Sneeuw, hond, voet. En hoogspanningskabels.

Van een goede vriendin die na lange tijd op bezoek is gekomen, kreeg ik de dunne roman “Sneeuw, hond, voet” van de Italiaan Claudio Morandini cadeau. Een vreemde titel voor een bizarre maar intrigerende roman van minder dan 130 bladzijden. Hij rolde in 2015 van de drukpers in Italië, schopte het tot bestseller, won een prijs en kende flink wat vertalingen.

De hoofdfiguur uit de roman, Adelmo Farandola, leeft als een heremiet met grote vlagen van geheugenverlies hoog in de Alpen in een berghut die in de winter onder sneeuwt. Alleen om voorraden in te slaan uit de winkel in het dorp daalt Adelmo nog van zijn berg af. De winkeljuffrouw vraagt hem dan de deur open te laten staan om wat frisse lucht binnen te laten. Maar eigenlijk kan ze gewoon niet tegen de stank die met Adelmo haar winkel inwaait.

Adelmo Farandola zwerft in de zomer door de bergen en valleien met een oude hond, waarmee hij spreekt, ruziet, lacht en zijn voedsel deelt. In het boek kan het dier ook antwoorden. Soms stuit het onafscheidelijke duo in de bergen op een jachtopziener. Adelmo Farandola probeert de vriendelijke man te ontwijken maar slaagt daar niet altijd in. Dan vindt hij dat de jachtopziener hem te onpas aanspreekt, tracht uit te horen en bespioneert. Dat laatste doet Adelmo ook zelf met hem.

Tijdens een hongerwinter die man en hond in de ondergesneeuwde berghut doormaken, verliest het duo het onderscheid tussen waken en slapen. Als eindelijk het voorjaar aanbreekt, kunnen ze terug naar buiten. Daar doet Adelmo Farandola een sinistere ontdekking: uit de verse lawine die de berg is afgeschoven steekt een mensenvoet uit de sneeuw. Met de dooi komt langzaam heel het stinkende lijk van een man bloot te liggen. Adelmo Farandola verliest nu helemaal zijn realiteitszin. Hij begint te praten met het lijk en sleept het achter zich aan hoger de berg op, naar een lage en smalle tunnel die alleen hij nog weet zijn en waar hij zich samen met het hem onbekende lijk verstopt.  

Eerder in het boek laat de auteur Adelmo Farandola een herinnering ophalen aan zijn kinderjaren in het dorp waar hij toen leefde. De huizen in zijn geboortedorp schurkten tegen elkaar aan onder een hoogspanningsleiding waarvan de kabels dag en nacht zoemden. De mensen werden er gek van, zei zijn moeder en ook zijn vader zei het, voordat hij een stok pakte om zijn zoon mee achterna te zitten alsof die de schuld was van dat gezoem. “Adelmo Farandola is er allang van overtuigd dat als er iets in zijn hoofd mis is, dat komt door de jaren onder die hoogspanningsleiding”, las ik. En ik denk meteen aan de Ventilusdiscussie.

Op het einde van de roman, als Adelmo Farandola tegen de ontbindende dode in de nauwe tunnel aan geschurkt ligt, vraagt hij het lijk of hij hem al over de kabels heeft verteld. “Ja, meer dan eens”, zucht de dode man. Zelfs daar hoort Adelmo Farandola het gezoem nog. En dan eindigt het boek met de zin: “Maar de dode naast hem doet alsof het hem niet interesseert.”

Een mooi, eigenaardig boek. Mag ik het ook vreemd vinden dat de Nederlandse vertaling van deze Italiaanse roman uit 2015 nu opnieuw te koop ligt in de Vlaamse boekhandels, terwijl de Vlaamse regering de Ventilusdiscussie nog niet heeft beslecht?

Geplaatst in literatuur, politiek, samenleving | Tags: , | Een reactie plaatsen

De bedelaar

Bovenaan de trap naar de uitgang van het ondergronds gelegen Centraal-Station gekomen, zag ik hem staan. Hij ziet er wat verdikt uit, dacht ik. Hij stond daar zoals hij daar al jaren regelmatig staat, zijn boekjes voor daklozen te venten. Bij het buiten stappen in de mistige Brusselse ochtend, zag ik hem naar mij kijken. Op zijn gezicht verscheen de blik van herkenning. Meteen voelde ik dat hij me zou aanklampen, zoals hij gewoonlijk doet als ik er niet in luk hem ongemerkt te passeren. Mijn slechtere ik zocht al naar manieren om hem af te wimpelen. Mijn betere ik was nieuwsgierig naar de tactiek die hij ditmaal zou uitproberen.

In de twee seconden die nodig waren om hem te kruisen, verloor hij geen tijd. Snel als onze kater naar de melk, overbrugde hij de afstand van drie meter. Hij schudde me de hand en wenste me in het Frans een gelukkig nieuwjaar en een goede gezondheid. In één adem zette hij zijn smeekgezicht op en vroeg wat kleingeld, “om zijn kinderen eten te kunnen geven”.

“Non merci”, flapte mijn slechtere ik eruit, terwijl hij mijn hand nog altijd niet had losgelaten. “Hoe zo, mag ik je dan geen goede gezondheid wensen?”, antwoordde hij met de lach van een winnaar. “Natuurlijk! Natuurlijk wel!”, repliceerde ik snel. Op mijn beurt wenste ik hem veel geluk in het nieuwe jaar. Uit eerlijke schaamte tastte mijn linkerhand in mijn broekzak naar wat kleingeld. Ik wist al dat mijn hand daar geldstukken zou vinden, want ik had de dag voordien het leeggoed van de feestdagen teruggebracht naar mijn favoriete drankenhandel. Ik haalde de muntjes uit mijn zak, opende mijn hand en zag er een stuk van 2 euro, een stuk van 50 cent en nog 2 stukken van 20 en 10 cent in liggen.

Op dat moment liet de bedelaar mijn rechterhand los. Nog vóór ik zelf de kans kreeg hem vijftig cent toe te stoppen, griste hij trefzeker het stuk van twee euro uit mijn hand. Ik keek in zijn nu harde ogen en zag dat het terug vragen vergeefse moeite was. Mijn goede ik kon er om lachen: een mens voelt zich beter als een vertrouwde bedelaar een trucje uithaalt waarmee hij je bij de neus neemt. Tot binnenkort, lachte ik, wat overdreven grootmoedig, en stak haastig de straat over, alsof ik al te laat was.

Geplaatst in Brussel | Tags: , | Een reactie plaatsen

Oswald

Alleen al die voornaam heeft iets speciaals. Google leert me dat het een Engelse voornaam is, die “goddelijk machtig” betekent. Toen ik Oswald Van Ooteghem jaren geleden als jong journalist van het VU-weekblad Wij interviewde, was ik onder de indruk van zijn flair. Als grijsaard, hij was toen al flink in de zestig, was hij als om door een ringetje te halen. Hij stapte door het leven als een vlotte, beminnelijke gentleman.

Oswald werd door mij geïnterviewd omdat hij voormalig Oostfrontvrijwilliger was. Zo worden de Vlaamse vrijwilligers genoemd die tijdens de Tweede Wereldoorlog meevochten met de Duitsers. Op aanstoken van een andere ex-Oostfronter, de in 2011 overleden Toon Van Overstraeten, schreef ik een reeks voor Wij die gebaseerd was op interviews met ex-Oostfronters en historici die gespecialiseerd waren in dat onderwerp.

