Onder katharen (5)

Regen dus, vroeg in de ochtend, zoals al de hele nacht en zoals voorspeld. Ward en ik hebben ons voorbereid. Hij met een regenbroek en regenjas en de beschermhoes over zijn rugzak. Ik zonder regenbroek en regenjas, maar wel met beschermhoes.

Op regen was ik gewoon niet voorzien. Een kw-tje had ik mee ja, van dertig jaar oud, zo lek als een zeef. Gelukkig mag ik een waterdicht exemplaar op overschot lenen. We stappen van onze gîte naar de Pélerin, waar een lekker ontbijt klaarstaat, vriendelijk geserveerd door een mooie jonge Baltische vrouw van Aziatische origine. Janos laat zijn boeventronie niet zien. We missen hem niet.

Daarna nog naar de bakker en de kruidenier. Bij de bakker in Montségur, een marathonloper, moet je de dag voordien je broden bestellen. Brood bakken moet in zijn trainingsschema passen, vermoed ik. En op weekdagen biedt hij weinig keuze: een groot of een kleiner artisanaal gebakken brood. In Montségur wordt geen brood teveel gebakken. En vijf euro voor een klein brood, tja goedkoop is anders. Hopelijk zijn de baksels zo lekker als de twee Vlaamse vrouwen die Ward en ik de avond voordien hebben ontmoet, ons verzekerden.

De kruidenier die tegelijk beenhouwer is, laat de klanten tien minuten in de regen staan wachten vooraleer hij zijn rolluik opentrekt. Dat is te begrijpen: niemand heeft zin in deze regendag. Maar toch. Wellicht daarom onderhoudt een vuilbekkende oude vrouw in peignoir ons van onder haar paraplu met roddelpraat over die luie beenhouwer die ooit militair was. We kopen nog worst en kaas voor onderweg en stappen dan het dorp uit, uitgewuifd door de kathaarse enactrice uit Antwerpen.

Deze tocht naar Roquefixade zit niet in het arrangement van La Ligne Verte. Daarom moeten we onze rugzakken zelf dragen. Gelukkig is de wandeling vandaag een van de kortste, zo’n 17 kilometer. In Roquefixade komt Dirk, de Vlaamse uitbater van B&B Infocus dus Sud, ons ophalen. Hij rijdt ons dan naar het nog wat verder gelegen Soula, waar we bij hem in zijn schitterende B&B met zwembad zullen overnachten en dineren. ’s Anderendaags voert hij ons naar de luchthaven van Carcassonne. Dat heeft mijn broer al allemaal op voorhand geregeld. Hij had ook kaarten afgedrukt maar die hebben we eigenlijk niet nodig: onze GR is goed bewegwijzerd.

De weersvoorspellingen in Frankrijk zijn niet altijd betrouwbaar, ondervinden we. Terwijl we met Montségur achter ons de bossen induiken, gaat de aanhoudende plensregen van de voorbije nacht en vroege ochtend over in gedruppel en droog maar zwaarbewolkt weer. Het pad blijft er natuurlijk wel modderig bij liggen.

De sentier blijft een hele tijd zowat parallel lopen met de D9 naar Montferrier. Daar moeten we de brug over de Touyre over, een klein maar krachtig stromend riviertje. Het dorp in de Arriège loopt zoals zoveel dorpen in de streek langzaam leeg. Van meer dan 800 inwoners in de jaren zestig schieten er nu nog zo’n 500 over. ‘Er is hier niets’, klaagt een opa die uit zijn raam komt hangen om een praatje te slaan met die vier Belgische gekken die op de grootste regendag van het seizoen naar Roquefixade willen, ‘zelfs geen winkel of café.’ Het plaatsje heeft nochtans wel wat bezienswaardigheden: een pittoresk kerkje met per honderd inwoners een klok en onder de brug die we over moeten, ligt naast de dam een opmerkelijke vistrap voor de forellen.

