel de site hier eeuwen geleden vol gebouwen stond. 

De opgravingen van het oude Lissos begonnen ruim zestig jaar geleden, op het eind van de jaren vijftig in de vorige eeuw. Aan onder meer het Romeins theater te zien, zijn ze nog bezig. Meer dan een halve eeuw geleden ontdekten de archeologen al de ruïnes van het nog steeds niet geheel blootgelegde Romeins theater, maar ook die van een aquaduct, een begraafplaats, thermen en vroegchristelijke gebedshuizen. 

Op de site werden ook enkele dozijnen standbeelden gevonden. De belangrijkste, van de godin Hygeia, de godin van de gezondheid, en van Asclepius en Pluto, kunnen bewonderd worden in het Archeologische Museum van Chania. De archeologen dolven ook gouden munten op. Lissos moet echt wel een belangrijke plaats geweest zijn, als het z’n eigen munten sloeg. Op basis van die munten uit de derde eeuw voor Christus kon worden afgeleid dat het havenplaatsje een bondgenootschap had met koning Magas van Cyrene. Tijdens de opgravingen werd ook een groot aantal kleine beeldjes gevonden in de ruïnes van de tempel. Dat toont ook nog eens het belang van het heiligdom in die tijd aan. De beeldjes, de meeste zonder hoofd, staan ook uitgestald in het museum van Chania.

Op weg naar het kleine keienstrandje passeren we nog de kapel van Panagia, waarin oude marmerblokken zijn verwerkt. Nu pas zien we tegen de heuvel aan de andere kant van de vallei tientallen gewelfde stenen gebouwtjes staan. Dat moeten de graftombes van een eeuwenoude Romeinse begraafplaats zijn. Er zouden er zo’n 120 staan maar we zijn ze niet gaan tellen.

Aan het piepkleine strandje honderd meter verder zitten, liggen of zwemmen nog zo’n dozijn zonnekloppers. Er is tegen de rotsen van de baai een kleine steiger gebouwd. De keien en stenen op het strand maken het wel niet comfortabel om te zonnen of gemakkelijk om in zee te gaan. Toch lukt het ons om te zwemmen, het diepblauwe zeewater is einde mei in Kreta al heerlijk.

Er komt een motorbootje aangevaren dat nieuwe passagiers naar Lissos brengt. De site is dus niet alleen te voet bereikbaar via de wandelpaden. Het bootje wiegt nog fel op en neer terwijl de passagiers voorzichtig op de steiger stappen en enkele baders terug aan boord proberen te klauteren. Op deze manier waren er dus ineens zoveel mensen op het pleintje rond de eucalyptus toegestuikt, realiseren we ons. 

De komst van het motorbootje geeft Marianne en Christel een idee: ze kunnen voor enkele euro’s met het bootje terug naar Sougia. Dan moeten ze niet meer die driehonderd meter hoge klim uit de vallei doen, de hoogvlakte oversteken en de afdaling door de kloof naar Sougia doen. Erwin en ik willen wel nog het laatste stuk van de kloof doen, ook als we daarvoor eerst nog weer driehonderd meter tot aan de hoogvlakte moeten klimmen.

Na het vertrek van het motorbootje komen er ineens verschillende andere bootjes uit Sougia aangevaren. Ze hebben tafels en stoelen aan boord, koffers en kisten, vaten en manden. Het is de werkploeg van de trouwpartij, die alles aan land begint te zeulen om op het pleintje rond de eucalyptus een onvergetelijk vervolg op het trouwfeest op poten te zetten.  

Als Erwin en ik op de terugweg opnieuw het centrale pleintje van Lissos passeren, zijn tien goedgemutste Grieken volop bezig met de herinrichting van het plein tot een trouwzaal zonder dak of muren. Daar hadden we die avond wel graag bij geweest. Met goede moed en gevulde drinkbussen verlaten we Lissos en klimmen we op een stevig tempo de berg op. De hoogvlakte is even desolaat en heet als bij de heenroute, maar het stuk van de Lissoskloof dat we nog niet hebben gedaan, loont echt wel de moeite. 

We lopen weer vrolijk in de schaduw tussen de oleanders, magistrale rotsen en bomen en genieten van verrassende uitzichten in de kloof terwijl we als jonge snaken van steen naar steen op het pad naar beneden huppelen. We dalen af in dynamisch evenwicht, legt Erwin uit. Om je evenwicht bij het dalen te behouden, is het makkelijker om van punt naar punt te springen zonder halt te houden dan telkens opnieuw te stoppen en te moeten wiebelen vooraleer je de volgende stap zet. 

In ons dynamisch evenwicht dalen we in minder dan een uur de kloof af tot aan de vissershaven van Sougia. Over een kwartiertje zitten we op het terras van Santa Irena met een biertje, schat Erwin, het zal wel weer een uur duren vooraleer de vrouwen arriveren. Misschien kunnen we daarna nog een dutje doen, antwoord ik, want die avond kunnen we in hotel Santa Irena onze kamers betrekken. 

Opgewekt struinen we de boulevard van Sougia af en als we hotel Irena willen binnenlopen, komen Marianne en Christel lachend buiten. Ik geloof mijn ogen niet. Blijkbaar konden ze ongeveer op hetzelfde moment als wij vertrekken uit Lissos, met een motorbootje. Wat denken jullie, vragen ze, gaan we een terrasje doen of dragen jullie eerst de bagage naar onze kamers? 

Geplaatst in cultuur, geschiedenis, kreta, reizen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Dan maar eerst naar Sougia (4)

Volgens de planning zouden we daags na de Samariakloof bedwongen te hebben, na de middag vanuit Agia Roumeli naar Gavdos varen. Op het kleine meest zuidelijke Europese eilandje van de Middellandse Zee zouden we dan twee dagen verblijven. Maar dat leuke uitstapje kon helaas niet doorgaan.

Het probleem met de afgelaste ferry was nochtans wel opgelost. Alsof zoiets de gewoonste zaak van de wereld was, stond de veerboot van de namiddag gewoon terug op de tabellen van de website van de veerbootonderneming.

We konden niet naar Gavdos omdat het hotel zelf onze boeking had geannuleerd. De eigenaar had Christel de dag voordien proberen te bellen, toen we nog in de Samariakloof aan het wandelen waren. Aangezien er daar geen gsm-bereik was, had Christel de gemiste oproep pas ’s avonds laat gezien. De eigenaar had een boodschap ingesproken. Als we niet binnen het uur terugbelden om onze kamers te bevestigen, zou hij ze aan anderen verhuren, want hij had al gegadigden. En aangezien het Christel simpelweg niet mogelijk was om terug te bellen, deed hij dat effectief. De hoteleigenaar schakelde zelfs Booking.com in om ons te beboeten voor een “no show”, omdat we dus geboekt hadden en niet waren opgedaagd. Dat vonden we toch wel een brug te ver. Na wat heen en weer gemail met de reiswebsite werd die sanctie teruggedraaid.

Maar daarmee was de vraag waar we de komende nacht zouden verblijven nog niet beantwoord. Een mogelijkheid was Sougia. Dat kustplaatsje stond na Gavdos op onze agenda, dus waarom onze aankomst in Hotel Santa Irene niet proberen te vervroegen. Marianne en Christel hadden in dat hotel bij een eerdere reis ook al eens overnacht en ze kenden de eigenaar. Helaas meldde de man dat alle hotels in Sougia vol zaten. In het dorpje stond namelijk een trouwfeest op stapel, waarvoor heel wat bezoekers uit de omgeving een hotel hadden geboekt. De eigenaar van Santa Irene beloofde ons eens rond te bellen of er toch niet ergens nog kamers beschikbaar waren. Een uurtje later had de brave man toch nog twee kamers gevonden die we voor één nacht konden huren. De volgende nacht konden we dan bij hem terecht. We twijfelden geen seconde.

Eerst rustten we nog wat uit van de twee voorbije loodzware wandeldagen. We installeerden ons op het privéstrand van onze geliefd hotel, lazen wat, gingen zwemmen in zee en varen met de gratis kajaks en waterfiets van Sweet Corner. Na de lunch deden we nog een wandelingetje naar het dorpscentrum om wat inkopen te doen en op een terras een biertje te drinken. Daarna stapten we op de boot naar Sougia. Minder dan een uur later waren we in Sougia aangemeerd. Naast de steiger zagen we een binnenhaventje liggen met visserssloepen en kleine motorbootjes. We sloegen de weg in naar het dorp en passeerden een sliert geparkeerde autocars die stonden te wachten om de Samariagangers van die dag naar hun hotels terug te brengen. Vanuit Sougia lopen er berijdbare wegen die via onooglijke dorpjes over de Witte Bergen zestig kilometer verder naar Chania leiden.