Nadat hij als directeur van de VU met pensioen was gegaan, vertelde Toon me het verhaal van de Rebellenclub waarvan hij in zijn Oostfronttijd deel uitmaakte. Die club was een groep soldaten van het Vlaams Legioen die collectief weigerde de eed op Adolf Hitler af te leggen, waarmee het Legioen tot SS-stormbrigade Langemarck omgedoopt werd en onder de vleugels van de Waffen SS belandde.

Toon en Oswald waren op hun zestiende, ze hadden in het rekruteringsbureau gelogen over hun leeftijd, met het Vlaams Legioen naar het Oostfront getrokken. Ze gingen er met nazi-Duitsland tegen de bolsjewistische Russen vechten, vooral in Oekraïne. De Vlaamse Oostfronters werden onder meer ingezet in Charkov en Cherson, waar het Poetinregime dezer dagen een oorlog voert en misdaden begaat waarvoor nog een naam moet worden uitgevonden.

Het nieuws dat Oswald Van Ooteghem op 1 november jongstleden op 98-jarige leeftijd was gestorven, had ik aanvankelijk niet opgepikt. Een na jaren toevallig opgedoken ex-collega van op het Barricadenplein in Brussel, waar het hoofdkwartier van de VU was gevestigd, bezorgde me wat persknipsels over het overlijden van Van Ooteghem. De gewezen Untersturmführer (onderluitenant) bij de SS-Brigade Langemarck was na de oorlog gemeenteraadslid, provincieraadslid, senator en Vlaams volksvertegenwoordiger voor de VU geworden. Na het uiteenvallen van die Vlaams-nationalistische partij was hij tot zijn laatste dagen trouw gebleven aan haar erfgenaam, de N-VA.

Bij de persartikels bevond zich onder meer een groot verhaal uit Knack, van de hand van Walter Pauli, een van de zeldzame Vlaamse journalisten met interesse voor de collaboratie. De knipsels bevatten ook een opiniestuk van de gepensioneerde VRT-journalist Walter Zinzen. Die verweet Van Ooteghem vaak te hebben verwezen naar de gruwelen die aan het Oostfront plaatsvonden, maar te hebben gezwegen over de gruwelen die hij zelf zou hebben aangericht (welke dan?). Bovendien zou Oswald nooit blijk hebben gegeven van schuldinzicht.

De bundel bevatte verder wat krantenartikeltjes over rouwhuldes voor Van Ooteghem in het Vlaams Parlement en de Gentse gemeenteraad, die door linkse partijen als Vooruit, PVDA en Groen (in het Vlaams Parlement op Björn Rzoska en Johan Daenen na) waren geboycot.

Als een van de zeer schaarse Vlaamse officieren, raakte onderluitenant Van Ooteghem aan het Oostfront drie keer ernstig gewond. Hij schopte het in ’43 tot Kriegsberichter, oorlogscorrespondent. Die job was ook niet van gevaar ontbloot, maar toch veel veiliger dan die van onderluitenant bij een vrijwilligerseenheid van de Waffen SS. Op het einde van de oorlog zou Van Ooteghem nog een van de officieren worden van het “Jeugdbataljon”. Dat bestond uit vijf- en zestienjarige zoons van collaborateurs die op het einde van de oorlog in het zog van de naar Duitsland gevluchte Vlaamse Landsleiding onder de wapens werden geroepen om de aanstormende Russen tegen te houden. Van Ooteghem besefte volgens Walter Pauli wat hen wachtte: “ze zijn te jong om sigaretten te mogen roken, maar oud genoeg om te sterven.”

Zoals die vergeefs geofferde jongens, waren Van Overstraeten en Van Ooteghem opgegroeid in radicaal Vlaams-nationalistische nesten. Hun vaders waren rabiate collaborateurs, hun moeders baden en weenden voor de terugkeer van hun zonen. Bij de familie Van Ooteghem en in mindere mate bij de Van Overstraetens waren hardleerse zwarte leiders als Reimond Tollenaere, Staf De Clercq, Hendrik Elias of dokter Daels kind aan huis. Na de oorlog dook Van Ooteghem enkele jaren onder in West-Duitsland, maar bij zijn terugkeer in België vloog hij meteen de Gentse gevangenis in waar ook zijn vader en Elias nog zaten.

Na een jaar in De Nieuwe Wandeling werd Oswald op vrije voeten gesteld. Uiteindelijk zou hij zichzelf opnieuw uitvinden als politicus bij de VU. Als naoorlogse politicus had Van Ooteghem de oprichting van het Vlaams Blok kunnen aangrijpen om voor een carrière bij extreemrechts te kiezen. Dat deed hij niet. Hij bleef het democratisch en vrijheidslievend Vlaams-nationalisme trouw.

Van Ooteghem erkende wel degelijk dat het naziregime misdadig was en dat hij voor een zeer foute zaak had gevochten. Zich daarvoor publiek verontschuldigen, deed hij niet. Maar kan je zo’n groot pardon verwachten van mannen die zich als adolescent geëngageerd hebben voor wat ze in België een rechtvaardige zaak vonden, maar dat onder Duits bewind een crimineel regime was dat een oorlog voerde op wereldschaal? Een dictatuur die misdrijven beging die al wel een naam hebben gekregen: misdaden tegen de menselijkheid.  

In het interview dat ik van hem afnam, zei Oswald dat de collaboratie volgens hem “voor 90 procent te danken (was) aan de Belgische staat zelf. Hadden wij een vaderland om te beminnen, dan hadden wij dat vaderland waarschijnlijk even enthousiast verdedigd als we het bestreden hebben. (…) Wij zouden desnoods met de duivel hebben samengewerkt om de zelfstandigheid van Vlaanderen te verwerven en België te vernietigen.”

Toen ik Toon Van Overstraeten vroeg of hij achteraf bekeken spijt had dat hij naar het Oostfront is vertrokken, kreeg ik dit als antwoord: “Dat is de meest idiote vraag die je mij kunt stellen. Het is nu eenmaal niet opnieuw te doen. Mijn ervaringen plaatsen mij wel voor enkele gewetensconflicten. Maar dat is nog wat anders dan spijt hebben. En die gewetensconflicten, die beschouw ik zelf als verrijkend voor mij. Ik heb nooit gestudeerd, maar in die periode heb ik zoveel ervaren, zoveel mensenkennis opgedaan, relativeringsvermogen gekregen, dat wanneer dat alles verwerkt wordt, en dat duurt een tijd, ik een stuk verder stond dan anderen. Die periode heeft me van mijn jeugd beroofd. Hoe gek het ook mag klinken, mijn periode als Oostfronter kan ik niet anders beschouwen dan als een belangrijk, integrerend deel van mijn leven waar ik geen spijt kán van hebben. Wat ik vandaag ben, heb ik voor een deel aan het Oostfront en de oorlog te danken.”

Lees meer over dit thema in “Terug naar het Oostfront”, Peter Dejaegher, Brave New Books, bestelbaar via standaardboekhandel.be en bol.com.

Geplaatst in geschiedenis, politiek | Tags: , , , , , , | 4 reacties

De laatste mandenkoers

De Vrijdagmarkt was in Gent nog lang na de Tweede Wereldoorlog een plek waar vooral groenten en fruit verhandeld werden. Er waren verschillende handelaars gevestigd en onder de bomen die toen nog rond het standbeeld van Jacob van Artevelde stonden, vond er dagelijks een groente- en fruitmarkt plaats.

