De cadet (1)

Het is begin januari 1956, als Roger beslist eens werk te maken van zijn studiekeuze. Hij zit dan halfweg in de retorica, zoals in Vlaanderen tot in de jaren tachtig de benaming luidde voor het laatste jaar van de humaniora. Op 3 januari valt voor het eerst in zijn boekjes de naam Hogere Zeevaartschool. Hij heeft de Antwerpse hogeschool aangeschreven, waar de officieren voor de koopvaardij worden opgeleid.

Waarom en wat hij juist geschreven heeft, houdt hij voor zichzelf. Maar dat ligt voor de hand: nadat de droom om piloot te worden financieel onmogelijk is gebleken, zoekt hij een betaalbaardere leerschool om zijn bravoure en zijn zin naar avontuur bot in te vieren. Hij wil officier ter lange omvaart worden, zoals de officieren voor de koopvaardij door het leven gingen.

Ik stel me voor dat hij in zijn brief inlichtingen opvraagt over de toelatingsvoorwaarden, het studieprogramma, de manier van werken in die bijzondere school en, niet te vergeten, de kosten die met de opleiding gepaard gaan. Of hij op dat moment zijn ouders over zijn nieuwe toekomstdromen al heeft ingelicht, betwijfel ik. Maar met de beslissing om die brief te versturen, beseft hij dat hij daarmee niet lang meer zal kunnen wachten. De brief zal immers een antwoord krijgen dat zijn ouders onder ogen komt, daar kan je donder op zeggen.

3 januari 1956

Erg snel, op 5 januari – ze leken in Antwerpen wel op Roger Dejaegher te zitten wachten – noteert hij dat de Zeevaartschool heeft geantwoord. Maar ook waaruit dat antwoord dan wel bestond, schrijft hij niet. Uit wat er de komende weken gebeurt, leid ik af dat de onderhandelingen met zijn ouders over zijn studiekeuze en sourdine aangevat werden.

Roger moet eerst alleszins nog naar het stadhuis in Brugge gaan om uitstel te vragen voor zijn legerdienst. De volgende dagen kabbelt het leven in zijn boekje stilletjes verder. Hij gaat op zondag naar de cinema Royal, waar hij twintig frank neertelt om naar de Vlaamse film “Meeuwen sterven in de haven” te kijken. In deze film met thrillerambities doolt een anoniem personage door Antwerpen, op de vlucht omdat hij zijn vrouw heeft vermoord.

Ik kan het niet laten hier een zijsprongetje te maken en te vermelden dat dit echt een bijzondere film was, in zwartwit en uitgekomen op een moment dat de Vlaamse filmindustrie nog nergens stond. De prent behaalde enkele mooie prijzen, waaronder de nominatie voor de Gouden Palm op het Filmfestival van Cannes in 1956.

De film had liefst drie “regisseurs”: Roland Verhavert, Ivo Michiels en Rik Kuypers. Die laatste was absoluut nodig omdat hij als enige al eerder eens met een filmcamera had gewerkt. Na de film zou Michiels zich ontpoppen tot een groot schrijver. Kuypers filmde lustig verder en Verhavert bleef aan de slag bij de BRT, zoals de VRT toen nog heette.

De film gaf ook de carrière van twee jonge Vlaamse acteurs een boost: Julien Schoenaerts, wiens zoon Matthias vandaag een echte filmster is geworden, en Dora Van Der Groen. Ik ben er haast zeker van dat Dora Van Der Groen met die eerste grote film een diepe indruk heeft gemaakt op mijn vader. Terwijl zijn kinderen die weliswaar zalige Dora Van Der Groen vooral in een omarol zagen schitteren, waren mijn ouders altijd net niét kinderlijk opgetogen als Dora weer eens in een of andere tv-serie meedeed. In de film “Meeuwen sterven in de haven”, met de keuring “Kinderen niet toegelaten”, kroop de jonge Van Der Groen in de huid van een prostituee. Wie geïnteresseerd is in nog meer merkwaardige weetjes over deze film, verwijs ik graag naar Wikipedia.

In zijn boekje lijkt Roger de rest van de maand zijn lustige retoricaleventje gewoon verder te zetten: hij heeft zijn positie in de voetbalploeg op school veranderd in doelman; hij gaat nog enkele andere films zien in De Gilde en een toneelstuk in de schouwburg, waarna hij blijft plakken in café Richelieu; hij trekt met zijn vrienden D’Hoore en Hutsebaut naar het bal van de journalisten in ’t Strijdershuis; hij meldt op een dag dat er een inspecteur van het bisdom in het college rondloopt en schrijft een andere dag dat er verschillende van zijn klas naar Brussel zijn gegaan om daar een examen af te leggen, wellicht voor een of andere overheidsbaan.

Maar wat stond er nu in die brief van de Zeevaartschool? Daarover schrijft Roger niks. Gelukkig heb ik me inmiddels wat weten te verdiepen in de literatuur over de Zeevaartschool en het schoolschip Mercator. Een in 2020 overleden dorpsgenoot, Gust Vandegoor, schreef in 2009 bijvoorbeeld “Het schoolschip Mercator en zijn commandant Remi Van de Sande”, een prachtig boek met interessante weetjes en fraaie foto’s. Vandegoor kreeg toegang tot het archief van Remi Van de Sande, nog zo’n merkwaardige en boeiende Haachtenaar die meer op zee zat dan bij vrouw en kinderen. In de gemeente is niet alleen naar hem zelf, maar ook naar die beroemde barkentijn waarover hij van 1928 tot 1955 het gezag voerde, een laan genoemd.  

De Hogere Zeevaartschool in Antwerpen

Tegenwoordig is dat boek van Gust Van De Goor haast niet meer verkrijgbaar. Het is zelfs niet te leen in de bib van Haacht. Je kan het wel nog hier en daar vinden bij boekhandels met tweedehandsboeken en in de bib van buurgemeente Keerbergen. Misschien ligt er nu nog één gloednieuw exemplaar te koop in het boetiekje waar je de tickets voor de Mercator moet kopen, want de loopbaan van de driemaster werd in Oostende geheroriënteerd van schoolschip naar museum. Vorige week kocht ik daar, bij een bezoek aan het schip met het oog op dit verhaal, het voorlaatste nog in cellofaan verpakt exemplaar.

In het boek van Gust Van De Goor vond ik over de organisatie van de opleiding tot officier ter lange omvaart, het studieprogramma en de studiekosten heel wat nuttige informatie. Wordt dus vervolgd.

Geplaatst in cultuur, familie, geschiedenis, uit de boekjes van mijn vader | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Sint Leo (2)

Bij het lezen van de boekjes met de drie laatste schooljaren van Roger aan het Sint-Leocollege moest ik vaak terug denken aan mijn eigen jaren in het hoger middelbaar. De wereld en de manier van les geven zijn in die zowat drie decennia tijdsverschil enorm geëvolueerd. Maar wat scholieren door het hoofd gaat, wat ze beleven en hen drijft, is nauwelijks veranderd.  