Voorbij de bussen wandelden we het dorp binnen via een boulevard van restaurants, hotels en tavernes met zicht op zee en het kiezelstrand met donkere keien en keitjes. Sougia is gebouwd op de ruïnes van het oude Syia, dat dicht bij Lissos ligt, een stad uit de Romeinse en Byzantijnse tijd waarvan we de ruïnes nog gaan bezoeken. Sougia telt twee mooie, kleine kerken, de kerk van de heilige Moeder en de kerk van Agios Kyrikos.

Het dorp is vandaag vooral een toeristische badplaats. Niet alleen langs de boulevard maar ook wat meer achterin het dorp dat ongeveer 250 inwoners telt, zijn er nog verrassend mooie tavernes, winkeltjes en eetgelegenheden. Een Nederlandse vrouw die hier jaren geleden op vakantie is gekomen, een man heeft gevonden en hier sindsdien niet meer weg wil, houdt er een supermarktje open. Het lange afstandspad E4 verbindt Sougia langs een schitterend maar zeer avontuurlijk parcours met Paleohora en Agia Roumeli.

Op het terras met zicht op zee van de Lotosbar dronken we een aperitief. Schuinweg over de strandboulevard op de hoek met de straat die richting binnenland voert, was nog een terras, aan de taverne Omikron. Een grote groep mensen hield er een zangstonde. De meerstemmige gezangen klonken aangenaam en aanstekelijk. Als de zangers opkraamden voelden we onze maag knorren. We gingen op zoek naar een goed restaurantje. TripAdvisor gaf ons een tiental tips. Eerst probeerden we een tafeltje te versieren bij Anchorage, de nummer 3 in de top 10 van Tripadvisor, maar daar vingen we bot: helaas was heel het restaurant afgehuurd voor het trouwfeest.

Een beetje verder van zee weg stuitten we op Rebetiko, de lokale nummer 1 van onze reisadviseur. Het restaurant heeft een schitterend terras op een binnenkoer. We liepen binnen door een open stenen boogpoort. De binnenplaats was omwald met dikke muren van ruwe okeren stenen. Grote bomen zorgen overdag voor schaduw. Een supervriendelijke en gedienstige ober nam in zijn beste Engels de bestelling op. We kozen een mix van wat klassieke voorgerechtjes en bestelden halve liters rode en witte wijn. Als hoofdschotel kozen Erwin en ik voor de mixed grill.

Wat we korte tijd later voorgeschoteld kregen, zag er heerlijk uit: twee grote schotels met enorme brochettes, kipfilet, kalfsrib, spek, merguez- en andere worstjes, allemaal geweldig lekker. Hoe we ook ons best deden, we kregen het gewoon niet op. Een beetje gegeneerd biechtten we de ober die de tafel afruimde op dat het heel lekker maar voor ons wat teveel was. O, zei hij verwonderd, hebben ze jullie bij het bestellen dan niet gezegd dat de mixed grill voor twee personen is? Aha, daarom dus… Dessert kon er bij Erwin en mij niet meer bij, maar om de vertering te stimuleren namen we nog een kannetje raki.

Als we op de terugweg naar onze kamers restaurant Anchorage passeerden, was het trouwfeest volop aan de gang. Heel het restaurant en het aangrenzend terras zat bomvol gasten aan lange tafels. Op straat stond een geschminkte clown met kegels te jongleren, tot groot jolijt van een grote kluit kleine kinderen.

De avond was zacht en Sougia leefde nog volop. We besloten aan de strandbar van hotel Santa Irène nog een afzakkertje te drinken. Marianne en Christel herkenden de zus van de eigenaar die achter de bar stond. Terwijl ze ons een oude metaxa inschonk, begonnen ze een gesprek. De oude vrijster was nog altijd alleen. Lang geleden werd haar verloofde kort voor hun huwelijk vermoord in een vendetta. Clangevechten behoorden in Kreta in een niet zo heel lang geleden verleden tot de lokale mores.

Morgen is het zondag. Dan doen we die mooie wandeling naar Lissos, stelden Marianne en Christel voor. Daar willen ze ook het trouwfeest verder zetten, wist de barvrouw. Ze moeten er alles, feestvierders, tafels en stoelen, spijs en drank, verlichting en versiering met bootjes heen brengen. Zelf zal ze niet gaan, vermoedde ik.

Geplaatst in kreta, reizen, vriendschap | Tags: , , , , | 1 reactie

Zweten en zwoegen in de Samariakloof (3)

Kreta is een eiland van kloven en bergen. De populairste, spectaculairste, mooiste en langste kloof is de Samariakloof. “De Samariakloof moet je gedaan hebben – zo denken in het hoogseizoen tot wel 3.000 wandelaars erover, per dag welteverstaan!”, stelt de auteur van de tochtbeschrijving in de Rother wandelgids van 2014. Jaarlijks spuit de kloof zo’n 300.000 toeristen uit in het kustdorp Agia Roumeli.

Ook wij dompelen ons nog eens graag onder in het massatoerisme van dit genre. De baas van hotel Neos Omalos zet ons om 8 u ’s morgens af aan het startpunt. Dat is het uur waarop de blokhut voor de ticketverkoop opengaat. Een ticket kost 5 euro per persoon. Er staat al een rij van dik vijftig meter aan te schuiven. Terwijl we voetje voor voetje de balie naderen, lost op de parking de ene toeristenbus na de andere zijn lading wandelaars. Sommigen op sandalen, velen op sneakers en bergschoenen van uiteenlopende kwaliteit.

Voor het eerst ga ik de Samariakloof doen met een trekrugzak op de rug. Marianne, met haar slechte knieën en gewrichten, en Christel, met nog wat last in de bil, dalen met hun kleinere rugzak voorzichtig de trappen af, steunend op hun stokken. Erwin en ik stuiven op ons tempo naar beneden. Voor zover dat gaat natuurlijk, in die drukte en met onze zware rugzakken. De eerste 600 meters van de tocht, de steilste van heel de route, glijdt de massa als een lange slang gezapig de berg af. Dit is het lastigste deel, zeker voor wie niet getraind is. Gelukkig zijn de meeste toeristen zo vriendelijk om een stapje opzij te zetten als Erwin en ik passeren.

Zestien jaar geleden, toen mijn dochter Winke twaalf was, ben ik met haar al eens deze berg afgedaald. Ik herinner me niet dat er bij die tocht zo’n drukte was als vandaag. Zo snel we konden en durfden, raasden we toen die 1200 daalmeters over een kilometer of achttien de berg af. Zo’n race naar beneden doe ik nu niet meer, daarvoor is het drukke parcours te gevaarlijk. Erwin en ik spraken met onze vrouwen af dat we hen zouden opwachten aan de waterpunten die over de afdaling verspreid liggen.

Langs het pad zijn er een vijftal rustplaatsen. De ene heeft meer banken dan de andere en op sommige zijn er ook toiletten. Je kan er je drinkbus bijvullen, picknicken of wat uitblazen. In de buurt van de rustplaatsen houden parkwachters een oogje in het zeil. Roken is bijvoorbeeld streng verboden in het natuurpark dat de Samariakloof is. Spijtig dat sommige parkwachters zich zelf niet aan het rookverbod houden. Het hoogste deel van het wandelpad slingert tussen de bergcipressen, eiken en dennen. Om de paar honderd meter is er in bluswater voorzien om bosbranden te bestrijden.  

Het is nog voorjaar in Kreta. We fotograferen drakenwortels in hun laatste bloeidagen, een spectaculaire wijnrode bloem uit de familie van de aronskelken. In de kloof leven ook nog Kretenzische wilde geiten, Kri Kri. Die krijgen we niet te zien. Dat verbaast ons niks, want ze zijn met uitsterven bedreigd.

Na de eerste steile afdaling stuiten we op een beekje dat allengs de allure van een riviertje krijgt. Langs de oevers duiken concentraties steenmannetjes op van rolkeien, geduldig gestapeld door de vele toeristen die ons voorafgegaan zijn. Vanaf nu moeten we regelmatig de bedding van de kloof oversteken. De oversteekplaatsen zijn duidelijk. De paden zijn goed gebaand en lopen uit op boven het stromende water uitstekende stenen en rotsblokken naar de overkant.  

Na enkele rustpunten gewacht te hebben op Marianne en Christel, vinden Erwin en ik het vervelend worden om eerst een hele rits mensen voorbij te steken, ze vervolgens aan een rustpunt opnieuw te zien passeren en even later opnieuw in te halen. Wat verder passeren we de kapel Agios Nikolaos, gelegen tussen honderden jaren oude cipressen. De kapel zou gebouwd zijn op de plaats waar in de zesde eeuw vóór Christus een Apollo-tempel stond.

Niet lang na de volgende rustplaats zien we over het riviertje een houten brugje liggen, waarachter het verlaten en tegelijk drukke dorpje Samaria zich uitstrekt. Het is al sinds 1965 niet meer bewoond, maar tijdens de openingstijden van de kloof is het er altijd drukker dan het ooit was toen er nog vaste bewoners verbleven. De Samariakloof werd  in 1962 beschermd als nationaal park. De overheid verplichtte de laatste dertig inwoners drie jaar later te verhuizen naar Agia Roumeli.