In het pand waar vandaag restaurant het Keizershof is gevestigd, woonde in de vroege jaren zestig een gedreven, sportieve en intelligente jongeman, Etienne Vanhuffel, nog in bij zijn ouders. Enkele jaren later zou hij de vader van mijn vriendin Marianne worden. Ook Etiennes vader en moeder hadden er een florissant fruitbedrijf, dat Etienne later zou overnemen.

Op een ochtend in 1963 of 1964, precies herinnert Etienne het zich niet zo goed meer, stond vader Vanhuffel op met een goed gedacht: hij wilde op de Vrijdagmarkt nog eens een mandenkoers organiseren. Dat was vele jaren vroeger een traditie tijdens de Gentse Feesten. Toen vonden er in verschillende Gentse wijken mandenkoersen plaats.

Dat die traditie teloor was gegaan, had een goede reden: na de Tweede Wereldoorlog waren ronde fruitmanden nog het meest gebruikte verpakkingsmateriaal voor groenten en fruit. Maar daar kwam in de jaren vijftig verandering in: de manden werden vervangen door kartonnen dozen en houten kisten.

Etienne was meteen voor het idee van zijn vader gewonnen. Toen de koersen nog traditie waren, was hij immers nog te klein om mee te mogen doen. Deze keer zou hij zeker van de partij zijn. Bij zo’n mandenkoers moesten de deelnemers om ter snelst een parcours afleggen terwijl ze een toren van gestapelde ronde fruitmanden boven het hoofd torsten. Deelnemers die onderweg manden verloren, moesten hun toren eerst opnieuw stapelen. Je moest immers over de finish gaan met een complete toren.

Opgedoken uit de oude doos: een foto van de laatste mandenkoers op de Gentse Vrijdagmarkt

Vader en zoon Vanhuffel vonden voor hun initiatief een medestander in César Van Parijs, de baas van de CVP. Niet de politieke partij, maar de belangrijkste groothandel in fruit van Gent. Van Parijs had voor zijn bedrijfsnaam zijn initialen gekozen. Overal in Gent reden er in de jaren zestig bestelwagens rond met een gestileerde appel op, waarin CVP te lezen stond. César en zijn zoon Marcel zagen het idee van de Vanhuffels wel zitten. Marcel bestelde bij mandenvlechters 120 manden. Zoveel hadden ze er nodig om een echte mandenkoers met schiftingen, een kleine en een grote finale te organiseren.

Toen de manden gevlochten waren, bood vader Vanhuffel aan om ze in afwachting van de koers in zijn opslagplaats op de Vrijdagmarkt te bewaren. Wie weet, zat de pientere twintiger Etienne wel achter dat voorstel. Hij liet alleszins de kans niet liggen om in afwachting van de koers al wat te oefenen met het stapelen van de manden. Hoe beter gestapeld, hoe kleiner de kans dat de toren van tien manden die de deelnemers boven hun hoofd moesten dragen, zou vallen.

Van zijn vader, een ervaren mandencoureur uit de hoogdagen van de mandenkoersen maar een jaar of dertig ouder dan zijn zoon, kreeg Etienne nog wat tips mee. ‘Je moet de stapel die je boven je hoofd vasthoudt, lichtjes voorover laten hellen’, gaf zijn pa hem mee, ‘zodat de manden bij het startschot niet meteen achteruitvallen en je opnieuw moet beginnen stapelen.’

De jonge Vanhuffel oefende flink met zijn eigen toren, waarvoor hij in de opslagplaats rustig de tijd nam om de best in elkaar passende manden uit te zoeken. Etienne bedacht ook een nieuwe techniek: als je de eerste twee manden met het handvat op elkaar stapelde in plaats van ze in elkaar te schuiven, bedacht hij, heb je een meer comfortabele grip op die toren boven je hoofd.

Eindelijk brak de grote dag aan. De mandenkoers rond de Vrijdagmarkt was een namiddagvullend programma. De koers werd in verschillende reeksen gelopen. Tijdens de schiftingen moesten de deelnemers drie ronden rond de Vrijdagmarkt lopen. Daarna volgden de halve finales en de kleine en grote finales. In de kleine finale traden de deelnemers aan die in de halve finales de zesde tot de tiende plaatsen in het klassement hadden gehaald. De grote finale werd betwist door de top vijf van de halve finales. In tegenstelling tot bij de schiftingen, moesten de lopers tijdens de halve, de kleine en de grote finales een zwaardere koers lopen van vijf rondes. Etiennes vader was zesde en liep dus de kleine finale. Etienne had zich weten te plaatsen voor de grote finale.

Etiennes vader vroeg zijn zoon of hij voor zijn kleine finale diens zorgvuldig uitgekozen stapel met manden mocht lenen. Daar kon Etienne natuurlijk geen nee op zeggen. En zijn vader won die kleine halve finale, wellicht dankzij de stapel die zijn zoon in elkaar had gestoken. Maar toen vader Vanhuffel in de eindsprint over de meet ging, gooide hij de tien manden van Etienne met een oerkreet over zijn schouders de kasseien van de Vrijdagmarkt op. Waardoor Etienne, die minuten later mocht starten in de grote finale, geen tijd meer had om zijn tien manden opnieuw deftig in de goede volgorde te stapelen. De moed zakte de jongeman in de schoenen.

Met een ietwat scheve stapel boven zijn hoofd schoot hij als laatste uit de startblokken. Na vijf ronden had hij iedereen ingehaald, op één deelnemer na. Als zijn vader die stapel perfect geordende manden bij de halve finale nu niet over de meet had gegooid, was Etienne zeker gewonnen, daar is hij op z’n tachtigste nog altijd van overtuigd. Nu was Jef Carpentier, bijgenaamd Tseefke, de winnaar. Etienne strandde op de tweede plaats. Het zal daar thuis gestoven hebben. Nadien is er tijdens de Gentse Feesten nooit nog een mandenkoers gehouden.

Geplaatst in cultuur, familie, geschiedenis, vrije tijd | Tags: , , , | 3 reacties

Vanochtend op de trein

Vanochtend stopte de trein van Leuven naar Oostende mooi op tijd in Brussel-Noord. Als de NMBS goed werk levert, mag dat ook eens gezegd worden. In het Noordstation dromde en kwebbelde een klas leerlingen op het perron. Ze droegen fluokleurige hesjes van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Verscholen achter het vensterraam stopte ik het lezen van de krant en bekeek ik geamuseerd de uitgelaten bende.

Een juf wisselde enkele zinnen met de treinbegeleider die uit de trein was gestapt. Ik hoorde de woorden Brussel-Centraal vallen. “Natuurlijk”, hoorde ik de conducteur antwoorden. De klas zou dus niet naar zee reizen. Ik keek nog eens naar de ramen van de wagon of er geen papiertje aanhing en ik toevallig in een coupé was gestapt die voor een school was gereserveerd. De eerste leerlingen stapten de trein al op. “En stil zijn op de trein hé”, hoorde ik de juf commanderen.

De grote klas stapte niettemin vrolijk kwebbelend op. Recht over me waren nog twee plaatsen vrij. Een jongen met schelmenogen en een stil meisje installeerden zich voor me. “Goeiemorgen” groette ik de kinderen van naar schatting een jaar of negen. Het jongetje beantwoordde meteen mijn groet.

“Tu parles Néerlandais?”, vroeg ik hem zonder nadenken in het Frans.
“Bien sûr”, antwoordde hij. “En Arabisch”, voegde hij daar aan toe. “Salaam aleikum”, ging hij verder, “weet jij wat dat betekent?”
“Jawel”, antwoordde ik, “Goeiedag! Maar wat een talenknobbel ben jij”, zei ik nog, “zo jong en al drietalig!”
“Zeker”, zei hij fier, en wijzend naar zijn klasgenootje naast hem: “En zij ook!”