In het dorp volgt de sentier een smal asfaltbaantje dat steil de hoogte inloopt. Aan de rand van het dorp heeft een boer speciaal voor de trekkers in een open schuur een schuilplaats met een sofa ingericht, waar we even de rugzakken afgooien. We kruisen twee keer andere trekkers die vanuit Foix de Sentier in de andere richting aan het volgen zijn. Hun bergschoenen zitten al flink onder de modder. Nog altijd kunnen we in de verte af en toe Montségur zien liggen. Wat verder ploeteren we zelf door het slijk, maar de regen deert ons niet meer, onder het dik bladerdak van het woud waar we doorheen trekken.

Vlakbij een andere Départementale die we moeten kruisen houden we halt aan een zorgvuldig afgesloten blokhut om te picknicken. Het is droog als we ons brood, worst en kaas snijden. Zelfs de laatste uitgelopen restjes camembert vinden nog een liefhebber. Het brood is zwaar en vol smaak.

De laatste loodjes van onze katharentocht wegen daarentegen niet zwaar, hoewel we onze grote rugzakken torsen. Als we Roquefixade naderen, begint het zachtjes weer te regenen. Maar geen probleem, in Roquefixade is er een Gîte d’Étape. Daar hebben we afgesproken met Dirk van l’Infocus du Sud. Al een hele tijd zagen we tussen de wolken de oude burchtruïnes van Roquefixade uitsteken op hun rotspiek. Montségur op zijn pog en Roquefixade op zijn piek, zeventien kilometer van elkaar verwijderd, houden elkaar in het vizier.

De regen weerhoudt er ons van om de klim van het kleine dorpje naar de ruïnes te ondernemen. Je moet het lot nu ook niet overdreven tarten, als het weer je in weerwil van alle voorspellers al zo gunstig gezind is geweest. Tijdens de Albigenzische kruistocht is Roquefixade het lot van een belegering bespaard gebleven. Het was nochtans wel een plek van waaruit naar Montségur gevluchte katharen werden bezocht en geholpen. Een van de moordenaars van het commando dat de elf inquisiteurs in Avignonet had afgeslacht, wat de aanleiding vormde voor het beleg van Montségur, woonde trouwens met zijn vrouw en schoonmoeder in Roquefixade.

We zijn al blij dat we net op tijd zijn aangekomen om te schuilen in de Gîte d’Etappe, speciaal toegerust voor de trekkers langs de twee GR’s van de katharen, de GR 367 (Sentier Cathare) en de GR 107 (le Chemin des Bonshommes). We mogen onze rugzakken in het kantoortje van de baas deponeren en hoeven niet eens onze bemodderde bergschoenen uit te trekken om plaats te nemen in de brandschone lege gelagzaal. Waar onze blik meteen op een koelkast valt, gevuld met Belgische bieren als Duvel, Orval en La Chouffe. Meer hebben we op dat ogenblik echt niet nodig om onder ons vieren onze trektocht met een heildronk te beklinken. Volgend jaar keren we terug om de Sentier Cathare verder te zetten, spreken we af, van Quillan naar het oosten dan, richting Port-la-Nouvelle.

Een uurtje later leidt Dirk ons rond in zijn magnifieke B&B in Soula. Hij heeft voor ons de gîte klaargemaakt, verbouwd in een schuur aan het woonhuis. Ook daar bevindt zich een frigo met Duvel die goedkoper is dan in onze stamkroeg.

We aperitieven vroeg en maar goed ook, want het driegangendiner is bijzonder lekker. Als hoofdgerecht serveert Dirk, een voormalig keurslager, een heerlijke zelf gerookte en gebraden eendenborst met een keur van bijgerechten en groenten, versierd met bloemen en begeleid door passende wijnen uit de streek. Ondertussen onderhouden Dirk en zijn vrouw Leen ons over hun passie, hun B&B en hun hobby’s. Dat Dirk bijvoorbeeld een verwoed en kunstzinnig amateurfotograaf is, zit niet alleen in de naam van zijn herberg, maar zie je ook in alle kamers.

Wat spijtig dat de regen nu blijft stromen. We missen daardoor het uitzicht op de vallei, waar bij helder weer de ruïnes op de piek van Roquefixade vlakbij en Montségur in de verte nog altijd zichtbaar zouden zijn. We missen ook een duik in het zwembad. Mijn zwembroek is helaas voor niets meegereisd naar katharenland.