Soms zoek ik tussen de dagboeklijnen van enkele woorden naar betekenissen die er misschien niet zijn. Ik schrijf erover en realiseer me dat ik misschien willens nillens een jongen boetseer die een man in wording was zoals ik op zijn leeftijd. Want zoals mijn vader zat ik op school regelmatig in vervelende lessen waar ongeïnspireerde, onverschillige, ongemotiveerde en soms zelfs pesterige leerkrachten op mijn zenuwen werkten.

Maar evengoed als toen compenseerden schitterende leraars die een verschil maakten die ledigheid en verveling. Ze prikkelden mij en Roger om onze talenten te ontwikkelen en onze nieuwsgierigheid te bevredigen. Allebei verslonden we in die jaren kranten en weekbladen. Soms werden we ook gedreven door opstandigheid en het streven naar meer vrijheid, van onze ouders en van de school. We deelden de drang om groot te willen doen terwijl we nog net te klein waren en door de mand vielen. We kregen de klappen waarom we vroegen, zoals Boudewijn De Groot zong. En we kotsten onze overmoed uit in het toilet of verstopten ze onder de mat.

In die belangrijke laatste collegejaren voelden we de ambitie groeien om goed te worden in wat we graag deden. Onze dromen om iets te maken van ons leven werden stilaan een wil. Alles wat er bij mij goed was, vind ik terug bij mijn vader. Over wat er bij mijn vader minder goed was, sprak hij later zelden of nooit. Maar nu lees ik het in zijn boekjes. Ja, nu lees ik het toch in die boekjes, hoewel ze voor iedereen al die jaren streng verboden lectuur waren gebleven. Maar hij is er de controle over verloren toen hij onverwacht in de ziekenwagen in coma gleed, op weg naar het hospitaal waar hij overleed. Zijn levenswerk is onbestemd gebleven. Maar nu, 23 jaar na zijn dood, mag ik hem van mijn moeder door die boekjes beter leren kennen.

Zelden in grote emoties of filosofische beschouwingen, vooral in trivialiteiten en details waarachter veel onuitgesprokens schuilgaat, bouwde hij elke dag aan die toren van neergeschreven belevenissen. In maart 1953, twee maanden voor zijn zestiende verjaardag, noteerde hij dat hij een huiswerk moest “hermaken” en dat hij voor straf 200 keer “had geïnd” moest schrijven. ’s Anderendaags moest hij dat nog eens overdoen, met de woorden “verleden deelwoord plus d” erbij. Twee dagen later schrijft hij doodleuk in zijn boekje dat Ma het vertrek “geschildert” heeft.

De week daarop moet hij van priesterleraar De Zeure – ik weet niet of dat een bijnaam is of zijn werkelijke naam – een opstel schrijven met als titel: “Het nut van het opletten”. Roger moet zelfs eens bij Zijne Eerwaarde Heer Principaal, zoals de schooldirecteur toen werd genoemd, op het matje komen, voor vijf slechte punten gedrag die hij verzameld heeft. Drie weken later heeft hij weer 4 slechte punten voor gedrag aan zijn broek, “om in Kamiel zijn gat te schoppen”.

Nog dezelfde maand krijgt hij van De Zeure vier slechte punten voor slechte werken en lessen. Een van zijn vrienden moet voor straf vooraan in de klas op z’n knieën gaan zitten. Zelf moet hij opstellen schrijven over “Drie maal doen wat de bewaker vraagt” en “Mijn lange tong en interessante gesprekken”. Aan verbeelding hadden die priesterleraars geen tekort.

De jongens haalden zoals wij kattenkwaad uit en bezondigden zich soms aan regelrechte deugnieterij waar ze later spijt van kregen. Ook zij waren al eens frank, stout en ongehoorzaam en bevochten in de puberjaren hun positie in de klasgroep. Ze staken elkaars banden plat, pikten elkaars boterhammen, trokken elkaars schoenen uit in de klas, verkenden het verboden gebied van de kloosterzolder, zeurden tijdens de wedstrijden en werden bij dit alles soms gepakt, waarna een straf volgde.

Maar ze beleven ook heerlijke avonturen. Op 17 juni staat Roger om 5 u op om de trein te nemen voor de schoolreis naar Dinant. Dat moet een bevrijdende knaller van een uitstap zijn geweest. Roger had van Pa 20 frank drinkgeld meegekregen. Voor het eerst lees ik dat hij in Dinant sigaretten gerookt heeft. Hij was om 11:05 u terug thuis en hij had 57 frank verteerd.

Mijn vader was als puber zo herkenbaar soms en tegelijk zo anders: hij moest veel meer werken thuis dan ik. Hij had van alles wat materieel was, minder. In geen van de drie boekjes over zijn collegejaren lees ik iets bijzonders op zijn verjaardag. Blijkbaar werd die toen nog niet gevierd. Van zodra hij zestien was moest hij bijdragen in de kost: heel zijn kerst-, paas- en grote vakanties bracht hij vanaf dan door in die Koninklijke Villa in Knokke, waar hij vaak ook nog weekendshiften deed. Van wat hij daar als loon verdiende moest hij thuis alles afgeven, behalve zijn drinkgeld. Gelukkig stroomde dat rijkelijk binnen. Ik denk dat hij zo meer verdiende dan ik met babysitten en met de stukjes over het Leuvens studentenleven die ik in mijn universiteitsjaren een tijdje voor de Gazet Van Antwerpen schreef. Hij kocht met zijn drinkgeld in zijn Knokse jaren onder meer een bibliotheekkastje, een horloge met een chronometer, een mechanische schrijfmachine en een fototoestel.

Op die leeftijd was mijn vader in Knokke een vrijer man dan ik als student in mijn Don Boscocollege of in de eerste jaren in Leuven. Na zijn dienst, verlost van strenge leraars en ouders die de jongeren kort hielden, kon hij doen wat hij wilde: uitgaan in Knokke, Blankenberge of Zeebrugge, in zee gaan zwemmen, voetballen of kaarten, achter de meisjes lopen of om sterke drank en sigaretten fietsen over de Nederlandse grens. Hij besteedde zelfs 170 frank van zijn drinkgeld aan een luchtdoop van een half uur in een sportvliegtuigje, vanop het vliegplein dat aan het Zwin grensde.

Zoals bij mij stak in die jaren zeker ook bij hem de hunker naar de meisjes de kop op. Bij mij zaten ze natuurlijk zomaar in de klas aantrekkelijk te wezen, soms nog smachtend naar de jongen van hun dromen maar evengoed zelf al ondernemend genoeg, wanneer en waar geen oog van een leraar het kon zien. Bij mijn vader kon er op school niks met meisjes, want het onderwijs was nog lang niet gemengd. Er wachtte je zelfs een nul voor gedrag als je buiten de school betrapt werd in het gezelschap van zo’n gevaarlijk wezen van het ander geslacht, zoals een van Rogers vrienden overkwam.