Toen stopte de trein in Brussel-Centraal. De klas stapte luidruchtig uit. Een jonge blonde juf die mijn kortstondige reisgenootjes liet passeren, gaf ik een compliment: “Amai, dit kereltje is precies één van de slimmeriken in je klas. Al drietalig!”
“Ja, geweldig hé”, antwoordde ze. “En zij ook, hoor”, wees ze op het vriendinnetje.

Toen ik me op het perron tussen de vrolijke kinderen naar de roltrap wurmde, riep het bijdehandje me nog snel toe: “bye bye mister!”
“Hola”, antwoordde ik, “eigenlijk ben jij al viertalig!”
Op zijn gezicht vormde zich een mooie glimlach. “Ah ja, da’s ook waar”, realiseerde hij zich ineens zelf.

Geplaatst in Brussel, integratie, samenleving | Tags: , , | 5 reacties

De mollenjagers

‘We hebben weer een erg actieve mol in de tuin’, vertelde ik mijn moeder gisteren. Marianne en ik zijn net terug van vakantie. De mol heeft van onze afwezigheid gebruik gemaakt om eens flink zijn gangen te gaan. ‘Tja’, antwoordt mijn moeder, ‘Papa zette dan een mollenklem. Soms ving hij dan de mol, maar vaak ook niet.’

Mijn moeder gaat verder met een ander verhaal dat ik al vergeten was. Er waren eens lang geleden, toen mijn vader nog leefde, een nonkel en een tante uit Brugge bij ons in Wespelaar op bezoek. Ook mijn neefje, een leeftijdsgenoot van mijn broer, en mijn oma en peter waren meegereisd. Ze zouden na de middag naar het ziekenhuis rijden om mijn vader te bezoeken. Hij was geopereerd aan zijn knie. Maar eerst had mijn moeder voor het gezelschap gekookt. De kans is groot dat we toen konijn met pruimen aten, een van haar geweldig lekkere klassiekers. Maar ook dat herinner ik me niet meer.

Tijdens die aperitief van decennia geleden ging het gesprek ook over mollen. Ons mooie gazon in de tuin was helemaal ontsierd door molshopen. Mijn vader had in een grote molshoop een mollenklem geplaatst, maar de sluwe zwarte blindganger was er tot dan nog altijd in geslaagd de dodelijke slagpin te ontwijken. De mol leek ons wel uit te lachen: ‘pak me dan, als je kan!’ En elke dag kwamen er molshopen bij.

Mijn grootvader toonde zich bereid om dat mollenvarken eens goed de oren te wassen. Als hovenier in stadsdienst had hij grote ervaring opgedaan met het vangen van mollen. Hij droeg zijn meegereisde kleinzoon op de wacht op te trekken. Ik kan het me niet herinneren, maar ik stel me voor hoe mijn neefje zich buiten op het terras op een stoel zette om de molshopen in de gaten te houden. Dat moest op de middag gebeuren, want volgens mijn grootvader zijn mollen gewoonlijk ’s middags actief. Dat zie je aan lichte of grotere bewegingen van de opgehoopte aarde in de molshopen. Van zodra mijn neef beweging zag, moest hij mijn grootvader alarmeren. Buiten stond al een spade klaar.

Op het moment dat ik misschien wel een heerlijk stukje van de rug van het konijn aan het oppeuzelen was, kwam mijn neef de woonkamer binnengelopen. ‘Alarm!’, riep hij opgewonden, ‘de mol beweegt!’ Opa stoof naar buiten. Hij griste de spade mee en snelde naar de molshoop die mijn neef aanwees. Hij dreef de spade diep in de hoop en wipte de aarde omhoog. Tussen de neervallende kluiten viel een verbouwereerde mol op de grond, die meteen wijlen werd toen de spade met een dreun op zijn zachte zwarte lijf belandde. Maar mijn grootvader stopte niet. Hij stootte de spade terug in de molshoop en wipte nog twee mollen de lucht van een mooie lentemiddag in, die vervolgens dezelfde snelle dood vonden als hun voortrekker.

Na het feestelijk middagmaal maakten de bezoekers zich op om hun onfortuinlijke zoon, broer, schoonbroer en nonkel te gaan bezoeken in het ziekenhuis. De vader van mijn neef, een nonkel van het type dat van grappen houdt, had een idee: hij rolde de dode mollen in een stuk krantenpapier en schonk zijn cadeautje meteen bij het binnenkomen in de ziekenkamer aan mijn vader. Ik stel me voor dat die zich verplicht voelde het grappig te vinden, maar dat hij bij het einde van het ziekenbezoek zijn schoonbroer met de mollenkadavers terug wandelen stuurde. Mijn vader was in dat Ukkels ziekenhuis immers niet alleen patiënt, maar ook werknemer.  

De mollenjagers zagen zich zo verplicht met hun vangst opgeborgen in de koffer van de auto terug af te druipen naar het verre Brugge, zou je denken. Maar op de parking van het ziekenhuis kreeg mijn nonkel een beter inval. Op de parking liet hij het krantenpapier met daarin de drie mollen gedraaid op de motorkap van een chique auto achter. Een billenkletser, nog een geluk dat er toen geen camera’s op de parkings hingen.

Toen ik van mijn moeder terug thuis was, vertelde ik het mollenverhaal meteen aan Marianne. Eerder op de dag had ik onze eigen mollenverdrijver ingegraven tussen de molshopen: een buis met batterijen in die om de zoveel seconden een reutelend geluid produceert, waaraan mollen volgens de gebruiksaanwijzing een hekel hebben en het hazenpad kiezen. Om de mol wat te jennen, maakte ik ook nog al zijn hopen met de grond gelijk.

Vanochtend wachtte me op het terras een verrassing. Er lagen in verschillende hoopjes wat uitgekotste ingewanden en andere resten van een beest dat veel weg had van een mol. Alle platgeslagen molshopen lagen nog plat en er waren er geen nieuwe bij gekomen. Pluim, onze kater die ik soms minachtend de kleine jager noem, want zelf ben ik dan de grote jager, heeft eindelijk weer eens zijn werk gedaan.

De kleine jager Pluim rust uit na een nachtelijke grote jacht
Geplaatst in familie, Haacht | Tags: , , , , | 3 reacties

En daar is de zee!

’s Ochtends is Roquefort wel wakker. Het is druk in het dorp langs de straten waar de merktekens van de Sentier Cathare ons de weg wijzen van onze laatste wandeltocht naar Port-la-Nouvelle. Een kwartier later stappen we langs een nieuwbouwwijk aan de dorpsrand terug tussen de wijngaarden, zij het nog op een asfaltweg. Via een tunnel lopen we twee kilometer verder onder de snelweg A9. Tien minuten later dwarsen we de D6009 en versmalt het asfalt tot een vertrouwd brokkelig pad, dat na driehonderd meter begint te stijgen.

De laatste klim van de Sentier stijgt op een korte afstand zo’n 140 meter, die een mens ook in de vroege ochtend doen zweten. We bereiken een plateau waarop het nu weer brede pad gedurende een kilometer of twee langzaam daalt. In de verte zien we boven de heuvels windmolens wieken maar de zee laat zich voorlopig niet zien. Als de zandweg terug lichtjes omhoogloopt, zien we van op de heuveltop eindelijk de Middellandse Zee en de lagunes rond Port-la-Nouvelle liggen. Op dat moment hebben we al een kilometer of zes gewandeld, de helft van onze kortste dagtocht.