Zeker op de middaguren rusten picknickende horden toeristen op zitbanken en stenen muurtjes tussen de bouwvallen van het dorp. Het is zoeken naar een goed plekje in de schaduw. In het dorp is een EHBO-post ingericht, kan je je drinkwater aanvullen en is er een vies toiletgebouwtje met Franse WC’s. Erwin en ik vinden zitplaatsen op een lommerrijk muurtje. We wachten nog op de vrouwen om ons lunchpakket uit Neos Omalos te openen. Enkele ruig bebaarde parkwachters op een bank nabij maken hevig ruzie met een jonge vrouwelijke collega die duidelijk niet op haar mondje is gevallen. Helaas verstaan we niet waarover ze in onmin zijn geraakt. Uiteindelijk gaan ze allen gewoon terug aan het werk.

Als Christel en Marianne gearriveerd zijn, willen de vrouwen toch liever onder een boom wat verder gaan zitten. Voor ons niet gelaten, die plek in de schaduw is beter dan de onze en is nog maar net door andere wandelaars verlaten. Onder het verorberen van onze lunch spreken we af dat we ‘s namiddags de tocht tot het einde op eigen tempo zullen verderzetten. Wat er op neerkomt dat Erwin en ik Marianne en Christel niet meer aan elk rustpunt zullen opwachten.

Alsof ik bevrijd ben hol ik met Erwin verder het pad af tussen roze bloeiende oleanders. Het zweet dat van ons lijf drupt kan ons niet deren. Voor de Ossia Mariakapel tussen cipressen aan de overkant van de kloofbedding hebben we nauwelijks oog. We zijn nu ruim over de helft van onze tocht. Op zo’n driehonderd meter boven de zeespiegel sluit de kloof zich nauwer. We wippen via stenen of houten bruggetjes het riviertje over. Onze lichamen snakken naar het koele stromende water, maar helaas, baden, zelfs pootjebaden is er verboden, want het beekje is het drinkwater van Agia Roumeli.

Na het rustpunt aan de kapel Christos, wordt de Samariakloof echt een kloof. Het schaduwrijke plekje ligt nog op amper 170 meter boven de zee. Hoewel het misschien de laatste halte is voor Agia Roumeli, stappen we verder. Er gaapt nog een meter of dertig tussen de hoogoplopende rotsen, waar het smalle watertje fors door dondert.

Daar begint een plankenpad dat in het smalste stuk van de kloof boven het water is aangelegd. Het kondigt het meest spectaculaire deel van de kloof aan: de zogenaamde IJzeren Poorten. Boven het bergriviertje leiden de vlonders tussen 300 meter hoge loodrechte rotswanden, waar de tussenruimte op z’n smalst slechts drie meter is. Na nog wat bruggen en oversteekplaatsen staan we opeens voor het checkpoint waar onze tickets afgestempeld worden. Bij mijn vorige passage in de kloof was er nog geen ticketcontrole. Er was eigenlijk niets, gewoon een stoffige weg in de blakende zon naar Agio Roumeli. Nu zijn er na de blokhut met het checkpoint verschillende tavernes en bars opgetrokken waar je je dorst kan lessen of een hapje eten. Voor enkele euro’s kan je ook een taxi of busje nemen naar het dorp, want de resterende vlakke kilometers in de hete namiddagzon zijn er voor sommige wandelaars teveel aan.

Aan die laatste etappe beginnen Erwin en ik vol goede moed. Eerst passeren we een ander verlaten dorp, Palea Agia Roumeli, waar een overstroming in 1952 een deel van de huizen vernielde. De dorpsbewoners besloten toen een nieuw dorp aan de zee te bouwen. In het oude en het nieuwe Agia Roumeli staan heel wat oude auto’s zonder nummerplaat geparkeerd, sommige staan echt weg te roesten. De verklaring is simpel: je geraakt vanuit deze dorpen met een auto alleen weg via een veerboot. Auto’s in het kleine Agio Roumeli zijn dus zelden handig.

Het nieuwe dorp telt ongeveer 120 inwoners. De meesten zijn actief in de toeristische sector: een vijftal hotels, ettelijke cafetaria’s en restaurants, souvenirwinkeltjes en zelfs twee zelfverklaarde supermarkten. Heel wat huisjes bieden kamers aan. Zo ongeveer elke dag wel stranden er na het vertrek van de veerboten nog onfortuinlijke Samariawandelaars in Agia Romeli. En als de hotelletjes al vol zitten, zijn er altijd nog die kamers te huren.

Erwin en ik slenteren door de straatjes waar de drukte nog niet te groot is. Wij zijn immers al  vroeg in de namiddag aangekomen. De aandrang om een T-shirt te kopen met “I survived the Samaria Gorge” kunnen we makkelijk weerstaan. Een koude halve liter bier op een terras met zicht op de zee en de haven niet. Zeker als we van op onze uitkijk de zonneklopsters en baadsters in zee kunnen monsteren. Op de achtergrond ligt de grote veerboot al aangemeerd die de massa Samariagangers over enkele uren naar de kustdorpen Paleohora en Sougia zal varen.

Na een eerste biertje besluiten we ons hotel voor die nacht op te zoeken. Sweet Corner Masxali is het verste hotel langs het langgerekte strand van Agia Roumeli. De laatste halve kilometer lopen we zwetend in de warmste namiddagzon tot aan het hotel. Een boogscheut verder, aan de aanlegsteiger voor de kleinere veerboot naar de kustdorpen Hora Sfakion en Loutro, stopt de bewoonde wereld.

Wanneer we het grote en zo goed als lege terras van Sweet Corner oplopen komt een sjofele maar uiterst vriendelijke man die al zijn tanden mist op twee na, op ons toelopen. We mogen overal gaan zitten en kiezen natuurlijk een plaatsje in de schaduw. Het terras beschikt over enkele bomen met bladerrijke takken die als een enorme natuurlijke parasol zijn gesnoeid. Als we een biertje bestellen komt onze gastheer met in de vriezer gekoelde glazen en ijskoude Mythos bierflessen van een halve liter aanzetten. Samen met zijn broer leidt hij het familiehotel, waarin twee generaties aan de slag zijn en de derde al opgroeit.

Na een tweede biertje op het terras zien we in de verte onze uitgeputte vrouwen verschijnen. Eens ze neergeploft zijn hebben zo ondanks de vermoeidheid nog veel te vertellen. Na een koel drankje snakken ze naar een douche, en bij nader toezien, Erwin en ik ook. We krijgen grote kamers toegewezen, met zeezicht en zelfs een keukentje en koelkast. Helaas functioneert bij Christel en Erwin de airco niet. Maar geen nood, zegt onze hulpvaardige gastheer. Hij belt zijn broer die meteen met de boot zal overkomen om die te repareren.

Na de douche en nog een biertje op het terras is de airco gefixt. De broers die het hotel leiden trekken goed op elkaar. Ze zijn even hartelijk en hun mond beschikt nog over evenveel tanden, samen niet eens een mondvol. De broer heeft nog een hobby die de goede zaak dient: hij gaat ’s nachts vissen op zee. De vangst kan dan bij het volgende avondmaal geserveerd worden. “Today we have fresh fish for dinner”, zegt de gastheer en hij tuit zijn lippen. Fier als een gieter loopt hij naar de diepvries en keert weer met de vers gevangen vissen op een schaal bedolven met ijs, één grote dikke en drie kleinere, van de grootte van een haring.

Een uurtje later, als de zon bijna in zee is gezakt, nodigt hij ons uit om op zijn hoger gelegen terras met prachtig zicht op zee plaats te nemen voor het diner. Vergezeld van gebaren die een hemels gerecht aankondigen, dient de baas de borden op, gedrapeerd met enkele kleine blaadjes sla, een half tomaatje, wat reepjes paprika en nog een sausje van niks erbij. Zijn broer de keukenpiet heeft de vissen gekuist en klaargemaakt volgens het lokale recept, vertelt onze gastheer. Zelf heeft hij alleen voor “het decor” gezorgd, legt hij uit. Het is ons niet duidelijk of hij daarmee de feeërieke omgeving van het terras hoog boven het privéstrand, de baai met de steile rotsen en de diepblauwe zee bedoelt, dan wel de garnering van de borden.

Met twee liter witte wijn en verscheidene kannetjes raki die ’s anderendaags tot enkele katers zullen leiden, zakken we lekker door onder de sterren. Morgenochtend staat na een stevig ontbijt een krijgsraad gepland, want er is slecht nieuws uit Gavdos.  