Toch was mijn vader ook op dat gevaarlijk terrein actief. Hij heeft een tijdje een vriendinnetje gehad met wie hij af en toe van school in de stad naar Sint-Pieters durfde fietsen. Hij wisselde met haar brieven uit en nam haar mee naar de beschuttende drukte van de sinksenfoor. Op een dag daverde de emotie van de bladzijde, toen hij noteerde “dat de pastoor haar gezegd heeft dat ik met 3 meisjes loop, de zot”, waarmee hij bedoelde dat zoiets pertinent onwaar was. Enkele weken later, na een ruzie op de foor, lees ik dat hij haar brieven heeft verbrand. Op basis van een bericht van een begrafenisondernemer dat ik via Google terugvond, vermoed ik dat ze helaas twee jaar geleden in Brugge overleden is. Ze is 81 geworden. 

familie | geschiedenis | uit de boekjes van mijn vader | Uncategorized
Geplaatst in familie, geschiedenis, uit de boekjes van mijn vader, Uncategorized | Tags: , , , | 3 reacties

Sint Leo

Mijn vader is geboren op 22 mei 1937. Hij zou dit jaar dus 84 jaar geworden zijn. Wat ik maar onlangs te weten ben gekomen, is dat hij op dezelfde dag geboren werd als een van mijn grote helden, Bob Dylan. Die was enkele dagen geleden in het nieuws omdat hij tachtig is geworden. En Bobs verjaardag kende ik tot nu nog niet van buiten.

Van die vier jaar jongere Dylan moest mijn vader toen ik een tiener was helaas niet veel weten, net zo min als de andere idolen waarmee ik dweepte, zoals David Bowie. Pink Floyd en Deep Purple vond hij nog het ergst, hij noemde het tjingeltjangelmuziek, die ik stiller moest zetten als hij thuis kwam van zijn werk. In zijn jonge jaren bleek mijn vader nochtans ook een ijverige overschrijver van liedjesteksten. De pubers, zowel jongens als meisjes, gaven die teksten aan elkaar door om ze over te pennen. Of ze die liedjes dan ooit samen zongen, daar heb ik het raden naar. Ik weet wel nog zeer goed dat mijn vader helemaal niet kon zingen.

Toen hij vader was geworden, toonde Roger zich altijd een fiere oudleerling van het Sint-Leocollege in Brugge. Kontakt, het blad van de oudleerlingenbond, viel jarenlang thuis in de bus. Regelmatig waren er feesten en bijeenkomsten van de oudleerlingen waar mijn ouders dan samen naar toe gingen en hij met enkele boezemvrienden zoals André sappige herinneringen kon ophalen die hij zijn kinderen onthield.

De school die in 1990 haar honderdste verjaardag vierde, was in de jaren vijftig een heraut van de moderniteit. Maar tegelijk lag ze stevig onder de knoet van de priesterleraars en de kerk. In die jaren van schoolstrijd tegen de wet-Collard onder de paarse regering Van Acker, een Bruggeling, werden de leerlingen van Sint-Leo zoals die van de andere katholieke scholen ook verplicht om mee te gaan betogen. Uit de 3,5 boekjes die Roger sinds 1953 vulde terwijl hij op Sint-Leo zat, die zijn hogere middelbare schooljaren bestrijken, kon ik de fierheid over zijn college nergens letterlijk aflezen. Gevoelens komen in de boekjes van mijn vader dan ook amper voor.

Toch snap ik enigszins waarom Roger op Sint-Leo was terechtgekomen. Die secundaire school zette zich als “moderne humaniora” af tegen het Sint-Lodewijkscollege in Brugge, de vijftig jaar oudere eliteschool voor de oude humaniora, met Grieks en Latijn. Ik vermoed dat het Sint-Lodewijkscollege meer bevolkt werd door leerlingen uit de betere middenklasse en de bourgeoisie. Thuis in de Poelweg moest er geschart worden om de schoolkosten van de oudste zoon te betalen.  

In Sint-Leo lag de klemtoon op talen (Nederlands, Frans, Engels en Duits), economische wetenschappen (met vakken als handelsrekenen, boekhouden, recht en economie) en wiskunde (met vakken als rekenkunde, stelkunde, meetkunde, driehoeksmeting en financiële stelkunde). De leerlingen kregen er ook nog aardrijkskunde, natuurwetenschappen, geschiedenis, esthetica, lichamelijke opvoeding en natuurlijk godsdienst, dat toen godsdienstleer heette. In het vierde jaar kwamen daar nog tekenen, muziek en dactylo bij. De klassieke studierichtingen Latijn en Grieks zouden in Sint-Leo pas vanaf de jaren zestig worden onderwezen.

Volgens zijn drie laatste schoolrapporten behoorde Roger net tot de betere helft van de klas. Het jaar was verdeeld in 2 examenperiodes, die wedstrijden werden genoemd. Uitgerekend wanneer hij van de zes wedstrijdperioden van die drie humaniorajaren het hoogste algemeen percentage behaalde, 66,7%, noteert de klasleraar bij de rubriek opmerkingen in een Nederlands waarin het West-Vlaams resoneert: “een beetje meer poer er achter steken!”

In Sint-Leo werden de leerlingen zelfs ’s zondags nog op school verwacht. Ze moesten er om half tien de mis bijwonen, waarna er speeltijd volgde en studie vooraleer ze om half twaalf terug naar huis mochten. Geregeld werd de studie vervangen door een voordracht door een gespecialiseerde spreker. Die onderhielden de studenten over een waaier van onderwerpen om hun algemene ontwikkeling te stimuleren: tuberculose, Amerika, idealisme, verwaarloosde kinderen, de atoombom, het leven in Congo,…

Vooral in de goede week voor Pasen werden de leerlingen haast meer in een kerk of in de schoolkapel gesommeerd dan in de klas: palmwijding en mis op Palmzondag, biechten op woensdag, mis, lof en preek op Witte Donderdag, op Goede Vrijdag eerst mis en dan in de namiddag naar de kruisweg in de Heilige Bloedkapel, op zaterdag terug eucharistieviering en op Pasen naar de mis en de vespers.

Toen Roger op sommige drukke zondagen door de maître d’hotel gevraagd werd om in Knokke in de Villa te komen werken, moest hij vooraf eerst permissie vragen om ’s zondags niet op school te verschijnen voor de mis en de studie. Roger belde dan vrijdag naar Knokke, waarvoor hij naar het boerenhof van de bevriende Stubbes moest omdat ze thuis geen telefoon hadden. In zijn boekje noteerde hij telkens dat dit hem 3 frank kostte. Het gebeurde ook wel eens dat de postbode een telegram van Knokke in de Poelweg kwam bezorgen, wanneer Roger dringend moest komen om een personeelstekort op te vullen. Maar in Sint-Leo werd de vraag om op zondag naar de Villa te mogen gaan regelmatig geweigerd. Dan vertrok Roger toch nog zo gauw hij kon na de schoolse plichtplegingen naar het restaurant in het Zwin en kwam hij ’s zondags pas laat naar huis. Want gaan werken leverde centen op!     