Langs de kant van de weg nemen we een uitgebreide rustpauze om te picknicken. Het is weer zo’n hete dag van boven de 30°C. Bart en ik trekken onze bezwete T-shirts uit en hangen ze over de struiken te drogen. Als we verder stappen, nemen mijn broer en schoonzus weer wat voorsprong. De zee lonkt en lokt.

Waar de sentier aansluit op een toegangsweg naar de met windmolens bezaaide heuvelkammen, wordt de verharde zandweg zo breed als een drievaksbaan. De bouwwerktuigen om die mastodonten in de Corbièresheuvels te planten moeten wel heel groot zijn.

Tussen de windmolens wandelend zetten we de afdaling naar Port-la-Nouvelle in. We hebben nu permanent zicht op de zee, de kust en de lagunes in de buurt van La Palme ten westen en van Sainte-Lucie ten oosten van Port-la-Nouvelle. Er wordt aan zoutwinning gedaan. Heel wat van die zoutwinningen, meren en lagunes zijn natuurreservaten, maar dat weten we op dat moment nog niet. In de beschermde natuur hebben flamingo’s een thuis gevonden.

Hoe dichter we Port-la-Nouvelle naderen, hoe lelijker we de stad vinden. Langs de rand liggen behoorlijk wat fabrieken en andere industriële gebouwen. De laatste vlakke kilometers lopen we tussen het lawaai van graafmachines, drilboren en zware vrachtwagens. Vanuit de natuur loopt de het pad plots naar een drukke rotonde op de D709. Links ligt een Aldi op een bedrijventerrein, rechts een zoutvlakte en vóór ons een spoorwegbrug, waar de rood-witte strepen ons over gidsen.

We zijn benieuwd hoe het startpunt van de Sentier Cathare eruit zal zien. De Sentier vertrekt van het treinstation van Port-la-Nouvelle en loopt dan 220 kilometer westwaarts naar Foix. Langs een grote boulevard lopen we tussen de appartementsblokken en een vakantiecentrum met houten huisjes naar het station, helemaal in een uithoek van Port-la-Nouvelle. Daar wacht ons een ontgoocheling. We vinden het laatste rood-witte teken van de GR inderdaad vlakbij het stationsgebouw. Maar nergens zien we een infobord met wat uitleg om de wandelaar diets te maken dat hier de roemruchte Sentier Cathare start.

We stappen van het station verder naar de jachthaven. Een lange, saaie weg langs de kant van het water voert ons eerst voorbij loodsen, haven- en andere bedrijfjes langs de kade. Er ligt een marineschip in de haven. De bemanning is er flink aan het poetsen. In de jachthaven liggen heel wat mooie en grote zeilboten. We zijn naarstig op zoek naar een havencafé met terras om onze dorst eens met wat anders dan warm water te lessen, maar pas twee kilometer verder komen we aan een plein eindelijk aan de afslag voor de zeedijk van Port-la-Nouvelle.

Links voor ons uit op het strand zien we een groot restaurant liggen. Moules à volonté lezen we al van honderd meter ver op de muur. Meer moeten Bart en ik niet weten. We zetten ons aan een tafeltje en bestellen mosselen en halve liters bier. De vrouwen bestellen iets anders, een slaatje of zo. Bart en ik eten onze pot mosselen leeg en bestellen nog een nieuwe. Het smaakt. Er kan ook nog een bier bij.

Daarna nemen we onze intrek in het hotel dat Bart gereserveerd heeft. Eén van onze kamers heeft zicht op zee. We spelen kop of munt en Marianne en ik winnen. Daarna gaan we zwemmen. Het water van de Middellandse Zee is heerlijk. We blijven nog een dag in Port-la-Nouvelle chillen en gaan in Sigean op zoek naar de flamingo’s. We eten lekkere maar wat kleinere tapa’s dan in Spanje, bezoeken een marktje, doen een wandelingetje, slurpen een reusachtige ijscoupe leeg, gaan nog eens zwemmen en als we niet weten wat te doen, stranden we op een terras. Het zomerseizoen loopt in deze streek op z’n laatste benen.

In Lissabon heb ik enkele jaren geleden een T-shirt gekocht met een Portugees citaat van de schrijver José Saramago: “O fim duma viagem é apenas o começo doutra. É preciso recomeçar a viagem. Sempre.” Of in het Nederlands: “Het einde van een reis is slechts het begin van een andere. Je moet de reis helemaal opnieuw beginnen. Altijd.” Tijd dus om een nieuw projectje te bedenken.

Geplaatst in Katharen, reizen | Tags: , | 2 reacties

Van Durban naar Roquefort

Durban-Corbières is best een pittoresk dorpje. Onze overnachtingsplaats bevindt zich op een steenworp van de middeleeuwse kasteelruïne die boven het dorp uitsteekt. Die ruïne gaan we voor we vertrekken naar onze volgende bestemming, Roquefort-de-Corbières, nog even bekijken. Onderaan het kasteel bevindt zich een waterbekken met een kraantje. Je moet goed wakker zijn om dat klein ding te vinden. We vullen onze drinkbussen, want het belooft weer een hete dag van meer dan 30°C te worden en naar Roquefort is het nog achttien kilometer dalen en stijgen ver.

Na het ontbijt stelt de uitbater van l’Abricotier voor om die avond voor ons taxi te spelen, tegen een redelijke vergoeding weliswaar. Eens we op onze bestemming gearriveerd zijn, moeten we hem bellen en dan komt hij iemand oppikken om ermee terug te rijden naar de parking aan zijn b&b waar onze auto staat. Dat voorstel aanvaarden we graag.

Goedgemutst over die afspraak nemen we afscheid. Langs smalle steegjes dalen we af naar de D611. Het dorp verbergt mooie plekjes, maar woke is het hier nog niet echt. Aan een fleurige gevel stuiten we op het gehavende plaasteren beeld van een zwart jongetje dat zijn hand ophoudt. Niet om te bedelen, de eigenaar van het beeldje heeft er een lampionnetje aan vastgehangen.

Langs de D611 passeren we een tankstation met erachter een supermarkt. Handig om weten, daar kunnen we vanavond onze picknick voor de volgende dag inslaan. Eens uit het dorp lopen we weer door de wijngaarden. Hier en daar zijn de blauwe druiven al geplukt. In andere wijngaarden moet de pluk nog beginnen. Sommige wijnboeren schermen hun wijngaarden af met draad onder spanning. Maar meestal zijn de druiven gemakkelijk te plukken en dat doen we regelmatig, om onze snelle suikers op peil te houden en de dorst te lessen.

Aanvankelijk lopen we in de vallei, maar gaandeweg gaat het katharenpad weer omhoog. Na twee kilometer kronkelt een eerste klimmetje naar een heuveltop van 250 meter die we meteen ook weer steil afdalen. Dan volgt weer een langzamere klim naar bijna 400 meter, met op het eind een heel steil stuk omhoog dat ons nat in het zweet doet staan. Het is het hoogste punt van de dag, vanaf daar wachten ons vooral nog afdalingen, sommige ook wel steil.

De knieën van Marianne houden gelukkig stand, nu het tempo niet te hoog ligt. We picknicken ergens langs de kant van de weg. Bart en Kristel dalen na de lunch af op een hoger tempo dan Marianne en ik. Hoewel ik de lange tocht van gisteren nog in mijn spieren en gewrichten voel, gaat het afdalen ons goed af.