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , | 1 reactie

Stekels op de Gingilos (2)

Volgens nogal wat kenners is de top van de Gingilos in de Witte Bergen de populairste beklimming van West-Kreta. De massieve verticale noordzijde van de berg imponeert de wandelaars die aan de voet staan. De Gingilos is met zijn 1.980 meter (2.080 meter volgens de Rothergids) niet de hoogste berg van Kreta, dat is de Psiloritis, in centraal Kreta, met een hoogte van 2.456 meter.

Het vertrekpunt van het pad naar de Gingilos ligt aan de toegang tot de populairste kloof van het eiland, de Samariakloof. Voor de baas van hotel Neos Omalos maakt de vijf kilometer lange rit naar het vertrekpunt van de Samariakloof deel uit van de hotelservice. Vroeg in de ochtend kruipen we na een stevig ontbijt met z’n vieren in zijn busje, dat afgeladen vol zit. We zijn niet de enigen die Neos Omalos als uitvalsbasis voor bergwandelingen hebben gekozen. Naast de Gingilos en de Samariakloof is ook de Kallergihut vanuit Omalos een populaire bestemming. In hotel Neos Omalos verblijven gewoon geen andere toeristen dan hikers, bergwandelaars en bergbeklimmers.

Die ochtend bij het ontbijt serveerde Marianne onaangenaam nieuws over onze bestemming twee dagen later: bij een check op de website voor de tijdstabellen van de ferry’s, stelde ze vast dat de veerboot die we ’s middags naar Gavdos wilden nemen, afgelast was. Zoiets gebeurt wel eens meer in Kreta. Als er teveel wind staat of de zee te woelig is, kunnen de veerboten in sommige haventjes van de kustdorpjes niet veilig aanmeren.

De afgelaste ferry verplicht ons overmorgen vanuit Agia Roumeli de late veerboot van 21 u te nemen naar Gavdos. Met die boot zouden we pas na 23 u in het haventje van het zuidelijkste Europese eilandje in de Middellandse Zee aanleggen. We spraken af dat Christel het hotel op Gavdos zou contacteren om te vragen of ze ons niet aan de haven wilden komen oppikken, want met onze zware rugzakken in het duister langs ongekende paadjes enkele kilometers landinwaarts moeten sukkelen, leek ons veeleer gevaarlijk dan avontuurlijk.

Gelukkig hoefden we voor de trektocht naar de Gingilos onze trekrugzakken niet mee te nemen. ’s Avonds konden we gewoon de hotelbaas bellen om ons aan de Samariakloof terug op te halen en terug te keren naar Neos Omalos, waar we een laatste keer zouden overnachten. Wat we wel meehebben voor de zware beklimming: dagrugzakjes met een lunchpakket, een liter of drie water per koppel en wandelstokken.

In de hamerende hitte naar boven

In de Rothergids staat de beklimming van de Gingilos omschreven als een zwarte route, de moeilijkste categorie. Die kwalificatie geeft Rother aan bergpaden die steil en smal zijn, waar gevaar bestaat voor uitglijden bij het oversteken van passages over losse stenen, waar je soms bij het klauteren ook je handen nodig hebt. De beklimming van de Gingilos is een heen en weer wandeling naar de top, eerst moeten we duizend meter klimmen en dan die duizend meter weer afdalen. De wandelgids raadt deze loodzware tocht alleen aan voor ervaren, fitte bergwandelaars, die tredzeker zijn, geen hoogtevrees hebben en bovendien over een goed oriënteringsvermogen beschikken. Wij dus, vinden we zelf.

Vol goede moed beginnen we aan de beklimming. Het pad is aanvankelijk goed aangelegd in trapvorm. Maar de steile berg waar we tegen op kijken, zorgt toch voor wat gezucht. Het pad wordt al na enkele honderden meter klimmen moeilijker. De merktekens en stangen van de E4 staan hier veel verder uit elkaar dan de rood-witte merktekens op de GR20 in Corsica.  Na een half uurtje klimmen staan we al nat in het zweet, terwijl de zon nog lang niet hoog staat. Achter ons zien we de asfaltweg naar Omalos diep onder ons door de Omaloshoogvlakte slingeren. Voor ons zien we ook al de col van waaruit we later nog alleen via gele merktekens op rotsen en steenmannetjes op handen en voeten naar de top zullen moeten klauteren.

Marianne heeft al een paar keer de drinkbus gevraagd. In tegenstelling tot mezelf heeft ze veel water nodig tijdens onze bergwandelingen. Erwin is druk in de weer met zijn digitaal fototoestel. Hij loopt vooruit om ons te kieken of de mooie landschapsfoto’s te maken die je hierbij ziet. Zijn toestel weegt zo’n anderhalve kilogram. Op zijn rugzakharnas heeft hij een speciaal gadget hangen, waarin hij zijn camera veilig kan vasthaken.

Na een poos krijgen we een indrukwekkend panoramisch uitzicht te zien in de Samariakloof, de populairste kloof van Kreta waarin het beekje na een lange afdaling van zo’n achttien kilometer zijn kostbaar zoet water in het kustdorp Agia Roumeli in de zee stort. Dat wordt onze tocht voor de volgende dag, met alle bagage op de rug.

De tocht naar de top loopt niet heel de tijd omhoog. Een uur verder zijn we boven de 1.500 metergrens. Erwin wist al dat er dan even een ontspannend stukje licht dalen zou volgen. We passeren de Xepitiras, een spectaculaire metershoge natuurlijke spitsboog, zonder glasramen natuurlijk, maar hoger dan in de grootste gotische kathedraal ter wereld.

Al gauw gaat het brokkelig pad weer steil de hoogte in. De vegetatie wordt hier spaarzamer terwijl de zon de kans te baat neemt om onze lijven te bestoken. Onverwacht stuiten we op de Linoselibron, waar het water dat door drie kuipen loopt heerlijk fris smaakt. We drinken gulzig, vullen onze drinkbussen bij en smeren ons in met zonnebrandolie. We blazen wat uit en nemen een snackje uit ons lunchpakket alvorens we de klim hervatten. We hebben nog zo’n 150 steile klimmeters voor de boeg naar de Afchenas-col.

De vermoeidheid begint al zwaar te wegen. Christel geraakt buiten adem en we nemen nog een korte pauze om bij te komen. Als we weer wat tientallen meter hoger geraakt zijn, schiet er bij het overbruggen van een hoge rots ineens een pijnscheut in haar dijbeen. We klimmen weer verder, voorzichtiger, we zijn nu op een boogscheut van de Afchenas-col, een zadel tussen twee bergen waarover we links naar de Gingilostop moeten. Onder een overhangende rots op enkele tientallen meter van het zadel, is Christel weer buiten adem. Ze heeft ook last van haar bil, waarin ze vreest een spierverrekking opgelopen te hebben. Na overleg met Erwin beslist ze toch maar in de schaduw onder de rots te blijven wachten tot we terug zijn van de top, toch nog ruim driehonderd meter steil klimmen, zonder gebaand pad.

Eens op de col zetten we ons drieën terug neer, om uit te blazen van het kleine klimmetje sinds we Christel hebben achtergelaten. De vergezichten op het zadel zijn fenomenaal. In het zuiden mondt de Tripitikloof uit in een blinkende Libische Zee waarin we het eiland Gavdos zien liggen. Van op het zadel zie je ook de Egeïsche Zee en de noordkust van Kreta. In het noordoosten vinden we de Kallergihut terug die ergens boven de Samariakloof ligt. Het is de enige bemande berghut in West-Kreta, waar zo’n 45 hikers kunnen overnachten.

Boven op de col staat een E4-stang die rechtsaf wijst, terug naar beneden. Wij moeten linksaf, naar de top van de Gingilos. Hier loopt geen pad meer, we klimmen verder op handen en voeten over brokkelige stenen en schuine rotsplaten, waarbij het voortdurend zaak is vooruit te speuren naar steenmannetjes of gele bollen op grote rotsblokken, een loodzware sporentocht naar de top. Tussen het ruwe en scherpe gesteente zien toch nog taaie gewassen, struiken met stekels en bolvormige mosachtige planten met ragfijne doornen de kans om te groeien. We kruisen een koppel klimmers die afdalen. Het is niet zo ver meer, verzekeren ze ons in het Duits. De twee zijn de eerste wandelaars die we kruisen.

In het spoor van Erwin kruipen en klimmen we verder naar boven, waar een grote steenman in het midden de top verbeeldt die eigenlijk nog maar een voortop is, 1.975 meter hoog. De hoofdtop ligt wat verderop, hij is vijf meter hoger dan de voortop, maar geen van ons heeft zin eerst weer nog eens een stuk te dalen om dan weer in deze wilde rotspartijen op handen en voeten omhoog te klimmen. Erwin en Marianne zijn wel geïnteresseerd in de dikke sneeuwkorst die hier op 26 mei nog ligt, meer dan twee meter dik. Allebei klimmen ze erop, ik beperk me tot het nemen van een foto. Stel je voor dat ze in die sneeuw zakken en er niet meer uit geraken, dan moet er toch iemand hulp kunnen bieden!

Erwin heeft ternauwernood de tijd genomen om op de top eens rond te kijken of hij snelt alweer naar beneden, naar Christel, die straks een uur alleen achter een rots zal hebben gezeten terwijl wij halsbrekende toeren uithaalden. Hoewel we op onze lange klim amper andere mensen hebben gezien, komt er nu nog een jong koppel in zicht. Ook Duitsers, ze lijken zich amper te hebben moeten inspannen, dragen zelfs niet eens bergschoenen.

Marianne en ik slaan een praatje met hen in het Engels. Dan dalen we ook maar de top af. Ik loop voorop maar zie ineens geen steenmannetjes of gele bollen meer. Ik heb me in het spoor naar beneden vergist. Erwin roepen heeft geen zin, die is al een kwartier geleden afgedaald. Marianne  helpt zoeken en we verliezen nog wat tijd om ons weer uit die bergflank vol diepe spleten, steile wanden en gapende afgronden te bevrijden, tot Marianne eindelijk het spoor van de mannetjes en bollen terugvindt. Maar dan struikelt Marianne en ze valt achterover. Om haar val te breken, zet ze haar handen achteruit, maar belandt met één hand pal in zo’n plant vol ragfijne doornen. Tientallen pijnlijke stekels zitten in de palm van haar hand. Het doet pijn om ze te verwijderen, en niet alle stekels geven zich meteen gewonnen. De laatste zal ze pas uit haar handpalm geprutst krijgen als we al enkele dagen terug thuis zijn.

Op sommige plaatsen op de berg is er gelukkig gsm-bereik. Zo vernemen we dat Christel uiteindelijk toch zelf de laatste meters naar het zadel was opgeklommen en dat het koppel, eens terug verenigd, besloten had de afdaling al rustig in te zetten. Dus begonnen wij ook maar aan de afdaling van duizend meter.

De tocht heeft zwaar ingehakt op de gewrichten en spieren van Marianne. Dalen is dan bijzonder pijnlijk voor de knieën. Ik laat haar voorgaan zodat zij ons daaltempo bepaalt. Terwijl we op de heenroute vóór het zadel geen andere mensen hebben ontmoet, kruisen we op de terugweg verrassend veel wandelaars die de top nog hopen te bereiken. De afdaling verloopt veel trager dan ik had gewild, maar het is ook geen optie om Marianne achter te laten. Ze ziet af terwijl ik achter haar wat loop te lummelen. Hoe zal dat morgen vlotten, vraag ik me af, als we na deze zware tocht, die best vergelijkbaar is met de zwaarste etappes van de GR20, nog eens die achttien kilometer door de Samariakloof naar de zee moeten dalen.

Eindelijk zien we na een bocht in het pad beneden de parking aan het eindpunt van onze calvarietocht liggen. Vlakbij staat Erwin ons al op te wachten aan een taverne waar we op het terras onze bergschoenen uitschoppen en een koele pint drinken op de goede afloop. Christel ziet er weer opgewekter uit dan toen we haar achterlieten. We bellen de hotelbaas om ons op te komen halen. Een half uur later kunnen we douchen en nestelen we ons aan een terrastafeltje voor een aperitief, een lekker avondmaal en, na het vallen van de nacht, de traditionele raki als afsluiter. Bedtijd, want morgen weer met de eerste shuttle naar de Samariakloof!

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , | 1 reactie

Terug naar Kreta (1)

‘Ik wil met jou nog eens naar Kreta.’ Dat zei Marianne me in de prilte van onze kennismaking, van zodra we wisten dat we allebei van trektochten in de bergen en elkaar houden. ‘Ik ben daar jaren geleden al geweest’, antwoordde ik. ‘Toen Winke en Jolente klein waren, op een all-in vakantie.’ Een all-in vakantie, zoiets stond nooit op Mariannes bucket list. ‘Maar ik wil je het echte Kreta leren kennen’, protesteerde ze, ‘we trekken dan langs de zuidkust, waar het lange afstandspad E4 loopt.’ Ik spartelde nog wat tegen. ‘Dat pad ken ik niet. Maar in het zuid-westen van Kreta zijn wij toen ook geweest. Winke en ik zijn in een recordtempo de Samariakloof afgedaald en we zijn met ons vieren met een huurauto Elafonissi gaan bezoeken.’ Marianne schudde het hoofd. ‘Er is daar veel meer te zien en te beleven dan dat.’ Marianne kon het weten, ze is er al een keer of vier geweest. Ik gaf me over. Op 25 mei vertrokken we, voor twee weken, vergezeld door Erwin en Christel, twee vrienden van Marianne die ik inmiddels ook tot mijn vriendenkring reken.

Erwin en Christel waren ook al enkele keren in Kreta op vakantie geweest, je raadt het, met Marianne. Samen dokterden ze een reis van veertien dagen uit. Ze regelden de vluchten, laadden de interessante gpx’en van geplande wandeltochten uit de Rothergids op de smartphone, bespraken wat wel en wat niet mee kon in de trekrugzakken, boekten paradijselijke hotelletjes, checkten de uren van de ferry’s, goochelden met namen van plekken en mensen die ik voor het eerst hoorde maar waarachter tegen 25 mei al geweldige verhalen schuilgingen… ik voelde me de passagier die in de watten werd gelegd.

We moesten al om 3 u ‘s nachts opstaan, die 25ste mei. Onze vlucht vertrok om 6 u. We kwamen rond 10:30 u lokale tijd (in Kreta moet je de klok een uur vooruit zetten) aan op de luchthaven van Chania. Het was er 25° C. Een taxi bracht ons naar de pittoreske havenstad, met ruim 100.000 inwoners de tweede grootste stad van Kreta.

Daar wandelden we met onze rugzakken zwetend door de nauwe straatjes tot we op een enig restaurantje stootten, het opgeruimde casco van een groot herenhuis. Een dak stond er niet meer op, maar hoge muren en hier en daar een op de juiste plaats gespannen dekzeil zorgden voor verkoeling. In het midden groeiden enkele bomen hoger dan de ruïneuze muren, aan een muur hing onbereikbaar hoog een fiets.

De tafeltjes konden oude cafétafeltjes van een jaren zeventig kroeg bij ons geweest zijn, maar hier waren ze wit in plaats van bruin geverfd, net als de stoelen met een strooien zitting. We bestelden Griekse salade en mezze met water en enkele flesjes van een halve liter retsina, de Griekse harswijn waarin je berken proeft. Overal waar we aan de zuidkust langs zouden komen, stonden die halve liters retsina met een kroonkurk op de kaart. De Griekse salade met heerlijke olijven, feta, sla en Griekse dressing zou verder op onze tocht een trouw lunchgerechtje blijven.

Om de wijn en het eten te laten zakken liepen we nog tot aan de kade en bezochten we het fort. De havenbuurt, het fort en de binnenstad hebben wel wat van Venetië, maar dan zonder bruggen. Wat natuurlijk niet verwonderlijk is als je weet dat Chania op het einde van de 13de eeuw door Venetië werd veroverd en Canea werd gedoopt.

Naast de Venetiaanse sporen draagt Chania ook byzantijnse sporen, sinds het halverwege de 17e eeuw door de Osmanen werd veroverd, die er meester zouden blijven tot de onafhankelijkheid van de republiek Kreta in 1898. Chania en de rest van Kreta zouden in 1913 een deel van Griekenland worden. Op de Venetiaanse burcht geeft een uitkijktoren een prachtig uitzicht op de door een strekdam beschermde havenkom, het snoer van cafeetjes en restaurants en de diepblauwe Middellandse Zee.

Van op de vestingmuren spotten we beneden een parkje met een taxistandplaats. Er wachtten twee taxi’s, het perfecte middel om ons 35 kilometer omhoog slingerend tot Omalos te voeren. In dat bergdorp gingen we overnachten om er ‘s anderendaags de zware beklimming van de Gingilos in de Witte Bergen aan te vatten. Helaas waren beide taxi’s al verdwenen toen we de borstwering en de trappen van het fort afgedropen kwamen. Gelukkig was de centrale taxistandplaats maar enkele straten zweten verder. Voor een habbekrats werden we een dik uur later met pak en zak voor de deur van Hotel Neos Omalos in Omalos afgezet. Tijd voor een douche en een frisse halve liter bier op het terras. Volgens de kenners die me vergezelden, is de moussaka nergens heerlijker dan daar.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , | 1 reactie

Dit weekend op de Mercator…

Ter gelegenheid van “Oostende voor anker” kreeg ik van de verantwoordelijken voor het museumschip Mercator de kans om “Cadet op de Mercator” te signeren op de barkentijn. Een kans die ik met beide handen greep. Ik zal op de Mercator zitten zaterdag 21 en zondag 22 mei van 11 tot 16 u, zolang mijn voorraad boeken strekt. Vooral zondag 22 mei wordt een spannende dag. Moest mijn vader nog geleefd hebben, hij zou die dag 85 zijn geworden, vijf jaar jonger dan de Mercator zelf.

Naar aanleiding van die 90ste verjaardag van het zeilschip loopt er een tentoonstelling aan boord, waar een van de pancartes met foto’s gewijd is aan mijn vader en een medecadet van toen, Jean D’Hondt, die ook in mijn boek wordt vermeld. Jean overleed helaas in november van vorig jaar.

De publicatie van mijn boek leidde ertoe dat ik in contact ben gekomen met twee andere cadetten die de kruistochten op de Mercator van mijn vader mee hebben beleefd. Eerst werd ik gecontacteerd door Jean-Pierre Desmet, die op de Mercator deel uitmaakte van het orkest. Jean-Pierre, een geboren en getogen Gentenaar, verloor zijn hart in New Orleans, de verste haven in de VS waar de Mercator op de 34ste kruistocht aanlegde. Via Jean-Pierre kwam ik ook in contact met Luc Dejonckheere, een van de cadetten waarmee mijn vader het meest optrok tijdens zijn Mercatortijd. Beiden lieten me weten dat ze zondagnamiddag naar de Mercator zouden komen. Spannend!

Hieronder vind je nog de weerslag van een interview in de Passe Partout dat Conny Justé enkele weken geleden van mij heeft afgenomen. Misschien tot in Oostende!

Geplaatst in familie, geschiedenis, reizen, uit de boekjes van mijn vader, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , | 2 reacties

Veertig jaar geleden

Moesten mijn vrienden van de oudleerlingenbond van Don Bosco Haacht het niet in herinnering hebben gebracht bij mijn oudste dochter, die een maand of wat geleden naar een bbq ter gelegenheid van haar 10 jaar afstuderen was geweest, ik zou er nooit aan hebben gedacht dat ik ruim veertig jaar geleden mijn college vaarwel heb gezegd.

Het fijne van zo’n oudleerlingenbond is vooral dat hij in de school een reünie met een barbecue organiseert. En omdat dergelijke bijeenkomsten omwille van de pandemie twee jaar niet hebben kunnen doorgaan, werd er die zaterdagavond in april verzamelen geblazen in mijn oude, maar enorm met nieuwbouw aangegroeide school, voor liefst drie afstudeerjaren tegelijk: 1980, 1981 en 1982. En dan bleken tot mijn persoonlijke verrassing ook nog eens de oudleerlingen die vijftig jaar geleden afstudeerden, in 1970, 1971 en 1972, tot de genodigden te behoren.

Naast een grote delegatie van de klas- en jaarmakkers uit andere richtingen tekenden ook verschillende oudleraars present. Carl uit de WeB had de aardrijkskundeleraar zelfs gepraamd om voor de afgestudeerden van ons jaar nog eens een kwartiertje les te geven. Meteen gaf Jos me weer het gevoel in die klas van weleer te zitten, naast Ludo op de achterste bank, voor een keer eens wat beter luisterend naar Jos die na zoveel jaren met pensioen te zijn, nog altijd niet had afgeleerd om oeverloos uit te weiden. Zes jaar lang hadden we bij Jos niet geweten waar hij ons in zijn les mee naar toe zou nemen en waar we uiteindelijk zouden eindigen. In zijn lesje als gepensioneerde nodigde Jos ons uit om, eens hij onder de zoden zou liggen op het kerkhof van Haacht, op zijn deksteentje de QR-code te komen scannen van een meer dan 300 bladzijden tellend levensverhaal over zijn excursies, dat hij zijn kleindochter wil nalaten.

Vijfde Latijn?

Op dat moment dacht ik, terug in die klas tussen mijn net als ik ouder geworden maar nog levendige medeleerlingen: wat heb ik toch een heerlijke tijd gehad in dat Don Bosco-college. En ik dacht het nog eens toen ik met Pieter praatte, onze turnleraar die ons niet zomaar elke week liet voetballen en die net als Herman jarenlang mee ging naar Uppingham in Engeland, voor een sportieve uitwisseling met een Engelse school in home hospitality.

Heerlijke lessen herinner ik me ook met Gaston, die me George Orwell leerde kennen en die ons als 16-jarigen een week meenam naar Londen. Daar schreef ik in 2014 al een blogpost over (https://peterdejaegher.com/2014/08/19/superstar/?fbclid=IwAR2srL83CNTxAR6i-Ioo4hrkr8EZNGiJVGSbG5ztORfigFwZQB03Ru_RdyI). Blijkbaar was ook Jef even op de reünie geweest, de leraar Engels van het zesde bij wie ik mijn maturiteitsproef maakte over de schrijver van o.a. 1984 en Animal Farm. Maar die heb ik helaas in de overvolle feestzaal gemist.

Harry, met wie ik al eens een praatje sla bij het winkelen in een Haachts warenhuis, kwam me al van bij de aankomst op de speelplaats de hand schudden. Onze memorabele geschiedenisleraar heeft het na ons vertrek op Don Bosco tot directeur geschopt. Als leraar zette hij me aan om meer te lezen over de Belgische geschiedenis in de historische literatuur van veertig jaar geleden, wat me ertoe bracht om na de humaniora in Leuven pol&soc te gaan doen.

Spijtig natuurlijk dat niet alle klasmakkers aanwezig waren. Walter bijvoorbeeld was enkele maanden geleden gestorven bij een verkeersongeval. Ook Ludo was door het oog van de naald gekropen na een anti-immuunziekte in combinatie met corona. Pas toen hij zijn lach opzette met die fonkelende ogen van vroeger, herkende ik hem. Nu, de afwezigen hadden allemaal ongelijk.

Marianne en ik zaten het grootste deel van de avond in de buurt van Johan en Ann, Dirk en zijn vrouw en Luc en Wim. We spraken over tal van thema’s van maatschappelijk belang, of gewoon over koetjes en kalfjes, met Alain zelfs over alpaca’s, of over onze inmiddels, in de meeste gevallen althans, volwassen geworden kinderen en onze al overleden of bejaard geworden ouders. Af en toe kwam een vriendin van mijn een jaar jongere zus Katrien, die ook van de feest was, naar onze tafel om goeiedag te zeggen, een voorwendsel om kennis te maken met de vriendin die me naar verluidt doet stralen.

Het was dus een fijne bijeenkomst. In 2016 schreef ik ook al eens iets over een reünie die Kristel had georganiseerd in de Brasserie in Keerbergen (https://peterdejaegher.com/2016/12/05/reunie/). Daarom heb ik dagenlang gepiekerd of ik nog eens zo’n blog zou schrijven. Tenslotte was Kristien er niet en heb ik deze keer ook amper met Anita en Luc, Heidi, Griet en Guy, Wim en Kristel of Bert en Joke,… gebabbeld, die helaas aan andere tafels hadden aangeschoven, want ons jaar was zolang buiten op die speelplaats blijven babbelen dat we ons binnen in de zaal verplicht zagen in verspreide slagorde de nog resterende gaten aan de tafels op te vullen. Helga beloofde volgend jaar een nieuwe bijeenkomst te organiseren. Wij zijn inderdaad van die trouwe klasgenoten die niet allemaal even goede vrienden zijn gebleven als we waren maar toch graag eens blijven hangen in die nostalgische humanioratijden.

Zes Latijn en WeA

Gisteren ging ik op zoek naar een oude handleiding voor een droogkast die ik niet meer aan de praat krijg en in een oude klasseermap stootte ik op een verslag van veertig jaar oud dat ik met vulpen had neergepend, over onze Romereis. Het stelt niet veel voor en heeft een hoog opstelgehalte, maar ik tik het hier toch maar eens over, voor mijn mede-nostalgici uit de Don Boscojaren:

Een miezerige motregen wuifde de DC9 van Alitalia na. De leerlingen die na veel geloop een plaatsje bij het venster hadden bemachtigd, kwamen bedrogen uit. Toen het vliegtuig zich boven het laaghangend wolkendek verheven had, was slechts de staalblauwe lucht zichtbaar. Toch werd er niet getreurd om het schamel schouwspel. Iedereen was opgetogen, zinnens om een tiental dagen alle zorgen te kunnen vergeten: vervelende en verveelde gezichten op school werden omgetoverd tot vrolijke snuitjes waar hoge verwachtingen van afdropen. Slechte paasrapporten waren in een oogwenk vergeten en de problemen thuis raakten zoek in het achterhoofd. Ieders gedachten waren gefixeerd op de eeuwige stad Rome, op het Firenze van de Medici en op het eenvoudige maar alleraardigste Assisi van Franciscus.

Ook op de treinreis van Milaan naar Firenze bleven we vrolijk opgewonden kwebbelen als kinderen die op schoolreis mogen. Onze thuis lag al ver ergens in het kleine België, en dat vonden we uitstekend. We konden de onbekende Italiaanse steden, het zwartharige vrouwenschoon of de Italiaanse snelle jongens, de lekkere keuken en de spotgoedkope koppige wijntjes al ruiken. De echte toeristen onder ons waren uitgerust met nieuwe fototoestellen. Ze schoten ijverig plaatjes van Paul, de leraar wiskunde, die in zijn hemd lag te maffen in Boboli, van Marianne, de lerares Latijn, die enthousiast uitleg verschafte op het Forum Romanum, van Ludo die de eeuwenoude stenen van de Via Appia kuste of van Anita die zo’n onverwachte bruuske beweging maakte die foto’s in je geheugen griffen. Ze zouden later de klas rondgaan, prettige en onprettige anekdoten oprakelen voor ze weer voor jaren insluimeren.

Dat de eeuwige stad zijn reputatie als chaotische warboel waar maakte, wou iedereen graag over het hoofd zien. Het was opwindend om je tussen het toeterend verkeer te bewegen, of om op de stampvolle bussen kinderlijke spelletjes te spelen. ’s Avonds trokken we naar de Piazza Navona, het trefpunt van de jeugd. Dat een echt koud, goudkleurig pintje je daar meer dan honderd frank kostte, was rap vergeten: je was toch met vakantie! De wijn smaakte er ook uitstekend. Ze was echter enkele keren zo koppig dat het laatste restje pas ’s morgens op de ongebruikelijke manier mijn lichaam verliet.

Voor we het beseften zaten we weer in de klas. De reis naar Italië was geenszins een reis geweest om uit te rusten van die zware schooldagen. En nu kwamen de laatste loodjes eraan. Die wilde niemand nog laten vallen, dus togen we weer aan het werk, met frisse moed en uitgeslapen hersens, rechtdoor naar de laatste examens op de middelbare school.

Wie eventueel mijn kapotte droogkast kan herstellen, gelieve me een persoonlijk bericht te sturen.

Geplaatst in De Grijze Man, geschiedenis, Haacht, vriendschap | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Meertalig Brussel

Zaterdag 12 februari 2022 werd op een studiedag in de Residence Palace in de Brusselse Wetstraat, ingeleid door premier Alexander De Croo, een nieuw boek voorgesteld: “De toekomst is meertalig. Brussel als laboratorium”. Dit boek van de Brusselse minister Sven Gatz, die als eerste in Europa de bevoegdheid Promotie van meertaligheid in zijn portefeuille kreeg, werd ook meteen vertaald in het Frans en het Engels.

Minister Gatz volgde de studiedag nauwgezet en geconcentreerd. Hij sloot de dag af met een toespraak waarin hij de tien ideeën om meertaligheid te verankeren die in het slothoofdstuk van het boek staan vermeld, nog eens samenvatte. Hoewel hij zelf niet op het podium stond, was de studiedag ook voor de Grijze Man een belangrijke belevenis, waarvoor hij zijn vriendin Marianne had meegevraagd. Zoals hij dat al voor enkele andere boeken van Gatz klaarspeelde, was de Grijze Man ook deze keer de ghostwriter van de minister.

De tekstschrijver had de minister verschillende keren langdurig geïnterviewd over zijn ervaringen met talen en politiek in Brussel, want Sven Gatz is een geboren en getogen ket en dat zijn mensen die veel te vertellen hebben. Daarnaast nam de Grijze Man ook ellenlange gesprekken op met meer dan een dozijn fans, pleitbezorgers en experten op het terrein van meertaligheid. Die over tientallen bladzijden uitgesmeerde inzichten noemde de uitgever niet onaardig maar tegelijk wat langdradig. Op diens instigatie diende de Grijze Man al het verzamelde tekstmateriaal te verhakselen tot een tiental thematische hoofdstukken.

Om de boekverkoop een vliegende start te geven, was de uitgever bovendien met het voorstel komen aandraven om de publicatie vergezeld te laten gaan van een event, zoals een evenement tegenwoordig wordt genoemd. Zo begon de Grijze Man, daarin goed bijgestaan door zijn collega Sheraz Rafi, de raadgever meertaligheid van Gatz, aan het boek een studiedag te breien. De studiedag diende te worden getrokken door enkele in het boek geïnterviewde en enkele andere begiftigde sprekers en debaters, kwestie van de discussie over meertaligheid wat sterker te kruiden.

Toen de receptie na de geslaagde studiedag op z’n laatste benen liep, sloten de Grijze Man en zijn vriendin de vestiaire waar Marianne veel meer tijd heeft doorgebracht dan ze had gewenst. Allebei moe en matig tevreden trokken ze naar Topogigio om na te tafelen, een uitstekend en toch niet prijzig Italiaans restaurant in de Brusselse Notelaarsstraat, met de gemoedelijke sfeer die eenieder behulpzaam is die een plooi glad te strijken of een verdriet te verdrinken heeft.

Terwijl ze nakaartten geraakte het tafeltje naast hen bezet. Een man en een jongen vleiden zich neer en wensten de Grijze Man en zijn vriendin vriendelijk zowel bonsoir als goedenavond. Het duo, waarvan de man af en toe Frans sprak maar vooral zijn best deed mooi Nederlands te praten en de jongen de man her en der subtiel verbeterde, intrigeerde de Grijze Man meteen: na de studiedag volgde een doop in het meertalig Brussel zoals het is!

Lang duurde het niet of de twee koppels geraakten in gesprek. Zoals de Grijze Man en zijn vriendin hadden gedacht, was de man de vader en de jongen zijn tienerzoon. De papa, een Waal afkomstig uit Doornik, vertelde dat hij gehuwd was met een Turkse. Het Turks-Waals echtpaar woonde in Schaarbeek en had bijzondere afspraken gemaakt over het taalgebruik in het gezin, die erop neerkwamen dat de jongen Turks spreekt met zijn moeder en Nederlands met zijn vader. Wanneer het gezin samen is, spreekt iedereen Frans.

De jongen zit in de Nederlandstalige tienerschool op de gloednieuwe Gallait Scholencampus in Schaarbeek. Voor wie dit type school niet kent, een tienerschool legt een vierjarige brug van het lager onderwijs naar het secundair onderwijs, door leerlingen tussen 10 en 14 jaar samen in zo’n middenschool te zetten, waardoor de schoolstructuur van het basis- en secundair onderwijs van twee cycli van zes jaar verandert in drie cycli van vier jaar. De overgang van lager naar secundair onderwijs zou zo minder abrupt zijn en meer plaats bieden voor persoonlijke begeleiding en groei naar zelfstandigheid in de lastige jaren naar en doorheen de puberteit.

De vader vertelde dat hij z’n kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs in Brussel had gestuurd omdat hij zelf pas op z’n veertiende in Doornik zijn eerste Nederlands had geleerd, als derde taal. Veel Nederlands had hij op de middelbare school niet opgestoken en hij wilde dat zijn kinderen die taal beter zouden kennen dan hij zelf. Die wens was alleszins uitgekomen: de jongen verbeterde het taalgebruik en het accent van zijn vader. De Grijze Man zag dat de zoon trots was op zijn kennis van het Nederlands, dat hem met het Frans en het Turks drietalig maakt. Hij zal als viertalige afstuderen als hij later op school ook nog Engels leert.

Ziedaar de Brusselaar van de toekomst! Marianne en de Grijze Man kregen er na een educatieve studiedag nog een gratis praktijkles meertaligheid bij. Onder de waterlijn van de taalwetgeving evolueert Brussel van een officieel tweetalige naar een meertalige stad. En hoewel sommigen in Vlaanderen vrezen dat in het meertalig Brussel het Nederlands zal verdwijnen, bewijst het Nederlandstalig onderwijs in het kosmopolitische Brussel van vandaag het tegendeel: de Vlaamse scholen in het Brussels gewest tellen meer dan 50.000 leerlingen, waarvan een grote meerderheid thuis geen woord Nederlands heeft gehoord.

Tegenwoordig zit ongeveer één op de vijf jongeren in het Brussels gewest (18,5 %) op een Vlaamse school. Elk jaar komt er zo in Brussel een massa Nederlandskundige meertaligen bij, die meteen in Vlaanderen of Wallonië aan de slag kunnen. Dat vindt de Grijze Man de belangrijkste boodschap uit het boek van Sven Gatz: het Brussel van vandaag is een voorafspiegeling van het België van morgen, waarin meertaligheid een grote troef zal zijn.

“De toekomst is meertalig. Brussel als Blauwdruk”, Sven Gatz, uitgeverij Lannoo, Tielt, 2022, 162 blz, € 19,99    

Geplaatst in Brussel, De Grijze Man, politiek, samenleving | Tags: , , , , , | 3 reacties

Stentorstemmen en gefluister

Zo luidde de titel van de eindverhandeling die ik samen met mijn studiegenoot Peter Dhondt in 1985 schreef om licentiaat (tegenwoordig: master) in de communicatiewetenschap te kunnen worden. Ik vond dat een heel mooie titel, die bedacht was door mijn naamgenoot. Omdat die titel niets loslaat over de inhoud, voegden we nog een lange en technische ondertitel toe: “Een kwantitatieve input-output analyse van de buitenlandse nieuwsstroom bij het nieuwsagentschap Belga”.