Geplaatst in familie, geschiedenis, uit de boekjes van mijn vader | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Duiven en vogels

Net was het tweede schrijfsel over de boekjes van mijn vader gepubliceerd of ik kreeg een sms van mijn moeder: “bel me eens als ’t past”. Groot nieuws. In de stalen koffer had ze onderin nog twee oudere agenda’s gevonden, van de jaren 1953 en 1954. Mijn vader was dus niet op z’n zeventiende, maar op z’n vijftiende die stapel boekjes beginnen vullen.

Ik heb er nu drie helemaal uitgelezen. Langzaam wordt de puzzel van het leven van Roger als adolescent completer. Het oudste boekje was al zo door de tand des tijds beschadigd dat mijn moeder me een elastiekje gaf om de pagina’s in de goede volgorde samen te houden. Aangezien ik al het boekje van 1955 gelezen had, kreeg ik in die van 1953 en 1954 wat bijkomende informatie over zaken die me eerst nog voor raadsels stelden. In 1953 was het geschrift van Roger groter dan in de latere twee en noteerde hij minder op de kleine halve bladzijden. De dagelijkse invulopdracht voor het slapengaan moet duidelijk nog groeien. Op 1 januari 1953 begint hij zijn levenswerk met volgende woorden: Sneeuw. Gaan nieuwjaren. Ma: 20 fr, Pa: 50 fr: P: 20 fr gekregen. F. Stubbe gestorven.

De twee oudste boekjes

De Stubbes waren in de latere boekjes al herhaaldelijk opgedoken. Het was een familie van boeren uit de buurt waarmee de familie Dejaegher goed bevriend was. Dat bleek uit de vele notities over de handjes die Roger maar ook zijn zus Rosette en soms ook al eens Pa op de boerderij gingen toesteken, van fruit oogsten uit de boomgaard, bieten steken tot graan dorsen. Vijf dagen na zijn overlijden werd F. Stubbe begraven. Er lag nog altijd sneeuw op 6 januari en het vroor tot -4°C. Mijn vader heeft F. helpen dragen, schrijft hij, ik vermoed als misdienaar. En hij is op het boerenhof mogen blijven eten ’s middags. De vijftienjarige eindigde het relaas van de droeve dag met een laconieke mededeling van een geheel andere orde: Een vink gevangen.

Laat me even wat uitweiden over de fascinatie voor vogels in die jaren. Adrien, de zes jaar jongere broer van mijn vader, was er ook door betoverd. Met de hond Dolly gaat hij wel eens op jacht naar waterhennen, wat verder in de beek. De hond lukt er eens twee dagen na elkaar in om een waterhoentje te pakken. Een andere keer slaat Adrien een waterhen aan de haak met vishaakjes. Op een dag slaagde Adrien erin om zes vogels te vangen. Pa bracht al eens lijmstokken mee, dat kon geholpen hebben. De broer van Roger tikte ook ergens een Vlaamse gaai op de kop of bracht een kraai mee om op te kweken. Of hij dat heeft klaargespeeld, blijft een raadsel.

Ook Roger’s vader laat zich als een vogelliefhebber kennen: hij slaagde er op zekere dag in een duif op z’n nest te pakken. Ik neem aan een wilde, want daarnaast zie ik mijn latere peter doorheen de bladzijden rijpen tot de gepassioneerde duivenmelker die ik zelf nog jarenlang heb gekend. Het verhaal begint met Ma die om duiveneten is geweest. Enkele dagen later kapte Pa een duivengat en timmerde hij een duivenkot. Wat later noteert Roger dat hij 50 frank heeft bijgedragen voor de duivenmand voor Pa, die 200 frank kostte.

De start van een levensverhaal

Pa heeft dus plannen om met de duiven te spelen. Hij abonneert zich op het duivenblad Duifke Lacht, waar ook mijn moeders vader op geabonneerd was. De eerste vermelding van zijn duivenspel lees ik op 4 juli 1955. Hij doet mee op Sint-Pieters aan de Tuinwijk. Twee dagen later gaat hij gaan reclameren omdat de uitslag van zijn duiven niet juist was. Blijkbaar krijgt hij gelijk, want nog twee dagen later mag hij naar het duivenlokaal om zijn prijzen af te halen: een beker, een veloband, een doos koeken en 145 frank.

Dan komt het echte werk: Pa laat duiven inkorven voor Arras en gaat ’s zondags regelmatig naar de Kolibrie, het duivenlokaal waar ook mijn andere grootvader, Nestor Dermul, kind aan huis was. Het zou kunnen dat de fabrieksarbeider en de tuinier in de Brugse plantsoendienst elkaar via hun hobby hebben leren kennen. Als hun beider oudste kleinzoon keek ik jaren met bewondering naar de tinnen borden op de eiken kasten in hun woonkamers, de getuigen van roemruchte verwezenlijkingen.

Duivenbestemmingen als Arras of Clermont-Ferrand zullen nog vaak weerklinken in mijn kinderoren. Als de duivenberichten op de radio werden voorgelezen, moesten de kinderen muisstil zijn. En als de duiven gingen vallen, mochten we niet mee buiten op de koer gaan kijken naar de spectaculaire thuiskomst, om die door onze ongewone aanwezigheid niet te vertragen.

Koning Nestor Dermul, kampioen jonge duiven

Op 6 mei 1955 krijgt Pa bronchitis. De dokter geeft hem acht dagen ziekteverlof. ’s Anderendaags komen de nonnen van het Wit-Gele Kruis hem twee spuiten toedienen. De volgende dag wordt hij één keer geprikt, de dag daarop weer twee keer. Het blijkt een erg hardnekkige bronchitis te zijn want tot 22 mei zal Pa volgens de notities van zijn zoon in totaal elf pikuren van de nonnen gekregen hebben. Roger krijgt de opdracht om Pa’s duiven te laten inkorven, want op zondag 22 mei speelt hij eindelijk weer mee. En s’ anderendaags gaat Pa weer aan het werk als tuinier van de stad.

Vele jaren later, als naar eigen zeggen zijn ogen te slecht zijn om de duiven nog te zien vallen, besliste mijn peter van de ene dag op de andere al zijn duiven weg te doen. Terwijl we elkaar toen ik groot was geworden als mannen in de ogen keken bij het handen schudden, voelde het vaak alsof met de duiven ook zijn levenslust was verdwenen. Trifon Dejaegher overleed op 81-jarige leeftijd op 20 november 1990 in het AZ Sint-Jan in Brugge, in zijn ziekte gesterkt door de Heilige Sacramenten.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen

Zeer veel volk!

Met onderstaand verslag van nieuwjaarsdag januari 1955 begon de 17-jarige Roger Dejaegher zijn eerste boekje. In die jaaragenda’s komen op elke bladzijde in enkele regeltjes de gebeurtenissen van twee dagen te staan. Per dag heeft Roger daarvoor 4,5 bij 6,5 cm witte ruimte. Het dwingt hem heel kleine lettertjes te pennen en afkortingen te gebruiken.