Advertenties
Geplaatst in geschiedenis, reizen | Tags: , , , , , | 2 reacties

Onder katharen (4)

Een kleine achttien kilometer tot aan de voet van de pog, leert de tochtbeschrijving voor onze voorlaatste dag stappen. Het wordt een hoogdag van de vijfdaagse door katharenland: op weg naar Montségur. Zoals de titel van die roman van Valère Depauw. Lees verder

Geplaatst in geschiedenis, reizen | Tags: , , , , , | 2 reacties

Onder katharen (3)

Soms heeft mijn broer zo’n goede ideeën, dat ik wenste dat ik ze zelf bedacht had. Nadat Rodrique ons in Montplaisir had gedropt, draaiden we daar wat hulpeloos rond op zoek naar de boer en zijn twee vrouwen. Ze doken op uit de boerderij aan de overkant van de weg, voorafgegaan door de bulldog. De Deense kwam uit een stal, gekleed en geschoeid zoals de dag voordien, zeulend met een emmer water. De boer en de boerin volgden haar op de voet, zonder emmers.

Bart haalde het cadeautje boven dat hij voor de boer bij Rodrique in Camurac had gekocht: enkele flesjes Belgisch bier. Chimay Rood. Blauw was beter geweest, maar die kleur had Rodrique niet in voorraad. De boer geraakte van contentement moeilijk uit zijn woorden. ‘Hebben jullie nog een minuutje?’ begrepen we en zonder ons antwoord af te wachten, stak hij de straat over om te verdwijnen in de boerderij waaruit hij gisteren tevoorschijn was gekomen.

Fier hield hij even later twee flessen met een roze doorzichtig vocht in voor onze ogen. Twee flessen van zijn eigen rosé. Vijftien jaar oud. Als dat nog maar te drinken valt, dacht ik maar ik beet op mijn tong. De boer vertelde dat hij al een tijd met pensioen is en dat hij zijn wijngaarden heeft verkocht. Maar met dat kelderrestje wou hij ons voor ons mooie gebaar bedanken. ‘Dat wordt smikkelen deze middag’, zei mijn broer. ‘En we hebben ook nog camembert over!’

Oei, dacht ik, zou de houdbaarheidsdatum van die intussen al flink stinkende camembert uit Quillan niet even sterk verstreken zijn als de wijn van de boer op rust? Terwijl Ward het kerkje bezocht en ik de wacht hield bij de rugzakken en wandelstokken, hadden Bart en Kristel in de Spar van Quillan proviand ingeslagen: de camembert, een al opgegeten salami en een blok lokale kaas, een nog ongeopend rondje smeerkaas, een voorraadje waterflesjes en twee stokbroden.

De Engelse gastvrouw van Casalys, de B&B waar we hadden overnacht, beweerde dat ze in haar net weer geopend huis onvoldoende eetbaars had om picknicks te maken. Dat gerenoveerd handelspand was wel echt een juweeltje. Dat vond blijkbaar ook Channel 4. Meteen bij onze aankomst vroeg een reporter van de Britse tv-zender, die er een Engelse versie van “Met vier in bed” aan het draaien was, of we zijn camera onze indrukken wilden toevertrouwen. En we hebben het vierstemmig aan Channel 4 gezegd: de gastvrouw en haar man hadden de Casalys, gelegen in een klein straatje met veel leegstand, bijzonder smaakvol ingericht. Helaas kan je je in de ontbijtruimte draaien noch keren en zijn de Engelse ontbijten op Engelse bodem veel royaler. Die laatste boude uitspraken heeft Channel 4 natuurlijk niet on tape gekregen.

Met twee flessen wijn in de rugzak namen we afscheid van de boer en zijn vrouwen en vatten we goedgeluimd de dagtocht aan. Van Montplaisir brengt het pad ons terug naar Camurac, maar dan via een schitterende omweg.

De tocht van alweer een kilometer of twintig leidde ons het eerste uur vrij vlak door de vallei. Een kilometer of twee verder in de vlakte hoorden we schieten. In de vallei waren jagers op pad. Ach ja, daar had Rodrique ons al voor gewaarschuwd. Het doet me terugdenken aan een avontuur op mannenweekend. Enkele jaren geleden waren mijn broer en ik met nog wat andere mannen tijdens een dagtocht in de Ardennen al eens op jagers gestoten. De waarheid gebiedt me toe te geven dat we toen fluks meerdere bordjes met Chasse en Accès Interdit hadden genegeerd.

Mijn schoonbroer Philippe, die er toen nog bij was, bedacht meteen een excuus voor het geval we politie op ons dak zouden krijgen. ‘Dan zeggen we gewoon dat we als Nederlanders op wandel in de Ardennen die waarschuwingen niet hebben begrepen.’ Tot we ineens midden in een drijfjacht waren terecht gekomen. Een bende woeste jagers had weinig oor naar de excuses. Ze hielden ons een dik uur lang midden in het bos gegijzeld, tot de jachthoorn het einde van la chasse blies.

De jacht in deze vallei van het katharenland was van een ander kaliber. De jagers groetten vriendelijk en gaven ons vrije doorgang langs het katharenpad, zonder zelfs maar te waarschuwen dat er wat kogels rond onze oren zouden kunnen vliegen. Als twintig meter verder een patrijs onder onze dekking vrolijk de sentier overstak, kon de jager die we net waren gepasseerd, zijn frustratie niet verbergen.

Op het einde van de vallei wachtte een bos waarachter een berg schuilging. Recht omhoog steeg het pad met scherpe stenen in de koele schaduw. We ploegden en ploeterden naar boven, hijgend, zuchtend, al gauw nat van het zweet. Om de paar honderd meter wachtte Ward, onze berggeit, de uitgerekte colonne van drie op. Een uur of twee later kwamen we aan de ruïnes van Serre Sec d’en Bas, de resten van wat vermoedelijk een afgelegen boerderij was, net voor we in door hekken afgescheiden weiden belandden waar schapen en hoger op koeien graasden. We hadden het uitgerekte Plateau de Languerail bereikt, meer dan 1.300 meter hoog. Een strakke noordoostenwind verkilde ons zweet alsof we in een frigo wandelden. Tijd om te lunchen. We probeerden wat beschutting te zoeken achter verspreid staande struiken en toch van de zon te genieten.

Het landschap was fenomenaal. We zagen kilometers ver, veel verder dan de rand van onze stafkaart. Met de verrekijker herkenden we de torens en wallen van Carcassonne en de einder lag nog achter vele verdere heuvelruggen. De camembert smaakte nog en zelfs de belegen rosé ging vlotjes binnen. We vonden het geweldig dat we Rodrique en Marjon hebben kunnen overtuigen om onze met kaas en hesp belegde stokbroden aan te vullen met hardgekookte eitjes en tomaten. En in de lunchpakketten zaten nog potjes met heerlijke stukjes meloen en suikerwafels.

Kort nadat de fles wijn leeg was, vervolgden we met verkleumde vingers het pad naar het westen. Langzaam draaide het zuidelijker rond de top van de berg. Uit de koude wind titelden onze vingers al snel. Helemaal in de diepte van het dal, zagen we op de stafkaart, moest de voor het blote oog onzichtbare Gorges du Frau lopen, een kloof die we morgen door moeten, op onze tocht naar Montségur. Volgens de kaart moest er ergens boven de bocht van het pad een Point de vue zijn, met een oriëntatietafel, maar we vonden het uitzichtpunt niet. Nogal wiedes, zou Rodrique later zeggen, het werd verplaatst onder het pad.

Wat mijn broer als eerste op een bepaald moment wel zag, kilometers ver, iets lager dan wij zelf op de Pas de l’Ours, maar toch nog hoog op zijn pog en magistraal wit afstekend in de zon, was het silhouet van de legendarische katharenburcht die in 1244 viel. Montségur zou de resterende dagen in katharenland vaak verschijnen en verdwijnen, in het zicht en in onze gedachten.