We laten het aan Bart en Kristel over om in Roquefort-de-Corbières nog een cafeetje te zoeken, liefst met een terras. We worden pas na vier uur in de namiddag op onze overnachtingsplaats l’Ostalada verwacht. Helaas lijkt in dit dorp dat niet gek ver van de Spaanse grens ligt, de gewoonte om een lange siësta te houden goed ingeburgerd. Als we na de middag de eerste straten van Roquefort inlopen, ademt het dorp een diepe rust uit. Enkele werkmannen die op hun dooie gemak wat aan de wegenis prutsen, lijken de enige wakkere inwoners. Nochtans is het dorp zo’n duizend zielen rijk, die zich dan toch goed weten te verbergen. Misschien zijn ze wel gaan werken, of verpozen ze aan de stranden van de hier al dichtbij gelegen Middellandse Zee.

Ons hart maakt een sprongetje als we de sportvelden zien liggen met ernaast een mooie cafetaria en een ruim terras. Helaas gaat de zaak pas in de late namiddag terug open. We passeren ook een bakker, een beenhouwer, een kruidenier en nog wat andere neringen, maar alle zijn ze gesloten. Zo wandelen we dan toch maar op ons gemak naar l’Ostalada, waar we een uurtje te vroeg aankomen. Het is het eerste waar de gastvrouw ons op wijst als ze de deur opentrekt van haar statige, mooi gerestaureerde tweewoonst. Maar goed, we gaan niet zagen, ze laat ons immers binnen in het deel dat als b&b is ingericht.

Als we vragen of geen pintje kunnen krijgen om onze grote dorst te lessen, vertelt ze dat ze helemaal geen alcohol in huis heeft. Of nee, zegt ze hoofdschuddend, bij nader toezien kan ze ons misschien toch enkele biertjes bezorgen. Vanuit haar deel van de tweewoonst waar ze met haar man woont, komt ze een minuutje later aanzetten met twee gekoelde blonde Leffes, wellicht uit het voorraadje van haar man. Bart en ik laten het gerstenat smaken. Maar op wijn voor bij het avondmaal, geeft de gastvrouw voor alle duidelijkheid alvast even mee, hoeven we niet te rekenen. Bart en ik trekken onze wenkbrauwen op: langsheen heel de katharenroute, die door schitterende wijngebieden loopt, hebben we zoiets nog niet meegemaakt. Integendeel, de meeste uitbaters van overnachtingsplekken voor de wandelaars op de Sentier Cathare maken er een punt van om hun gasten wijn à volonté aan te bieden.

B&b l’Ostalada is smaakvol ingericht, met als uitsmijter een royaal dakterras met een enig zicht op de het dorp, de vallei, de kliffen en heuvels aan de einder. Maar naast het gebrek aan alcohol hebben we nog wel een en ander op onze slaapplek aan te merken: de grote ruimten op de drie verdiepingen zijn enkel via smalle steile trappen toegankelijk, de douche is aan de kleine kant, de glazen en het bestek zijn vuil, er liggen een hoop glassplinters op de vloer en vooral, het eten en drinken dat het echtpaar ons voorschotelt, zowel voor het avondmaal als bij het ontbijt, is strak gerantsoeneerd.

Een half uur nadat we hem gebeld hebben, arriveert de eigenaar van l’Abricotier aan l’Ostalada om iemand op te pikken die de auto gaat ophalen in Durban. Zijn vuile Peugeot 205 heeft al 350.000 kilometer op de teller. De achterbank en de koffer liggen volgestapeld met tuingereedschap, bouwmaterialen en losse aarde, of hoe moet je het verwoorden als de laag stof op de zetels en de vloer van de auto haast een centimeter dik is.

De man had er niet op gerekend dat er nog een extra passagier zou meerijden. Al voor de komst van onze amateur-taxichauffeur had ik immers bedacht dat mijn ondersteuning van mijn broer bij deze logistieke operatie een meerwaarde kon zijn. Na wat reorganisatie van de rommel, kan ik toch nog op een min of meer proper stuk achterbank plaatsnemen. Eens we in Durban van auto zijn gewisseld, laten mijn broer en ik de gelegenheid niet liggen om, naast onze picknick voor de volgende dag en wat aperitiefhapjes, in de supermarkt achter het tankstation voldoende flessen wijn en bier in te slaan. Want er is voetbal op tv!  

Geplaatst in Katharen, reizen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Van Tuchan naar Durban-Corbières

De langste dag is naast een boek van Cornelius Ryan uit 1959 over de landing in Normandië, dat in 1962 nog in zwartwit verfilmd werd met John Wayne en Robert Mitchum in de hoofdrollen, ook onze tweede dagtocht van onze laatste wandelvakantie op de Sentier Cathare. Daar is die tocht 28 kilometer lang, met meer dan duizend meter stijgen en meer dan duizend meter dalen. Van de hoogvlakte van Mont Tauch, waar we verbleven in joerts aan de Gîte Saint Roche, loopt het pad via Embres-et-Castelmaure naar Durban-Corbières.

Ondanks het met veel alcohol overgoten avondmaal sliepen we als roosjes in onze joerts en stonden we katerloos om 8 uur paraat voor het ontbijt. Na de afrekening bij de uitbater stapten we in de auto van Bart. Meteen knipten we circa twee kilometer van onze langste dag af, door genoeglijk gezeten met de auto af te zakken naar Tuchan.

Het was, zo beredeneerden we de dag voordien al tijdens het eetmaal, een beetje dwaas om de auto aan de gîte te laten staan. En als we hem dan toch in Tuchan zouden achterlaten, konden we even goed naar Tuchan rijden. Bovendien had Marianne al weken voor onze wandelvakantie in Katharenland beslist om die ene tocht van haast dertig kilometer, met zoveel stijg- en daalmeters, niet mee te stappen.

Vanuit Tuchan zou ze zo dankzij de auto zelf nog wat plezier aan de dag kunnen beleven. Bovendien bood ze ons aan om voor de lunch te zorgen die we dan soldaat zouden kunnen maken op een afgesproken plaats in Embres, het dorpje dat zich op de kaart iets over halverwege de dagtocht situeerde.

Dus namen we rond 9 u in Tuchan afscheid van Marianne en sloegen we de Sentier Cathare in, met als eerste halte de katharenburcht van Aguilar, niet eens ver buiten de dorpskom van Tuchan. Net als Quéribus, Peyrepertuse, Puilaurens en Termes hoorde het katharenkasteel van Aguilar toe aan de zogenaamde vijf zonen van Carcassonne.

Ook Aguilar lag op een strategisch belangrijke heuvel op de grens tussen Frankrijk en Aragon. In 1210 werd het kasteel belegerd en veroverd door de legers van Simon de Montfort, de graaf die aan het hoofd stond van de kruisvaart tegen de katharen. De adellijke eigenaar van het kasteel, Raymond de Termes, belandde in een donkere kerker in Carcassonne.

Maar zijn zoon, Olivier de Termes, heroverde het kasteel op de kruisvaarders. Aguilar werd daarop een toevluchtsoord voor de katharen. We zagen in de vorige blogpost over het kasteel van Quéribus al hoe deze Olivier de Termes zijn kazak keerde, vriendjes werd met de Franse koning en in 1255 Chabert gevangen wist te nemen. In ruil voor zijn leven en zijn vrijheid moest die laatste Quéribus aan de Fransen overlaten.

Olivier de Termes, geboren in een kathaarsgezind adellijk geslacht, trok daarna mee met de Franse koning op de zevende kruistocht naar het Heilig Land. Hij was een specialist in belegeringen geworden. Uit dankbaarheid voor zijn inzet in Egypte en Palestina kreeg hij van de Franse koning Termes en Aguilar terug. Hij nam daarna nog deel aan de achtste kruistocht, bezorgd als hij vanaf 1257 was geworden voor zijn ziel. Om dezelfde reden deed hij heel wat schenkingen aan de abdij van Fontfroides en andere kloosters. Olivier schopte het zelfs tot seneschalk van het koninkrijk Jeruzalem, het hoofd van de legers in het Heilig Land. In 1274 kwam hij er om het leven.

Aguilar had hij dan al in 1260 opnieuw aan Lodewijk IX verpatst. Daarmee werd het kasteel van zijn vader, net als Quéribus, een Frans bolwerk tegen Spaanse aanvallen. Maar in tegenstelling tot Quéribus werd Aguilar de volgende jaren niet met rust gelaten. Ondanks de grote verdedigingswerken die er uitgevoerd werden, werd het bijna voortdurend belegerd. Door de Spaanse troepen van Aragon, maar toen de koning van Aragon het had veroverd, ook opnieuw door Franse troepen. Pas met het Verdrag van de Pyreneeën uit 1659 kwam er een einde aan de strijd in de grensstreek. Het legde de grens tussen Frankrijk en Spanje verder naar het zuiden, waardoor Aguilar zijn strategische waarde verloor. Het werd verlaten in 1569.

Als we na enkele kilometer kalm stijgen tussen de wijngaarden op de parking van het kasteel van Aguilar aankomen en naar de ticket office wandelen, wacht ons een teleurstelling: het kasteel gaat pas om half elf open. Daar willen we geen dik half uur op wachten. We slaan verder de Sentier Cathare in, de wijngaarden, bossen, heuvels en valleien van de Corbières tegemoet.

Enkele kilometers verder buigt de Sentier Cathare links af aan een gehucht met de naam Nouvelle. We zijn nieuwsgierig naar dat gehucht, dat op de kaart op het einde van de bewoonde wereld ligt. We stuiten op wat bedrijfsgebouwen, een grote classisistische villa, enkele verwaarloosde huizen en ruïnes die middeleeuws aandoen. Het is duidelijk dat alles in dit gehucht om wijn draait. Omringd door wijngaarden ligt er het Château de Nouvelle, waar Muscat de Rivesaltes, Rivesaltes, Fitou et Corbières gebotteld worden. Het kasteel is gebouwd op de grondvesten van een oude Gallo-Romeinse villa. In wat modernere gebouwen is er enig leven te bespeuren: machines draaien, een wijntractor staat geparkeerd, een man komt per auto wijn in wrak kopen, nieuwe flessen om de wijn te bottelen staan op paletten langs een loods opgestapeld.

We houden Nouvelle voor gezien en keren op onze stappen terug naar de Sentier, waar we even van de druiven langs het pad proeven, altijd goed voor snelle suikers. Alweer enkele kilometer verder komen we in Embres-et-Castelmaure, een klein wijndorp van zo’n 140 inwoners. We hebben er met Marianne afgesproken om te lunchen. Achter de wat verwaarloosde feestzaal van het dorp ligt een ruime parking waar picknickbanken rust bieden bij het nuttigen van brood en toespijs. Een werkman doet er vergeefse pogingen om zijn oude vrachtwagen te starten. Een kwartier later geeft hij het op. Zonder ons te bezien gaat hij met zijn hond wandelen. Aan een kraantje vullen we onze drinkbussen bij en we stappen gedrieën verder. Marianne gaat met de auto al op verkenning naar Durban-Corbières.

Na een poos vrij vlak te wandelen in de vallei, waar we weer lekkere druiven plukken ten bate van ons suikerpeil, begint het pad opnieuw te stijgen. En het blijft maar klimmen. Na elke knik in de weg hopen we op een vlak stuk, maar keer op keer blijft de Sentier verder omhoog kruipen, tot we zo’n vijfhonderd meter hoger hijgend aan een toren op de top van de heuvel komen. Boven op de toren lijkt een madonna te staan. Maar het is een beeld van de maagd van Sainte Raphine, de patrones van Sevilla, door de bewoners van Durban-Corbières ‘La Recaoufa’ genoemd. Kristel vlijt zich uitgeput neer om op adem te komen. Bart en ik genieten al van het magnifieke uitzicht over de valleien. Er wacht ons vanaf daar een steile daling van nog eens vijfhonderd meter, langs een rotsig pad onder de bomen en dichte struiken naar Durban-Corbières, eindelijk eens een deftig uit de kluiten gewassen dorp van zo’n 700 inwoners.

Daar komen we van het katharenpad meteen in de hoofdstraat terecht, de D611, een drukke doorgangsbaan in de Corbières, waar fietsers, voetgangers en personenwagens rekening moeten houden met tractoren, vrachtwagens en busjes gevuld met druivenplukkers. Wijnbouw is hier de belangrijkste economische bezigheid. Rond het dorp liggen 350 hectare wijngaarden. Al gauw zie ik wat verderop Marianne op een muurtje zitten. Een café lijkt er in het nochtans grote dorp niet open, maar in een Bar-Tabac heeft ze al wat gekoelde biertjes en frisdrank op de kop weten te tikken. De vermoeide stappers worden verwend!

Als we de versterkingen uit hebben, volgen we Marianne naar onze overnachtingsplaats, waar ze de auto al heeft achtergelaten. Het is nog een stukje klimmen tot aan ons verblijf in Sous l’Abricotier, een gezellige chambres d’hôtes. Durban heeft een wirwar van kleine, smalle straatjes met pittoreske huizen. Helemaal op de top van de heuvel ligt de kasteelruïne van Durban, nog een klein klimmetje verwijderd van Sous l’Abricotier. Het kasteel dateert van de elfde eeuw, maar heeft geen rol van betekenis gespeeld in de kruistocht tegen de katharen. Na een snelle douche installeren we ons onder de abrikozenboom in de tuin met een biertje. Onze vriendelijke gastheer serveert als avondmaal een heerlijke pasta, met wijn naar believen en lekkere lokale kazen als dessert. Eens in bed, val ik als een blok in slaap. We hebben onze langste dag van 28 kilometer goed overleefd.

Geplaatst in Katharen, reizen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Van de Quéribus naar Tuchan

Een minuutje of tien. Zo lang duurt het om van de ticket office van Chateau de Quéribus het pad naar de burchtruïne te beklimmen. Een ticket voor volwassenen kost tussen 7,5 en 9,5 euro. In het bezoekerscentrum vind je allerlei informatie, zelfs een uitstekende gratis bezoekersgids in het Nederlands.

Het kasteel behoorde in het begin van de elfde eeuw tot het Spaanse koninkrijk Aragon. Later viel het met de kastelen van Peyrepertuse, Puilaurens, Aguilar en Termes in de handen van de “Zonen van Carcassonne”. De burchten fungeerden als buitenposten van het Franse Carcassonne, die de stad hielpen beschermen tegen Spaanse aanvallers.

Vandaag spreekt vooral de rol van de Quéribus in de kruistocht tegen de katharen tot de verbeelding. Wie meer wil lezen over die gruwelijke oorlog vindt elders op deze website heel wat blogposts over de Sentier Cathare, het grote routepad dat naar de zogenaamde Albigenzer kruistocht verwijst.  

Na de val van Montségur in 1244 zouden verschillende gevluchte katharen zich verscholen hebben in het dichtbij de Spaanse grens gelegen Chateau de Quéribus. In de jaren dertig van de dertiende eeuw had de kathaarse bisschop Benoît de Termes er al gewoond. Toen al was het ook een schuiloord voor kathaarse monniken.

Twee jaar voor de val van Montségur, in 1242, kreeg een kathaarse ridder, Chabert de Barbeira, de Quéribus in handen. De vesting was in die jaren een veel kleinere burcht op de heuveltop dan vandaag. Chabert zou de kathaarse vluchtelingen en de onteigende ridders van de Languedoc die uit Montségur waren ontsnapt, in zijn burcht onderdak hebben geboden. Omdat de Quéribus toen nog onder invloed stond van het graafschap Roussillon, liet de koning van Frankrijk de als oninneembaar geachte burcht nog enkele jaren ongemoeid.

Maar tien jaar na de val van Montségur besloot Lodewijk IX ook Quéribus te belegeren. In 1255 slaagde Olivier de Termes, die ooit de trouwe wapenbroeder van Chabert was maar zijn kazak gekeerd heeft, erin deze gevangen te nemen. Chabert werd in een cel van de gevangenis van Carcassonne gestopt. Hij wordt voor een keuze geplaatst: om zijn vrijheid te herwinnen moet hij het kasteel en al zijn bezittingen overdragen aan de Franse kroon. Zo geschiedt op 25 mei 1255. Maar de katharen in de Quéribus bleken spoorloos verdwenen te zijn.

Met de intrede van een Frans garnizoen van een twintigtal soldaten, kwamen er ook ingenieurs mee en braken jaren aan van verbouwingen en versterkingen. De Fransen maakten van de burcht van Quéribus een vesting tegen aanvallen uit Aragon. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw, op de vooravond van de Franse revolutie, werd het kasteel als defensief wapen tegen de Spanjaarden definitief opgegeven.

Wie vandaag langs het steile pad boven aan de muren van de burcht komt, stapt via een kleine deuropening de eerste verdedigingsgordel binnen die de Fransen hebben toegevoegd. De donjon strekt zich dan nog hoog boven je uit. Er werden door de Fransen drie opeenvolgende ommuringen bijgebouwd, die via slingerende trappen tot op het torendak leiden. De Franse koning had Quéribus zo goed laten verbouwen, dat een garnizoen van een tiental soldaten de burcht kon verdedigen.

In de donjon bevindt zich een knappe gotische boogconstructie die op één centrale pijler steunt, geschraagd door vier kruisgewelven. Toen de artillerie in de oorlogsvoering tot ontwikkeling kwam, moest die oude donjon nogmaals verstevigd worden. Het resultaat is een dikke toren met een platform erboven waarop de kanonnen stonden.

Het uitzicht van op die toren is fenomenaal. Je kijkt er uit op de vlakte van de Rousillon, vanaf de uitlopers van de Corbières tot Albères en de Pyreneeën en van de kust tot Fenouillèdes. Ons bezoek aan het kasteel duurde ongeveer een uur. Daarna hervatten we vanop de parking, waar we de auto achter lieten, de Sentier Cathare richting Padern. Hier beginnen de laatste tachtig kilometer van de Sentier die we die week zullen afleggen, tot in Port-la-Nouvelle aan de Middellandse Zee. Die dag hebben we nog ruim achttien kilometer voor de boeg tot onze volgende overnachtingsplaats in Tuchan. Er liggen vijfhonderd stijgmeters voor ons, zo’n 790 daalmeters en een zengende temperatuur van boven de dertig graden.

Ongeveer op de middag passeren we het dorpje Padern, dat in 2019 nog 137 inwoners telde. We vinden er geen winkeltje, terras of café. Het dorp heeft wel een kasteelruïne, maar het gemeentebestuur verbiedt de toegang wegens het risico op vallende stenen. Gelukkig kunnen we onze veldflessen aanvullen op een pleintje in het dorp.

Wat verder zien we een voetgangersbrug over de Verdouble, een van de weinige riviertjes waar het water nog vrolijk kabbelt. De sentier loopt over het bruggetje en dat komt ons goed uit. Want als we op de brug gaan zitten, vinden onze blote voeten in het water aangename verkoeling. We eten er onze picknick van brood, kaas en worst en trekken de uitstekende rode wijn van de Corbières open, die we in het winkeltje in Cucugnan hebben gekocht. Een uurtje later is de fles op raadselachtige wijze leeg, waarop we dan maar besluiten verder te stappen naar Tuchan.

Het smalle pad van de Sentier loopt langs schilderachtige wijngaarden en bossen, eventjes door een kloof naar de D14 en dan langs bergflanken met indrukwekkende panorama’s verder naar onze bestemming. Op een van die bergflanken ligt een van het roesten egaal bruin geworden auto uit de jaren vijftig te vergaan. Voor ons blijft het een raadsel hoe dat voertuig zo hoog op die berg is beland, naast dat smalle pad.

Elk op ons eigen tempo dalen we verder af naar Tuchan. Dat is een al wat steviger uit de kluiten gewassen dorp met ongeveer 800 inwoners, een supermarktje en wat winkeltjes, een wijncoöperatieve en een café dat ook kamers verhuurt. Helaas is het op dat moment nog gesloten. Aan dat café is wel een pleintje waarop wat zitbanken staan. Bart en Kristel vatten er alvast post tot Marianne en ik aankomen. In de lokale Spar gaan we in afwachting van de opening van het café alvast wat blikjes bier en frisdrank kopen. Tegen het openingsuur komen meer dorpsbewoners naar het terras afgezakt. Onder hen ook een Vlaams echtpaar dat sinds hun pensioen de zomers in hun Frans buitenverblijf doorbrengt. Maar deze zomer was het in Tuchan echt te warm, klaagt de vrouw: drie weken lang meer dan veertig graden.

We besluiten niet te wachten tot het café opengaat, want we hebben de uitbater van de Gîte Saint Roche, onze overnachtingsplaats, beloofd rond 17 u aan te komen. Bart belt een taxi om de auto te gaan ophalen die nog op de parking van de Quéribus staat. Marianne biedt aan om hem te vergezellen. Als de taxi arriveert, vertrekken ze naar de parking van de Quéribus. Kristel en ik klimmen de laatste steile kilometers naar de Gîte Saint-Roche, waar we joerten hebben gehuurd. We dachten eerst dat we met z’n vieren in zo’n grote ronde tent ondergebracht zouden worden, maar de uitbater stelt ons twee joerten ter beschikking, elk met een eigen badkamer.

De Gîte Saint Roche, twee kilometer buiten Tuchan op de hellingen van de Mont Tauch, is prachtig gelegen en ook ecologisch een pareltje: alle energie op het domein van de Gîte Saint Roche komt van de zonnepanelen achter de gebouwen van de gîte. En aan de voorkant ligt er een geweldig terras met een machtig uitzicht over de vallei met de wijngaarden rond Tuchan, de Pyreneeën en het kasteel van Aguilar, dat morgen op ons programma staat.

’s Avonds genieten we er van een geweldig diner onder de sterrenhemel. Alle gasten verzamelen zich voor een heerlijk driegangenmenu met aperitief, streekwijnen en zelfs pousse-cafés naar believen. Als dat maar geen katers oplevert, want de volgende dag staat onze koninginnenrit van ruim 28 kilometer op de agenda, de zwaarste tocht die ons nog langs de Sentier Cathare rest, naar Durban-Corbières.

Geplaatst in Katharen, reizen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen