Even naar Loutro

De ochtend na onze eerste nacht in hotel Akrogialis ontbijten we laat. De avond tevoren waren we wat te diep doorgezakt. Marianne heeft veel wakker gelegen, door mijn gesnurk maar ook omdat ze nog pijn heeft in haar gewrichten en voet.

Na het ontbijt gaan Erwin, Christel en ik even op en af naar Loutro. Marianne is al vaak in Loutro geweest en ze verkiest in het hotel te blijven en wat te lezen en luieren. Loutro is het volgende kustdorpje ten oosten van het schiereiland in de Libische Zee waar Lykos tegenaan ligt en wat verder ook Finikas, nog een andere diepe baai met enkele rustige hotels en restaurants en een mooie aanlegsteiger, zij het niet voor veerboten.

Dit kleine plaatsje heeft een lange geschiedenis. Het was de haven van het grote bergdorp Anopolis. Het is nog stil in de hotels in Finikas, als we er passeren. Er zijn vanuit Lykos twee wegen die naar Loutro leiden. Een korte wandeling over de heuvel gevolgd door een steile afdaling, of een meer gezapige wandeling via Finikas en het schiereiland. De korte tocht duurt volgens Marianne zo’n twintig minuten.

Voor de heentocht naar Loutro lopen we langs de kaap. Daar passeren we nog twee kapelletjes en de ruïnes van het Turkse kasteel, Turki Kastro. Deze Koule keek neer op het huidige Loutro en de omgeving. Het rechthoekig gebouw met twee verhoogde torenposten dateert van 1868. Enkele muren zijn bewaard gebleven. Buiten lag een grote cisterne om het garnizoen in het fort van water te voorzien.

Langs Café Kastela, een taverne met een enig zicht op de baai, dalen we af naar het kustdorpje. Eigenlijk bestaat het uit niet meer dan een promenade. Er rijden geen auto’s. Het dorp is alleen via wandelpaden en de veerboot bereikbaar.

Net als we beneden aan de promenade zijn, meert een ferry aan. Meteen is het een drukte van jewelste aan de kade. Uit de veerboot komen wagens en kleine vrachtwagens, passagiers, maar ook ijsjes, geld, kasten, groenten, bouwmaterialen, allerhande dozen, valiezen, rugzakken, geneesmiddelen en zelfs boxspringmatrassen. Op de kade staat een dozijn mensen te wachten met karren en kruiwagens. De auto’s en kleine vrachtwagens kunnen er hun lading lossen en eventueel nieuwe lading terug meenemen. Het eerste voertuig dat de veerboot verlaat, is een kleine vuilniswagen. Die komt het vuilnis van Loutro ophalen.

Het haventje ligt mooi in een half maantje, waardoor het ook bij slechte weersomstandigheden een veilige plek is. Wie in Loutro de nacht doorbrengt, kan volgens diverse getuigen op verblijfswebsites de volle maan uit de zee zien oprijzen. Grote hotels vind je niet in Loutro, maar op Google Maps vond ik toch een zevental kleinere hotelletjes. Bovendien biedt ongeveer elk huis in Loutro wel kamers aan en er worden ook heel wat appartementen verhuurd. Het dorp leeft van het toerisme en de horeca. Alle terrassen zijn op zee gericht. Je vindt er veel winkeltjes en souvenirshops, er staat een mooi maar klein kerkje gewijd aan de maagd Maria en er is een bankautomaat.

We slenteren langs de promenade tot op het einde, waar we in een strandwinkeltje zwembrilletjes kopen. In de baai van Lykos is het zalig snorkelen tussen de rotsen in de zee. Op het einde van de promenade kan je nog via de E4 verder wandelen naar Chora Sfakion, maar die tocht staat pas over enkele dagen gepland. Dus keren we maar op ons gemak terug naar waar het korte pad naar Lykos begint.  

Als we het terras van Loutro Café passeren, is het nog zo goed als leeg. We twijfelen niet en nemen plaats aan een tafeltje met uitmuntend zeezicht. Dicht aan de bar zitten een paar obers te praten. Toch duurt het nog vijf minuten vooraleer er eentje onze bestelling komt opnemen.

Intussen geven we onze ogen de kost: in een naburig hotel wordt de ene boxspring na de andere binnengebracht. De grootste onderdelen werden van de veerboot in een kleine motorboot verscheept en worden dan aan de kade vlakbij het hotel uitgeladen. Er is wel een tiental mannen in de weer om alle kamers van het hotelletje met zo’n hip bed uit te rusten.

Als de ober van dienst de drankjes brengt, geef ik hem een briefje van tien euro. Hij loopt ermee weg vooraleer ik kan zeggen dat hij het wisselgeld mag houden. Maar in plaats van die halve euro terug te brengen, schuift hij weer bij zijn collega’s aan tafel. Ze hebben misschien wel belangrijke zaken te bespreken, zoals de stoet van de boxsprings, veronderstellen we. Ook bij Pavlos waren er nieuwe bedden in het hotel, waarover iedereen praatte. Welkom in het moderne Kreta.  

Als onze drankjes op zijn, klimmen we het steile pad achter de promenade omhoog tot we weer aan het plateau zijn. Na het middageten bij Pavlos testen we onze zwembrilletjes uit. We snorkelen naar hartenlust tussen de rotsen en riffen onder water.

Marianne heeft kano’s geboekt om in de late namiddag te gaan varen. We peddelen van het hotel tot aan de baai van Marmara, met een prachtig strand. In Marmara Beach mondt de Aradenakloof uit. Op het strand ligt het vol zonnekloppers en badgasten die met bootjes uit Loutro of Agia Roumeli zijn komen aanvaren. In Loutro hebben we een bedrijfje gezien dat zich toelegt op de verhuur van motorboten in verschillende formaten.

Boven het strand van Marmara is een taverne met een groot terras. Aan het uiteinde van de baai zijn nog grotten waarin je kan gaan zwemmen of spelevaren. Morgen zullen we terug in Marmara zijn, maar dan niet per kano maar te voet via de E4. En wij komen niet naar Marmara om te zwemmen of zonnen, maar om naar Aradena te stappen en terug. Door die kloof natuurlijk.    

Geplaatst in reizen, kreta | Tags: , , , | 1 reactie

Eindelijk naar Pavlos

Als er één pleisterplaats in Kreta is waaraan Marianne haar hart verloren heeft, dan is het hotel Akrogiali, in de baai van Lykos nabij Loutro, bij Pavlos. Ze heeft daar weliswaar ook een onaangenaam voorval te vermelden. Ze viel er in het duister van een trap waarbij ze haar enkel ontwrichtte. Daardoor kon ze de rest van die vakantie niet meer mee wandelen. Vandaag gaat ze voor de vierde keer naar Pavlos. Voor Christel is het de derde keer, voor Erwin de tweede en voor mij de primeur. Ik ben zeer benieuwd.

Om van Agios Ioannis in de baai van Lykos te geraken, moeten we eerst vijf kilometer zweten langs een asfaltbaan, tot voorbij de brug over de Aradenakloof. Daar slaan we dan een pad in dat ons na een lange afdaling langs het bergdorp Livaniana tot op onze bestemming brengt.

Waar gaan jullie naartoe vandaag, vraagt de patron van het Alonia Guesthouse, die we voor het eerst zien als hij van ons afscheid komt nemen. Oh, zegt hij als hij de bestemming vernomen heeft, dan voer ik jullie wel tot aan de Aradenakloof. Dat moet hij ons geen twee keer zeggen. We hebben wat langer geslapen en de zon schijnt om negen uur ’s morgens al flink warm. Als we die asfaltkilometers kunnen vermijden, doen we dat graag.

Vooraleer de patron ons afzet, zien we links van ons net vóór de brug een taverne waarachter het zo goed als verlaten dorp Aradena schuilgaat. Onze chauffeur heeft ons dan al het verhaal verteld van de twee dorpen. Agios Ioannis, het dorpje waar de weg eindigt en de bergpaden beginnen, heeft enkele kerkjes en kapelletjes maar telt nog slechts tien permanente inwoners.

Als ze de mis willen bijwonen moeten zij nu elders naar de kerk, en dat terwijl het dorp een Sint-Janskerk heeft waarnaar het dorp is genoemd, die dateert uit de veertiende eeuw. We tellen even op onze vingers: van die tien inwoners hebben we er tijdens ons verblijf in het dorp dus al zeven gezien: de drie op het terras, de patron van het verblijf met zijn vrouw en dochter en een eenzame jager die ’s avonds tijdens ons diner langs het terras passeerde.

Sneller dan verwacht rijden we over de rammelende brug over de Aradenakloof en een minuutje later stappen we uit met onze picknickrugzakken. Zoals Marianne had voorspeld wil de patron niet betaald worden voor zijn taxi. We bedanken hem en goedgemutst beginnen we aan de afdaling naar de zee. In principe zouden we ook via de Aradenakloof naar de baai van Marmara kunnen afdalen en vandaar de E4 volgen die een kilometer verder de Lykos baai passeert. Maar die mooie kloof houden we nog voor een latere dag.

Het pad naar Livaniana is vrij makkelijk en goed gemarkeerd. Gelukkig maar, want Erwin heeft wat last in zijn onderrug en Marianne sukkelt nog met haar voet. In het eerste deel van de tocht lopen we nog een kort stukje over asfalt op een plateau met zicht op de besneeuwde Witte Bergen. We spotten er nog eens een hop.

Het tweede deel van de tocht loopt wat steiler naar beneden langs een lastiger pad, tot we in het bergdorpje Livaniana belanden. Hoog boven het dorp zien we weer verscheidene lammergieren cirkelen. Erwin slaagt er met zijn telelens in enkele mooie foto’s te maken.

Als we bijna het dorpje doorgelopen zijn, passeren we een taverne waar we halt houden voor een biertje op het terras. Beneden ons zien we van daar de blauwe Libische Zee en de baai van Lykos al goed liggen. Een man van middelbare leeftijd bedient ons. We geraken aan de praat met een jong Duits stel, dat naar het strand van Marmara wil.

Als de Duitsers afscheid genomen hebben, vertelt Marianne dat er bij haar vorig bezoek aan het café een mannelijke modepop naast de deur stond. De vrouw die de zaak toen op haar eentje runde, had de zwijgende man daar gezet na een mislukte relatie. Ze vertelde aan iedereen die op haar terras kwam dat ze alleen nog een man wou die zich niet moeide, niet sprak en haar met rust liet. Die modepop was voor haar de ideale man en zo stelde ze hem voor aan haar klanten. Maar die pop stond er dus niet meer. Helaas hebben we de bazin tijdens ons bezoek niet te zien gekregen. We wilden wel eens weten of ze vond dat haar nieuwe, levende man aan de verwachtingen voldeed.

Tijdens de afdaling vanuit Livaniana lopen Erwin en ik in dynamisch evenwicht voorop. We zien bij elke stap beter hotel Akrogiali liggen, de steiger met een motorbootje, het keienstrand met blauwe ligzetels en de zee die schittert in het late ochtendlicht. Voor we het beseffen lopen we op het erf van Pavlos, waar een bord in het Engels en het Grieks waarschuwt: Pas op! Geiten kunnen je auto beschadigen! Parkeren alleen op eigen risico.

Een vriendelijke jongeman heet ons welkom op het prachtige terras van het hotel, met zicht op zee. En nee, dit is niet Pavlos maar zijn jongere broer Costas, die enkele jaren in Engeland heeft gestudeerd. Costas is terug uit Albion en helpt zijn broer en moeder mee in de familiezaak. Hij vertelt dat Pavlos ’s avonds terug zal zijn van een bezoek aan zijn vrouw en zoontje, die in Chania wonen. Erwin en ik bestellen een biertje en het is de Albanese ober die ons bedient. Als we een kwartiertje later nog een tweede bier bestellen, zegt hij lachend why not! Sindsdien noemen we hem ook Whynot.

Eindelijk komen ook Marianne en Christel veilig aan, gevolgd door Pavlos. Het weerzien van de dames met de knappe dertiger is hartelijk. Ze hebben allen veel te vertellen, zeker Pavlos, die bij het vorige bezoek nog vrijgezel was en nu vrouw en kind heeft. We nemen een Griekse salade als lunch. Alles in het gerecht is vers en bereid door de mama van de broers. We hebben nog een mooie namiddag voor de boeg. Eerst gaan we douchen en siësten, maar daarna gaan we ook zwemmen in zee en wat luilekker lezen op de ligbedden. Na een tweede douche is het tijd voor het avondmaal.

Na zo’n anderhalve liter bier als aperitief smullen we van de calamares met Griekse frieten. Er volgen nog vele halve liters witte wijn en een drietal kannetjes raki, die Whynot steevast met een vrolijk why not! serveert. Marianne en ik gaan nog naar de sterren kijken op het verlaten strand. Maar het teveel aan alcohol houdt ons uit een vredige slaap.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Van Agia Roumeli naar Agios Ioannis

Om 6 u gaat de wekker op mijn gsm in hotel Calypso. Tijd om op te staan, ons wat te verfrissen en in te pakken. Om half zeven staat de gepensioneerde baas van het hotel ons al buiten op te wachten met zijn bestelwagen. Daar laadt hij onze rugzakken in. Straks brengt hij ze naar de veerboot. Met Pavlos, de eigenaar van hotel Akrogiali, waar we morgenavond zullen overnachten, heeft hij afgesproken dat onze rugzakken in de loop van de dag in Loutro zullen afgezet worden, de aanlegplaats van de veerboot die het dichtst bij Akrogiali ligt. Pavlos zal ze dan met zijn motorboot in Loutro gaan ophalen en naar zijn hotel brengen, enkele kilometers ten westen van Loutro aan de Lykosbaai.

Voor deze service rekenen de twee hoteleigenaars ons niets aan. Het scheelt misschien wel dat Marianne al enkele keren bij hen verbleven heeft. Om onze bagage van Sougia naar de ferry naar Agia Roumeli te brengen, vroeg de baas van hotel Irene één euro per rugzak. Nu ja, de man moest het transport naar de ferry dan ook met zijn brommertje doen.

De rijzige grijze baas van hotel Calypso wordt emotioneel als we afscheid nemen. Hij omhelst de vrouwen en schudt de mannen stevig de hand. De zeventiger hoopt ons een van de komende jaren nog eens terug te zien in Agia Roumeli. Tegen dan zullen zijn zoons wellicht helemaal zonder hem het hotel runnen. Tijd om afscheid te nemen. ‘Over enkele jaren keren we terug’, beloven we. Dan vertrekken we op tocht. We dragen dagrugzakjes, met wat drinkbussen en het hoogstnodige voor één nacht. We hebben een hotelletje geboekt in het piepkleine Agios Ioannis, ongeveer 800 meter hoog in de bergen. We steken het brugje over waaronder het riviertje van de Samariakloof naar zee stroomt. We passeren een camping met trekkerstentjes onder de bomen. Er is nog geen teken van leven te bespeuren.

Mijn maag knort als we de E4 verder oostwaarts volgen langs de kust. Het plan is om te ontbijten aan de taverne naast het oude kerkje van Agios Pavlos. Van daar volgen we dan verder de E4 tot we een zijpad bereiken dat naar Agios Ioannis leidt. Vanaf de camping golft het pad gezapig langs de kustlijn. Maar de zware dag van gisteren zit nog in mijn benen. Het wandelingetje van vier kilometer tot aan Agios Pavlos is toch lastiger dan verwacht.

We moeten toch weer wat over en tussen rotsen klauteren en ploeteren door wegzakkende kiezels of zand. Ook zo dicht bij de kust zijn er enkele steile afdalingen en bestaat de ondergrond soms uit los steenpuin of grote rotsblokken. Iets na achten horen we geitenbellen en zien we in de verte de taverne Saint Paul en erachter het kerkje Agios Pavlos liggen, een van Kreta’s meest fotogenieke Byzantijnse kerkjes langs het strand.

Eerst lopen we het terras van de taverne Saint Paul op, waar al een koppel en een Nederlandse vader met zijn zoon aan het ontbijten zijn. In de taverne kan je ook kamers huren, om eens een nacht door te brengen in een compleet lichtloze omgeving, ideaal om de magistrale sterrenhemel boven dit verlaten stukje Kreta te bewonderen. Ook nu is er op het mooie en uitgestrekte strand van Agios Pavlos niemand te bespeuren. Dat komt natuurlijk omdat deze plek zo moeilijk bereikbaar is. Het strand ligt aan de uitgang van de Eligiakloof. Je kan er alleen met een bootje of te voet geraken. Via de E4 geraak je langs de kust naar het strand vanuit het westelijk gelegen Agia Roumeli en het oostelijke dorpje Loutro, waar er verbindingen met de veerboot naar de bewoonde wereld zijn. Ook in de Eligiakloof loopt een pad door de Witte Bergen dat hier en daar vertakkingen heeft. Maar om van daar op een berijdbare weg te geraken moet je nog langer dan langs het kustpad hiken.

In de taverne bestellen we alle vier omelet als ontbijt. Na een dik kwartier komt de patron met de eerste twee eiergerechten, brood en koffie aanzetten. Tien minuten later volgt het tweede koppel omeletten. Ze hebben waarschijnlijk maar twee vuren in de keuken, bedenk ik. Het is onwaarschijnlijk dat op deze plek een taverne is waar je niet alleen iets kunt drinken, maar je ook kunt ontbijten en eten. Een deel van het menu is op een rots geschilderd.

Het Byzantijns kerkje dat zo’n honderd meter verder op het strand staat, is ongeveer duizend jaar oud. Het is waarschijnlijk gebouwd met stenen die ter plaatse op het strand werden verzameld. Agios Pavlos is Grieks voor Sint-Paulus. Volgens de overlevering is het kerkje opgetrokken op de plaats waar de apostel Paulus omstreeks 59 na Christus in Kreta aan land ging, al bestaan daar geen bewijzen van. Het kerkje bevat nog enkele goed bewaarde fresco’s uit de dertiende eeuw.

Na de bezichtiging van het kerkje klimmen we een zandduin op die ons weer op de E4 brengt. Marianne ondervindt hinder van haar knieën, zowel de goede als de slechte. Ook in haar enkel schiet er af en toe een stekende pijn, wellicht een scheut die terugkeert bij dezelfde voetbeweging. Na een kilometer behoorlijk vlak wandelen met rechts van ons de kust en onder het lover van naaldbossen, staan we voor een splitsing op de E4. Rechtdoor loopt het pad verder naar de baai van Marmara, aan de monding van de Aradenakloof, en van daar verder naar het kustdorp Loutro. Wij moeten links af, steil omhoog tegen de beboste bergflank naar het bergdorpje Agios Ioannis. Er komt net een Duitse hiker met een hoed op zijn hoofd het pad afgedaald. We groeten elkaar en hij wenst ons goede moed bij de steile klim.

Het klimmetje is inderdaad nijdig. Over een afstand van een kilometertje stijgen we van 100 meter naar bijna 600 meter hoogte. Daar komen we aan een hoogvlakte en dwarsen we een weg. Hier is het gelukkig minder steil. Intussen hebben we weer honger. We picknicken onder een grote den en zien een hop overvliegen. Na de lunch loopt het pad wat minder op en neer. We passeren links van ons een kapelletje en enkele honderden meters verderop zien we rode daken. Een kwartiertje later lopen we het dorp in. Er staan amper huizen maar nog drie kerkjes in dit godvergeten gat op 800 meter hoogte.

Alonia Guesthouse is de ideale uitvalsbasis voor trekkings in de Witte Bergen. De eigenaar van het gastenverblijf is er niet, maar op het door bomen tegen de zon beschut terras met drie tafels zitten zeven andere mensen. Vier Duitse hikers bespreken tochten die ze de volgende dagen misschien nog willen maken. Aan het tweede tafeltje zitten drie Grieken met forse baarden bier te drinken en dingen te bespreken waar wij het raden naar hebben. Het zijn herders, boeren of jagers, vermoeden we, op basis van hoe ze gekleed zijn. We schuiven bij aan het vrije tafeltje naast hen. De vrouw van de eigenaar neemt onze bestelling op en geeft ons onze kamersleutels. We drinken een biertje en Erwin en ik elk nog een tweede. Dan gaan we naar een bijgebouwtje achterin, waar in oude paardenstallen comfortabele kamers zijn gemaakt. Het stortbad doet deugd en we beslissen nog een middagdutje te doen.

’s Avonds aperitieven we weer op het terras. Rondom ons zien we hoog in de lucht lammergieren wieken. Rond het huis nestelen er tal van distelvinken. Zwaluwen en mussen vliegen af en aan van de olijfbomen naar nissen en holten in de muur en onder de dakrand van de gelagzaal van de doening, waar alleen ’s winters het avondmaal geserveerd wordt. Dan zijn er vooral Kretenzische families te gast, voor een weekendje sneeuwpret, om er kerstvakantie te houden of nieuwjaar te vieren in een bijzonder kader. Marianne en ik eten een lekkere huisgemaakte lasagne, Erwin en Christel eten er lamsvlees. De bijdehandse dochter des huizes komt met een rode wijn aanzetten die we mogen proeven. Althans, ze noemt de wijn rood terwijl de kleur veeleer lichtbruin is. Hij smaakt echt niet naar wijn, vinden we. Geen erg, antwoordt ze met een brede lach op haar gezicht, nu weten we dat ook. Ik heb het gevoel dat zij al veel langer wist dat het bruine vocht niet te drinken is. In de oude paardenstallen slapen we als roosjes. De sterren staren teder.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Langs de E4 naar Agia Roumeli

De E4 is een Europees wandelpad van meer dan 10.000 kilometer. Het start in Tarifa, een klein stadje op het zuidelijkste punt van Spanje en Europa, in de regio Andalusië. Het pad loopt door Spanje, Frankrijk, Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Roemenië, Bulgarije en Griekenland en eindigt in Cyprus. De route door Roemenië en een deel van Bulgarije is (volgens Wikipedia) nog niet helemaal uitgezet.

In Griekenland springt de E4 van het zuidelijke Gytheon naar Kastelli Kissamou op Kreta. Het pad loopt verder naar het zuiden, naar het wondermooie Elafonisi in het westen. Van daar gaat het naar het oosten tot in Kato Zakro, waar het terug noordwaarts buigt tot Sitia. In Sougia zijn er noordelijke en zuidelijke zijtakken. De noordelijke gaan door de Witte Bergen, waar we het stuk tot aan het zadel van de Gingilos hebben gevolgd (zie https://peterdejaegher.com/2022/07/04/stekels-op-de-gingilos/). De zuidelijke tak volgt de kustlijn langs een ruw kliffenpad. Beide aftakkingen zijn zo’n 320 kilometer lang. Heel wat informatie over de E4 en de verschillende etappes in Kreta vind je op https://www.destinationcrete.gr/nature/e4-european-trail/.

Erwin en ik hebben onze zinnen gezet op de kustroute die van Sougia naar Agia Roumeli voert. Daar hebben we voor ons vier kamers geboekt in hotel Calypso, een plek waar onze vrouwen jaren geleden gecharmeerd werden door de eigenaar en zijn zoons. Vanuit Sougia is dat echter een behoorlijk zware en lange kliffenwandeling van 20 kilometer. Rother raadt de etappe alleen aan voor ervaren bergwandelaars in uitstekende conditie. Veel water meenemen, raadt de wandelgids aan. De auteur van de gids suggereert minder getrainde wandelaars ook om de tocht in twee dagen te doen. Halverwege kan je dan overnachten op een strandje.

Marianne heeft voor Erwin en mij nog een betere suggestie: de tocht van dik tien uur inkorten door een motorbootje te huren. Als we een bootje vinden dat ons van Sougia naar Kaap Tripiti vaart, wordt de tocht met zowat twee vijfden ingekort. Een bootje vinden is voor de hoteleigenaar van Santa Irene klein bier. Hij fikst voor ons een kapitein en een bootje, dat ons van het vissershaventje van Sougia voor 50 euro afzet in de baai van Tripiti.

Om zoveel mogelijk de hete middagzon te vermijden, spreken we al om 7 uur ’s morgens af met onze kapitein. Zo vroeg op de dag zijn we de enige passagiers aan boord. Het kleine bootje ploegt dapper door de golven. Een half uurtje later zijn we in Tripiti. De boeg van het bootje deint op en neer terwijl Erwin en ik veilig op de piepkleine steiger proberen te springen. Als we afgezet zijn schakelt de kapitein in achteruit en wordt de afstand tussen de steiger en de boeg langzaam groter. Tot Erwin ineens naar zijn fototoestel aan zijn schouderriem grijpt, naar de kapitein zwaait en roept dat hij iets vergeten is. Gelukkig heeft de kapitein de gebaren gezien. Hij zet de boot terstond terug in vooruit. Erwin was het kapje van zijn fototoestel vergeten.

Eens aan wal vinden we snel de geelzwarte palen die de E4 markeren. Het pad slingert omhoog langs de steile kliffen. Hier en daar is het pad smal en brokkelig met losliggende stenen. We kijken soms wel twintig meter in de diepte naar rotsen, stenen en de zee. Dit is geen pad voor wie hoogtevrees heeft. Nergens zijn er relingen, kabels of kettingen om je houvast te geven. In de Ardennen zijn er voor veel ongevaarlijker paden omheiningen geplaatst of trappen aangelegd. Nog een geluk dat we sommige halsbrekende toeren niet met onze zware rugzakken moeten uitvoeren. De grote rugzakken gaan van Sougia samen met Marianne en Christel op de ferry naar Agia Roumeli.

De geelzwarte palen van de E4-route staan behoorlijk ver uit elkaar. Het is niet steeds mogelijk om van de ene paal of gele verfstreep al de volgende te bespeuren. We moeten regelmatig gokken: zitten we nog op het goede pad, of zijn we op een geitenpaadje beland? Zeker op de schraal begroeide kammen met stekelige struiken lopen we al eens enkele decameters verkeerd vooraleer we terug het goede spoor terugvinden. Zo ’s morgens in de vroegte is de temperatuur nog heel draaglijk. Maar de inspanningen op het zware terrein zorgen ervoor dat het zweet ons van het lijf drupt.

Vanuit de hoogte zien we na een uur of twee klimmen en dalen een verlaten strandje van keien voor ons uit liggen. Dat moet het strand van Domata zijn. We moeten eerst een flink stuk dalen tot we zo’n tweehonderd meter voor het strand in de Kladoukloof uitkomen. Pas als we echt op het keienstrand staan, zien we dat het niet helemaal verlaten is. Een hiker heeft er overnacht. Hij knikt ons toe terwijl hij zijn tentje aan het opbreken is.

Erwin en ik spreken eerst onze knapzak en drinkbus aan. Intussen is de hiker in zijn blootje de zee in gegaan voor een ochtendzwemmetje. Daar hebben we ook wel trek in. Ik speel in een wip mijn kleren uit en wiebel over de keien de zee in. Erwin volgt. We zwemmen een minuutje of tien en laten ons dan drogen op het strand. Intussen is er een motorbootje onze richting uit aan het varen. We zien nochtans nergens aan het strand een steiger. Maar de kapitein kan zijn passagiers ook zonder steiger afzetten. Een oudere man en twee jonge vrouwen, klauteren uit het bootje in het ondiepe water dat net boven hun knieën golft. Zo waadt het trio een voor een het strand van Domata op. De drie leggen hun rugzakjes op een hoopje, trekken hun T-shirt en watersandalen uit en gaan meteen terug de zee in om te zwemmen. Hun zwempak hadden ze al aan.

Terwijl de drie nog aan het zwemmen zijn, kramen Erwin en ik op. Enkele honderden meters verder wijst een E4-paal het binnenland in. Het pad gaat weer de hoogte in over kale rotsen, waar de zon hoog genoeg geklommen is om al haar hitteduivels op onze al afgepeigerde lijven te ontbinden. Het pad loopt nu van de kust weg en klimt steil van zeewaterniveau naar een hoogte van meer dan 500 meter. Gelukkig priemt de zon hogerop niet meer door de bomen. Voor een korte tijd, helaas. Wat verder puffen we weer op een nieuwe hoogvlakte waar de lagere begroeiing geen zonnestralen meer tegenhoudt. We zitten inmiddels over de helft van onze route.

Maar de tweede helft van de pittige kliffenwandeling wordt een nijdige klovenwandeling, van hoogten met fraaie uitzichten op de kust en de zee over een handvol afdalingen naar een droge bedding. We dalen af langs brokkelige paden en klimmen daarna weer over gevaarlijke passages tot aan plateautjes met lage begroeiing. Na de tweede kloof draait het pad weer richting kust. Een van de laatste afdalingen loopt over een steile steenpuinvlakte met rollende stenen, een levensgevaarlijke route waar we bovendien het geelzwarte E4-spoor enkele honderden meters kwijt geraken.

De zware tocht laat in mijn spieren sporen na. Het laatste deel van de tocht, op de flank van de hoogten achter het langgerekte strand van Agia Roumeli, zien we af. Maar gelukkig blijven we ongeveer op dezelfde hoogte lopen. Eindelijk zien we door de bomen tekens van bewoning en dalen we naar het kustdorp op het eind van de Samariakloof. Opgewekt lopen we terug het ons al bekende Agia Roumeli in. Vijf minuten later zitten we op het terras van Hotel Calypso. Het is half twee ’s middags, we hebben er zes uur over gedaan.

Een van de twee obers die op het zowat lege en grote terras rondhangen, komt op ons toegelopen. ‘Ha, jullie zijn gearriveerd’, zegt hij in het Engels, alsof we oude bekenden zijn. ‘Jullie vrouwen zijn hier al, ze zijn in ons nieuw gebouw’. Marianne en Christel waren al een poos gearriveerd met de ferry uit Sougia. Een van de obers had alle rugzakken tegelijk op zijn rug genomen en ze afgeleverd in de gloednieuwe kamers van het bijgebouw van de Calypso. ‘Geef ons eerst maar een mythos, we gaan daarna wel douchen’, zeggen we aan de ober. ’s Avonds zullen Erwin en ik op hetzelfde terras zwaardvis eten. Met zo’n tocht in de benen konden we een stevige vis wel smaken. ’s Anderendaags moeten we weer vroeg uit de veren. We verkassen naar Agios Ioannis, terug de bergen in.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , | 1 reactie

Wandeling naar Lissos

Een beetje cultuur opsnuiven tijdens onze twee weken lange reis? Awel ja, waarom niet. Cultuur kan nooit kwaad, zeker niet in combinatie met een fikse wandeling. Marianne, onze grootste Kreta-specialist, heeft een tocht voorbereid die twee Rotherwandelingen combineert: de klassieke wandeling heen en weer van Sougia naar de archeologische site van Lissos en de rondwandeling door de Lissoskloof. Alles samen toch weer ruim 500 meter stijgen en dalen. 

Langs een stuk asfaltweg klimmen we omhoog tot aan de Agia Irini kapel. Van op het pleintje voor de kapel heb je een fraai uitzicht over het vissershaventje en het kustdorpje Sougia. Wat verder slaan we langs een hekken het wandelpad in. We klimmen langzaam verder omhoog over een hoogvlakte met veel struiken en dalen dan af naar de Lissoskloof. Die is met z’n zeven kilometer een klein broertje van de Samariakloof. Maar het is een mooie kloof, met veel mooie bomen en planten maar lang niet zo’n hoge wanden als in de Samariakloof. Aan een grote den kan ik het niet laten om naar een overhangende tak te springen en erop te klimmen, zoals in de goede oude paracommandotijd.

Wat dieper in de kloof komen we aan een splitsing. Het pad naar Lissos is rechtsaf. We volgen een steil en spectaculair klimparcours dat ons in een wip hoog tussen de bomen en rotsen van de kloofwand brengt, tot de dichte begroeiing schraler wordt en we weer een hoogvlakte moeten oversteken, de Kandouni-vlakte. Daar geraken we aan de praat met twee vriendelijke, jonge Franse klimsters die we voor laten gaan.

Op het einde van de hoogvlakte krijgen we zicht op de zee en de baai van Lissos. Het pad brengt ons nu steil naar beneden de vallei in, naar de archeologische site. Lissos en Syia, het huidige Sougia, waren in de oudheid de haventjes van Elyros, een van de belangrijkste steden van die tijd op Kreta, meer landinwaarts gelegen. Lissos bloeide tussen de derde eeuw voor en de zevende eeuw na Christus. In de negende eeuw werd het vernietigd door de Saracenen. In zijn bloeiperiode beschikte het over een grote handels- en visserijvloot. 

Op de site volgen we de wegwijzers naar de ruïnes van de tempel van Asklepios, de Griekse god van de geneeskunde. De tempel van Asklepios, die dateert uit de derde eeuw voor Christus, was in de bloeiperiode van Lissos beroemd in heel Kreta. Van over het hele eiland kwamen er zieken naar Lissos, dat bekendstond voor het geneeskrachtige water van de bron. Om de god van de geneeskunde te eren, werd in de stad het heiligdom van Asklepios gesticht, een Dorische tempel gebouwd met kalksteen. 

Een korte zucht van spijt ontsnapt mijn keel als ik een omheining rond de ruïne zie staan, waaraan een bordje met verboden toegang hangt. Maar na eens snel in het rond gespied te hebben naar mogelijke bewakers van de site, kruipen we net als een Nederlands koppel dat we daar tegen het lijf lopen via een gat in de omheining naar binnen. Op de vloer van de ruïne zien we de overblijfsels van een fraaie mozaïek die aangelegd werd door de Romeinen. In de mozaïek zaten afbeeldingen van dieren, al kan je daar vandaag niet zoveel meer van maken. De tempel zou vernield zijn door een aardbeving.  

Als we terug het pad volgen dat door de site loopt, stuiten we op een verhoging in het landschap op een klein kerkje. We lopen het aanvankelijk voorbij want verderop zien we de resten van een klein Romeins theater liggen. Er zijn nog opgravingen bezig, waarschuwt een verboden toegang-bord dat op de ditmaal efficiënte omheining errond is bevestigd. Na de obligate foto’s keren we op onze stappen terug en nemen we toch maar een kijkje in het Grieks-Orthodoxe kerkje Agios Kyrikos, dat gebouwd zou zijn op de grondvesten van een vroegchristelijke kerk uit de vierde eeuw na Christus. Het gebedsoord is niet afgesloten. Ook daar liggen op de vloer nog de resten van een mozaïek. Op de muren zien we enkele fraaie fresco’s.

Van aan het kerkje is het een boogscheut naar het centrum van de site. Daar staat naast een reusachtige eucalyptus een laag gebouwtje voor het personeel dat op de site werkt. Het is gesloten, maar ernaast staan enkele infoborden over de werken. Onder de boom en onder een afdak staan ook banken waar je kan schuilen voor de zon. Aan de eucalyptus borrelt een bron met drinkbaar water. Handig om onze veldflessen bij te vullen en, wie weet, heeft het bronwater hier nog geneeskrachtige eigenschappen. Dan gaan we snel op de banken zitten om te picknicken. Want van waar ze ineens komen, weten we niet, maar opeens smachten er op het centrale plein van de site veel mensen naar een zitplekje in de schaduw.

Na de picknick besluiten we het strandje op te zoeken om te zwemmen. Het pad naar zee loopt langs prachtige eeuwenoude olijfbomen en blokken en stenen waarin je hier en daar nog de hand van een steenhouwer herkent. Je moet je inbeelden dat heel de site hier eeuwen geleden vol gebouwen stond. 

De opgravingen van het oude Lissos begonnen ruim zestig jaar geleden, op het eind van de jaren vijftig in de vorige eeuw. Aan onder meer het Romeins theater te zien, zijn ze nog bezig. Meer dan een halve eeuw geleden ontdekten de archeologen al de ruïnes van het nog steeds niet geheel blootgelegde Romeins theater, maar ook die van een aquaduct, een begraafplaats, thermen en vroegchristelijke gebedshuizen. 

Op de site werden ook enkele dozijnen standbeelden gevonden. De belangrijkste, van de godin Hygeia, de godin van de gezondheid, en van Asclepius en Pluto, kunnen bewonderd worden in het Archeologische Museum van Chania. De archeologen dolven ook gouden munten op. Lissos moet echt wel een belangrijke plaats geweest zijn, als het z’n eigen munten sloeg. Op basis van die munten uit de derde eeuw voor Christus kon worden afgeleid dat het havenplaatsje een bondgenootschap had met koning Magas van Cyrene. Tijdens de opgravingen werd ook een groot aantal kleine beeldjes gevonden in de ruïnes van de tempel. Dat toont ook nog eens het belang van het heiligdom in die tijd aan. De beeldjes, de meeste zonder hoofd, staan ook uitgestald in het museum van Chania.

Op weg naar het kleine keienstrandje passeren we nog de kapel van Panagia, waarin oude marmerblokken zijn verwerkt. Nu pas zien we tegen de heuvel aan de andere kant van de vallei tientallen gewelfde stenen gebouwtjes staan. Dat moeten de graftombes van een eeuwenoude Romeinse begraafplaats zijn. Er zouden er zo’n 120 staan maar we zijn ze niet gaan tellen.

Aan het piepkleine strandje honderd meter verder zitten, liggen of zwemmen nog zo’n dozijn zonnekloppers. Er is tegen de rotsen van de baai een kleine steiger gebouwd. De keien en stenen op het strand maken het wel niet comfortabel om te zonnen of gemakkelijk om in zee te gaan. Toch lukt het ons om te zwemmen, het diepblauwe zeewater is einde mei in Kreta al heerlijk.

Er komt een motorbootje aangevaren dat nieuwe passagiers naar Lissos brengt. De site is dus niet alleen te voet bereikbaar via de wandelpaden. Het bootje wiegt nog fel op en neer terwijl de passagiers voorzichtig op de steiger stappen en enkele baders terug aan boord proberen te klauteren. Op deze manier waren er dus ineens zoveel mensen op het pleintje rond de eucalyptus toegestuikt, realiseren we ons. 

De komst van het motorbootje geeft Marianne en Christel een idee: ze kunnen voor enkele euro’s met het bootje terug naar Sougia. Dan moeten ze niet meer die driehonderd meter hoge klim uit de vallei doen, de hoogvlakte oversteken en de afdaling door de kloof naar Sougia doen. Erwin en ik willen wel nog het laatste stuk van de kloof doen, ook als we daarvoor eerst nog weer driehonderd meter tot aan de hoogvlakte moeten klimmen.

Na het vertrek van het motorbootje komen er ineens verschillende andere bootjes uit Sougia aangevaren. Ze hebben tafels en stoelen aan boord, koffers en kisten, vaten en manden. Het is de werkploeg van de trouwpartij, die alles aan land begint te zeulen om op het pleintje rond de eucalyptus een onvergetelijk vervolg op het trouwfeest op poten te zetten.  

Als Erwin en ik op de terugweg opnieuw het centrale pleintje van Lissos passeren, zijn tien goedgemutste Grieken volop bezig met de herinrichting van het plein tot een trouwzaal zonder dak of muren. Daar hadden we die avond wel graag bij geweest. Met goede moed en gevulde drinkbussen verlaten we Lissos en klimmen we op een stevig tempo de berg op. De hoogvlakte is even desolaat en heet als bij de heenroute, maar het stuk van de Lissoskloof dat we nog niet hebben gedaan, loont echt wel de moeite. 

We lopen weer vrolijk in de schaduw tussen de oleanders, magistrale rotsen en bomen en genieten van verrassende uitzichten in de kloof terwijl we als jonge snaken van steen naar steen op het pad naar beneden huppelen. We dalen af in dynamisch evenwicht, legt Erwin uit. Om je evenwicht bij het dalen te behouden, is het makkelijker om van punt naar punt te springen zonder halt te houden dan telkens opnieuw te stoppen en te moeten wiebelen vooraleer je de volgende stap zet. 

In ons dynamisch evenwicht dalen we in minder dan een uur de kloof af tot aan de vissershaven van Sougia. Over een kwartiertje zitten we op het terras van Santa Irena met een biertje, schat Erwin, het zal wel weer een uur duren vooraleer de vrouwen arriveren. Misschien kunnen we daarna nog een dutje doen, antwoord ik, want die avond kunnen we in hotel Santa Irena onze kamers betrekken. 

Opgewekt struinen we de boulevard van Sougia af en als we hotel Irena willen binnenlopen, komen Marianne en Christel lachend buiten. Ik geloof mijn ogen niet. Blijkbaar konden ze ongeveer op hetzelfde moment als wij vertrekken uit Lissos, met een motorbootje. Wat denken jullie, vragen ze, gaan we een terrasje doen of dragen jullie eerst de bagage naar onze kamers? 

Geplaatst in cultuur, geschiedenis, kreta, reizen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Dan maar eerst naar Sougia

Volgens de planning zouden we daags na de Samariakloof bedwongen te hebben, na de middag vanuit Agia Roumeli naar Gavdos varen. Op het kleine meest zuidelijke Europese eilandje van de Middellandse Zee zouden we dan twee dagen verblijven. Maar dat leuke uitstapje kon helaas niet doorgaan.

Het probleem met de afgelaste ferry was nochtans wel opgelost. Alsof zoiets de gewoonste zaak van de wereld was, stond de veerboot van de namiddag gewoon terug op de tabellen van de website van de veerbootonderneming.

We konden niet naar Gavdos omdat het hotel zelf onze boeking had geannuleerd. De eigenaar had Christel de dag voordien proberen te bellen, toen we nog in de Samariakloof aan het wandelen waren. Aangezien er daar geen gsm-bereik was, had Christel de gemiste oproep pas ’s avonds laat gezien. De eigenaar had een boodschap ingesproken. Als we niet binnen het uur terugbelden om onze kamers te bevestigen, zou hij ze aan anderen verhuren, want hij had al gegadigden. En aangezien het Christel simpelweg niet mogelijk was om terug te bellen, deed hij dat effectief. De hoteleigenaar schakelde zelfs Booking.com in om ons te beboeten voor een “no show”, omdat we dus geboekt hadden en niet waren opgedaagd. Dat vonden we toch wel een brug te ver. Na wat heen en weer gemail met de reiswebsite werd die sanctie teruggedraaid.

Maar daarmee was de vraag waar we de komende nacht zouden verblijven nog niet beantwoord. Een mogelijkheid was Sougia. Dat kustplaatsje stond na Gavdos op onze agenda, dus waarom onze aankomst in Hotel Santa Irene niet proberen te vervroegen. Marianne en Christel hadden in dat hotel bij een eerdere reis ook al eens overnacht en ze kenden de eigenaar. Helaas meldde de man dat alle hotels in Sougia vol zaten. In het dorpje stond namelijk een trouwfeest op stapel, waarvoor heel wat bezoekers uit de omgeving een hotel hadden geboekt. De eigenaar van Santa Irene beloofde ons eens rond te bellen of er toch niet ergens nog kamers beschikbaar waren. Een uurtje later had de brave man toch nog twee kamers gevonden die we voor één nacht konden huren. De volgende nacht konden we dan bij hem terecht. We twijfelden geen seconde.

Eerst rustten we nog wat uit van de twee voorbije loodzware wandeldagen. We installeerden ons op het privéstrand van onze geliefd hotel, lazen wat, gingen zwemmen in zee en varen met de gratis kajaks en waterfiets van Sweet Corner. Na de lunch deden we nog een wandelingetje naar het dorpscentrum om wat inkopen te doen en op een terras een biertje te drinken. Daarna stapten we op de boot naar Sougia. Minder dan een uur later waren we in Sougia aangemeerd. Naast de steiger zagen we een binnenhaventje liggen met visserssloepen en kleine motorbootjes. We sloegen de weg in naar het dorp en passeerden een sliert geparkeerde autocars die stonden te wachten om de Samariagangers van die dag naar hun hotels terug te brengen. Vanuit Sougia lopen er berijdbare wegen die via onooglijke dorpjes over de Witte Bergen zestig kilometer verder naar Chania leiden.

Voorbij de bussen wandelden we het dorp binnen via een boulevard van restaurants, hotels en tavernes met zicht op zee en het kiezelstrand met donkere keien en keitjes. Sougia is gebouwd op de ruïnes van het oude Syia, dat dicht bij Lissos ligt, een stad uit de Romeinse en Byzantijnse tijd waarvan we de ruïnes nog gaan bezoeken. Sougia telt twee mooie, kleine kerken, de kerk van de heilige Moeder en de kerk van Agios Kyrikos.

Het dorp is vandaag vooral een toeristische badplaats. Niet alleen langs de boulevard maar ook wat meer achterin het dorp dat ongeveer 250 inwoners telt, zijn er nog verrassend mooie tavernes, winkeltjes en eetgelegenheden. Een Nederlandse vrouw die hier jaren geleden op vakantie is gekomen, een man heeft gevonden en hier sindsdien niet meer weg wil, houdt er een supermarktje open. Het lange afstandspad E4 verbindt Sougia langs een schitterend maar zeer avontuurlijk parcours met Paleohora en Agia Roumeli.

Op het terras met zicht op zee van de Lotosbar dronken we een aperitief. Schuinweg over de strandboulevard op de hoek met de straat die richting binnenland voert, was nog een terras, aan de taverne Omikron. Een grote groep mensen hield er een zangstonde. De meerstemmige gezangen klonken aangenaam en aanstekelijk. Als de zangers opkraamden voelden we onze maag knorren. We gingen op zoek naar een goed restaurantje. TripAdvisor gaf ons een tiental tips. Eerst probeerden we een tafeltje te versieren bij Anchorage, de nummer 3 in de top 10 van Tripadvisor, maar daar vingen we bot: helaas was heel het restaurant afgehuurd voor het trouwfeest.

Een beetje verder van zee weg stuitten we op Rebetiko, de lokale nummer 1 van onze reisadviseur. Het restaurant heeft een schitterend terras op een binnenkoer. We liepen binnen door een open stenen boogpoort. De binnenplaats was omwald met dikke muren van ruwe okeren stenen. Grote bomen zorgen overdag voor schaduw. Een supervriendelijke en gedienstige ober nam in zijn beste Engels de bestelling op. We kozen een mix van wat klassieke voorgerechtjes en bestelden halve liters rode en witte wijn. Als hoofdschotel kozen Erwin en ik voor de mixed grill.

Wat we korte tijd later voorgeschoteld kregen, zag er heerlijk uit: twee grote schotels met enorme brochettes, kipfilet, kalfsrib, spek, merguez- en andere worstjes, allemaal geweldig lekker. Hoe we ook ons best deden, we kregen het gewoon niet op. Een beetje gegeneerd biechtten we de ober die de tafel afruimde op dat het heel lekker maar voor ons wat teveel was. O, zei hij verwonderd, hebben ze jullie bij het bestellen dan niet gezegd dat de mixed grill voor twee personen is? Aha, daarom dus… Dessert kon er bij Erwin en mij niet meer bij, maar om de vertering te stimuleren namen we nog een kannetje raki.

Als we op de terugweg naar onze kamers restaurant Anchorage passeerden, was het trouwfeest volop aan de gang. Heel het restaurant en het aangrenzend terras zat bomvol gasten aan lange tafels. Op straat stond een geschminkte clown met kegels te jongleren, tot groot jolijt van een grote kluit kleine kinderen.

De avond was zacht en Sougia leefde nog volop. We besloten aan de strandbar van hotel Santa Irène nog een afzakkertje te drinken. Marianne en Christel herkenden de zus van de eigenaar die achter de bar stond. Terwijl ze ons een oude metaxa inschonk, begonnen ze een gesprek. De oude vrijster was nog altijd alleen. Lang geleden werd haar verloofde kort voor hun huwelijk vermoord in een vendetta. Clangevechten behoorden in Kreta in een niet zo heel lang geleden verleden tot de lokale mores.

Morgen is het zondag. Dan doen we die mooie wandeling naar Lissos, stelden Marianne en Christel voor. Daar willen ze ook het trouwfeest verder zetten, wist de barvrouw. Ze moeten er alles, feestvierders, tafels en stoelen, spijs en drank, verlichting en versiering met bootjes heen brengen. Zelf zal ze niet gaan, vermoedde ik.

Geplaatst in kreta, reizen, vriendschap | Tags: , , , , | 1 reactie

Zweten en zwoegen in de Samariakloof

Kreta is een eiland van kloven en bergen. De populairste, spectaculairste, mooiste en langste kloof is de Samariakloof. “De Samariakloof moet je gedaan hebben – zo denken in het hoogseizoen tot wel 3.000 wandelaars erover, per dag welteverstaan!”, stelt de auteur van de tochtbeschrijving in de Rother wandelgids van 2014. Jaarlijks spuit de kloof zo’n 300.000 toeristen uit in het kustdorp Agia Roumeli.

Ook wij dompelen ons nog eens graag onder in het massatoerisme van dit genre. De baas van hotel Neos Omalos zet ons om 8 u ’s morgens af aan het startpunt. Dat is het uur waarop de blokhut voor de ticketverkoop opengaat. Een ticket kost 5 euro per persoon. Er staat al een rij van dik vijftig meter aan te schuiven. Terwijl we voetje voor voetje de balie naderen, lost op de parking de ene toeristenbus na de andere zijn lading wandelaars. Sommigen op sandalen, velen op sneakers en bergschoenen van uiteenlopende kwaliteit.

Voor het eerst ga ik de Samariakloof doen met een trekrugzak op de rug. Marianne, met haar slechte knieën en gewrichten, en Christel, met nog wat last in de bil, dalen met hun kleinere rugzak voorzichtig de trappen af, steunend op hun stokken. Erwin en ik stuiven op ons tempo naar beneden. Voor zover dat gaat natuurlijk, in die drukte en met onze zware rugzakken. De eerste 600 meters van de tocht, de steilste van heel de route, glijdt de massa als een lange slang gezapig de berg af. Dit is het lastigste deel, zeker voor wie niet getraind is. Gelukkig zijn de meeste toeristen zo vriendelijk om een stapje opzij te zetten als Erwin en ik passeren.

Zestien jaar geleden, toen mijn dochter Winke twaalf was, ben ik met haar al eens deze berg afgedaald. Ik herinner me niet dat er bij die tocht zo’n drukte was als vandaag. Zo snel we konden en durfden, raasden we toen die 1200 daalmeters over een kilometer of achttien de berg af. Zo’n race naar beneden doe ik nu niet meer, daarvoor is het drukke parcours te gevaarlijk. Erwin en ik spraken met onze vrouwen af dat we hen zouden opwachten aan de waterpunten die over de afdaling verspreid liggen.

Langs het pad zijn er een vijftal rustplaatsen. De ene heeft meer banken dan de andere en op sommige zijn er ook toiletten. Je kan er je drinkbus bijvullen, picknicken of wat uitblazen. In de buurt van de rustplaatsen houden parkwachters een oogje in het zeil. Roken is bijvoorbeeld streng verboden in het natuurpark dat de Samariakloof is. Spijtig dat sommige parkwachters zich zelf niet aan het rookverbod houden. Het hoogste deel van het wandelpad slingert tussen de bergcipressen, eiken en dennen. Om de paar honderd meter is er in bluswater voorzien om bosbranden te bestrijden.  

Het is nog voorjaar in Kreta. We fotograferen drakenwortels in hun laatste bloeidagen, een spectaculaire wijnrode bloem uit de familie van de aronskelken. In de kloof leven ook nog Kretenzische wilde geiten, Kri Kri. Die krijgen we niet te zien. Dat verbaast ons niks, want ze zijn met uitsterven bedreigd.

Na de eerste steile afdaling stuiten we op een beekje dat allengs de allure van een riviertje krijgt. Langs de oevers duiken concentraties steenmannetjes op van rolkeien, geduldig gestapeld door de vele toeristen die ons voorafgegaan zijn. Vanaf nu moeten we regelmatig de bedding van de kloof oversteken. De oversteekplaatsen zijn duidelijk. De paden zijn goed gebaand en lopen uit op boven het stromende water uitstekende stenen en rotsblokken naar de overkant.  

Na enkele rustpunten gewacht te hebben op Marianne en Christel, vinden Erwin en ik het vervelend worden om eerst een hele rits mensen voorbij te steken, ze vervolgens aan een rustpunt opnieuw te zien passeren en even later opnieuw in te halen. Wat verder passeren we de kapel Agios Nikolaos, gelegen tussen honderden jaren oude cipressen. De kapel zou gebouwd zijn op de plaats waar in de zesde eeuw vóór Christus een Apollo-tempel stond.

Niet lang na de volgende rustplaats zien we over het riviertje een houten brugje liggen, waarachter het verlaten en tegelijk drukke dorpje Samaria zich uitstrekt. Het is al sinds 1965 niet meer bewoond, maar tijdens de openingstijden van de kloof is het er altijd drukker dan het ooit was toen er nog vaste bewoners verbleven. De Samariakloof werd  in 1962 beschermd als nationaal park. De overheid verplichtte de laatste dertig inwoners drie jaar later te verhuizen naar Agia Roumeli.

Zeker op de middaguren rusten picknickende horden toeristen op zitbanken en stenen muurtjes tussen de bouwvallen van het dorp. Het is zoeken naar een goed plekje in de schaduw. In het dorp is een EHBO-post ingericht, kan je je drinkwater aanvullen en is er een vies toiletgebouwtje met Franse WC’s. Erwin en ik vinden zitplaatsen op een lommerrijk muurtje. We wachten nog op de vrouwen om ons lunchpakket uit Neos Omalos te openen. Enkele ruig bebaarde parkwachters op een bank nabij maken hevig ruzie met een jonge vrouwelijke collega die duidelijk niet op haar mondje is gevallen. Helaas verstaan we niet waarover ze in onmin zijn geraakt. Uiteindelijk gaan ze allen gewoon terug aan het werk.

Als Christel en Marianne gearriveerd zijn, willen de vrouwen toch liever onder een boom wat verder gaan zitten. Voor ons niet gelaten, die plek in de schaduw is beter dan de onze en is nog maar net door andere wandelaars verlaten. Onder het verorberen van onze lunch spreken we af dat we ‘s namiddags de tocht tot het einde op eigen tempo zullen verderzetten. Wat er op neerkomt dat Erwin en ik Marianne en Christel niet meer aan elk rustpunt zullen opwachten.

Alsof ik bevrijd ben hol ik met Erwin verder het pad af tussen roze bloeiende oleanders. Het zweet dat van ons lijf drupt kan ons niet deren. Voor de Ossia Mariakapel tussen cipressen aan de overkant van de kloofbedding hebben we nauwelijks oog. We zijn nu ruim over de helft van onze tocht. Op zo’n driehonderd meter boven de zeespiegel sluit de kloof zich nauwer. We wippen via stenen of houten bruggetjes het riviertje over. Onze lichamen snakken naar het koele stromende water, maar helaas, baden, zelfs pootjebaden is er verboden, want het beekje is het drinkwater van Agia Roumeli.

Na het rustpunt aan de kapel Christos, wordt de Samariakloof echt een kloof. Het schaduwrijke plekje ligt nog op amper 170 meter boven de zee. Hoewel het misschien de laatste halte is voor Agia Roumeli, stappen we verder. Er gaapt nog een meter of dertig tussen de hoogoplopende rotsen, waar het smalle watertje fors door dondert.

Daar begint een plankenpad dat in het smalste stuk van de kloof boven het water is aangelegd. Het kondigt het meest spectaculaire deel van de kloof aan: de zogenaamde IJzeren Poorten. Boven het bergriviertje leiden de vlonders tussen 300 meter hoge loodrechte rotswanden, waar de tussenruimte op z’n smalst slechts drie meter is. Na nog wat bruggen en oversteekplaatsen staan we opeens voor het checkpoint waar onze tickets afgestempeld worden. Bij mijn vorige passage in de kloof was er nog geen ticketcontrole. Er was eigenlijk niets, gewoon een stoffige weg in de blakende zon naar Agio Roumeli. Nu zijn er na de blokhut met het checkpoint verschillende tavernes en bars opgetrokken waar je je dorst kan lessen of een hapje eten. Voor enkele euro’s kan je ook een taxi of busje nemen naar het dorp, want de resterende vlakke kilometers in de hete namiddagzon zijn er voor sommige wandelaars teveel aan.

Aan die laatste etappe beginnen Erwin en ik vol goede moed. Eerst passeren we een ander verlaten dorp, Palea Agia Roumeli, waar een overstroming in 1952 een deel van de huizen vernielde. De dorpsbewoners besloten toen een nieuw dorp aan de zee te bouwen. In het oude en het nieuwe Agia Roumeli staan heel wat oude auto’s zonder nummerplaat geparkeerd, sommige staan echt weg te roesten. De verklaring is simpel: je geraakt vanuit deze dorpen met een auto alleen weg via een veerboot. Auto’s in het kleine Agio Roumeli zijn dus zelden handig.

Het nieuwe dorp telt ongeveer 120 inwoners. De meesten zijn actief in de toeristische sector: een vijftal hotels, ettelijke cafetaria’s en restaurants, souvenirwinkeltjes en zelfs twee zelfverklaarde supermarkten. Heel wat huisjes bieden kamers aan. Zo ongeveer elke dag wel stranden er na het vertrek van de veerboten nog onfortuinlijke Samariawandelaars in Agia Romeli. En als de hotelletjes al vol zitten, zijn er altijd nog die kamers te huren.

Erwin en ik slenteren door de straatjes waar de drukte nog niet te groot is. Wij zijn immers al  vroeg in de namiddag aangekomen. De aandrang om een T-shirt te kopen met “I survived the Samaria Gorge” kunnen we makkelijk weerstaan. Een koude halve liter bier op een terras met zicht op de zee en de haven niet. Zeker als we van op onze uitkijk de zonneklopsters en baadsters in zee kunnen monsteren. Op de achtergrond ligt de grote veerboot al aangemeerd die de massa Samariagangers over enkele uren naar de kustdorpen Paleohora en Sougia zal varen.

Na een eerste biertje besluiten we ons hotel voor die nacht op te zoeken. Sweet Corner Masxali is het verste hotel langs het langgerekte strand van Agia Roumeli. De laatste halve kilometer lopen we zwetend in de warmste namiddagzon tot aan het hotel. Een boogscheut verder, aan de aanlegsteiger voor de kleinere veerboot naar de kustdorpen Hora Sfakion en Loutro, stopt de bewoonde wereld.

Wanneer we het grote en zo goed als lege terras van Sweet Corner oplopen komt een sjofele maar uiterst vriendelijke man die al zijn tanden mist op twee na, op ons toelopen. We mogen overal gaan zitten en kiezen natuurlijk een plaatsje in de schaduw. Het terras beschikt over enkele bomen met bladerrijke takken die als een enorme natuurlijke parasol zijn gesnoeid. Als we een biertje bestellen komt onze gastheer met in de vriezer gekoelde glazen en ijskoude Mythos bierflessen van een halve liter aanzetten. Samen met zijn broer leidt hij het familiehotel, waarin twee generaties aan de slag zijn en de derde al opgroeit.

Na een tweede biertje op het terras zien we in de verte onze uitgeputte vrouwen verschijnen. Eens ze neergeploft zijn hebben zo ondanks de vermoeidheid nog veel te vertellen. Na een koel drankje snakken ze naar een douche, en bij nader toezien, Erwin en ik ook. We krijgen grote kamers toegewezen, met zeezicht en zelfs een keukentje en koelkast. Helaas functioneert bij Christel en Erwin de airco niet. Maar geen nood, zegt onze hulpvaardige gastheer. Hij belt zijn broer die meteen met de boot zal overkomen om die te repareren.

Na de douche en nog een biertje op het terras is de airco gefixt. De broers die het hotel leiden trekken goed op elkaar. Ze zijn even hartelijk en hun mond beschikt nog over evenveel tanden, samen niet eens een mondvol. De broer heeft nog een hobby die de goede zaak dient: hij gaat ’s nachts vissen op zee. De vangst kan dan bij het volgende avondmaal geserveerd worden. “Today we have fresh fish for dinner”, zegt de gastheer en hij tuit zijn lippen. Fier als een gieter loopt hij naar de diepvries en keert weer met de vers gevangen vissen op een schaal bedolven met ijs, één grote dikke en drie kleinere, van de grootte van een haring.

Een uurtje later, als de zon bijna in zee is gezakt, nodigt hij ons uit om op zijn hoger gelegen terras met prachtig zicht op zee plaats te nemen voor het diner. Vergezeld van gebaren die een hemels gerecht aankondigen, dient de baas de borden op, gedrapeerd met enkele kleine blaadjes sla, een half tomaatje, wat reepjes paprika en nog een sausje van niks erbij. Zijn broer de keukenpiet heeft de vissen gekuist en klaargemaakt volgens het lokale recept, vertelt onze gastheer. Zelf heeft hij alleen voor “het decor” gezorgd, legt hij uit. Het is ons niet duidelijk of hij daarmee de feeërieke omgeving van het terras hoog boven het privéstrand, de baai met de steile rotsen en de diepblauwe zee bedoelt, dan wel de garnering van de borden.

Met twee liter witte wijn en verscheidene kannetjes raki die ’s anderendaags tot enkele katers zullen leiden, zakken we lekker door onder de sterren. Morgenochtend staat na een stevig ontbijt een krijgsraad gepland, want er is slecht nieuws uit Gavdos.  

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , | 1 reactie

Stekels op de Gingilos

Volgens nogal wat kenners is de top van de Gingilos in de Witte Bergen de populairste beklimming van West-Kreta. De massieve verticale noordzijde van de berg imponeert de wandelaars die aan de voet staan. De Gingilos is met zijn 1.980 meter (2.080 meter volgens de Rothergids) niet de hoogste berg van Kreta, dat is de Psiloritis, in centraal Kreta, met een hoogte van 2.456 meter.

Het vertrekpunt van het pad naar de Gingilos ligt aan de toegang tot de populairste kloof van het eiland, de Samariakloof. Voor de baas van hotel Neos Omalos maakt de vijf kilometer lange rit naar het vertrekpunt van de Samariakloof deel uit van de hotelservice. Vroeg in de ochtend kruipen we na een stevig ontbijt met z’n vieren in zijn busje, dat afgeladen vol zit. We zijn niet de enigen die Neos Omalos als uitvalsbasis voor bergwandelingen hebben gekozen. Naast de Gingilos en de Samariakloof is ook de Kallergihut vanuit Omalos een populaire bestemming. In hotel Neos Omalos verblijven gewoon geen andere toeristen dan hikers, bergwandelaars en bergbeklimmers.

Die ochtend bij het ontbijt serveerde Marianne onaangenaam nieuws over onze bestemming twee dagen later: bij een check op de website voor de tijdstabellen van de ferry’s, stelde ze vast dat de veerboot die we ’s middags naar Gavdos wilden nemen, afgelast was. Zoiets gebeurt wel eens meer in Kreta. Als er teveel wind staat of de zee te woelig is, kunnen de veerboten in sommige haventjes van de kustdorpjes niet veilig aanmeren.

De afgelaste ferry verplicht ons overmorgen vanuit Agia Roumeli de late veerboot van 21 u te nemen naar Gavdos. Met die boot zouden we pas na 23 u in het haventje van het zuidelijkste Europese eilandje in de Middellandse Zee aanleggen. We spraken af dat Christel het hotel op Gavdos zou contacteren om te vragen of ze ons niet aan de haven wilden komen oppikken, want met onze zware rugzakken in het duister langs ongekende paadjes enkele kilometers landinwaarts moeten sukkelen, leek ons veeleer gevaarlijk dan avontuurlijk.

Gelukkig hoefden we voor de trektocht naar de Gingilos onze trekrugzakken niet mee te nemen. ’s Avonds konden we gewoon de hotelbaas bellen om ons aan de Samariakloof terug op te halen en terug te keren naar Neos Omalos, waar we een laatste keer zouden overnachten. Wat we wel meehebben voor de zware beklimming: dagrugzakjes met een lunchpakket, een liter of drie water per koppel en wandelstokken.

In de hamerende hitte naar boven

In de Rothergids staat de beklimming van de Gingilos omschreven als een zwarte route, de moeilijkste categorie. Die kwalificatie geeft Rother aan bergpaden die steil en smal zijn, waar gevaar bestaat voor uitglijden bij het oversteken van passages over losse stenen, waar je soms bij het klauteren ook je handen nodig hebt. De beklimming van de Gingilos is een heen en weer wandeling naar de top, eerst moeten we duizend meter klimmen en dan die duizend meter weer afdalen. De wandelgids raadt deze loodzware tocht alleen aan voor ervaren, fitte bergwandelaars, die tredzeker zijn, geen hoogtevrees hebben en bovendien over een goed oriënteringsvermogen beschikken. Wij dus, vinden we zelf.

Vol goede moed beginnen we aan de beklimming. Het pad is aanvankelijk goed aangelegd in trapvorm. Maar de steile berg waar we tegen op kijken, zorgt toch voor wat gezucht. Het pad wordt al na enkele honderden meter klimmen moeilijker. De merktekens en stangen van de E4 staan hier veel verder uit elkaar dan de rood-witte merktekens op de GR20 in Corsica.  Na een half uurtje klimmen staan we al nat in het zweet, terwijl de zon nog lang niet hoog staat. Achter ons zien we de asfaltweg naar Omalos diep onder ons door de Omaloshoogvlakte slingeren. Voor ons zien we ook al de col van waaruit we later nog alleen via gele merktekens op rotsen en steenmannetjes op handen en voeten naar de top zullen moeten klauteren.

Marianne heeft al een paar keer de drinkbus gevraagd. In tegenstelling tot mezelf heeft ze veel water nodig tijdens onze bergwandelingen. Erwin is druk in de weer met zijn digitaal fototoestel. Hij loopt vooruit om ons te kieken of de mooie landschapsfoto’s te maken die je hierbij ziet. Zijn toestel weegt zo’n anderhalve kilogram. Op zijn rugzakharnas heeft hij een speciaal gadget hangen, waarin hij zijn camera veilig kan vasthaken.

Na een poos krijgen we een indrukwekkend panoramisch uitzicht te zien in de Samariakloof, de populairste kloof van Kreta waarin het beekje na een lange afdaling van zo’n achttien kilometer zijn kostbaar zoet water in het kustdorp Agia Roumeli in de zee stort. Dat wordt onze tocht voor de volgende dag, met alle bagage op de rug.

De tocht naar de top loopt niet heel de tijd omhoog. Een uur verder zijn we boven de 1.500 metergrens. Erwin wist al dat er dan even een ontspannend stukje licht dalen zou volgen. We passeren de Xepitiras, een spectaculaire metershoge natuurlijke spitsboog, zonder glasramen natuurlijk, maar hoger dan in de grootste gotische kathedraal ter wereld.

Al gauw gaat het brokkelig pad weer steil de hoogte in. De vegetatie wordt hier spaarzamer terwijl de zon de kans te baat neemt om onze lijven te bestoken. Onverwacht stuiten we op de Linoselibron, waar het water dat door drie kuipen loopt heerlijk fris smaakt. We drinken gulzig, vullen onze drinkbussen bij en smeren ons in met zonnebrandolie. We blazen wat uit en nemen een snackje uit ons lunchpakket alvorens we de klim hervatten. We hebben nog zo’n 150 steile klimmeters voor de boeg naar de Afchenas-col.

De vermoeidheid begint al zwaar te wegen. Christel geraakt buiten adem en we nemen nog een korte pauze om bij te komen. Als we weer wat tientallen meter hoger geraakt zijn, schiet er bij het overbruggen van een hoge rots ineens een pijnscheut in haar dijbeen. We klimmen weer verder, voorzichtiger, we zijn nu op een boogscheut van de Afchenas-col, een zadel tussen twee bergen waarover we links naar de Gingilostop moeten. Onder een overhangende rots op enkele tientallen meter van het zadel, is Christel weer buiten adem. Ze heeft ook last van haar bil, waarin ze vreest een spierverrekking opgelopen te hebben. Na overleg met Erwin beslist ze toch maar in de schaduw onder de rots te blijven wachten tot we terug zijn van de top, toch nog ruim driehonderd meter steil klimmen, zonder gebaand pad.

Eens op de col zetten we ons drieën terug neer, om uit te blazen van het kleine klimmetje sinds we Christel hebben achtergelaten. De vergezichten op het zadel zijn fenomenaal. In het zuiden mondt de Tripitikloof uit in een blinkende Libische Zee waarin we het eiland Gavdos zien liggen. Van op het zadel zie je ook de Egeïsche Zee en de noordkust van Kreta. In het noordoosten vinden we de Kallergihut terug die ergens boven de Samariakloof ligt. Het is de enige bemande berghut in West-Kreta, waar zo’n 45 hikers kunnen overnachten.

Boven op de col staat een E4-stang die rechtsaf wijst, terug naar beneden. Wij moeten linksaf, naar de top van de Gingilos. Hier loopt geen pad meer, we klimmen verder op handen en voeten over brokkelige stenen en schuine rotsplaten, waarbij het voortdurend zaak is vooruit te speuren naar steenmannetjes of gele bollen op grote rotsblokken, een loodzware sporentocht naar de top. Tussen het ruwe en scherpe gesteente zien toch nog taaie gewassen, struiken met stekels en bolvormige mosachtige planten met ragfijne doornen de kans om te groeien. We kruisen een koppel klimmers die afdalen. Het is niet zo ver meer, verzekeren ze ons in het Duits. De twee zijn de eerste wandelaars die we kruisen.

In het spoor van Erwin kruipen en klimmen we verder naar boven, waar een grote steenman in het midden de top verbeeldt die eigenlijk nog maar een voortop is, 1.975 meter hoog. De hoofdtop ligt wat verderop, hij is vijf meter hoger dan de voortop, maar geen van ons heeft zin eerst weer nog eens een stuk te dalen om dan weer in deze wilde rotspartijen op handen en voeten omhoog te klimmen. Erwin en Marianne zijn wel geïnteresseerd in de dikke sneeuwkorst die hier op 26 mei nog ligt, meer dan twee meter dik. Allebei klimmen ze erop, ik beperk me tot het nemen van een foto. Stel je voor dat ze in die sneeuw zakken en er niet meer uit geraken, dan moet er toch iemand hulp kunnen bieden!

Erwin heeft ternauwernood de tijd genomen om op de top eens rond te kijken of hij snelt alweer naar beneden, naar Christel, die straks een uur alleen achter een rots zal hebben gezeten terwijl wij halsbrekende toeren uithaalden. Hoewel we op onze lange klim amper andere mensen hebben gezien, komt er nu nog een jong koppel in zicht. Ook Duitsers, ze lijken zich amper te hebben moeten inspannen, dragen zelfs niet eens bergschoenen.

Marianne en ik slaan een praatje met hen in het Engels. Dan dalen we ook maar de top af. Ik loop voorop maar zie ineens geen steenmannetjes of gele bollen meer. Ik heb me in het spoor naar beneden vergist. Erwin roepen heeft geen zin, die is al een kwartier geleden afgedaald. Marianne  helpt zoeken en we verliezen nog wat tijd om ons weer uit die bergflank vol diepe spleten, steile wanden en gapende afgronden te bevrijden, tot Marianne eindelijk het spoor van de mannetjes en bollen terugvindt. Maar dan struikelt Marianne en ze valt achterover. Om haar val te breken, zet ze haar handen achteruit, maar belandt met één hand pal in zo’n plant vol ragfijne doornen. Tientallen pijnlijke stekels zitten in de palm van haar hand. Het doet pijn om ze te verwijderen, en niet alle stekels geven zich meteen gewonnen. De laatste zal ze pas uit haar handpalm geprutst krijgen als we al enkele dagen terug thuis zijn.

Op sommige plaatsen op de berg is er gelukkig gsm-bereik. Zo vernemen we dat Christel uiteindelijk toch zelf de laatste meters naar het zadel was opgeklommen en dat het koppel, eens terug verenigd, besloten had de afdaling al rustig in te zetten. Dus begonnen wij ook maar aan de afdaling van duizend meter.

De tocht heeft zwaar ingehakt op de gewrichten en spieren van Marianne. Dalen is dan bijzonder pijnlijk voor de knieën. Ik laat haar voorgaan zodat zij ons daaltempo bepaalt. Terwijl we op de heenroute vóór het zadel geen andere mensen hebben ontmoet, kruisen we op de terugweg verrassend veel wandelaars die de top nog hopen te bereiken. De afdaling verloopt veel trager dan ik had gewild, maar het is ook geen optie om Marianne achter te laten. Ze ziet af terwijl ik achter haar wat loop te lummelen. Hoe zal dat morgen vlotten, vraag ik me af, als we na deze zware tocht, die best vergelijkbaar is met de zwaarste etappes van de GR20, nog eens die achttien kilometer door de Samariakloof naar de zee moeten dalen.

Eindelijk zien we na een bocht in het pad beneden de parking aan het eindpunt van onze calvarietocht liggen. Vlakbij staat Erwin ons al op te wachten aan een taverne waar we op het terras onze bergschoenen uitschoppen en een koele pint drinken op de goede afloop. Christel ziet er weer opgewekter uit dan toen we haar achterlieten. We bellen de hotelbaas om ons op te komen halen. Een half uur later kunnen we douchen en nestelen we ons aan een terrastafeltje voor een aperitief, een lekker avondmaal en, na het vallen van de nacht, de traditionele raki als afsluiter. Bedtijd, want morgen weer met de eerste shuttle naar de Samariakloof!

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , | 1 reactie

Terug naar Kreta

‘Ik wil met jou nog eens naar Kreta.’ Dat zei Marianne me in de prilte van onze kennismaking, van zodra we wisten dat we allebei van trektochten in de bergen en elkaar houden. ‘Ik ben daar jaren geleden al geweest’, antwoordde ik. ‘Toen Winke en Jolente klein waren, op een all-in vakantie.’ Een all-in vakantie, zoiets stond nooit op Mariannes bucket list. ‘Maar ik wil je het echte Kreta leren kennen’, protesteerde ze, ‘we trekken dan langs de zuidkust, waar het lange afstandspad E4 loopt.’ Ik spartelde nog wat tegen. ‘Dat pad ken ik niet. Maar in het zuid-westen van Kreta zijn wij toen ook geweest. Winke en ik zijn in een recordtempo de Samariakloof afgedaald en we zijn met ons vieren met een huurauto Elafonissi gaan bezoeken.’ Marianne schudde het hoofd. ‘Er is daar veel meer te zien en te beleven dan dat.’ Marianne kon het weten, ze is er al een keer of vier geweest. Ik gaf me over. Op 25 mei vertrokken we, voor twee weken, vergezeld door Erwin en Christel, twee vrienden van Marianne die ik inmiddels ook tot mijn vriendenkring reken.

Erwin en Christel waren ook al enkele keren in Kreta op vakantie geweest, je raadt het, met Marianne. Samen dokterden ze een reis van veertien dagen uit. Ze regelden de vluchten, laadden de interessante gpx’en van geplande wandeltochten uit de Rothergids op de smartphone, bespraken wat wel en wat niet mee kon in de trekrugzakken, boekten paradijselijke hotelletjes, checkten de uren van de ferry’s, goochelden met namen van plekken en mensen die ik voor het eerst hoorde maar waarachter tegen 25 mei al geweldige verhalen schuilgingen… ik voelde me de passagier die in de watten werd gelegd.

We moesten al om 3 u ‘s nachts opstaan, die 25ste mei. Onze vlucht vertrok om 6 u. We kwamen rond 10:30 u lokale tijd (in Kreta moet je de klok een uur vooruit zetten) aan op de luchthaven van Chania. Het was er 25° C. Een taxi bracht ons naar de pittoreske havenstad, met ruim 100.000 inwoners de tweede grootste stad van Kreta.

Daar wandelden we met onze rugzakken zwetend door de nauwe straatjes tot we op een enig restaurantje stootten, het opgeruimde casco van een groot herenhuis. Een dak stond er niet meer op, maar hoge muren en hier en daar een op de juiste plaats gespannen dekzeil zorgden voor verkoeling. In het midden groeiden enkele bomen hoger dan de ruïneuze muren, aan een muur hing onbereikbaar hoog een fiets.

De tafeltjes konden oude cafétafeltjes van een jaren zeventig kroeg bij ons geweest zijn, maar hier waren ze wit in plaats van bruin geverfd, net als de stoelen met een strooien zitting. We bestelden Griekse salade en mezze met water en enkele flesjes van een halve liter retsina, de Griekse harswijn waarin je berken proeft. Overal waar we aan de zuidkust langs zouden komen, stonden die halve liters retsina met een kroonkurk op de kaart. De Griekse salade met heerlijke olijven, feta, sla en Griekse dressing zou verder op onze tocht een trouw lunchgerechtje blijven.

Om de wijn en het eten te laten zakken liepen we nog tot aan de kade en bezochten we het fort. De havenbuurt, het fort en de binnenstad hebben wel wat van Venetië, maar dan zonder bruggen. Wat natuurlijk niet verwonderlijk is als je weet dat Chania op het einde van de 13de eeuw door Venetië werd veroverd en Canea werd gedoopt.

Naast de Venetiaanse sporen draagt Chania ook byzantijnse sporen, sinds het halverwege de 17e eeuw door de Osmanen werd veroverd, die er meester zouden blijven tot de onafhankelijkheid van de republiek Kreta in 1898. Chania en de rest van Kreta zouden in 1913 een deel van Griekenland worden. Op de Venetiaanse burcht geeft een uitkijktoren een prachtig uitzicht op de door een strekdam beschermde havenkom, het snoer van cafeetjes en restaurants en de diepblauwe Middellandse Zee.

Van op de vestingmuren spotten we beneden een parkje met een taxistandplaats. Er wachtten twee taxi’s, het perfecte middel om ons 35 kilometer omhoog slingerend tot Omalos te voeren. In dat bergdorp gingen we overnachten om er ‘s anderendaags de zware beklimming van de Gingilos in de Witte Bergen aan te vatten. Helaas waren beide taxi’s al verdwenen toen we de borstwering en de trappen van het fort afgedropen kwamen. Gelukkig was de centrale taxistandplaats maar enkele straten zweten verder. Voor een habbekrats werden we een dik uur later met pak en zak voor de deur van Hotel Neos Omalos in Omalos afgezet. Tijd voor een douche en een frisse halve liter bier op het terras. Volgens de kenners die me vergezelden, is de moussaka nergens heerlijker dan daar.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , | 1 reactie

Dit weekend op de Mercator…

Ter gelegenheid van “Oostende voor anker” kreeg ik van de verantwoordelijken voor het museumschip Mercator de kans om “Cadet op de Mercator” te signeren op de barkentijn. Een kans die ik met beide handen greep. Ik zal op de Mercator zitten zaterdag 21 en zondag 22 mei van 11 tot 16 u, zolang mijn voorraad boeken strekt. Vooral zondag 22 mei wordt een spannende dag. Moest mijn vader nog geleefd hebben, hij zou die dag 85 zijn geworden, vijf jaar jonger dan de Mercator zelf.

Naar aanleiding van die 90ste verjaardag van het zeilschip loopt er een tentoonstelling aan boord, waar een van de pancartes met foto’s gewijd is aan mijn vader en een medecadet van toen, Jean D’Hondt, die ook in mijn boek wordt vermeld. Jean overleed helaas in november van vorig jaar.

De publicatie van mijn boek leidde ertoe dat ik in contact ben gekomen met twee andere cadetten die de kruistochten op de Mercator van mijn vader mee hebben beleefd. Eerst werd ik gecontacteerd door Jean-Pierre Desmet, die op de Mercator deel uitmaakte van het orkest. Jean-Pierre, een geboren en getogen Gentenaar, verloor zijn hart in New Orleans, de verste haven in de VS waar de Mercator op de 34ste kruistocht aanlegde. Via Jean-Pierre kwam ik ook in contact met Luc Dejonckheere, een van de cadetten waarmee mijn vader het meest optrok tijdens zijn Mercatortijd. Beiden lieten me weten dat ze zondagnamiddag naar de Mercator zouden komen. Spannend!

Hieronder vind je nog de weerslag van een interview in de Passe Partout dat Conny Justé enkele weken geleden van mij heeft afgenomen. Misschien tot in Oostende!

Geplaatst in familie, geschiedenis, reizen, uit de boekjes van mijn vader, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , | 2 reacties