Terug naar Arnocamps in Herbeumont-sur-Semois (4)

De laatste volle dag op de camping breekt aan. We hebben al een heel concert van regendruppels op onze Camarguaise horen neerdalen. Het wordt een echte regendag. Wie daar geen last van lijkt te hebben, is een everzwijn dat van de nacht gebruik heeft gemaakt om vlak naast de weg tussen verschillende roulottes het gras heeft omgewoeld.

De evers zijn vannacht ook elders actief geweest. Als we naar l’Imprévu rijden voor ons stokbrood, onze koffies en een croissant, passeren we het lijk van een everjong, dat met z’n darmen bloot in het midden van de weg de geest heeft gegeven. Als we een half uurtje later terugrijden van het dorp naar de camping, heeft een goede ziel het jonge lijk al bijeen geschraapt en opgeruimd.

Terug in onze Camarguaise zoekt Winke een deftige wandeling uit in de Komoot-wandelapp. Ze komt voor de pinnen met een rondwandeling van 17,5 km en 350 stijgmeters. De app waarschuwt ook dat je voor die wandeling een ijzersterke conditie moet hebben. We zullen er dus wel enkele uren zoet mee zijn. We smeren ons brood voor het middagmaal, want een versterking rond de middag zullen we goed kunnen gebruiken. Met gevulde drinkbussen starten we aan het pad dat ons steil naar boven brengt tot op de gerestaureerde oude spoorbrug, die nu een tweevaksbaan voor fietsers is geworden.

We lopen al gauw verder een bospad in, omhoog volgen we de wandeltekens en de wegwijzers voor de trailrunners. Herbeumont heeft een groot netwerk voor trailrunners uitgebouwd. Je kan er natuurlijk ook op wandelen en dat doen we. Twee oudere vrouwen die uitgedost zijn als trailrunners, laten we beleefd voorgaan.

Hoog boven de Semois

De rondwandeling brengt ons op de kam van een woud, waar banken zijn geplaatst om van het panorama te genieten. We zien van op onze heuvelkam de kronkelende Semois met twee zwanen erop. Verder op een heuvel zien we de burchtruïne liggen waar de Waalse en Belgische vlag hoog wapperen. We zien ook de steengroeve liggen, ver weg over de rivier, een grijze vlek hoog tussen de groene bomen. We krijgen een mooi zicht op het dorp beneden ons en de Camping Moulin Willaime, met een watermolen en een woonhuis, maar we tellen heel weinig tenten, caravans, wagens of mobilhomes. Althans in vergelijking met Arnocamps.

We dalen van de hoge kam af langs de boswegen die Winke op haar smartphone oproept. We voelen al lichte regendruppels vallen. Waar de helling weer even vlak loopt, passeren we twee vrouwen met twee kinderen die aan het wandelen zijn. We groeten hen maar krijgen een onverstaanbare groet terug. We vermoeden dat het een familie is die in het asielcentrum van Herbeumont verblijft, nog zo’n delicaat onderwerp in onder meer l’Imprévu.

We klimmen weer eens voor de verandering en vervolgens dalen we weer af naar de oever van de Semois. Daar zijn twee wandelaars hun boeltje aan het inpakken. Ze hebben er waarschijnlijk in hun tent overnacht en moeten nu snel hun spullen terug in hun rugzakken stoppen om te vermijden dat ze doornat worden.

Wij lopen op een breed pad onder een zo dik bladerdak dat we nog geen grote hinder hebben van de regenval. We slagen er zelfs in om onder een grote eik vlak naast de Semois onze boterhammetjes droog opgegeten krijgen. Winke ziet er in een schicht twee ijsvogels voorbijvliegen. Zo’n tweehonderd meter verder zitten de blauwe vogels weer op een tak van een boomstam in de Semois, op hun gemak naar visjes te speuren. Als we ze naderen, vliegt het koppel weer op, verder langs de rivier.

De regen valt nu nog harder. Het bladerdak is niet meer afdoend. Gelukkig hebben we allebei goede regenjassen aan. We trekken dan ook maar onze ondoorlaatbare regenbroeken aan, boven onze shorts.

Na dik drie uur de rondwandeling te hebben gevolgd, herken ik weer de paden van weleer. Nog enkele heuvels beklimmen en weer afdalen en de oude spoorwegbrug komt in het vizier. Naast de weg ernaartoe loopt een parallelle dreef waarop twee mountainbikers zich naar boven zweten. Ze halen ons nog in vooraleer we zelf terug de brug op wandelen.

Maar daar wacht ons een uniek spektakel, dat ook de mountainbikers van hun fiets doet stappen. Vele honderden huiszwaluwen cirkelen er boven en onder de brug, met een kabaal van jewelste. Winke haalt haar smartphone boven om dit uniek circus vogelvrij vliegen te fotograferen en filmen. In de regen blijven we nog een half uur naar het spektakel kijken. Dan dalen we het van de modder gladde steile pad naar de camping terug af, zonder wandelstokken, want we dachten niet dat we die nog nodig gingen hebben. We komen weer veilig aan op de camping en stappen terug richting brug, maar de zwaluwen zijn helaas al vertrokken naar verre streken.

Morgen moeten ook wij de camping van Arno weer verlaten. Maar eerst gaan we nog ons avondeten bakken en braden, onder het afdak waar het toegelaten is om te barbecueën. ’s Anderendaags vóór de middag sporen en rijden we elk terug huiswaarts, Winke per trein naar Brussel, ik met de auto naar Haacht. Tot ziens Arno!

Geplaatst in familie, natuur, Uncategorized, vriendschap, vrije tijd, wandelen | 1 reactie

Terug naar Arnocamps in Herbeumont-sur-Semois (3)

Het weer tijdens onze mini-vakantie in Herbeumont is helaas zeer wisselvallig. Vanaf 11 u ’s morgens voorspellen de weermakers een lange dag van regenbuien en een volgende dag van nog meer regenval. Maar dat laten we niet aan ons hart komen. Welgezind rijden we terug richting Bertrix waar we in alle droogte een toeristische attractie bezoeken die we in al die jaren van kamperen bij Arno telkens hebben overgeslagen: de leisteenmijn “Au coeur de l’Ardoise”, die zich enkele kilometers ten zuiden van Bertrix bevindt op het domein Morépire.

In die ondergrondse leisteengroeve waar tonnen Ardense leistenen werden ontgonnen, daalden we onder camerabewaking langs een steile trap naar beneden, met onze beste vriend op ons hoofd: een helm. In een gangen- en zalenstelsel van 700 meter maakten we kennis met de toenmalige werkomstandigheden en de technische bezigheden van de mijnwerkers, scailtons genaamd. Ze droegen op hun rug leistenen van 80 kilo en meer, die ze naar boven sjouwden om bewerkt te worden tot dakpannen van verschillende groottes en diktes.

De mijn sloot in 1977, maar dankzij haar bezieler Yves Crul, maakte hij er dankzij heel wat helpende handen en investeerders een prachtig museum van, uitgerust met video’s en dia’s in de zalen en gangen. Het opende in 1995 en blijft een bezoek waard. Het huidige In het Hart van de Leisteen (Au Coeur de l’Ardoise) laat 25m ondergronds een groot netwerk van oude galerijen en zalen ontdekken. Je komt er van alles te weten over de mijntechnieken en de werkomstandigheden van de arbeiders.

Het museum organiseert ook allerhande initiatieven om de mijn levend te houden. Zo rijpt er bijvoorbeeld in de vochtige atmosfeer van de mijngangen achter slot en grendel een ambachtelijke geitenkaas, de Bleu des Scailtons, afkomstig van de nabijgelegen Bergerie d’Acromont.

Na het bezoek aan de mijn wil Winke ook die buitenissige kaasboerderij bezoeken. Daar worden we gedurende een uur of twee door de geëngageerde boer Peter De Cock en zijn vrouw Barbara Vissenaekens rondgeleid. Ze maken er verschillende soorten kaas van de melk van circa 250 Belgische melkschapen, een uniek ras, maar ook natuuryoghurt, fruityoghurt, rijstpap, vanillepudding, ijs en zelfs schapenmelkconfituur. Winke koopt er verschillende kazen gemaakt van die speciale schapenmelk. Zelf koop ik een lekkere blauwe schapenkaas.

De schapen leveren natuurlijk niet alleen melk maar ook hun vlees wordt verkocht. De kudde graast op een weide waarop ze van de blaadjes van een selectie oude variëteiten van hoogstambomen eten als es, esdoorn, linde, els en kastanje.

Na deze leerrijke dag, nagenoeg zonder regenval, wenden we de steven van onze Kia weer naar Herbeumont. Winke gaat nog even zwemmen in de Semois. Daarna gaan we dineren in een nabijgelegen goed restaurantje, Au Petits Bouchons, en kruipen we in onze slaapzakken in de Camarguaise.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Terug naar Arnocamps in Herbeumont-sur-Semois (3)

Het weer tijdens onze mini-vakantie in Herbeumont is helaas zeer wisselvallig. Vanaf 11 u ’s morgens voorspellen de weermakers een lange dag van regenbuien en een volgende dag van nog meer regenval. Maar dat laten we niet aan ons hart komen. Welgezind rijden we terug richting Bertrix waar we in alle droogte een toeristische attractie bezoeken die we in al die jaren van kamperen bij Arno telkens hebben overgeslagen: de leisteenmijn “Au coeur de l’Ardoise”, die zich enkele kilometers ten zuiden van Bertrix bevindt op het domein Morépire.

In die ondergrondse leisteengroeve waar tonnen Ardense leistenen werden ontgonnen, daalden we onder camerabewaking langs een steile trap naar beneden, met onze beste vriend op ons hoofd: een helm. In een gangen- en zalenstelsel van 700 meter maakten we kennis met de toenmalige werkomstandigheden en de technische bezigheden van de mijnwerkers, scailtons genaamd. Ze droegen op hun rug leistenen van 80 kilo en meer, die ze naar boven sjouwden om bewerkt te worden tot dakpannen van verschillende groottes en diktes.

De mijn sloot in 1977, maar dankzij haar bezieler Yves Crul, maakte hij er dankzij heel wat helpende handen en investeerders een prachtig museum van, uitgerust met video’s en dia’s in de zalen en gangen. Het opende in 1995 en blijft een bezoek waard. Het huidige In het Hart van de Leisteen (Au Coeur de l’Ardoise) laat de bezoekers 25m ondergronds een groot netwerk van oude galerijen en zalen ontdekken. Je komt er van alles te weten over de mijntechnieken en de werkomstandigheden van de arbeiders.

Het museum organiseert ook allerhande initiatieven om de mijn levend te houden. Zo rijpt er bijvoorbeeld in de vochtige atmosfeer van de mijngangen achter slot en grendel een ambachtelijke geitenkaas, de Bleu des Scailtons, afkomstig van de nabijgelegen Bergerie d’Acromont.

Na het bezoek aan de mijn wil Winke ook die buitenissige kaasboerderij bezoeken. Daar worden we gedurende een uur of twee door de geëngageerde boer Peter De Cock en zijn vrouw Barbara Vissenaekens rondgeleid. Ze maken er verschillende soorten kaas van de melk van circa 250 Belgische melkschapen, een uniek ras, maar ook natuuryoghurt, fruityoghurt, rijstpap, vanillepudding, ijs en zelfs schapenmelkconfituur. Winke koopt er verschillende kazen gemaakt van die speciale schapenmelk. Zelf koop ik een lekkere blauwe schapenkaas.

De schapen leveren natuurlijk niet alleen melk maar ook hun vlees wordt verkocht. De kudde graast op een weide waarop ze van de blaadjes van een selectie oude variëteiten van hoogstambomen eten als es, esdoorn, linde, els en kastanje.

Na deze leerrijke dag, nagenoeg zonder regenval, wenden we de steven van onze Kia weer naar Herbeumont. Winke gaat nog even zwemmen in de Semois. Daarna gaan we dineren in een nabijgelegen goed restaurantje, Au Petits Bouchons, en kruipen we in onze slaapzakken in de Camarguaise.

Geplaatst in geschiedenis, reizen, vrije tijd, wandelen | Plaats een reactie

Terug naar Arnocamps in Herbeumont-sur-Semois (2)

De volgende ochtend kruisen we Arno die uit zijn auto stapt, met een stokbrood onder zijn arm. Oh ja, zegt hij, de bakker in het dorp is gesloten. En het Louis Delhaizetje is overkop gegaan. Maar je kan in l’Imprévu nog wel een brood krijgen. Daar zorgen ze er nu voor dat het dorp niet zonder brood zit. We reppen ons dus naar het café-restaurant op het dorpsplein, dat enkele dagen dienst doet als restaurant-café-bakkerij. Het is er de zoete inval. Maar gelukkig geraken we nog aan een stokbrood. We drinken er een koffie en laten ons verleiden door een chocoladebroodje, terwijl we luisteren naar de grote discussies over de nieuwe brug.

Sommige klanten winden zich helemaal op. Ze vinden het schandalig dat er 1,4 miljoen euro is geïnvesteerd in die zogenaamde Passerelle Himalayenne over de Semois in het naburige Florenville. En dat terwijl er in Herbeumont nog zoveel te doen valt voor de inwoners in plaats van de toeristen een extra attractie te schenken, gratis dan nog wel, in tegenstelling tot andere toeristische hangbruggen waarvoor je moet betalen.

Bovendien doen er verhalen de ronde over toeristen die hun afval achterlaten op de paden en dreven van het uitgestrekte, prachtige woud. Een tooghanger uitgedost in een kaki legerhemd, een wollen groene broek en schoenen met een gat erin, beweert zelfs dat de toeristen aan de nieuwe brug en op de paden die ernaartoe leiden hun gevoeg doen. Dat is weer zoiets waar Ecolo achter zit, vermoedt hij. En waarom investeren ze dat geld niet in het verbeteren van de wegenis of de voetpaden in het dorp? Waarom moeten ze nog meer toeristen lokken?

De wandelapp Komoot heeft een rondwandeling uitgewerkt van 11,1 km met 250 hoogte- en daalmeters en met de controversiële hangbrug over de Semois en het uitkijkpunt Roche du Chat op 380 meter als hoogtepunten op het parcours. De rondwandeling wordt niet aangegeven door bordjes, maar met een kaartje en gpx.

Officieel vertrekt de route aan het meer van Epioux, waar twee vissers in hun bootje aan het hengelen zijn. Wij reden door de bossen naar dat vertrekpunt, over tracks die vooral voor jeeps en niet voor Kia’s geschikt zijn. Gelukkig kregen we geen klapband. Eens goed geparkeerd aan het meer met het vervallen kasteel ernaast, begeven we ons op pad voor een tocht van drie uur stappen. Winke waakt er met haar gsm over dat we bij kruisingen en splitsingen van drie tot vijf paden het parcours zonder verdwalen afhaspelen.

Eens goed op weg verbaast het ons dat er zo weinig wandelaars ons pad kruisen. Het uitgestrekte woud waartussen de Semois slingert is prachtig in de late hoogzomer. Tot onze verbazing houden we het die dag op het hele parcours droog. Na een haakse bocht op het brede pad waaronder de Semois rustig kabbelt, stuiten we toch op mensen. Een grote familie met grootouders, ouders en een vijftiental kinderen van groot tot klein kruist ons pad. Eén van de jongens roept uit dat hij als eerste de nieuwe hangbrug heeft gespot. Het gezelschap is op familieweekend. Vanop een afstand zien ook wij opeens in de verte de nieuwe hangbrug hangen. Aan de betonnen sokkels waaraan de brug van 185 meter lang en 30 meter boven de Semois opgehangen is, staat een groot bord met volgende waarschuwing, ook in het Nederlands: “Opgelet, toegang op de hangbrug en doorgang zijn moeilijk. De hangbrug is uitsluitend bestemd voor normaal voetgangersverkeer. Gelieve niet te stoppen in het midden van de brug. Elke activiteit die bewegingen van de constructie veroorzaakt of risico’s inhoudt voor de aanwezige personen op de site is verboden.”  

Eronder staat nog een waarschuwing: “Het oversteken is verboden bij slecht weer (onweer, hevige wind, rijp, …).” Wie over de brug wandelt, voelt de kabels effectief bewegen. Op nog een bord dat goed zichtbaar is opgesteld, staat helaas alleen in het Frans geschreven dat het verboden is om stenen en andere voorwerpen van de brug naar beneden te werpen: “Interdiction de jeter des pierres et autres!”

Als Winke en ik helemaal tot aan de overkant van de brug zijn gewiebeld, keren we terug. Over de bewegende kabelbrug kruisen we nog eens de grote familie die op weekend is. Tot mijn verbijstering hebben verschillende kinderen van die familie stenen verzameld die ze over de reling in de diepte werpen, wat luide klappen op het wateroppervlak genereert. Ik kan me niet inhouden en maan de grootouders en ouders aan hun kleinkinderen tot de orde te roepen. Dat gebeurt gelukkig toch… Ik mag er niet aan denken wat er kan gebeuren als er vanop de brug stenen zouden worden gegooid en er bij dieper water kano’s en kajaks onder de brug door varen.

Geplaatst in natuur, vriendschap, wandelen | Tags: , , | Plaats een reactie

Terug naar Arnocamps in Herbeumont-sur-Semois (1)

Het was alweer enkele jaren geleden dat ik nog eens wat vakantietijd spendeerde in Herbeumont aan de Semois, een slaperig dorpje waar verrassend veel te doen en te beleven valt. Toen mijn dochters Winke en Jolente respectievelijk 4 en 2 jaar oud waren, nam ik hen tegen het einde van vorige eeuw met mijn oude Lada Samara mee naar de camping van Arno, Champ le Monde, gelegen aan de oever van de Semois. Voor deze hike van drie en een halve dag reed ik met de auto van Haacht naar Herbeumont. Met Winke had ik afgesproken in het station van Bertrix. Mijn dochter verkoos met de trein van Brussel naar de Ardennen te sporen. Ze was mooi op tijd om samen te lunchen met een kaas- en charcuterieplank op het terras van een stationscafé.

Na de lunch reden we naar de camping van Arno. Die allereerste keer in Herbeumont sliepen we nog in een tent. Deze laatste dagen van augustus hadden Winke en ik een wat meer comfortabele roulotte gehuurd, een woonwagen waarvan Arno er inmiddels zo’n twintigtal op zijn camping heeft staan. Ik had de Camarguaise gehuurd, een roulotte dichtbij de receptie, het café, de toiletten, de waszaal voor vrouwen en voor heren, de douches, de ruimte om je afwas te doen en de overdekte ruimte om te barbecueën. In die woonwagen had ik al eens geslapen.

Roulotte De Camarguaise

Natuurlijk stonden zoals gewoonlijk op de camping de wandelingen centraal voor de meeste kampeerders, zowel in woonwagens als in tenten. Maar vooraleer Winke aan wandelen dacht, stelde ze voor om eerst te gaan zwemmen in de rivier. Toen scheen de zon nog. De plek in de Semois waar we gewoonlijk gingen zwemmen, was spijtig genoeg redelijk ondiep water geworden. Ik had er snel mijn buik van vol, maar Winke bleef nog genieten van het zwemmen bij laag water.

Na ons zwempartijtje gingen we uit eten in het dorp, waar we een nieuw restaurant ontdekten, Le Cerf d’Or, een aanrader. Terug op de camping bleek er een nieuwe richtlijn van toepassing, sinds de bosbranden die in de Hoge Venen woedden. Arno had beslist om de kampvuren en de barbecues die jarenlang vrij aan de tenten en de rivieroever een deel van de ambiance waren, strikt te reserveren voor de overdekte ruimte vlakbij de waszalen. Gedurende die vier dagen op de camping kregen we heel wat regenbuien op ons dak. We hoopten de laatste dag van onze trip die overdekte barbecues nog te kunnen gebruiken.

Geplaatst in natuur, Uncategorized, vriendschap, vrije tijd, wandelen | Plaats een reactie

90 jaar! Lang leve Gaston Stas!

Het was een liedje uit een film dat me een tijdje geleden stil deed staan. Ineens hoorde ik enkele zinnen zingen die ik zomaar kon meezingen. What’s the buzz, een lied uit de musical Jesus Christ Superstar! Meteen was ik opnieuw zestien en in Londen.

De rockopera van Andrew Lloyd Webber (muziek) en Tim Rice (tekst) was, nu ik erop terugkijk, het hoogtepunt van de Londenreis die mijn klas ondernam in het 4de humaniorajaar, zoals de schooltraditie in Don Bosco Haacht het op het einde van de jaren zeventig voorschreef. Wat genoot ik van die uitvoering over de laatste dagen van Jezus in deze kunstvorm! Voor het eerst in mijn leven woonde ik live een top-musical bij en hij blies me van mijn sokken. Ik kocht de plaat, zag de film en kon na een tijd vele liedjes meezingen, een talent waar ik als gewezen koorknaap ook wat aanleg voor had.

De rockopera was ook naar inhoud een revolutionaire innovatie van het passieverhaal dat ik als toenmalig doorwinterd misdienaar wel op mijn duimpje kende: Jezus werd er als een gewone sterveling neergezet en Maria Magdalena liet haar grote gevoelens voor de Heiland de vrije loop, bijvoorbeeld in het prachtige Don’t know how to love him.

Met de flarden uit de musical floepten ook andere herinneringen aan die Londenreis in het leven van de puber die ik toen was, terug boven water: de vinylplaten die ik in Londen kocht, waar die prachtige zwarte schijven met kwetsbare groeven flink goedkoper waren dan in België. Voor mijn vriend Johan bracht ik toen ook enkele elpees mee, eentje van Cheap Trick, met de hit “I want you to want me”, en de elpee van Led Zeppelin II, met “Whole lotta love”.

Maar ook de geur van patchoeli in zo’n piepklein flesje blijft beklijven. Mijn moeder goot het bij mijn thuiskomst meteen in het toilet uit, omdat de inhoud volgens haar afgrijselijk stonk. Ik tikte er op Portobello Road nog de paperback met de songteksten van de eerste albums van Bob Dylan op de kop. Tot vandaag neemt dat versleten boek nog een ereplaats in mijn boekenkast in.

En natuurlijk kregen we op een week tijd nog gigantische cultuurinjecties ingespoten: wereldberoemde musea bezoeken, paleizen, kathedralen en kastelen bewonderen, trekpleisters ontdekken waar geschiedenis werd geschreven, jarenlang lopende toneelopvoeringen bijwonen, maar ook een Premier League-wedstrijd beleven en een avondje gokken op de dograces. Zelfs het go as you please-metroticket was een feest, allemaal dankzij de geestdrift waarvoor mijn onvergetelijke klasleraar van toen, Gaston Stas, en zijn helaas onlangs overleden vrouw Yvonne Peeters, samen met andere leerkrachten een week paasvakantie opofferden.

Maar wat ik dankzij die leerkrachten als 63-jarige tot vandaag nog apprecieer: de vrijheid die ze ons als 16-jarigen in die metropool schonken: zelf een restaurant mogen kiezen om te gaan eten, de ontdekking van de pizza (vaak in een Pizzaland), de biertjes die ik in alle Engelse maten achterover kon kiepen zonder dat iemand me stopte, die nachtenlange diepzinnige en oppervlakkige gesprekken die we als jonge mannen en jonge vrouwen op elkaars kamers voerden, het gelach en het plezier van vrienden ondereen.

Een vrijheid ook die me zomaar, volslagen onverwacht, als bij toverslag de meisjes liet ontdekken. Ik keek met hongerige ogen naar die al meer dan de jongens volwassen vrouwelijke wezens. Ik mocht ze voelen met mijn handen en proeven met mijn lippen en ik besefte dat zij, die nochtans al jaren in mijn klas zaten, al van top tot teen volgroeide vrouwen waren geworden die echt wel mijn warmbloedige belangstelling waard waren, terwijl ik toen nog met horten en stoten, inwendig en naar buiten uit, worstelde om mijn jongen-zijn te ontgroeien.

Die laatste herinneringen zijn de belangrijkste en misschien wel, nu die geloken jeugdjaren nog eens terugkeren in mijn geheugen, de mooiste. Met dank aan Gaston, Yvonne en de leerkrachten die ons toen vergezelden.

Geplaatst in Bob Dylan, cultuur, geschiedenis, kunst, liefde, literatuur, reizen, vriendschap, vrije tijd | 3 reacties

Roadtrip van Haacht naar Zuid-Spanje en terug (10)

Met spijt laden we in Albarracín nog eens de C3 in. In dit dorp dat op een middeleeuws stadje lijkt, willen we nog eens graag terugkomen. ’s Ochtends vertrekken we voor een lange rit van zo’n 800 kilometers naar Saint-Georges-de-Didonne, een Frans dorpje aan de Atlantische kust. We schatten dat het zo’n 9 uur rijden is. Langs lange stukken snelweg rijden we tussen sierra’s, olijfboomgaarden, stilaan bottende amandelbomen en wijnranken. Voortdurend zien we aan het einde van de glooiende vlakten bergen of heuvels, rotsen die rood, oker, wit, geel of zwart geverfd lijken te zijn. De wouwen, vooral de zwarte, houden zwevend boven ons een oogje in het zeil.

In Baskenland, aan de grensovergang tussen Spanje en Frankrijk, stuiten we op een lange slang van tractoren, uitgerust met Baskische vlaggen. Ook in deze landbouwstreek leeft het verzet tegen de Mercosur-deal blijkbaar. De boeren hebben duidelijk afspraken gemaakt met de politie, want het doorgaand verkeer wordt niet gehinderd. Zo rijden we vlot terug Frankrijk in.

Aan de rand van Saint-Georges-de-Didonne stoppen we aan een Super-U. De avond is intussen gevallen en het regent. In die grote supermarkt kopen we brood, pizza, lasagne, magere melk, koffiekoeken, kaas, toespijs en een fles lokale rode wijn.

In Saint-Georges vinden we zonder moeite het appartement dat Marianne voor twee nachten gehuurd heeft. Het is op een boogscheut van het brede strand gelegen. Zoals wel in vele van dergelijke kortverblijven het geval is, worden we ook in Saint-Georges niet verwelkomd door de eigenaar. Via whatsapp krijgen we een code doorgestuurd om de voordeur te openen. Wat tegenvalt is dat het appartement niet is opgewarmd wanneer we aankomen. We eten de lasagne en de pizza op, drinken een glas wijn en kruipen dan in bed, want zo’n lange dag in de volgeladen auto kruipt in de kleren.

Het moet gezegd, we hebben in slechtere overnachtingsplaatsen geslapen. Het appartement is piepklein maar beschikt over een ligbad en een douche, een koelkast, vaatwasser, waterkoker, wasmachine, een kleine diepvries, drie soorten koffietoestellen, voldoende borden, kopjes, overvloedig bestek, allerlei soorten glazen en elektrische verwarming.

De volgende dag is nog een rustdag. We staan laat op, ontbijten en trekken onze wandelschoenen aan voor een stevige kustwandeling. Saint-Georges-de-Didonne heeft een breed strand, dat achter de Boulevard de la Côté de la Beauté ligt. Het dorpje van zowat 5.000 inwoners in de winter en een slordige 50.000 in de zomer, ligt naast een ander kustdorp, Royan, aan de monding van het estuarium van de Gironde. De Gironde ontstaat nabij Bordeaux uit de samenvloeiing van de Dordogne en de Garonne.

In de oceaan beoefenen enkele zeewandelaars hun sport in de branding. Strandvogels trippelen druk heen en weer, op zoek naar krabbetjes en zeepieren. Eentje lukt dat zelfs op één pootje. We passeren de jachthaven van Royan en zien enkele strandjuttershutten, van waaruit er met grote netten op garnalen en kleine visjes wordt gevist. Op een hoge duin die uitkijkt overzee naar enkele kleine eilandjes ligt een afgesloten Duitse bunker van de Atlantikwal.

Terug in ons appartement maken we een lunch van onze restjes uit de voorraad die we hebben ingeslagen in de Super-U. Er is nog wat wijn in de fles, die ik soldaat maak. Daarna doen we een siëstje, want we zijn allebei moe. We hebben de voorbije dagen immers lange ritten gereden.

Om onze laatste avond in Frankrijk wat feestelijk door te brengen, gaan we op zoek naar een leuk restaurant. Aangezien er in dit toeristisch laagseizoen heel wat eetgelegenheden in het kustdorpje de deuren gesloten houden, is de keuze niet groot. Als we in het centrum van Saint-Georges even voorbij de kerk lopen, zien we een eenzame local een pastis drinken op het terras van zijn stamkroeg. We vragen hem of hij geen restaurant weet dat nog open is? Jawel hoor, antwoordt hij, hier vlakbij om de hoek vind je het Italiaans restaurantje Spagho da Alessandro. En dat is altijd open.

Blijgezind lopen we die Spagho van Alessandro binnen. Of er nog plaats is? Jawel hoor, in de kelder, antwoordt de ober. Dat vinden we niet erg. Hij begeleidt ons naar de kelderverdieping waar een traliehekken geopend moet worden. In de met wijnen gevulde kelder staan twee hoge tafels met hoge barkrukken. Een kwartier later schuift ook een Frans koppel aan de resterende tafel aan. We raken met elkaar aan de praat. Het echtpaar wisselt hun huis in de Alpen af met hun huis aan de kust. Ze maken zich zorgen over de uitslag van de aanstaande verkiezingen, waar extreemrechts, zo denken ze, nooit geziene hoge ogen zal gooien.

Het eten in de restaurantkelder tussen de voorraad flessen is voortreffelijk. We bestellen een lekkere fles rode wijn en nemen uitzonderlijk nog een toetje op de koop toe. Morgen wacht ons de laatste reisdag, een rit van ongeveer 850 kilometer tot in Haacht. Dan zal de C3 van Marianne van 30 december 2025 tot 17 januari 2026 zo’n 5.057 kilometers meer op de teller hebben.

Geplaatst in Frankrijk, reizen, vrije tijd, wandelen | Tags: , , , , , | 1 reactie

Roadtrip van Haacht naar Zuid-Spanje en terug (9)

Onderweg naar het noordelijk gelegen Albarracín genieten we van de wouwen en gieren die hoog boven de snelweg op de thermiek wieken. Het stadje is tegen een bergflank van 1.182 meter gebouwd. Moorse omwallingen en een Alcázar, een moorse burcht, domineren er het uitzicht, al staan er vanzelfsprekend ook katholieke kerken, zelfs een kathedraal.

Volgens Wikipedia is Albarracín geen stad, maar een gemeente in de Spaanse provincie Teruel in de regio Aragón. Het telt op een oppervlakte van 452 km² rond de duizend inwoners. In Albarracín is het moeilijk om horizontale wegen te vinden. De smalle straatjes lopen omhoog ofwel omlaag. Marianne heeft er een kamer met ontbijt gereserveerd in de Parada del Carmen.

Voorzichtig wagen we ons in het doolhof van steile steegjes. Albarracín is rijk aan prachtige gevels daterend uit de middeleeuwen of renaissance. Het kleine stadje behoort in tegenstelling tot de steden Baeza en Segovia nochtans niet tot het werelderfgoed van Unesco. Maar ’s anderendaags in het toerismebureau vernemen we wel dat het bij de gemeenten hoort die voor een erkenning genomineerd zijn. Als sinds 1961 is Albarracín een Nationaal Monument, dat wordt beschouwd als een van de best bewaarde middeleeuwse dorpen van Spanje.

We kijken uit naar een restaurant waar we kunnen dineren, maar die lijken wel allemaal gesloten. Aangezien onze slaapplaats vlakbij het hoogste deel van de moorse omwalling ligt, verkennen we eerst dit deel van het stadje. Uiteindelijk dalen we steeds verder af, tot we diep verscholen in de vallei de rivier Guadalaviar bereiken, die langs een klooster stroomt.

Wat verderop zien we eindelijk iets dat op een eetgelegenheid lijkt. Het blijkt een tapasbar te zijn. Op de uurregeling zien we dat die pas over ruim een half uur opengaat. Uit de keuken van het restaurant komt er een jonge vrouw aan. We zwaaien eens. Ze opent de deur en zegt dat ze eigenlijk pas over een half uur opengaat. Maar omdat het buiten zo koud is, mogen we al binnen komen zitten. We bestellen een glas Ribera del Duero en krijgen er enkele tapa’s bij die van de middagshift zijn blijven liggen. Een kwartiertje later komen er nog twee keukenhulpen aan, die meteen in de keuken aan de slag gaan. Schoorvoetend kloppen nu ook andere hongerige toeristen aan. Vooraleer het restaurant officieel opengaat, zit het al meer dan half vol.

We bestellen nog een rode wijn en wat tapa’s, die worden geserveerd door een mannelijke collega. Hij spreekt ons in het Engels aan en vraagt van welk land we zijn. Als hij België hoort, siert een grote lach zijn gelaat. Hij vertelt dat hij getrouwd is met een Vlaamse vrouw, afkomstig uit Duffel. Zelfs in een wondermooi dorpje als Alberracín blijkt de wereld klein te zijn.

Voor alle zekerheid passeren we de volgende ochtend eens bij de bakker, waar we wat koffiekoeken inslaan voor de volgende dagen, en reserveren we aan een restaurant waarvan de deur openstaat alvast ons avondmaal. We hebben onze bergschoenen nog eens aangetrokken om een mooie wandeling in de natuur rond Albarracín te maken. Het natuurpark waarin we ons bevinden is eeuwenoud. Het herbergt talrijke prehistorische afbeeldingen op de rotswanden. Helaas zijn sommige tekeningen onherkenbaar geworden.

Het park heeft nog andere troeven. Het telt tal van rotsen die zeer geschikt zijn om te boulderen. Eigenlijk is het verboden om er die sport te beoefenen. Toch zien we op verschillende plaatsen klimmers deze dynamische klimsport beoefenen, waarbij ze op lage wanden, tot een meter of vier hoog, korte routes beklimmen zonder touwen of gordel.

We zien in de late namiddag de zon zakken en dalen terug langzaam af van de bergen naar de Rio Guadalaviar. Bij de daling heb ik vooral oog voor het spektakel van vijftien vale gieren die op de thermiek boven Albarracín zweven. Het is eens wat anders dan het gerampetamp van het jong koppel dat de kamer boven onze kamer heeft betrokken. ’s Avonds lopen we de vrouw en de man in kwestie op het lijf in het restaurant. Ze bezetten in de gelagzaal een tafeltje vlakbij, al gaan ze, wellicht uit schaamte, achter de wand zitten die ons scheidt.

Geplaatst in cultuur, geschiedenis, natuur, reizen, Spanje, vrije tijd, wandelen | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Roadtrip van Haacht naar Zuid-Spanje en terug (8)

In de kleine C3 stapelen we alles dat Marianne mee naar huis wil nemen. De auto is tot het dak volgeladen met een houten kist, volle plastieken dozen, zakken met lakens, dekens en andere huisraad en herinneringen die we niet willen achterlaten. Van Velez rijden we diep de Alpujarras in. We rijden naar Vàlor, een dorpje diep in de bergen, waar Marianne een slaapplaats heeft geboekt.

De Ierse huisbaas van het huisje wacht ons op na een steile afdaling door kronkelende smalle straatjes. Gewoon altijd dalen, zegt hij, tot je aan een rondpunt komt. Dat rondpunt blijkt een era te zijn, een geplaveide cirkel, lang geleden aangelegd door de Moren, die deze plaatsen gebruikten om naar oude traditie hun graan te dorsen. Daar mogen we van de Ier de auto parkeren. Onze verhuurder wijst ons nog de weg naar de lokale winkel, die helaas op zaterdagavond al gesloten is. Ons eten is zo goed als op.

Maar geen probleem, we vinden wat verder nog een geopend café. De baas verzekert ons dat we er de volgende ochtend kunnen ontbijten. Als we op zondagochtend tegen acht uur naar het café wandelen, stuiten we onderweg op een stoet terreinwagens. Twee jeeps trekken een grote aanhangwagen vol blaffende jachthonden. De jagers van Vàlor zijn klaar voor een dagje jagen op everzwijnen.

Als de jachtstoet vertrekt, wandelen we naar het café om te gaan ontbijten. Maar in tegenstrijd tot wat de baas ons de avond voordien had beloofd, is het café gesloten. Gelukkig is er tweehonderd meter terug een churroskraam geopend. Een sjofele ouderling staat er de Spaanse lekkernij klaar te maken. Aangezien we geen ontbijt meer hebben, schaffen we ons de worstachtige deegwaren aan. Lekker hoor!

Aan de uitbater vraag ik of we geen foto van hem mogen maken. “Als mevrouw dan naast me zou willen komen staan”, antwoordt hij in het Andalusisch dialect. Marianne laat zich gewillig in zijn kraam fotograferen. Als onze churros op is, brengt de grijsaard ons nog een romig likeurtje. En vraagt hij ons of hij geen kopie kan krijgen van die mooie foto met Marianne in zijn kraam… Dat hebben we dan maar geregeld.

We nemen afscheid van de vriendelijke churrosbakker en vertrekken op de dagtocht die Marianne heeft voorbereid. Vanuit het dorp klimmen we meteen steil naar boven voor een luswandeling van zo’n 12 kilometer. De wandeling is goed bewegwijzerd. Het is zo warm op de flanken van de berg dat ik mijn T-shirt uittrek. Wat mij betreft is het hier in januari nog warm genoeg om in blote bast te klimmen.

In de late namiddag lopen we terug Vàlor in. We zien al van ver een goed gevuld terras waar de locals onder een aangenaam zonnetje een biertje of een frisdrank drinken. Jongens voetballen op straat. We vragen de kelner of we diezelfde avond nog in het restaurant terecht kunnen voor een avondmaal. Geen probleem, antwoordt hij, vanaf 20 u.

 Als we om acht uur ’s avonds de gelagzaal van het restaurant betreden, worden we overvallen door een orkaan van mannenstemmen aan de toog. De jagers binnen zitten, hangen en staan aan de toog bier te drinken en straffe verhalen te vertellen. De jachthonden moeten buiten blijven, veilig opgesloten in de aanhangwagens.

Net op dat moment vangt de voetbalwedstrijd voor de Spaanse Supercup aan, tussen FC Barcelona en Real Madrid. Het lawaai in het restaurant zwelt nog aan. Na de eerste helft druppelen er ook wat vrouwen binnen om te supporteren. Wij houden het voor bekeken na zo’n vermoeiende dag. ’s Anderendaags vernemen we dat FC Barcelona de Spaanse supercup won na een 3-2-zege op Real Madrid.

’s Anderendaags is ook de Coviran weer geopend. We slaan in de dorpswinkel voedsel in voor de rest van de dag. Slingerend rijden we verder en verder omhoog, de Sierra Nevada in. Hoe hoger we klimmen, hoe dikker de sneeuw wordt die we naast de weg zien liggen. Aan de bergpas is het druk. Er staan heel wat auto’s geparkeerd. Kinderen sleeën de berg af, al dan niet met vader of moeder, en wie niet sleet, maakt een sneeuwman. Eens we de bergpas over zijn gereden, dalen we onder een stralende zon terug de vallei in.

We houden halt in Guadix, waar mensen in grotten wonen, en daarna in Castril. Daar doen we nog een kloofwandeling langs de Rio Castril. Tenslotte rijden we door naar Huéscar, waar wij die avond in een bewoonbaar gemaakte grot zullen overnachten. Het zal de enige slaapplaats van onze roadtrip zijn waarin Marianne en ik niet in dezelfde slaapkamer slapen. Er zijn namelijk 2 kamers, maar elk met een nogal smal tweepersoonsbed. We maken van de gelegenheid gebruik om elk in een deftig bed te slapen, in onze van binnen witgekalkte grot.

De uitrusting van de grotwoning mocht wel wat uitgebreider. Er was geen koffiezetapparaat, geen koffietassen, geen waterkoker, geen keukenhanddoeken of afwassponsje, geen badhanddoeken, geen wijnglazen, geen wifi, maar gelukkig wel een stortbad. Na onze douche ontbijten we met de restjes van de Coviran in Vàlor, laden we de auto opnieuw in en rijden we naar onze volgende bestemming, vijfhonderd kilometer verder naar het noorden, naar Albarracín.   

Geplaatst in natuur, reizen, Spanje, vrije tijd, wandelen | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Roadtrip van Haacht naar Zuid-Spanje en terug (7)

Van Baeza is het maar twee uur rijden naar het Andalusische  Guájar-Faragüit. Daar heeft Marianne vooraleer ik haar heb leren kennen een klein huisje gekocht met een mooie naam: Casa de Garcito. Dat huisje heeft ze met de hulp van vrienden opgekalefaterd. Het werd een geweldige uitvalsbasis voor wandelingen in de buurt, maar ook voor tochten in de bergen rondom en voor dagjes aan zee.

Van zodra we samen waren, hield ik ook van die heerlijke vakanties in haar huisje. We namen vrienden en familie op sleeptouw en maakten grote wandelingen in de Sierra Nevada en de Alpujarras, of we daalden af in onze favoriete kloof, de Barranco de Luna.

Ergens laat in 2025 besliste Marianne haar huis terug te koop te zetten. Veel vlugger dan we hadden verwacht, daagden er voor het kleine huisje kopers op. Een Frans koppel met twee nog jonge kinderen deed een bod en drong aan op een snelle verkoop, en zo geschiedde. Het koppel was van plan om er permanent te wonen. Vreemd genoeg zouden ze pas in juni verhuizen. Wij bleven nog enkele dagen in het huisje om de huisraad en herinneringen die Marianne niet wilde missen, terug te verhuizen naar Haacht. De kopers waren immers niet geïnteresseerd in de inboedel.

img_6976
De zon schijnt nog heerlijk in Los Guàjares, van op het terras werpt Marianne een laatste blik op de vallei.

We gingen nog eens naar het dorpscafé La Parada, waar gewoonlijk op vrijdag de expats van het dorp verzamelen. De lingua franca is er dan het Engels en die avonden zijn altijd een gezellige boel. Ik denk dat we zeker nog terug zullen keren naar Los Guàjares, want er zijn wat nieuwe B&B’s geopend.

We rijden met spijt het sympathieke dorpje uit, met al die mooie plekken en nog een paar cafés die het telt, waar je naar Spaanse gewoonte nog altijd een tapa bij je drankje krijgt. Spijtig genoeg was ons favoriete restaurant La Roka in Salobreña in het putje van de winter gesloten. Maar gelukkig konden we dan wel weer terecht bij ons andere favoriete restaurant, Mesón Nacimiento, in Vélez de Benaudalla. Daar gingen we uitzonderlijk ’s middags eten, vooraleer we onze roadtrip terug naar het noorden verderzetten.

Na de naar gewoonte heerlijke maaltijd in Mesón Nacimiento wandelen we naar de parking waar de auto staat. Ik zie Marianne een traan uit haar oog wrijven. Afscheid nemen van deze heerlijke streek waar we zoveel plezier hebben gemaakt is niet makkelijk. Van Vélez de Benaudalla begint onze terugrit richting Haacht.

Geplaatst in cultuur, liefde, natuur, reizen, Spanje, vriendschap, vrije tijd, wandelen | Tags: , , , , , , , , , , , | 1 reactie