De afdaling naar Camurac liep door een paradijselijke vallei, het had hobbitland kunnen zijn, of de perfectie locatie voor een prairie in het Wilde Westen, waar opeens een groep bereden indianen van over een heuvelkam het dal in komt gegaloppeerd, op bizonjacht. Anderhalf uur later zaten we aan de petanquebaan van Chateau Camurac weer te chillen met een Belgisch bier binnen handbereik, tot de zon achter de bergen was gezakt.

Geplaatst in geschiedenis, reizen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

De Grijze Man brusselt

Een week in katharenland uitgezonderd, verbleef de Grijze Man de voorbije maand in een tijdens zijn loopbaan nog niet eerder verkend overheidsbiotoop: de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Meer bepaald: het kabinet van Brussels minister Sven Gatz. Met zo’n ervaren gids, weet de Grijze Man, verdwaal je niet gauw langs ongebaande paden.

Onder die van Sven Gatz prijken nog andere vertrouwde namen op de nieuwe telefoonlijst op zijn bureau: die van andere ex-collega’s uit de Koolstraat die Gatz vroeg om de oversteek te maken naar dat Brussels kabinet, vlakbij het Vlaams Parlement op de Kunstlaan. Op de 8ste en 9de verdieping van dat flatgebouw treft de Grijze Man ook andere oude bekenden aan. Veel van de bevoegdheden die in juli in de portefeuille van minister Gatz zijn beland, zaten ook al in die van zijn voorganger in de Kunstlaan, de binnen en buiten Brussel onder meer voor het bouwen van scholen beroemde Guy Vanhengel. Logisch dus, dat het gros van Vanhengels medewerkers gewoon hun job verder doet onder zijn liberale opvolger.

Eerlijk gezegd, de verhuizing was voor de Grijze Man een kleine cultuurshock. Het duurde bijvoorbeeld drie dagen vooraleer hij een instrument ter beschikking had waarop hij naar hartenlust mocht tokkelen. Bij de start van het inmiddels voorbije ministeriële kabinet op het Vlaamse overheidsniveau was zijn full ops uitrusting met alle apparaten, benodigdheden en hulpmiddelen bij wijze van spreken sneller geregeld dan zijn incorporatie bij de paracommando’s. Het nadeel was dat die Vlaamse efficiëntie even groot was bij de uitdiensttreding, waardoor de Grijze Man geconfronteerd werd met een plots verdwenen mailaccount of teloorgegane gsm-data.

De migranten uit Vlaanderen moeten zich in BHG-land wel op enkele terreinen aanpassen. Aan thuiswerken doet men op de Kunstlaan bijvoorbeeld node. Van team building-activiteiten hebben ze weinig kaas gegeten, volgens sommigen wegens een massief overschot aan werk. Maar palaveren, discussiëren en lameren, gebeurt volgens de eerste inschatting van de Grijze Man evenveel in Vlaanderen dan in BHG-land. In dat zakje doet de Grijze Man trouwens evenveel duiten in de Kunstlaan als in de Koolstraat. Weliswaar niet in een koffiehoek met de modernste nespresso- of latte-apparatuur. ‘Brussel is nu eenmaal Vlaanderen niet’, hield Rita, de geroutineerde, harder dan hardwerkende Brusselse kabinetssecretaris uit Oost-Vlaanderen, de Grijze Man op zijn eerste schooldag een keer of tien voor.

Natuurlijk heeft elke medaille twee zijden. De Grijze Man leefde op toen hij de eerste keer in een kwarteeuw weer pinten ging pakken op het helemaal opgekalefaterde Vrijheidspleintje. Waar is de tijd dat Toon Van Overstraeten, Maurits Van Liedekerke en Tom Serkeyn hem daar in een gore en van sigarenrook vergeven bar een Westmalle teveel voorschotelden?

Vergenoegd struint de Grijze Man ’s middags opnieuw door die snel weer vertrouwde parlementsomgeving met al zijn broodjeszaken, cafés en gezellige restaurants. Zelfs de vernieuwde gang van het Centraal-Station naar Kantersteen die hij nu weer dagelijks door wandelt, bezorgt hem een goed gevoel. Hij glimlacht als hij de vrouw herkent die er na al die jaren nog even uitgezakt achter haar kartonnen bekertje zit.

Het grootste manco op de Kunstlaan is de kleine ruimte waarin de Grijze Man zich opgesloten voelt. Helemaal in zijn eentje, zonder vergadertafel, zonder tv, zonder de vertrouwde kranten en tijdschriften en vooral, zonder Ziggy rechtover hem, die altijd bereid was naar zijn oudstrijdersverhalen te luisteren. Maar ook zonder de opeenvolgende juniors en stagiairs die elkaar te zijner linkerzijde afwisselden en die hij zonder dat ze hem durfden tegenspreken de les las. En zonder de vele bezoekers die in dat café zonder bier over de vloer kwamen om een praatje te slaan, naar het nieuws te kijken of hun boterhammen op te eten.

Tegelijk is dat kleine kantoortje op de negende verdieping van de Kunstlaan een zegen. De Grijze Man heeft op geen enkele andere werkplek zo’n prachtig uitzicht gehad, over de hele oostzijde van Brussel. Elke ochtend, zeker als de zon al door zijn kamerbrede raam schijnt, neemt hij de tijd om de stad te monsteren. Zo ver zijn blik links of rechts reikt, klimt Brussel omhoog tot aan de horizon. Neer te kijken op zo’n reusachtig bolwerk, waarin achter muren en vensters en in straten en pleinen mensen slapen en waken, werken en vrijen, eten en schijten, wriemelen en wroeten als de bosmieren in de grootste mierenhopen die hij langs de Sentier Cathare vergat te fotograferen, geeft de Grijze Man het zalig gevoel bevoorrecht te zijn. En als het regent of de ochtendmist het vergezicht verknoeit, staat in zijn kantoor nog een lamp met een warm strijklicht.

Geplaatst in Brussel, De Grijze Man | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Onder katharen (2)

De vrouw die ons aan het kerkje van Puivert kwam oppikken, stelde zich voor als Marjon. Ze droeg onder haar jeans versleten witte tennisschoenen waarvan er één een gat vertoonde waar dat normaal niet zit. Dat de al dan niet aangespoelde inwoners van het katharenland weinig belang hechten aan de allerlaatste mode, zouden we de volgende dagen meermaals ondervinden.

Marjon is een vlotte Nederlandse die met haar man Rodrique het Chateau de Camurac uitbaat, onze hub voor de komende drie dagen. De hubformule van reisorganisator La Ligne Verte heeft het voordeel dat we onze rugzak niet hoeven dragen op tocht. Die trouwe vriend verbleef de volgende dagen op kamers in Camurac. En Rodrique zette ons met zijn minibus elke ochtend af waar we de dag voordien op de Sentier Cathare waren opgehaald.

Het Chateau van het koppel in Camurac, een gat niet veel groter dan Puivert maar wel met een bakkerij en wat chambres d’hotes, is eigenlijk niet echt een kasteel. Vroeger deed het dienst als vakantiepensionaat voor kinderen. De kamers in het gebouw van drie hoog met een ronde toren in het midden waarop een met leien bedekte spits staat, zijn gerieflijk, zoals goede jeugdherbergen dat zijn. Net een chateau, dachten de Nederlanders wellicht toen ze tien jaar geleden het pensionaat met het bordje A Vendre kwamen bezichtigen. De naam voor hun vakantieparadijs was gemaakt, want een kasteel had Camurac nog niet, zelfs niet in verval.

Marjon en Rodrique doen met hun tweetjes elke dag een wonder voor hun gasten. Ze bezorgden ons een lekker in vierden afgemeten ontbijt met koffie à volonté. Ze gaven ons een lunchpakket op maat mee voor onderweg en keken niet op een sneetje tomaat of hardgekookt ei. ’s Avonds toverde Marjon onzichtbaar in de keuken en diende Rodrique het lekkers op, vergezeld van landwijn die op het eigen land als godendrank smaakt.

Rodrique kent de wandelpaden in katharenland beter dan de kaarten en wegbeschrijvingen die La Ligne Verte ons bezorgde. Hij schudde tips uit zijn mouw over bezienswaardigheden die de moeite van een omwegje waard zijn. Hij verklaarde niet alleen de geschiedenis maar schetste ook de actuele problemen waarmee een leeglopend en verarmd katharenland kampt, in die vallei van zeventien dorpen en achttienhonderd inwoners, uitgestrooid over 800 vierkante kilometer.

Voor Belgische (en ook wel andere gasten) hebben Marjon en Rodrique een specialleke in de kelder: een voorraad Belgische bieren. Een soort drank die een normaal mens na een dagmars van twintig kilometer best kan verdragen of, in ons geval, uiterst moeilijk onaangeroerd kan laten staan. Waardoor het gebeurde dat we een half uur na onze aankomst op het terras van de Chateau, elk met een donker of licht bier in de hand en een tweede alreeds klotsend in de buik gelukzalig op een muurtje in het zonnetje de kunsten van een roodstaart zaten te bewonderen.

Dat muurtje en de houtstapel waarin het vogeltje zich warmde, waren namelijk de enige resterende plekjes in de zon, die intussen zo diep achter de omliggende bergen was gedaald dat het terras in de schaduw was komen te liggen. Camurac ligt 1200 meter hoog en zonder zon maakt dat fluks een verschil van enkele graden. Die fleece, de enige bescherming tegen de kou die ik in mijn rugzak had gestopt, was er goed te verdragen.

’s Anderendaags voerde de Sentier ons van het meer in Puivert naar de andere kant van de vallei terug over een berg. We wandelden haast de hele dag door wouden en velden, iets minder steil klimmen en dalen, iets minder dan twintig kilometer lang. Een gemakkelijke dag, onverwacht in het teken van de Tweede Wereldoorlog.

Een half mislukte actie van het verzet heeft driekwart eeuw geleden dramatische gevolgen gehad voor het dorpje Lescale. Het werd op 9 augustus 1944 door de 11de Duitse Pantserdivisie in brand gestoken omdat de bewoners Le Maquis de Picaussel steunden, de lokale verzetsgroep. Op aanraden van Rodrique weken we vijftig meter en een half uur van onze sentier af om in de geschiedenis te duiken van de speciaal daarvoor ingerichte Baraque du Souvenir, een nog vrij recente en ruime blokhut gevuld met plakkaten, kaarten en foto’s om de herinnering aan het gebeuren uit de oorlogstijd levend te houden.

Alleen al het ontstaan van de Maquis de Picaussel is opmerkelijk. Op een nacht in maart 1943 dropte een vliegtuig van de geallieerden per vergissing enkele materiaalcolli’s boven de naaldbomen van het woud van Picaussel. Jongeren uit Lescale vonden de parachutes en de koffers voor de Duitsers daarin slaagden. Ze verborgen alles op veilige plaatsen in het woud. Met wat ze in de kisten vonden, beschikten ze over voldoende uitrusting om een stevige verzetsgroep op te richten. Met kolonel Maury, die op dat moment in het dorp leraar was, hadden ze ook een geschikte commandant.

De groep legde contacten met de geallieerden en andere verzetslui. Er volgden nog bijkomende droppings, ook van radio-operateurs. De verzetsgroep verbleef aanvankelijk ondergedoken in Lescale, tot de Gestapo op zekere dag twee dorpelingen arresteerde voor de moord op een collaborateur. Het verband tussen de toegenomen verzetsactiviteiten in de streek en Lescale dreigde elk moment door de Duitsers te worden gelegd. De groep verhuisde zijn commandopost naar een geheime grot een kleine kilometer buiten het dorp. Aan de dropzone richtten de verzetsmannen het kamp van Picaussel op.

Op 6 augustus 1944 kwam het tot een treffen tussen de verzetsgroep en troepen van de Pantserdivisie. Twee maquisards lieten het leven en dertien anderen geraakten gewond. De Duitse troepen speelden de volgende dagen kat en muis met het verzet, maar vroeg in de ochtend van 9 augustus vielen ze onverwachts Lescale binnen. De dorpsbewoners bleven gespaard maar werden het bos in gejaagd. Daarop werden hun huizen geplunderd, verwoest en in brand gestoken. Na de oorlog zouden de dorpelingen eerst in houten barakken ondergebracht worden. Er werd een ambitieus herhuisvestingsprogramma opgezet dat echter onder tal van moeilijkheden en vertragingen gebukt ging. Pas in 1956 zouden de overlevenden in de nieuwe woningen kunnen intrekken.

Onder de indruk zetten we onze tocht door het woud van Picaussel verder met een langzame klim langs een breed pad dat ons uiteindelijk terug doet afdalen naar de vallei waar we aan het gehucht Montplaisir door Rodrique zullen opgepikt worden. Het gehucht telt twee boerderijen omgeven door weiden waarop paarden grazen. De bulldog aan een van de boerderijen houdt niet op met blaffen, waardoor een oude boer, vergezeld van twee vrouwen komt kijken wat er aan de hand is. De boer en de twee vrouwen zijn veel warmer gekleed dan wij. De strakke wind die door de vallei jaagt, doet me voelen waarom. Weer eens bedenk ik dat mijn fleece van pas komt.

We leggen de boer uit wie we zijn en wat we op zijn erf komen doen, waarop zijn wantrouwen vliedt in de wind. Hij vertelt in het moeilijk begrijpbare streekdialect een smakelijk verhaal van andere Belgen die hij lang geleden tijdens een vreselijke sneeuwwinter uit de gracht in de bocht van de weg heeft getakeld. ‘Ze hebben me beloofd’ zegt hij lachend, ‘in de zomer terug te komen met een pak Belgische frieten, maar daar wacht ik nog altijd op.’ De mensen zijn niet meer van hun woord. ‘Frieten uit België meebrengen, het zou niet simpel zijn’, verdedigen we onze landgenoten. ‘Dan zouden wat goede Belgische bieren beter smaken’, lachen we. De boer lukt er zowaar in om wat bekende Belgische bieren op te noemen.

Het valt me op hoe dik het drietal hier in vergelijking met ons gekleed loopt. De vrouwen dragen zelfgebreide truien en verstelde lange broeken. De jongste van de twee, met een veelkleurige wollen muts op haar hoofd, ziet er een stuk in de veertig uit. Na een vakantie is ze verliefd geworden op de katharenstreek en nu woont ze hier al vele jaren. Ze fokt Castiliaanse paarden die ze opvoedt met een bijzondere paardentherapie. Later lees ik op haar website dat die therapie verbinding maakt tussen de harten van mens en paard. Om een cent te verdienen, organiseert ze vanuit Montplaisir allerlei activiteiten met paarden van het streekeigen ras, zoals ritjes met een koets of slede. In de twee versleten schoenen die ze draagt, zitten gaten.

Intussen is Rodrique met zijn minibusje in Montplaisir gearriveerd. Hij schudt de hand van onze gesprekspartners. De Deense kent hij al. Hij verzekert haar dat hij in het rek in de hall van zijn kasteeltoren nog altijd een foldertje van haar activiteiten heeft zitten en dat hij wie ook maar wat met paarden wenst te doen, naar haar doorverwijst. Op de terugweg naar Camurac haalt hij zijn schouders op. Nog geen enkele gast is hem al komen vragen waar je in de buurt ritjes met een paardenkoets kan maken. Slechts weinig dromen in katharenland sporen met de werkelijkheid, bedenk ik, in volslagen onkunde over wat een paardenhart een mens te bieden heeft.

Geplaatst in geschiedenis, reizen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Onder katharen

Vooraf dachten we dat het wel een gezapige trektocht zou worden van vijf stapdagen langs de Sentier Cathare, van Quillan naar Roquefixade, weliswaar in een septemberwarmte van een graad of 25. Met onderweg wat cultuur en toerisme, zoals een bezoek aan enkele katharenburchten en Carcassonne.
Lees verder

Geplaatst in cultuur, geschiedenis, reizen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Die goeie keizer Karel toch

Wie in Vlaanderen is opgegroeid, kent hem al van op de lagere school: die goeie ouwe keizer Karel, Karel V, de keizer van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie, de koning van Spanje, heer van de Nederlanden en nog vele ander streken, de zoon van Filips de Schone en Johanna de Waanzinnige. Lees verder

Geplaatst in geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , , | 1 reactie