Van Baeza is het maar twee uur rijden naar het Andalusische Guájar-Faragüit. Daar heeft Marianne vooraleer ik haar heb leren kennen een klein huisje gekocht met een mooie naam: Casa de Garcito. Dat huisje heeft ze met de hulp van vrienden opgekalefaterd. Het werd een geweldige uitvalsbasis voor wandelingen in de buurt, maar ook voor tochten in de bergen rondom en voor dagjes aan zee.
Van zodra we samen waren, hield ik ook van die heerlijke vakanties in haar huisje. We namen vrienden en familie op sleeptouw en maakten grote wandelingen in de Sierra Nevada en de Alpujarras, of we daalden af in onze favoriete kloof, de Barranco de Luna.
Ergens laat in 2025 besliste Marianne haar huis terug te koop te zetten. Veel vlugger dan we hadden verwacht, daagden er voor het kleine huisje kopers op. Een Frans koppel met twee nog jonge kinderen deed een bod en drong aan op een snelle verkoop, en zo geschiedde. Het koppel was van plan om er permanent te wonen. Vreemd genoeg zouden ze pas in juni verhuizen. Wij bleven nog enkele dagen in het huisje om de huisraad en herinneringen die Marianne niet wilde missen, terug te verhuizen naar Haacht. De kopers waren immers niet geïnteresseerd in de inboedel.
De zon schijnt nog heerlijk in Los Guàjares, van op het terras werpt Marianne een laatste blik op de vallei.
We gingen nog eens naar het dorpscafé La Parada, waar gewoonlijk op vrijdag de expats van het dorp verzamelen. De lingua franca is er dan het Engels en die avonden zijn altijd een gezellige boel. Ik denk dat we zeker nog terug zullen keren naar Los Guàjares, want er zijn wat nieuwe B&B’s geopend.
We rijden met spijt het sympathieke dorpje uit, met al die mooie plekken en nog een paar cafés die het telt, waar je naar Spaanse gewoonte nog altijd een tapa bij je drankje krijgt. Spijtig genoeg was ons favoriete restaurant La Roka in Salobreña in het putje van de winter gesloten. Maar gelukkig konden we dan wel weer terecht bij ons andere favoriete restaurant, Mesón Nacimiento, in Vélez de Benaudalla. Daar gingen we uitzonderlijk ’s middags eten, vooraleer we onze roadtrip terug naar het noorden verderzetten.
Na de naar gewoonte heerlijke maaltijd in Mesón Nacimiento wandelen we naar de parking waar de auto staat. Ik zie Marianne een traan uit haar oog wrijven. Afscheid nemen van deze heerlijke streek waar we zoveel plezier hebben gemaakt is niet makkelijk. Van Vélez de Benaudalla begint onze terugrit richting Haacht.
Het sneeuwt lichtjes als we ’s ochtends op 7 januari in Segovia de auto terug inladen. Het ijs op de bevroren ruiten en een dun laagje sneeuw krabben we weg. We slaken een zucht van verlichting: het C3’tje van Marianne start meteen, het autootje blijft onze trouwe dienaar. Vandaag hebben we een rit van ruim 400 kilometer voor de boeg. Het grootste deel van ervan rijden we op sneeuw- en vorstvrije autowegen met tol. Ons doel van de dag is Baeza, een stadje in de Spaanse provincie Jaén, in de regio Andalusië. Het renaissancestadje is net als Segovia Unesco-Werelderfgoed geworden. Onderweg spotten we wiekende wouwen en gieren boven de snelweg.
In Baeza parkeren we de auto op een gratis parking aan de rand van het stadje en wandelen we met onze rolvaliesjes naar het mooiste hotel van onze reis: Hotel Cetina Palacio de Los Salcedo, een prachtig gerenoveerd voormalig renaissancepaleis. Het is er heel stil in de lobby. De receptioniste doet ons een onverwacht voorstel: voor 5 euro extra krijgen we een upgrade van onze kamer op de eerste verdieping. We beschikken er over een balkon dat uitzicht biedt op de hoofdstraat, een luxueus ligbad waarin je ook kan douchen, een gratis cocktail op basis van een sterke drank naar keuze en een gratis minibar. Nu ja, veel zit er in die minibar niet in: 2 blikjes Coca Cola, 2 blikjes San Miguel-pils, een halve liter plat water en een zakje chips. Een serveerster brengt ons de welkomstcocktail op basis van wodka aangeleng met ananassap. De cocktail is wat klein, vinden we, maar ook gratis.
We nemen nog een heerlijk bad en trekken er dan op uit naar het stadscentrum. Helaas zijn werklieden het centrale plein van Baeza opnieuw aan het plaveien. Er staan hekkens met doeken rond, die het nieuwe uitzicht geheim proberen te houden. We kunnen wel nog flaneren langs de cafeetjes, restaurants en winkeltjes en passeren prachtige renaissancegebouwen, een kathedraal en enkele kerken.
Een landloper met een stompje sigaar in zijn mond komt aangesloft en zegt ons vriendelijk goeiedag. We geraken met hem aan de praat. Aan een prachtige fontein midden op een ander plein onderhoudt hij ons een half uur over van alles en nog wat. Hij dist verhalen op over Marianne Faithfull en de Rolling Stones, over de Spaanse Imilce, de echtgenote van Hannibal, en hij kent blijkbaar ook onze Keizer Karel de Vijfde, die in Gent geboren is. Eerlijk gezegd, ik krijg het van zijn verhalen van hot naar her en hier en ginder al na een kwartier op mijn zenuwen.
Een zwerver verteltMooie fonteinen in Baeza
Van op het plein zien we vlakbij het Toeristenbureau liggen, waar we een plattegrond van Baeza kunnen krijgen. Maar onze zwerver is ons voor: hij stuift als een wervelwind het kantoor binnen en grabbelt twee stadsplannen van Baeza mee, die hij ons beleefd overhandigt. Eindelijk neemt hij afscheid. Zijn inmiddels uitgedoofd sigarenstompje is nog amper een centimeter lang. We zetten onze wandeling verder langs de stadsrand. Daar zien we weiden met schapen en geiten langs de stadszijde en uitgestrekte olijfboomgaarden beneden in de vallei. Kinderen skaten en fietsen op het brede pad rond de stad. Opeens zien we een koppel hoppen voorbij fladderen.
Terug in het toeristisch centrum speuren we naar een goed restaurant voor ons avondmaal. We passeren er verscheidene en kiezen uiteindelijk voor de tapasbar El Estudiante, de student. De uitbater ontvangt ons allerhartelijkst in het Engels. Het is hem aan te zien dat hij fier is op zijn talenkennis. Baeza is een universiteitsstad. In El Estudiante eten we heerlijke risotto’s, vergezeld van een lekkere wijn. Voldaan keren we terug naar ons paleis.
We zijn moe. Twee afleveringen van Badgast op VRT-max in ons luxueuze bed volstaan. We kijken al uit naar de volgende ochtend. Het hotel staat bij de commentaren op reiswebsites bekend voor zijn royale ontbijt. Het buffet is uitgestrekt over drie lange togen, waar alles beschikbaar is wat je voor een ontbijt kan bedenken, à volonté. Buiten wijzelf is er nog één ander tafeltje bezet. Het is hier nog winter, maar toch veel minder koud dan de vorige dagen.
Op 5 januari verlaten we Zegama en Hotel Ostatu. Het is nog steeds bar koud buiten. Op de bergtoppen van het natuurpark Aizkorri-Aratz, waar we daags voordien hebben gewandeld, schijnt de zon uitbundig. Van uit de koude schaduw trek ik een foto van de gouden rand die de zon zo ver ik kan zien over de bergtoppen uitsmeert. Ze kan voorlopig nog concurreren met de glinsterende sneeuw die de volgende warmere dagen zal verdwijnen.
We rijden die dag van Zegama naar Segovia, een kleine 400 kilometers. Op de secundaire wegen ligt nog een streepje sneeuw, maar de autowegen zijn sneeuwvrij gemaakt. Bij een tankbeurt onderweg kopen we nog wat kaas, worstjes en snoepjes. In de Coviran van Zegama hadden we eerder al brood, water en magere melk gekocht.
Vanaf het buurdorpje Zamarramala kregen we al een vergezicht op een van Spanjes mooiste stadjes. Marianne had in Segovia voor twee nachten een appartement geboekt, boven een restaurant. Dat bleek een voltreffer te zijn. De verhuurder had de verwarming al behaaglijk warm gestookt. Voor het eerst deze vakantie konden we in een kingsize bed van 180 cm slapen. Om eens lekker te eten, besluiten we in het restaurant te informeren of er nog een tafeltje voor twee vrij is. Helaas niet, zegt de maître. Maar we hebben wel een afhaalservice, voegt zijn vrouw daar aan toe. Daar maken we dan ook graag gebruik van: voor Marianne kies ik een visschotel en voor mij een schotel met gefrituurde inktvisjes en kreeftjes. Ik mag onze bestelling om half negen komen ophalen.
Nog gauw voor het donker wordt, maken we een wandeling naar het Alcázar van Segovia, een droomkasteel op een hoge rots. Daarvoor moeten we een brug over de rivier over en een steile trap zigzaggend omhoog klimmen tot we het Alcázar in zijn volle glorie kunnen bekijken. Helaas is het al gesloten. Dit middeleeuws uitziend kasteel, met vele torentjes en gesitueerd op een hoge rots, blijkt voor Walt Disney een inspiratiebron geweest te zijn voor zijn kastelen uit de tekenfilms van Assepoester en Sneeuwwitje.
We zijn niet de enigen die een beetje ontgoocheld voor de poort staan. Gemeentewerkers en politieagenten zijn druk bezig dranghekkens te plaatsen. Hier komt immers morgen een grote driekoningenstoet voorbij, die naar jaarlijkse traditie veel kijkers zal trekken. 6 januari, het feest van Driekoningen, is in Spanje een officiële feestdag. Spaanse kindjes krijgen hun cadeautjes vooral van de Drie Koningen en Vlaamse kindjes krijgen ze van onze Sint.
De kathedraal van SegoviaHet Alcazar van Segovia
Bijna vergeet ik om half negen onze afhaalmaaltijden te gaan ophalen. Als ik het restaurant betreed, lijk ik me in een harington te moeten wringen. Alle tafeltjes zijn natuurlijk al bezet. Tussen tientallen Spanjaarden wring ik me richting bar en keuken waar ik de vrouw herken die me die afhaalmaaltijden heeft aangesmeerd. Blijkbaar delen de Spaanse grote mensen op de vooravond van Driekoningen ook graag in de feestvreugde. Na een kwartiertje komt de vrouw van de maître met de afhaaldozen aanzetten. Ik vraag haar of ik ook nog een fles rode Ribera Del Duero-wijn kan kopen, om Marianne te verrassen. Natuurlijk, zegt ze. Ze schuift me een uitgebreide wijnkaart onder de ogen. Er staan verscheidene Duero-wijnen op. Ik kies één van de goedkopere Duero’s, € 17, en ik reken meteen af. Er wacht me een leuke verrassing: de vrouw van de maître schenkt me met een knipoog mijn favoriete Spaanse wijn gewoon gratis! De afhaalschotels zijn zo royaal dat we er twee avonden van kunnen eten. En ook met de Ribera blijven we zuinig. We drinken er twee avonden van, want in het mooie Segovia blijven we twee nachten.
De volgende dag is het nog altijd berenkoud. Maar we doen ons best om ons zo goed mogelijk te wapenen tegen het vriesweer in Segovia, want er is enorm veel te bekijken in deze stad van ruim 50.000 inwoners met een geweldige geschiedenis. De Romeinen gaven de stad haar naam Segovia. Het bekendste monument is het Romeinse aquaduct van Trajanus. Dat goed bewaarde aquaduct dateert van de eerste eeuw. Het loopt dwars door het centrum over de Plaza de Azoguejo, is 28 meter hoog, 728 meter lang en telt 160 dubbele bogen. Maar de stad staat ook vol kerken, paleizen, kloosters en tal van andere historische gebouwen. Sinds 1985 staat het hele oude stadsdeel op de Werelderfgoedlijst van Unesco.
Uiteindelijk zoeken we toch wat warmte op. Hoewel 6 januari een officiële feestdag is in Spanje, blijven de meeste horecabedrijven gelukkig open. We vinden een sympathieke tapasbar waar we wat tapa’s en een goed glas ribera-wijn drinken. Gelukkig is het ook in ons appartement nog altijd lekker warm.
Op 4 januari gaan we om 8 u ontbijten in de Txanton. Het populaire café van Zegama zit al aardig vol met vroege klanten. Eens aan tafel gezeten klinkt tot mijn verrassing Bob Dylan’s Like a Rolling Stone door de luidsprekers. Dat is nu eens een voorbeeldig begin van de dag, vind ik. Als ontbijt krijgen we een croissant, fruitsap, broodjes met olijfolie en tomatenpulp, lekkere Spaanse ham, een Amerikaanse koffie voor mij en hete chocolademelk voor Marianne.
Terug in het hotel trekken we onze dikke jassen aan en nemen we onze handschoenen en een muts mee. Het is buiten bar koud, maar de zon schijnt. Marianne heeft een wandeling uitgestippeld in het nabijgelegen natuurpark Aizkorri-Aratz, dat zich uitstrekt over de provincies Álava en Gipuzkoa. Met de auto moeten we eerst wel een tiental kilometers op een smal en kronkelend betonbaantje de hoogte in rijden. Dat wordt uitkijken bij elke haarspeldbocht. Zonder ongelukken onderweg laten we de auto achter op een al goed gevulde parking.
Het is zondag. Dan houden de Basken wel van een mooie wandeling in het natuurpark. Aizkorri-Aratz is rijk aan kalkstenen bergen en eindeloze beukenbossen. De hoogste berg van Baskenland is de Aitxuri, 1.551 meter hoog. De bergtoppen liggen onder een dikke sneeuwkorst, maar ook lager in het gebergte is er de voorbije nacht een centimeter sneeuw blijven liggen.
In dit natuurpark wordt er jaarlijks een unieke bergmarathon georganiseerd. De 25e editie van die marathon Zegama-Aizkorri is gepland op 17 mei 2026. Maar nu al komen er op de parking lopers samen die hun conditie scherp willen stellen op de paden van het natuurpark. De marathon telt mee voor de Golden Trail World Series. Er mogen 225 atleten starten. Omdat er veel meer sporters willen meedoen, worden ze via een loterij in verschillende categorieën verdeeld.
Eén van de trekpleisters in Aizkorri-Aratz is de tunnel van Sint-Adriaan. Dat natuurfenomeen is een tunnelgrot waar een oude geplaveide weg doorheen de berg loopt. Vol goede moed beginnen we het rotsige GR-pad naar de ingang van de tunnel te beklimmen. We volgen het pad waarop ijs ligt en een dun laagje sneeuw. Dat wordt uitkijken om niet uit te schuiven. Hijgend bereiken we de ingang van de tunnel. Doorheen het metersdikke tunneldak vallen er gezapig ijzige druppels naar beneden.
De kapel van Sint-AdriaanUit de tunnel
In de tunnel is er een kapel gebouwd ter ere van Sint-Adriaan. Er hangt een schelp naast de deur van de kapel. Het GR-pad door de tunnel maakt deel uit van een bedevaartweg naar Compostella. Een bord verzoekt de bezoekers van de tunnel om de deur van de kapel gesloten te houden. Er zouden immers wel eens dieren in de kapel kunnen geraken. Als de deur dan dichtvalt, kunnen ze die niet meer openen en riskeren ze door gebrek aan water van de dorst om te komen.
Eens uit de tunnel belanden we op wat een oude Romeinse heirbaan lijkt te zijn. Ook hier ligt de weg onder een dun laagje sneeuw. Het vervelende aan die sneeuwlaag is dat de GR-strepen die onze route op de rotsen afbakenen niet overal zichtbaar zijn. We wandelen verder door het beukenbos en belanden op een kruispunt van verscheidene wegen. Er staan geen wegwijzers. Ook andere wandelaars die we kruisen, weten niet goed welk pad ze best kiezen. Uiteindelijk beslissen Marianne en ik na wat geklauter over besneeuwde rotsblokken maar voorzichtigheidshalve op onze schreden terug te keren. We nemen een makkelijke weg terug naar de parking.
Terug aan de auto rijden we langs de smalle betonbaan de berg af. Marianne rijdt voorzichtig naar beneden, hopend dat we niet onverwacht op tegenliggers stuiten. Want daarvoor is het baantje hier en daar echt te smal. Wat lager op de berg komen we aan een moderne kerk en restaurant Otzaurteko Benta dat we op onze heenreis al gespot hadden.
Het is al laat in de namiddag, maar in Spanje is men gewoon om nog laat te kunnen middagmalen. Dus doen we maar zoals de Spaanse Basken en stappen we het restaurant binnen. Het is er behaaglijk warm. Een dienster dekt voor ons meteen nog een tafeltje bij, want het restaurant zit al haast vol met wandelaars en kandidaat-marathonlopers. Zonder brokken te maken rijden we na de maaltijd terug de berg af naar Zegama.
In Hotel Ostatu laten we het elektrisch radiatortje op volle kracht onze kamer verwarmen. We kruipen gezellig onder de dekens. Marianne heeft het goede idee om via haar laptop Badgast te bingewatchen, de nieuwe serie met Tom Waes en zijn dochter.
Van Pontacq vertrekken we op 3 januari voor een rit van zo’n 250 kilometer die ons, met een tussenstop, naar Zegama in Baskenland zal brengen. Daar bevindt zich onze volgende overnachtingsplaats, waar we twee nachten zullen verblijven. Na twee uur rijden komen we aan in Guéthary, een dorpje gelegen aan de Atlantische kust.
We stappen uit en trekken onze wandelschoenen aan voor een fikse kustwandeling. We verkennen enkele kilometers lang de plaatselijke kust-GR die ons langs rotsen en stenen over het strand voert. Verderop klimmen we over de duinen en de bosschages die het binnenland tegen een zondvloed beschermen. We kunnen onze warme jekkers goed gebruiken in de gure wind en een koude, lichte regenval. Geen wonder dat we weinig mensen kruisen.
Aan de achteringang van een camping vol bungalows loopt het pad dat we volgden dood op een gesloten poortje van de afsluiting. Even overwegen we om door de afsluiting te kruipen, maar dat doen we uiteindelijk toch niet. Een bordje waarschuwt ons immers voor camerabewaking, maar de camera’s zelf zien we niet.
We keren dan maar terug op onze schreden en volgen een smalle asfaltbaan naar de bewoonde wereld, waar buiten het hoogseizoen bitter weinig te beleven valt. De baan loopt wat landinwaarts langs hoge met struiken en bomen begroeide duinen. We passeren fraaie, grote landhuizen met donkerrood geschilderde balken rond vakwerk en stuk voor stuk prachtige vergezichten op de Atlantische Oceaan.
Zon over het natuurpark van Aizkorri-AratzPinchos in tapasbar Madrid in Guéthary
Voor we het beseffen lopen we zo terug het dorpscentrum in. Onze magen grollen. Er zijn gelukkig enkele cafés en restaurantjes geopend. We kiezen voor Le Madrid, een keurige, grote tapasbar. Daar dekken de uitbaters meteen een nieuwe tafel voor ons. We zitten naast een grote tafel waar twee gezinnen met nog jonge kinderen aan het eten zijn. Hoewel het in januari droevig is gesteld in de kusthoreca, waren toch nog twee van de drie tafels bezet. De pinchos waren immers heerlijk.
Van Guéthary rijden we verder het Frans Baskenland in naar Zegama, waar Marianne een kamer heeft geboekt in hotel Ostatu. Dat hotel is ook een café en een restaurant. We vermoeden dat we de enige gasten zijn. Achter de toog van het café-gedeelte legt een man uit dat het ontbijt voorzien is om 10 u.
We vragen of dat niet een hele poos vroeger kan, want de volgende dag plannen we een grote wandeling in het nabijgelegen natuurpark van Aizkorri-Aratz. ”Helaas ben ik dezer dagen het enige personeelslid van het hotel”, verontschuldigt hij zich. Vóór tien uur heeft hij de tijd niet om voor een ontbijt te zorgen. Waarop wij antwoorden dat we op onze reizen nog nooit zo laat hebben ontbeten. We vermoeden eigenlijk dat de eigenaars van hotel Ostatu zelf met vakantie zijn en hun vervanger een beetje een plantrekker is.
De man begeleidt ons naar onze kamer, waar een elektrisch verwarmingstoestel voor ons alvast de strijd met de kou aan het voeren is. Het eerste dat we doen, is naar het honderd meter verder gelegen café wandelen om te vragen of ze er geen ontbijt geven. Al vanaf 7 u, antwoordt de barman van het druk beklant etablissement. Voilà, dat probleem is al opgelost.
Goed ingeduffeld gaan we al eens op verkenning in Zegama. We volgen de wegwijzer naar het plaatselijk toerismebureau. Daarvoor moeten we een steile trap op klimmen die naar de kerk op een heuvel voert. Aan een vrouw die de trap afgedaald komt, vragen we of het nog ver is naar het toerismebureau. Helemaal niet, zegt ze, en ze is zo vriendelijk om met ons mee terug omhoog te lopen. Helaas, als we de heuveltop bereikt hebben, blijkt het toerismebureau gesloten en zal het nog enige tijd gesloten blijven, in dit koude, stille winterseizoen.
Maar als jullie daar zin in hebben, zegt de vrouw, kunnen jullie morgen in de kerk meedoen met de handwerkcursus. Er is er een voor de vrouwen en een voor de mannen. Oei, verontschuldigt Marianne ons, wij hebben voor morgen al andere plannen.
Op 2 januari vertrokken we om half tien uit Figeac en reden we naar het zuidelijker gelegen bedevaartsoord Lourdes. Tja, als kind leerden we allebei in onze katholieke lagere school wel over Bernadette Soubirous, het meisje dat visioenen zag van moeder Maria en een hele mirakelkermis begon.
Van in mijn kleutertijd herinner ik me dat mijn meter in haar slaapkamer op haar nachttafel een flesje had staan waarin wijwater zat. Dat flesje, vertelde ze devoot, had ze ooit meegebracht uit Lourdes. Het flesje zag er helemaal niet uit als een flesje. Het had het postuur van moeder Maria, de Heilige Maagd. Mijn meter hield me met geheven wijsvinger voor om zeker niet te drinken van dat heilig water.
Voor ons begon de reis naar Lourdes niet zo voorspoedig als we hadden gehoopt. Onderweg liepen we al snel vertraging op wegens een zwaar verkeersongeval. Toen de weg terug vrijgemaakt was, vergaten we nog een weesgegroetje te prevelen om Maria te bedanken.
Eens in Lourdes is het bijkans onmogelijk je te onttrekken aan de Mariakermis. Het was nochtans bar koud buiten, maar dat weerhield er de bedevaarders uit alle hoeken van de wereld niet van om naar de religieuze markt te stromen. Overal liepen bedevaarders en religieuzen, mensen met een handicap, kinderen en bejaarden naar de drie basilieken, naar de bidplaatsen op de banken aan de grot, naar altaren en crypten. Vooral de plek waar voortdurend weesgegroetjes worden gepreveld is populair.
Daar laait de hoop op voor gelovigen met en zonder krukken, voor blinden met een stok en blinden met een begeleider, en voor allerlei rolstoelgebruikers. Wie weet zullen ze wel een mirakel beleven. Natuurlijk konden ook wij niet wegblijven aan de grot, een kijkje nemen in de basiliek en de crypten.
Op de grote religieuze markt passeren ook de meeste bedevaarders, zelfs wij. Je vindt er kaarsen in alle formaten, Moeder Maria’s van piepklein tot levensgroot en andere producten van het commerciële katholicisme, evenwel zonder tollenaars in de buurt. De handelaars in religieuze producten en parafernalia afficheren zelfs hun magistrale talenkennis. In een van de grote religieuze winkels hangen bordjes boven de koopwaren in een tiental talen, waarop we lezen dat de Nederlanders Hollands spreken en de Vlamingen Vlaams.
Doorheen de stad wemelt het van restaurants, om al die internationale magen te vullen. We stellen vast dat er heel veel gelovigen rondstruinen uit verre landen, waar het katholicisme nog een godsdienst die veel gelovigen telt. Misschien daarom dat Lourdes zoveel restaurants telt als er nationaliteiten onder de bedevaarders zijn, die allemaal op zeker ogenblik hun voeten onder tafel willen schuiven.
Aan eten geen tekort dus. Een doordeweeks café daarentegen, is moeilijker te vinden. Dichtbij de basiliek stuiten we op een café dat de naam “Brouwershof” draagt. Helaas, het is gesloten. Maar dr Google vindt natuurlijk alles. Hij brengt ons naar een cafeetje dat er van buitenaf gewoon gezellig uitziet, de Bar PTT. Eens we in het kleine, ijskoude kroegje gezeten zijn, overvalt ons de slonzige armoedigheid waarin we ondergedompeld worden. De cafébazin heeft zich in vele kledinglagen gewapend tegen de kou. Hoewel pannenkoeken, wafels en warme dranken als koffie, thee en warme chocolademelk op de kaart staan, zijn er alleen koude dranken verkrijgbaar. Ik bestel dan maar een blonde Grimbergen, een Vlaams patersbier waarmee ik wat in de religieuze sfeer blijf.
Handenwringend van de kou in de Bar vinden we dat we Lourdes verder wel voor bekeken kunnen houden. Tot we aan twee ouderwetse musea passeren, die – wat dacht je – om de heilig verklaarde Bernadette Soubirous draaien, het meisje van de visioenen waarmee alles in deze stad begon. We lopen er even binnen en lezen verbaasd de antieke bordjes waarop het verhaal van de heilige Bernadette wordt verteld. De uitleg op de afgeleefde bordjes kon zomaar uit de jaren vijftig stammen.
Maar intussen slaan onze magen aan het rammelen. Gelukkig waren we zo wijs geweest om onderweg nog wat mondvoorraad in te slaan in een Lidl. Daarna was het tijd voor een sanitaire stop. Ook in de vele katholieke WC’s rond de basilieken stinkt de urine.
We stappen terug in de auto en rijden langs de Pyreneeën om de wegenis over de besneeuwde bergen te vermijden. Het uitzicht op de bergen in de sneeuw is wel mooi. We rijden nu gezwind naar Pontacq, een dorp waar Marianne een chambre d’hôtes heeft gereserveerd. De vriendelijke uitbaatster is 87 jaar oud. Koken doet ze niet meer, maar voor ons avondmaal laat ze ons de keuze tussen een restaurant of een afhaal-pizzeria een halve kilometer verder in het dorp.
Onze hospita woont in een huis dat deels dateert van de 16de eeuw en deels van de 14de eeuw. De slaapkamer die ze ons toewees, was ongezond warm gestookt. Marianne zette de verwarming al snel terug op uit. Na een lekker ontbijt praatten we nog lang over de Franse politiek met onze gastvrouw, die ooit directrice was geweest in een middelbare school in een voorstad van Parijs. Ze vertelde hoe ze geleidelijk aan de voorsteden van de hoofdstad zag verkleuren. Na haar pensionering koos ze ervoor om haar oude dag in Pontacq door te brengen, gelegen tussen Pau en Lourdes. Dan wordt het tijd om te vertrekken. We zwaaien nog eens en rijden naar Guéthary, aan de Atlantische Oceaan.
Het is lang geleden dat de Grijze Man nog eens wat van zich liet horen, hoorde hij van een vriend. Ik had immers weinig omhanden. Tot Marianne en ik ergens diep in 2025 een uitnodiging ontvingen om oudjaar te gaan vieren bij vrienden in het Franse stadje Figeac. Daar baten ze de B&B Chambres d’hôtes Conquans uit, een herberg met de allures van een kasteeltje uit de 14e eeuw, gelegen in het historisch stadscentrum.
Voor dit speciale feest van Oud op Nieuw reizen nog drie andere bevriende koppels mee naar het stadje in het departement van de Lot. Verdeeld over drie wagens rijden we in twee ritten naar onze bestemming. Er is afgesproken om te overnachten in Foëcy, in een B&B met de naam Une Escale en Berry. Marianne en ik maken van de gelegenheid gebruik om nog enkele uren in Orléans door te brengen, waar we de prachtige kathedraal bezoeken, schitterend in het late zonlicht, en langs de Loire wandelen.
We zijn daardoor een beetje later in Une Escale en Berry, maar daar maalt niemand om. We krijgen een heerlijk avondmaal voorgeschoteld, met een lekkere Malbec-wijn uit de streek. We maken natuurlijk ook veel voorpret. Zo wordt de lange reis over de Franse snelwegen een beetje gebroken.
Op 31 december na de middag komen we aan in Figeac, dat zo’n tienduizend inwoners telt. Het stadje is bekend om de 19de-eeuwse egyptoloog Jean-François Champollion, die er lang geleden geboren is. Champollion heeft de “Steen van Rosetta” ontcijferd, een stuk steen waarin vreemde schrifttekens gebeiteld waren. Die steen bleek Egyptische hiërogliefen te bevatten, maar ook demotische en Oudgriekse schrifttekens. Die oude Griekse letters vormden de sleutel voor het ontcijferen van de twee andere geschriften. De doorbraak kwam er dankzij Champollion in 1822, toen hij met Napoleon in de Egyptische veldtocht was verzeild.
De egyptoloog heeft in zijn geboortestad in december 1986 zijn eigen museum gekregen. Het pronkstuk ervan vond ik op de binnenkoer van het museumgebouw: een sterk vergrote kopie van de Steen van Rosetta. Daar lieten we ons natuurlijk met z’n allen fotograferen.
Wat niet alle vrienden in het kasteeltje Conquans al wisten, was dat Marianne en de Grijze Man een nog groter plan hadden dan feesten in Figeac. Marianne had de voorgaande weken hard gewerkt voor haar job, maar ook voor de organisatie van een wonderbare roadtrip. Wij keerden na de festiviteiten rond het nieuwe jaar niet gewoon naar huis terug. We reden verder zuidwaarts tot in het zuiden van Andaloesië, naar een huisje in het dorpje Guàjar-Faragüit, dat we al verschillende keren als uitvalsbasis voor een heerlijke vakantie hebben gebruikt.
Marianne boekte voor onze roadtrip van drie weken de overnachtingsplaatsen, ze berekende de rijtijden langs de Franse en Spaanse tolwegen, schatte het verbruik aan benzine in en budgetteerde de kosten, voor drie weken lang, drie maaltijden per dag.
Op 2 januari reden we verder door naar het zuiden, naar Lourdes, het commerciële bedevaartsoord dat rond de Grot van Bernadette opgetrokken is.
De dood slaat toe, onverwacht en onrechtvaardig. Hij schokt de families en treft alle generaties. Ook alle vrienden, zelfs tot in Haacht. Tientallen goede herinneringen aan Henk zijn een pleister, die een beetje helpt.
Bij die herinneringen zitten ook droevige geschiedenissen. De dood van Henks broertjes. Er zijn in de jaren ’65, ’67 en ’71 al zoveel tranen geplengd om de twee Dirken en Stefaan, die de pech hadden jongens te zijn, die de pech hadden met foute chromosomen het leven in te stappen. Daar kwam nog niet zo lang geleden de dood bij van de vader van Henk. Wat een verdriet voor tante Adrienne, wat een verdriet voor Matthias en Alexander, wat een verdriet voor Annick, wat een verdriet voor iedereen in dat gezin, voor iedereen ook die met hen meeleeft.
Henk was een geweldige vriend en neef, altijd graag van de partij, altijd vriendelijk en toeschietelijk. Ik herinner me zoveel goede en mooie dingen. Hij kwam samen met Annick van Beernem helemaal naar Kampenhout om me te feliciteren met de roman die ik had gepubliceerd. Hij kwam naar Leuven om te gaan squashen met mijn dochter Jolente. Hij vond in tegenstelling tot zovele anderen Tokio Hotel eigenlijk niet zo’n slechte band, waarmee hij mijn dochter Winke een geweldig plezier deed.
Samen met mijn meisjes en Matthias mocht ik met Henk meerijden op vakantie naar Les Tillets in Frankrijk. Daar woonde mijn zus Els toen, met haar man Bart en hun drie jongens. De kinderen speelden er uren potteke stamp en de mannen Kolonisten van Catan. Henk ontbolsterde er als een volbloed spelfanaat. Zo belandde hij ook in de groep oudscouts van Haacht.
Hij ging met mij, mijn zussen, mijn broer en mijn dochters mee naar een huisje in een bungalowpark in Nederland, wat we als neven en nichten wel meer deden met de families en daarna ook met onze eigen kinderen. Henk trok ook mee op stamweekend en het mannenweekend van de scouts van Haacht. Hij had het karakter om moeiteloos te integreren in groepen.
Afgelopen zomer nog, waren onder meer Henk en Annick bij mij en Marianne te gast voor een nevenactiviteit. Wij, de inmiddels volwassen kleinkinderen van opa Nestor en oma Elisabeth, deden dergelijke activiteiten om onze familiebanden te bewaren. Vandaag is die zomer-bbq van toen onverwachts een mooie herinnering aan Henk geworden. Mijn neven Piet, Bart en Henk, en hun nichtje Inge, leeftijdsgenoten uit het geboortejaar 1969, waren er ook. Ze hebben er zovele jaren na hun plechtige communie een remake gemaakt van hun iconische foto achter de boom.
Vandaag moeten we allemaal helaas verder zonder Henk. Velen gaan opnieuw een moeilijke periode van gemis tegemoet. Annick zal haar gezin moeten heruitvinden zonder Henk. We hopen dat iedereen die Annick graag heeft, haar daarbij helpt. De jongvolwassen Matthias en de kleine Alexander moeten ook verder zonder hun papa. Ook zij staan voor een zware opgave.
We leven ook allemaal heel erg mee met onze tante en oma Adrienne, die niet zo lang geleden opgenomen werd in een Woonzorgcentrum. Zij had op haar hoge leeftijd nooit durven denken zonder haar enige overblijvende zoon te komen vallen.
Gelukkig had Henk veel familie, een sterke en goede schoonfamilie, veel vrienden en collega’s. Zij rouwen hier nu mee om zijn overlijden. Laten we hopen dat al die mensen zullen helpen om Annick, Matthias, Alexander en oma Adrienne te ondersteunen.
Van Müllerthal naar Echternach 13,1 kilometers, 412 meter stijgen en 461 meter dalen
Onze derde dagtocht is misschien nog de zwaarste, niet in het aantal kilometers die we moeten malen, maar door de 412 stijg- en 461 daalmeters. Aan het ontbijt zal het alleszins niet gelegen hebben: in Hotel Le Cigalon was het ontbijtbuffet haast zo goed als dat in Le Bon Repos. We misten alleen spek met eieren. Een ander minpuntje is het late ontbijt, dat pas opent om half negen.
In Le Cigalon hebben we maar twee mensen van de staf gezien. Een jonge man en een jonge vrouw. Het zouden broer en zus kunnen zijn, maar ook een koppel. Zo staat het althans op de afrekening, waar sprake is van een Rita en Philippe, met verschillende familienamen. Afwisselend bevonden ze zich aan het onthaal, in de grote gezellige bar of in de grote eetzaal die de Cigalon rijk is. Het spreekt voor zich dat er nog ander personeel aan het werk zou moeten zijn, zoals onderhouds- of keukenpersoneel.
Tussen de scharen Vlamingen in slagen we erin af te rekenen en meteen daarna koers te zetten naar Echternach. Het pad begint met een stevige klim. We zetten er een flinke pas in. Het eerste uur kruisen we geen tegenliggers. Logisch, de eersten zijn waarschijnlijk rond hetzelfde uur vertrokken als wij, maar dan uit Berdorf.
Al snel passeren we weer spectaculaire rotspartijen in het beukenwoud, waar we foto’s van maken. Na enkele kilometers stappen zien we de eerste tegenliggers uit Berdorf wandelen. Toevallig of niet, alweer Vlamingen. Even komen we aan een grote baan piepen, waar je een extra klimmetje kan doen naar een spectaculair uitzichtpunt, de predikersstoel. We laten die stoel voor wat hij is, steken de baan over en verdwijnen weer in het woud.
Steeds meer tegenliggers komen intussen aangestapt uit Berdorf. Gezinnen met kinderen vinden de hangbrug die dichtbij Berdorf gespannen is een geweldige attractie. Vlakbij lopen we het woud uit en passeren we een camping. Een jaar of dertig geleden ben ik al eens in Berdorf geweest. Maar het landelijke boerendorpje van weleer is haast niet meer herkenbaar. Heel wat weiden en velden hebben plaats geruimd voor nieuwe hotels, woningen en residentiële woonkazernes en appartementen.
Even voorbij de kerk, uitgerust met een dak vol zonnepanelen, en het gemeentehuis vinden we een muurtje in het zonnetje, waar we ons laatste zakje goulashsoep oplepelen en wat voedselrepen de honger laten bestrijden. De wegwijzers van de trail brengen ons weer verder op het pad, opnieuw het woud in. In dat woud zijn best wel wat bezienswaardigheden te bezoeken, zoals een grot onder de kalkstenen, waar een openluchttheater is aangebouwd. Uit de zachte kalkstenen hebben vorige generaties lang molenstenen uitgehaald.
We volgen het pad naar Echternach langs een riviertje, geflankeerd door rotspartijen. Ik herinner me nog de spectaculaire rotsen van de Wolfschlucht, waar we door wandelen tussen neergevallen bomen en rotsblokken. Wie een extra uitdaging wil, kan nog langs een trap naar een hoge rots de omgeving afspeuren. Voor ons hoeft dat niet meer, we volgen gewoon het pad tot aan een reusachtige ligzetel, waar zich wat wandelaars hebben verzameld.
We kijken even uit over het panorama over Echternach dat zich beneden ons uitstrekt. De wandelaars die de reuzenligstoel bezet hielden, zijn inmiddels weer vertrokken richting Wolfschlucht en van daar vermoedelijk naar Berdorf. Marianne en ik hebben ons net geïnstalleerd als de collega van mijn vriendin met haar zoon weer opduikt. Wat een toeval: twee keer bekenden op dezelfde trail ontmoeten!
Marianne vraagt wat hun plannen nog zijn. Ze blijven nog een nachtje slapen in Echternach en gaan ’s avonds op restaurant eten, om het welslagen van hun hike te vieren. Wij dalen ook op ons gemak af. In de winkelwandelstraat zetten we ons op het buitenterras van een koffiehuis, waar we bij een koffie een wafel en appelstrüdel eten. En daarna zoeken we de gratis parking weer op, van waar we moe maar tevreden huiswaarts rijden.
Van Scheidgen naar Müllerthal 15 kilometers, 310 hoogtemeters, 414 daalmeters
Het ontbijt in Le Bon Repos opent om 7 u. De meeste Vlamingen schuiven op hun sokken in de eetzaal langs aan het overvloedige buffet. Er is keuze uit verschillende fruitsappen, koffie, thee, melk, broodjes, chocoladebroodjes, croissants en boterkoeken. Je kan er verschillende soorten lokale charcuterie proeven, kaas, gerookte zalm, yoghurtjes, hard of zacht gekookte eitjes, omeletten en gewoon wit brood. Er ligt ook fruit: mandarines, appelen en bananen. Het mag wel eens luxueus zijn. Maar Vlamingen komen natuurlijk niet voor het ontbijt alleen. Ze pakken hun rugzakken weer in, kijken nog eens of ze niets vergeten zijn en vertrekken in schuifjes weer richting Müllerthal. De overnachting hadden wij al op voorhand betaald. We moeten alleen nog onze drankjes en avondmaal afrekenen. Onder Vlamingen gaat dat allemaal gemakkelijk en snel.
We zijn nauwelijks op pad of we kruisen een vrouw van middelbare leeftijd met een verdomd zware rugzak op haar schouders. Een Vlaamse, je raadt het al. Ze draagt een tent, een slaapzak, een matje en ook nog een kooktoestelletje. We schatten dat ze twintig kilogram torst. Maar ze is niet alleen op trektocht, vertelt ze. Ze is speciaal vroeger opgestaan dan haar man, haar zoon en haar vriendin. Zij wandelt immers wat trager dan haar compagnons. Dat vindt ze niet erg, ze verwacht over een uurtje ingehaald te zullen worden.
Van uit de andere richting krijgen we een mooi palet van verschillende soorten wandelaars langs de trail. De overgrote meerderheid is ook vandaag van Vlaamse origine. Een man die de trail al verschillende keren gestapt heeft, verzekert ons dat de tocht nog veel mooier wordt dan de vorige dag, dankzij enkele spectaculaire rotspartijen. We kruisen koppels, moeders met meerderjarige dochters, veel gezinnen met een waaier van hondenrassen aan de lijn of, hoewel het niet toegelaten is, los lopend.
In een dal waar een riviertje door kabbelt stuiten we op een lege en droge bank, een te mooi plekje om er niet te picknicken, want we hebben al een hongertje. Uit onze rugzakken diepen we nog wat voedselrepen op en een zakje om hete goulashsoep van te brouwen. In de verte zien we een jongeman de heuvel afdalen. Het is ook zo’n uitslover met een zware rugzak op de rug. Op verstaanbare afstand roepen we al: ‘Zet je er maar bij, als je wil.’ Dat doet Mauro, want zo heet de jongeman, graag.
Mauro is een geboren Westvlaming, afkomstig van Veurne. Op een uurtje delen we onze respectievelijke levens in een notendop. Mauro blijkt net als een dochter van Marianne psycholoog te zijn. Mijn vriendin vraagt of ze hem mag fotograferen. We wisselen de foto’s uit en pakken onze picknick weer in om onze paden te vervolgen. Dat is nu het leuke aan dit soort wandelingen, je komt geregeld mensen tegen die je graag hun levensverhaal vertellen.
Wat verder stuiten we aan een spectaculaire rotspartij op een koppel waarvan de vrouw vruchteloos het goede pad aan het zoeken is. De trail is doorgaans uitstekend bewegwijzerd, voor ons met rode letters M. Op de rotsen waar de vrouw de weg kwijt is, staat een blauwe rechthoek geschilderd. Bij andere van die blauwe rechthoeken op de rotsen staat er normaal een beschrijving vermeld, die de wandelaar helpt om de route te vervolgen. Op die plek echter zijn de schilders de naam vergeten toe te voegen. We helpen de vrouw en haar gezelschap terug op het juiste pad.
Wat verder komen we weer aan zo’n wonder van de natuur: kalkrotsen waartussen een spleet van enkele tientallen meters hoog maar nauwelijks veertig centimeter breed de passage spannend maakt. Zeker als je met je rugzak opeens vastzit. Terug achteruit dus, de rugzak voor je uit dragen op z’n smalste zijde en zo terug verder langs het pad, dat nu helemaal in het donker is gehuld. Daarom staat er aan het begin van die passage ook een waarschuwing: een lamp is er geen overbodige luxe. De meeste wandelaars gebruiken het lichtje van hun gsm om tussen het smalle gesteente door te kruipen. Wat een avontuur!
Aan de uitgang van de rotspartijen ontmoeten we een Waalse oudere man met z’n vrouw en een jonge Mechelse scheper. Hij is nog niet lang geleden gepensioneerd en geniet nu van zijn leven, vertelt hij. Met hun zwerfwagen staan ze op een camping in de buurt. Hij heeft vele jaren in een koekjesfabriek gewerkt. Tot die fabriek dichtging en enkele tientallen kilometers verdere een nieuwe vestiging opende, die voor de man een veel langer thuis-werk-traject inhield. Na enkele maanden doorbijten besliste hij zo gauw het wettelijk kon toch maar met pensioen te gaan.
Als we even de beukenbossen van de Müllertrail verlaten en de warmte van een deugddoend zonnetje op ons bolleke voelen, zien we een vader, zijn zoon en nog een vrouw van middelbare leeftijd in t-shirt hun zware rugzak oppakken. Het is het gezelschap van de eerste vrouw die we zwaarbepakt in het begin van onze wandeling vanuit Scheidgen ontmoet hebben. De vader maakt zich niet teveel zorgen. Hij is er gerust op dat ze zijn vrouw wel weer ingehaald zullen hebben vóór het donker wordt.
Wat verder loopt het pad even tussen akkers en weiden. Om een hoek komen een vader van middelbare leeftijd met zijn volwassen dochter gewandeld. Denkend dat iedereen dezer dagen in het Müllerthal Nederlandstalig is, spreek ik hen aan, maar daar bega ik een vergissing: de vader en de dochter zijn van Duitse herkomst. Gelukkig spreekt iedereen tegenwoordig ook nog wel een mondje Engels om elkaar te begrijpen.
Terug in het woud komen we ouders met kinderen tegen. Opeens herkent Marianne een van haar collega’s die met haar zoon van 14 de Müllerthaltrail doet. Van een andere collega had Marianne al gehoord dat zij met haar zoon tijdens de herfstvakantie ook de Müllerthaltrail wilde doen. Ze hebben het beiden heel erg naar hun zin, zien we.
Het pad begint stilletjes aan vooral weer te dalen in plaats van te stijgen. We naderen het riviertje dat langs een asfaltbaan verder kabbelt. Op een bank zit een moeder met haar dochter uit te rusten. Ze waarschuwen ons dat we even verder zullen moeten oppassen om de rivier over te steken op de plek waar het pad loopt. Moeder en dochter durfden het niet aan om dat via de stenen in de snelstromende rivier te doen. Ze namen een omweg via een mooie brug over de rivier, waaronder drie watervallen voor fotografisch spektakel voor de toeristen zorgen. Vanzelfsprekend is het er druk.
Verder in de rivier liggen die grote platte rotsstenen, waar de moeder en haar dochter die we ontmoetten niet over durfden. Nochtans is het echt wel mogelijk om van steen tot steen naar de overkant te springen. Een Franstalige vader die blijkbaar op de camping vlakbij verblijft, helpt zijn zoon van een jaar of vijf over de rivier, terwijl Marianne er een filmpje van maakt. Met whatsapp is het tegenwoordig makkelijk om filmpjes uit te wisselen. Met het nummer van de papa krijgt de familie er een mooie herinnering op video bij.
Voorbij de camping, de ruïne van een oud hotel en de parkings aan het toeristisch hoogtepunt van het Müllerthal naderen we Le Cigalon, het hotel dat Marianne geboekt heeft. We nemen er een douche, gaan in de bar een drankje drinken als aperitief en schuiven om 19 u mee met de gasten aan tafel, waar we ons weer onder Vlamingen voelen. Marianne bestelt er een gepaneerde vis en ik een tartare de boeuf, elk met een ijsje als dessert. Ik laat me even gaan met een Coupe Colonel, normaliter geserveerd met citroensorbet en vodka, maar hier met ingevroren frambozen en vodka. Le Cigalon is wel wat duurder als Le Bon Repos. Een glaasje merlotwijn kost er € 8,5… Nu ja, na het eten vielen we weer als een blok in slaap.