Het werkstuk van twee volumes, samen 468 bladzijden dik, ging onlangs nog eens door mijn handen toen ik bij mijn verhuizing mijn dozen met boeken aan het uitpakken was. Even sloeg ik deel 1 open, het Onderzoekskader, waaruit een getypte brief en een twee bladzijden lange handgeschreven tekst vielen.

De brief was geschreven door de toenmalige hoofdredacteur van Belga. Hij maakte zich druk over wat we over zijn persbureau hadden geschreven. “De polemische toon van bepaalde passages is een wetenschappelijk werk onwaardig”, hield hij de student die ik toen was voor. “Bovendien hebt u zich schuldig gemaakt aan een onaanvaardbaar misbruik van vertrouwen”, beet hij door. “Van de afgesproken studie is in uw verhandeling niets terug te vinden”, ging hij verder. “U hebt echter op basis van fragmentarische background-informatie die u door redactieleden werd verstrekt, valse hypothesen geconstrueerd, zonder wetenschappelijke grondslag.” De hoofdredacteur besloot dat hij zich “volledig distantieerde” van wat ik hem toegestuurd had, en hij voegde daar nog aan toe dat mijn houding hem er niet toe aanzette nog mee te werken aan licentiaatsverhandelingen. “Wij zullen de faculteit hiervan op de hoogte brengen”, dreigde hij.

Zevenendertig jaar later kan ik ermee lachen. Ik herinner me dat we ons toen van die brief niets hebben aangetrokken. Het was immers duidelijk dat de hoofdredacteur slechts een oordeel had geveld over één hoofdstuk. Bij de verdediging van onze eindverhandeling, die we allebei toch met wat nervositeit tegemoet zagen, was de hoofdredacteur door onze proffen al wat gekalmeerd. We kregen voor ons werk dan ook een uitstekende beoordeling, van de drie proffen weliswaar, van wie er inmiddels al twee overleden zijn.

De handgeschreven tekst in de thesis, is de samenvatting voor het Tijdschrift voor Massacommunicatie van een of andere Nederlandse universiteit, dat aan ons onderzoek een artikel heeft gewijd. Dat tijdschrift moet zich nog ergens in mijn boekenkasten verschuilen.

Enkele dagen nadat ik die thesis in handen heb gehad, droomde ik dat ik Peter opnieuw tegen het lijf liep aan wat vroeger het Internationaal Perscentrum heette, in de buurt van het Brussels Schumannplein, waar destijds ook Belga was gehuisvest. Hij was er met enkele actievoerders pamfletten aan het bedelen voor een meer rechtvaardige mediawereld.

Ik herinner me mijn naamgenoot inderdaad als een geëngageerde student, wat ook blijkt uit zijn loopbaan. Want die droom zette me ertoe aan hem op te sporen. Meteen bij LinkedIn was het raak. In de niet meer zo nieuwe digitale wereld zijn we nu terug verbonden. Ik stuurde hem prompt deze boodschap: “het lijkt wel een eeuwigheid geleden, die gezamenlijke thesis in Leuven, wat is de wereld veranderd!” Hij antwoordde: “Inderdaad, heel lang geleden, en het medialandschap is onherkenbaar veranderd. Maar onze conclusies blijven geldig hé!”

In onze titel stonden de stemmen van Stentor, de heraut uit het Griekse leger in de Trojaanse oorlog wiens stem even krachtig zou zijn geweest als die van vijftig andere mannen, voor de internationale nieuwsagentschappen die ons buitenlands nieuws domineren, maar ook voor de staten die dagelijks met nieuws van alle aard en gewicht in onze nieuwsbulletins verschijnen.

Het gefluister komt van de ontelbare kleine en onbeduidende nieuwsmakers en de tientallen landen en landjes die zelden de nieuwsdrempel van onze nieuwsmedia overschrijden, tenzij ze in slepende conflicten of catastrofale rampen verzeilen. Om maar iets te zeggen: in 1985 had ik nog niet van Tonga gehoord. Deze week zat het eindelijk eens vol in het nieuws. Wie kent inmiddels de hoofdstad of de koning van deze eilandengroep in Polynesië?    

Geplaatst in geschiedenis, media, samenleving | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Verander(en)de tijden

Beste bezoeker, het is een hele tijd stil geweest op deze pagina’s. De Grijze Man heeft lang gezwegen, terwijl toch veel lezers zijn website bleven bezoeken. Er zijn vele redenen voor dat stilzwijgen. Enkele daarvan wil de Grijze Man wel kwijt.

Het gaat de Grijze Man tegenwoordig heel goed. Hij is gelukkig en tevreden. Er zijn de voorbije maanden wel enkele tegenslagen geweest. Maar er waren veel meer mooie en gelukkige momenten in zijn leven.

De Grijze Man heeft het voorbije jaar veel verhuisd. Voor anderen en ook voor zichzelf. Zijn appartement is verkocht. Hij woont nu met zijn grote liefde Marianne voor een jaartje in een prachtig houten huis met een geweldige tuin, in het buitengebied van zijn gemeente Haacht, op een boogscheut van de Dijle.

Een droomhuis voor een jaar

Het grote huis, veertig jaar oud, werd ontworpen door een Noorse architect. Het ligt in een enorme tuin en heeft alle comfort. Zoals een kachel die de Grijze Man de gelegenheid geeft ongestoord in het vuur te staren. Of een terras zo ruim dat het de komende lente en zomer onvergetelijke barbecues zal mogelijk maken, als het weer meewil.

Als tijdelijk schuiloord en ontmoetingsplaats voelt het huis als een vakantiechalet uit de duizend. Tijdelijk inderdaad, want wat de toekomst de Grijze Man en zijn vriendin zal brengen, is nog onzeker en ligt misschien wel in handen van notarissen, erfgenamen en uiteindelijk rechtbanken. Maar daar liggen ze niet meer en nog niet opnieuw van wakker.

De Grijze Man en Marianne zijn straks anderhalf jaar een koppel. In die periode hebben ze heel wat avonturen beleefd en anekdotes verzameld in binnen- en buitenland. Ze wandelden in groep met Vlaamse stappers, met vrienden of gewoon samen. Ze leden dorst en zweetten in de Spaanse hitte en ze bibberden in de sneeuw van de Oostkantons. Ze bunkerden in de Sierra Nevada, verslonden paëlla in havenstadjes op Spaanse eilanden en beklommen er de bergtoppen. Ze baadden onder watervallen, trokken kloven door en zwommen in zee, dat laatste Marianne iets meer dan de Grijze Man. Ze dronken regelmatig een geweldig lekker glas wijn teveel, de Grijze Man iets vaker dan Marianne, wat meermaals eindigde in lachkrampen in bed. Ze kampeerden met vrienden en familie langs de Semois en vierden vakantie in Frankrijk met hun dochters en hun aanhang. Ze lazen elkaars favoriete boeken, leerden elkaars familie kennen en werden bevriend met elkaars echte vrienden.

In de buurt van Sankt Vith

En vaak telewerkten ze schouder aan schouder in de woonkamer van die Noorse chalet, met uitzicht op een eik en een notelaar. Uit hun verstrengeld geraakte takken daalt elke dag een eekhoorn af die even op het terras passeert om goeiedag te zeggen. Tussen het werken door smeedden Marianne en de Grijze Man hun plannen voor van alles en nog wat.

In de voorbije maanden verzamelde de Grijze Man ook snippers vrije tijd om aan een nieuw manuscript te werken over een onderwerp dat verschillende lezers niet zal verbazen: de avonturen van zijn vader als cadet op het schoolschip Mercator, in de tweede helft van de jaren vijftig van vorige eeuw.

en maar schrobben, dat dek!

Die epoque met zijn West-Vlaamse dorpen, de provinciestad Brugge en de wijde wereld waarvan de vader van de Grijze Man gretig en met grote ogen een flink deel al zeilend kon proeven, was heel anders dan vandaag. Maar tegelijk werden ook toen de mensen zoals nu gedreven door dromen en ambities, tegenslagen en ontgoochelingen, winstbejag en pijnlijk verlies, meeval en ongeluk. Nu hij de kans krijgt zijn overleden vader als jonge man te leren kennen, ziet de Grijze Man in dat als de tijden veranderen, de mensen zich aanpassen, de ene weliswaar sneller dan de andere, maar ook hetzelfde blijven.

Geplaatst in De Grijze Man, familie, geschiedenis, Haacht, reizen, Uncategorized | Tags: , , , | 4 reacties