Gedurende de rest van zijn leven zal Roger elke dag in zo’n boekje schrijven. Sommige weetjes zal hij elke dag bijhouden: hoe laat hij is opgestaan en weer naar bed ging en welk weer het was. Andere gebeurtenissen noteert hij als ze zich voordoen, bijvoorbeeld hoeveel drinkgeld hij kreeg, de uitgaven die hij maakte, de klusjes die hij verrichtte, het aantal eieren dat de kippen hadden gelegd, hoe en met wie hij zijn vrije tijd besteedde, wanneer hij zich schoor of zijn fiets poetste, …

1 en 2 januari 1955

Sommige regelmatig weerkerende zinnetjes plaatsen me voor een raadsel dat ik wellicht nooit zal kunnen oplossen. “Niet naar de beenhouwer geweest” bijvoorbeeld. Alsof hij elke dag naar de beenhouwer ging en achteraf wilde kunnen opzoeken wanneer hij niet was geweest. Of de keren dat hij met N. van school naar huis fietste. Wie was N? Het is de enige persoon die hij met één letter omschrijft.

Roger zat in het voorlaatste jaar van de moderne humaniora op het Sint-Leocollege, waar hij de economische richting volgde. Hij zou pas op z’n negentiende aan Sint-Leo afstuderen. Dat kwam omdat de school waar hij het basisonderwijs had gevolgd, de Sint-Jacobsschool van de Broeders Xaverianen in de Brugse Ezelstraat, nog zeven leerjaren telde in plaats van zes. Dat was toen nog in veel basisscholen zo.

In de Poelweg in Sint-Pieters Brugge, op dat moment nog een onverharde weg aan de buitenste kant van het dorp, woonden op nummer 23 Triphon en Sylvie met hun vier kinderen en de hond Dolly. Roger was de oudste. Hij had twee jongere zussen, Rosette (16) en Christiane (4), en een kleine broer, Adrien (11). De kleine Christiane heeft in die eerste koude januaridagen met vorst en sneeuw een paar keer na elkaar ’s nachts gespogen. Mijn tante Christiane zou mijn jongste tante worden. Ze deed haar plechtige communie in het jaar dat ik geboren werd.

Zoals ik vier jaar geleden al eens schreef (https://peterdejaegher.com/2017/03/29/in-de-poelweg/ ) woonde het gezin in een halfopen bebouwing met een grote tuin vol groenten, aardappelen, bessenstruiken en een pruimelaar. Achter het woonhuis waren enkele aanhorigheden gebouwd: een werkruimte waar al het alaam stond, de “boeie”, met het duivenkot erboven en het toilet ernaast, een klein hok met een houten deur en een gemetste bak waarop een plank met een rond gat was bevestigd.

De Poelweg 23

Van het toilet kwam je door het “pardak”, een overdekte en aan de kant van het erf open ruimte, langs de achterdeur het woonhuis binnen. Vlakbij die deur werd onder het pardak achter een kamerscherm gekookt op een gasvuur. Zo bleven de kookluchten uit het woongedeelte en misschien vertrouwden Rogers ouders die gasfles niet in huis.

De doorsnee gezinswoningen uit de jaren vijftig waren lang niet zo comfortabel als vandaag. Zoals ik het me herinner, stonden er in de keuken kasten, met een gordijntje afgesloten rekken en een gootsteen met een pomp. Een ijskast was er niet, maar een deur gaf toegang tot een koelkelder.

Alleen de woonkamer werd verwarmd, met een kachel. Roger hakte of zaagde geregeld hout. Maar er werden ook kolen besteld, bij Verthé’s. 500 kilogram steenkool kostte 690 frank. Als het heel koud was, kon de salon met een dubbele deur afgesloten worden. Boven op de eerste verdieping waren de drie slaapkamers en de trap naar de zolder onder de dakpannen.

Hoe het met de elektriciteit in huis was gesteld, daar heb ik nog het raden naar. Maar er was alleszins nog geen telefoon of wasmachine in huis. Telefoneren, indien dat echt nodig was, werd bij bevriende buren gedaan. Roger noteerde wanneer zijn moeder ging wassen. Dat deed ze vermoedelijk in een wasserij in het dorp. De natte was ging dan mee terug naar huis om daar te drogen.

Triphon en Sylvie, fier voor hun huis

De mensen hadden lang niet zo veel kleren als nu. Als ze thuis waren, deden ze een schort om, een “schabbe”. Zo hielden ze de mooie kleren om naar school of het werk te gaan langer proper. Roger had vermoedelijk maar één lange broek. Hij had ook nog een stropbroek, zo’n broek tot onder de knieën waarin Kuifje zijn stripavonturen beleefde. Ik veronderstel dat die pofbroek zijn schoonste broek was, want hij noteerde in zijn boekje op welke dagen hij die droeg.

Een zwartwit tv-toestel was er nog niet. De eerste uitzendingen in België waren nog maar in oktober 1953 gestart en toen kon je nog niet overal in het land tv kijken. Dat zou pas vanaf 1958 kunnen, ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling. De favoriete avondlijke bezigheid thuis was kaarten. Roger hield in zijn boekje bij of hij gewonnen of verloren had.

Christiane springt touwtje aan de boeie

Uit het eerste dagboekverslag van 1955 leid ik af dat Roger nog in de Koninklijke Villa in het Zwin was, waarschijnlijk al heel de kerstvakantie, om er te werken als kelner. Veel later, toen hij mijn vader was geworden, heeft hij wel eens verteld dat hij al op jonge leeftijd tijdens al zijn schoolvakanties moest gaan werken. In dat chique Knokse restaurant bijvoorbeeld, waar hij goed Frans leerde spreken, was hij op z’n zeventiende al opgeklommen tot garçon en gaf hij van zijn drinkgeld door aan de commissen, de minder ervaren kelners.

Op Nieuwjaar 1955 heeft hij een kaartje van thuis ontvangen, met nieuwjaarswensen en wat nieuws over zijn vaders bezigheden. Dat schreef hij dus ook op: wat de gezinsleden voor bijzonderheden deden, van de permanente die ma ging laten zetten tot het kostuumpje dat Rosette had besteld bij de kleermaker, of van de kleine Christiane die hij had ingewreven met sneeuw en Adrien die zes vogels had gevangen. En dat de hond Dolly ziek was.

De Koninklijke Villa, klaar voor de service

Hij noteerde op 1 januari dat er in het chique restaurant zeer veel volk was, niet onlogisch op een nieuwjaarsdag. ’s Anderendaags schrijft hij dat Jean die nacht in zijn bed gebraakt heeft. Waarschijnlijk hebben de personeelsleden na de service op nieuwjaarsdag zelf ook een stevig feestje gebouwd. Jean ging op 2 januari met André al na de thee terug naar huis. Mijn vader vertrok een dag later, met een taxi, de tram en de trein. Die dag noteert hij ook dat hij 1.000 frank aan zijn moeder gaf. Het vast loon dat hij in de Koninklijke Villa verdiende, moest hij afgeven, het drinkgeld mocht hij houden. Zo ging dat toen. Maar gelukkig was er zeer veel volk, en dus ook veel drinkgeld!

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | 4 reacties

Geen piloot

Zolang ik mijn vader heb gekend, schreef hij elke avond de gebeurtenissen van de dag op in een boekje. Wat hij schreef, bleef duizenden dagen een groot geheim. Tot zijn overlijden in 1998 heeft hij zo tientallen boekjes vol gepend, van die kleine jaaragenda’s uit de tijd dat er nog geen smartphones bestonden.

Die boekskes, zoals we als kind die agenda’s leerden te benoemen, hebben sinds mijn vaders dood in een stalen koffer gerust in de slaapkamer van mijn ouders in ons ouderlijk huis. Nu is de koffer mee verhuisd naar het appartement waar mijn moeder woont. Na verschillende keren vragen, niet te vaak en niet te gretig, en gespreid over meerdere jaren om haar niet te froisseren, heeft ze me eindelijk inzage verleend. In de twee eerste boekjes, van 1955 en 1956. Al sinds ik blog op deze pagina’s, speel ik immers met het idee om met die boekjes van papa ooit iets te doen.

het eerste boekje, 1955

Het eerste boekje heeft een versleten bordeauxrood lederen kaftje. Zo’n agenda van de jaren vijftig is op zich al een curiosum. Op de pagina’s van de binnenomslag staan de toenmalige verkeersborden afgedrukt, met lekker ouderwetse tekeningen in het bord. Er is op de volgende pagina’s veel ruimte vrijgemaakt voor tal van persoonsgegevens die de eigenaar kan invullen. Vandaag doen die de wenkbrauwen fronsen: je kan er de afmetingen van de banden van je auto of moto invullen, de maat van je handschoenen, schoenen, boord (“col” in het Frans) en hoed. Onder die toenmalige essentialia kan de eigenaar van de agenda invullen op welk adres men moet verwittigd worden als hij of zij een ongeval is overkomen. Mijn toekomstige vader heeft die plaats leeg gelaten.

Bij de pagina’s met ruimte voor adressen heeft hij wel verschillende namen ingevuld die mij niets zeggen, op die van André na, de vriend waarmee hij studeerde aan het Sint-Leocollege in Brugge. Ik ken hem omdat mijn vader met die inmiddels ook overleden vriend en zijn gezin heel zijn leven lang contact heeft gehouden. Het was altijd prettig om met die familie met vijf kinderen samen te komen en kattenkwaad uit te steken.

Uit de eerste summiere schrijfsels in het boekje leid ik af dat mijn vader in 1955 in het laatste jaar van zijn secundair onderwijs aan Sint-Leo zat. Hij woonde nog bij zijn ouders in de Poelweg in Sint-Pieters Brugge.

Op de tweede pagina voor adressen staan nog enkele andere namen waarbij telkens een nummer met vijf cijfers staat vermeld. Ik neem aan dat het om telefoonnummers gaat. Het moge duidelijk zijn dat de meeste gewone mensen thuis toen nog geen telefoon hadden. Ook bij mijn vader thuis was er geen telefoon. Als hij wilde telefoneren, ging hij naar kennissen die wel zo’n toestel in huis hadden.

Bovenaan het lijstje van contactpersonen met een nummer staat de Koninklijke Villa. Die ken ik uit zijn oudste fotoalbums. Het was het restaurant in het Knokse Zwin waar mijn vader vooraleer hij ging varen, elke schoolvakantie als kelner werkte. In zijn agenda hield hij dagelijks bij hoeveel fooi hij daar opstreek, naast zijn gewoon loon.

Die villa werd in 1934 gebouwd door koning Leopold III, die er vaak kwam verpozen met zijn geliefde koningin Astrid, tot zij een jaar later in het Zwitserse Küssnacht bij een verkeersongeval het leven liet. In 1952 maakte graaf Léon Lippens van het Zwin het eerste natuurreservaat van België. In de Koninklijke Villa bracht hij een restaurant onder, met daarrond een hele resem kooien voor een keur van bewonderenswaardige vogels.

Volgens De Standaard van 18 april 2009 was dat in de jaren vijftig een revolutionair concept. De bezoekers van het Zwin konden een exquis hapje eten in het restaurant en daarna wat kuieren tussen de kooien, waar de vogels zich gevankelijker lieten spotten dan op het strand, vooraleer ze zich verder gingen vermeien in de duinen en pannen van het grote vogelreservaat. Bij de vernieuwing van het Zwin in 2009 werd de Koninklijke Villa afgebroken.

Na de contactpersonen bevat het boekje nog talrijke pagina’s met de heiligen- en maankalender, maten en gewichten, zelfs de Engelse, summiere tips voor eerste hulp bij brandwonden, armbreuken, beenbreuken, bewusteloosheid en verdrinking, een overzicht van de feestdagen tot 1964, tijdstabellen voor andere tijdzones, autokenletters van Europese landen, kleurenkaartjes en stadsplannen van Antwerpen, Brussel en Luik. Met als uitsmijter een maattabel voor het gewicht van mannen, vrouwen en kinderen, op basis van hun lengte. Daarin kon mijn vader aflezen dat hij voor zijn lengte van 1 meter 72 tussen de 68 en de 73 kilogram mocht wegen. “Het gewicht van een volwassene”, zo staat er geschreven, “moet ongeveer met het getal in cm. boven 1 m. voor de mannen en 1,03 m. voor de vrouwen overeenkomen.”

Maar de grootste verrassing vernam ik op het einde van het inleidende gedeelte van de agenda, op de bladzijde waar nota’s kunnen worden toegevoegd. Mijn vader had daar erg beknopt wat gegevens opgeschreven over pilotenopleidingen: voor zweefvliegen moest je in St-Hubert zijn en de opleiding van piloot bij Sabena gebeurde in Grimbergen. Toen ik mijn moeder verbaasd vroeg of papa dan piloot had willen worden in plaats van zeeman, antwoordde ze: “ja, hij wel. Maar de Zeevaartschool moest hij al zelf betalen, piloot worden was bij hem thuis dus helemaal onbespreekbaar en onbetaalbaar.”     

Geplaatst in familie, geschiedenis | Tags: , , , | 1 reactie

De notenboom

Net nu het toeval me terug in contact bracht met enkele volwassen geworden jongens en meisjes uit mijn kindertijd in Nossegem, denk ik terug aan onze notenboom in Wespelaar. Over die boom heb ik in 2016 al eens verteld, een speechke dat ik uitsprak bij het verrassingsfeest voor de 75ste verjaardag van mijn moeder.

Die tekst begon aan de tafel in onze woonkamer in de Pachthofstraat in Nossegem. Iets minder dan een halve eeuw geleden trok papa daar de gesprekken op gang over ons nieuw huis. We zouden in 1973 verhuizen naar Wespelaar, een dorp dat vanaf 1978 ingedeeld is bij de fusiegemeente Haacht. Ik weet het nog goed: ik was tien jaar oud. Op een donkerblauwe T-shirt stond dat nummer genaaid. Mijn broer had hetzelfde T-shirt gekregen, met nummer vier op. Er zijn ergens nog super 8-filmpjes waarop wij tweeën met dat T-shirt staan, aan het ravotten rond het niet omheinde huis in Wespelaar waar de tuin nog overging in de vrije natuur.

Die naam alleen al: Wespelaar. Wat een grote verwachtingen gingen erin schuil voor iemand die in Nossegem woonde. Het klonk haast zo mooi als Brugge, volgens mijn vader, die tenslotte de wereldzeeën had bevaren, de schoonste stad ter wereld. Zelfs de naam van de straat sprak hij met eerbied uit: Olivier de Spoelberchstraat. En die d schrijf je met een kleine letter, zei papa, want dat is een adellijke naam. Lang heb ik ernaar uitgekeken om de graaf van Wespelaar in onze straat eens tegen te komen.

In wat voor een droomhuis zouden wij gaan wonen, als je papa bezig hoorde. Hardop dromen, het was een geliefkoosde bezigheid bij ons aan tafel. Over de Fiji-eilanden of een zeiljacht. En in de aanloop naar die zomer van 1973 vooral over wat er allemaal mogelijk zou worden na de verhuizing. Grotere slaapkamers. Een garage met twee poorten, waarin we zouden kunnen pingpongen. Een reusachtige woonkamer met een open haard. Een bureau. Een logeerkamer voor als er familie uit Brugge met vakantie kwam.

Een enorme tuin. In die tuin zou plaats zijn voor een hoge schommel, een voetbalplein, een tennisveld, een zwembad zelfs. En naast en achter die tuin bossen en braakliggende velden om in te spelen en kampen te bouwen. Alles was mogelijk. Het voetbalveldje kwam er. Naast ons huis. Later maakten we met de kinderen uit de buurt ook nog een atletiekveld om Olympische Spelen na te spelen en een crossparcours voor mountainbikes die nog uitgevonden moesten worden. De schommel kwam er. De pingpongtafel kwam er. Het tennisplein kwam er. Op straat, want er reden toen nog geen auto’s in de Olivier de Spoelberchstraat omdat er nog geen andere mensen woonden. Alleen het zwembad werd altijd maar uitgesteld. Om veel redenen. Vooral om redenen die bij kinderen geen begrip wekken. Uiteindelijk vergaten we dat zwembad. We hadden al zoveel gekregen.

In de tuin maakte ook papa zijn dromen waar. Een tuinhuis, een groententuin vol ongespoten groenten en fruit. Kippen die scharreleieren legden. Konijnen om te kweken. En een echte druivenserre, afgebroken in Overijse en langzaamaan terug opgebouwd in de tuin, een meerjarenproject.

Maar het belangrijkste van die droomtuin heb ik nog niet vermeld. De notelaar. Toen papa het kleine boompje met een stam als een stok plantte, was het drie jaar oud. Nog zeven jaar wachten, zei hij, en dan hebben we okkernoten. Zeven jaar! Het was een eeuwigheid voor de tienjarige die ik was.

Het is inmiddels 23 jaar geleden dat onze papa onverwacht stierf. Onze notelaar die nadien jaar na jaar verder groeide, deed me nog vaak aan hem denken. Want die notelaar heeft de verwachtingen van papa volslagen ingelost. Jaar na jaar dikte zijn stam en strekte hij zijn takken en bladeren verder uit over de tuin. In de zomer was het heerlijk toeven onder zijn lover. Kilo’s noten leverde hij elk jaar trouw af. Mama deelde ze kwistig uit. Net als mama was de boom de jongste jaren wat scheef gegroeid. Je zou voor minder, na al die vruchten die hij heeft gegeven, al de bescherming, de troost en het geluk dat we onder zijn bladeren hebben gevonden.

Het leven trekt de mensen verder zoals de seizoenen onze scheve notelaar. Zoals de mens zijn lot niet kan ontlopen, kan de notelaar er niet voor kiezen om eens een jaar geen noten te dragen. Het is hem onmogelijk om het botten, ontbolsteren, schaduw geven, bruinen en vallen van zijn bladeren eens een jaartje uit te stellen.

Zo’n twee jaar geleden verkocht mijn moeder ons ouderlijk huis. Ze ruilde het voor een appartement in Haacht, vlakbij het kerkhof waar Philippe begraven ligt. Over dat kerkhof worden soms grapjes gemaakt, maar bijgelovig is mijn moeder niet. Terwijl ze even in het ziekenhuis verbleef om een op hol geslagen hart te kalmeren, schreef ze zich alvast in voor de volgende reis met Okra.

Gisteren kon ik me niet meer houden. Ik moest onze oude tuin nog eens zien. Langs de nieuwe verkaveling achter ons huis kon ik er alleen nog een glimp van opvangen. De tuin is sinds kort helemaal door andere tuinen ingesloten. Heel de buurt van ons ouderlijk huis is daarmee verkaveld. Vandaag is Haacht een verkavelingsgemeente met meer dan 15.000 inwoners geworden, een toename van haast 50 procent in vergelijking met het begin van de jaren zeventig.

Achteraan in de tuin stond de serre nog en het oude kippenhok. Boven het tuinhuis zag ik kale takken in de blauwe lucht grijpen. Onze notenboom komt straks weer tot leven. 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | 1 reactie

Het zeemansboekje

Op 10 december 1956 leverde de Koopvaardij en Zeevisserij van het Koninkrijk België het eerste en enige Zeemansboekje af aan mijn vader. In mooi gekrulde letters en zwarte inkt heeft hij de verplichte identificatiegegevens ingevuld. Bij de opruim van mijn ouderlijk huis kwam het als een relikwie uit de kast.
Lees verder

Geplaatst in familie, geschiedenis, Haacht, liefde, reizen | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Hoe Leopold II zijn Vrijstaat kwijtspeelde en een verrader held kon worden

In “De droom van de Ier” maakt Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa een geromantiseerd portret van Roger Casement, een Ier die als een van de eersten de massale uitbuiting en wreedheid in Congo Vrijstaat aan de kaak heeft gesteld. Door de aanhoudende kritiek op Leopolds bewind moest de vorst zijn privéstaat overdragen aan België.
Lees verder

Geplaatst in cultuur, geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Op veldtocht tegen de slavenhandel

Naast het sedert de onthanding historisch zeer betekenisvol geworden beeldhouwwerk van de gebroeders Courtens aan de Drie Gapers in Oostende, bevindt zich nog een merkwaardige bronzen plaquette. Ze bewijst eer aan Aristide Doorme, een in 1905 overleden officier, omschreven als de “Held der veldtochten tegen de Arabieren en de Batetelas”.

Van die veldtochten hebt u wellicht nog nooit gehoord, nietwaar? Wel, het zijn militaire campagnes die Leopold II in de Afrikaanse jungle liet ondernemen tegen Arabische slavenhandelaars. Het was één van de drie beloften van Leopold II die David Van Reybrouck aanhaalt in zijn onvolprezen meesterwerk Congo, een geschiedenis, op grond waarvan onze baardigste vorst in 1885 Congo als privéterrein verwierf.

Aan België beloofde de koning nooit geld te vragen voor zijn persoonlijk project in Afrika. En aan de Conferentie van Berlijn beloofde hij twee dingen: in Congo de vrijhandel te respecteren en de slavenhandel te bestrijden. Zo’n vijf jaar later, toen de vorst quasi bankroet was door de investeringen die hij in de infrastructuur van zijn Vrijstaat Congo had moeten laten uitvoeren, verbrak hij twee van die beloften.

Hij smeekte België om geld en dwarsboomde de vrijhandel waar hij maar kon. Dat laatste deed hij door alle Congolese grond die niet verbouwd of bewoond werd eigendom van de Vrijstaat te noemen, inclusief de ondergrond en de dieren en planten erin, erop of erboven, die soms lucratieve handelswaar opleverden, neem nu koper, ivoor of rubber. Die nationalisatie betrof zo’n 99% van het grondgebied. ‘Een pygmee die een olifant schoot en de slagtanden verkocht, voorzag niet langer op legitieme wijze in zijn onderhoud, maar beroofde de staat’, schrijft Van Reybrouck.

Aan de belofte om de slavenhandel te bestrijden, hield Leopold II zich wel. Volgens Van Reybrouck verschafte die hem een ideale dekmantel voor zijn expansiedrift. De krijgsverrichtingen tegen de slavenhandelaars concentreerden zich in Katanga, Oost-Congo en Zuid-Soedan. Eerst werd Katanga, het rijk van zo’n slavenhandelaar, vrij makkelijk veroverd. Leopold liet daar haast mee maken omdat hij wist dat de Brit Cecil Rhodes vanuit Zuid-Afrika ook zijn oog op Katanga had laten vallen, met de bedoeling om de Engelse koloniale bezittingen in Afrika aaneen te rijgen van de Kaap tot Kaïro.

De strijd om de andere gebieden was geen wandeling in Leopolds park. Zeker die om Zuid-Soedan. Leopold was betoverd door de Nijl, na zijn huwelijksreis naar Caïro in 1855. Als hij Zuid-Soedan zou kunnen veroveren, bedacht hij, zou hij de bovenloop van de Nijl controleren. Een regio die rijk aan ivoor heette te zijn. Leopold zette enkele expedities op touw, geleid door Belgische officieren, onder wie de Oostendse held Aristide.

Een leger van zwarte miliciens

Al die expedities mislukten. Dat kwam vooral omdat de soldaten van de Force Publique, het leger van de Vrijstaat dat bestond uit blanke officieren en zwart voetvolk, massaal aan het muiten sloegen. In de Vrijstaat had Leopold een nogal middeleeuws systeem van gedwongen rekruteringen ingevoerd voor zijn privéleger, de Force Publique.

De dorpshoofden en de missieposten moesten allemaal enkele jonge mannen afstaan voor het leger, waar die dan zeven jaar militaire dienst moesten kloppen. Wie ooit in ons land verplicht was om zijn militaire dienst te doen, was afhankelijk van de periode, zo’n acht tot twaalf maanden milicien. En die herinnert zich wellicht dat niet elke dienstplichtige met volle overgave zijn diensten aan het vaderland leverde.

In Congo Vrijstaat dus ook niet. Bovendien namen de soldaten vaak hun vrouwen, kinderen en ouderen mee op veldtocht met de Force Publique. Die veldtocht mogen de ex-miliciens niet vergelijken met een of ander militair kamp in Elsenborn of Leopoldsburg. Op die jungletochten in Leopoldland was zelfs voor de troepen geen ravitaillering geregeld. Dus nam de bonte bende wat men nodig had in de dorpen die het leger passeerde, nog zo’n middeleeuws gebruik.

De soldaten van de Force Publique en ook de dorpen waaruit ze stamden of waar ze door trokken, waren op die manier allesbehalve bevrijd van de slavernij. Integendeel: de militairen werden ziek, ze geraakten ondervoed, ze waren nauwelijks getraind, sommigen vochten met een geweer, anderen hadden alleen hun speer.

Hoeft het te verbazen dat er in de Force Publique muiterij uitbrak? Vier jaar zou die opstand duren, aangevuurd door de Batetela, lees ik bij Van Reybrouck. Meer dan zesduizend soldaten en hulptroepen zouden zich tegen hun commandanten hebben gekeerd, waarbij er tien Belgische officieren vermoord werden.

De officieren, onder leiding van hun commandant baron Dhanis, traden daar toen ook wat strenger op dan de instructeurs en bevelhebbers van ons leger onder de dienstplicht, die stoute miliciens wel eens tien keer lieten pompen of ze zelfs een weekend in de kazerne durfden te houden. Veelzeggend was al de bijnaam van commandant Dhanis, Fimbo Nyingi, wat betekent: ‘veel zweepslagen’.

Wat niet wil zeggen dat alleen de zweep voor de zwarte soldaten een straf was. Ook aframmelingen en de dood door ophanging of executie waren op weg naar Zuid-Soedan schering en inslag. Dorpshoofden die zich weerbarstig gedroegen, dreigden levend te worden begraven, hun hoofd net boven de grond, indien mogelijk in volle zon of nabij een mierenhoop.

Was Aristide Doorme een van de vermoorde officieren op die onmenselijke veldtocht? Wellicht niet. De veldtocht was in 1905, toen Doorme volgens de plaquette in Oostende overleed, al stopgezet. Maar zekerheid hierover heb ik in de me onmiddellijk beschikbare bronnen niet gevonden. Wie meer over Aristide of de opstand van de Batetela weet, mag het me altijd signaleren.

Van Aristide Doorme heb ik alleen een spoor teruggevonden in La mutinerie militaire au Kasai en 1895, een rapport van Marcel Storme voor de Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen uit 1970 dat als pdf te googelen is. Doorme wordt erin vermeld als de commandant van het kamp van Kasongo, op de rechteroever van de Lualaba, één van de vier zones die een belangrijke rol zouden spelen in de strijd tegen de Batetela.

In Congo doet Van Reybrouck het relaas van de 92-jarige Martin Kabuya, een kleinzoon van zo’n recalcitrant hoofd uit een dorpje nabij de Soedanese grens, die hij in Kinshasa sprak. Ook Martins grootvader werd levend begraven. Alle kinderen van zijn opa, ook zijn vader, werden daarop door de gebroeders maristen meegenomen naar het internaat van Buta, zeshonderd kilometer meer naar het westen. Daar werd zijn vader op de missiepost katholiek, huwde er en kreeg drie kinderen. Martin was van het gezin de laatste overlevende.

Het vaderland dienen, beschaving brengen en het geloof verspreiden, het waren harde stielen in de tijd van Leopolds Vrijstaat.

Geplaatst in geschiedenis, vrije tijd | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen