De Wietwiet

Van bij het minste bot in de moerbeiboom in ons tuintje, was hij daar, het zangertje in geel jacket met een zwarte streep over zijn borst en een zwart kopje. Een koolmeesje. Aanvankelijk meteen te spotten tussen de bottende takken, later, tussen het meigroene bladerdek, alleen nog te horen. Wietwiet! Wietwiet! Tot Minoes The Killerpoes hem te pakken kreeg.

Lees verder

Advertenties
Geplaatst in cultuur, samenleving, vrije tijd | Tags: , | Een reactie plaatsen

De Muts is klaar!

Wie na de eerste tien hoofdstukken de smaak van De Muts te pakken heeft, kan het hele boek al bestellen.

Lees verder

Geplaatst in De Muts | Tags: , , | Een reactie plaatsen

De Muts (10): Wartet, 2 december 1985

‘En, hoe is jullie eerste dag bevallen?’
Als sergeant Vuylsteke eindelijk genoeg heeft van zijn solo-actie en naar de bar onderofficieren is vertrokken, steken enkele anciens van peloton 11N het graspleintje tussen de twee slaappaviljoenen over. Zij hebben hun eerste maand Wartet net achter de rug. Ze komen kennismaken. Uitgedost in hun camouflagepakken, omdat ze weten dat die de ogen uitsteken, en pretenderend dat hun bezigheden op dat late uur van de dag nog steeds het operationele veldtenue vergen.
‘Hé gasten, heeft er nog iemand een sigaret voor mij?’
‘Kom, we gaan achter de toiletten paffen, hier is dat veel te gevaarlijk om betrapt te worden.’
‘En morgen MTLG testen zeker? Er godverdomme voor gaan hé mannen!’
‘Dat rookverbod is niet om te lachen. Vorige week is Devroe gepakt. Tweehonderd peuken moest hij verzamelen.’
‘Wacht tot je de Strontbeek wordt doorgejaagd. De drollen van de nonnen dreven ons rond het middel in dat riool. Dedju, dat was geen kattenpis, gasten!’
‘Hou uw peuken bij, dat is een goede raad.’
‘Kijk, al mijn knokkels liggen open, van godverdomme op dat grind te moeten pompen op de vuisten. Zeer dat dat doet jong. Hopelijk begint het niet te zweren.’
‘Hela prutser, kom geef die peuk maar aan mij. Hier, stop maar in deze plastic zak.’
‘Zeg heeft niemand van jullie iets straffer om te smoren?’
‘Ja, wij laten ons niet meer vangen, je kan maar beter voorbereid zijn.’
‘Die wortelpuree met spek, met die vettige zwoerden er nog aan, echt walgelijk! En de koffie stinkt naar kamfer.’
‘Wat bedoel je met straffer? Iets dat goed riekt en toch geen pijptabak is?’
‘Ik zeg het u maar één keer hé pipo. Als je mij nog één keer prutser noemt, sla ik op uw bakkes.’
‘Wat is dat, kamfer?’
‘Ik loop godverdomme al drie weken met ontstoken blaren rond. Eigenlijk zou ik enkele dagen op blote voeten moeten rusten, maar dan riskeer je dat ze je laten zakken.’
‘Ik denk dat wij mekaar verstaan, man.’
‘Hola hola, wat krijgen we hier, een straffe kerel precies. Hoe is uw naam dan als ik u geen prutser meer mag noemen?’
‘Mij zou dat al lang niet meer kunnen bommen.’
‘Heb je nog een Camel?’
‘Wat bedoel je, zakken?’
‘Daarmee doen ze uw goesting in seks verminderen. Jij weet ook nog niks hé. Ik wed dat jij nog geen blote kut gezien hebt.’
‘Steven Schepers, en knoopt dat in uw oren.’
‘Ja, een Marlboro is ook goed.’
‘Ahwel, dat ze u naar het peloton sturen dat de maand na u is binnengekomen.’
‘Ik denk dat ik je iets kan bezorgen waar je zal van genieten.’
‘Zie mannen, die wiet smoort Belga!’
‘Dus als ik zou zakken, zou ik bij jullie in het peloton gezet worden.’
‘Jongske toch, wat weet jij nu van mijn seksleven ? Heb je zelf al wel eens gevogeld of snok jij alleen maar aan uw pietje?’
‘Wie weet wat er ons nog boven het hoofd hangt met die diefstal bij de varkens.’
‘Ah ja, als ik het goed begrijp zit je dan eigenlijk een maand langer in opleiding, hier in Wartet?’
‘Belga dat roken wij alleen als er echt niks anders meer te paffen valt.’
‘Varkens?’
‘Laat ons morgen rond dit uur hier afspreken.’
‘Ahwel ja, de Ardense Jagers in Vielsalm, weet je niet dat ze daar FALs en een MAG gestolen hebben?’
‘Het zal gaan hé manneke of wij snokken allemaal eens aan uw pietje.’
‘Je hebt het door jong. Jij bent zeker de slimste thuis?’
‘Je kan er zeker van zijn dat de veiligheidsmaatregelen nu overal verscherpt zullen worden.’
‘Eerlijk man, als ik het allemaal op voorhand geweten had, dan was ik er nooit aan begonnen.’
‘Neen, liever in de toiletten, daar valt het minder op.’
‘En wat betekent dat?’
‘Wel spast, dan weet je dat je vanaf nu bij mij geen sigaretten meer moet komen afluizen.’
‘Ha, meer miliciens die wacht moeten lopen natuurlijk, ook bij ons.’
‘Een groot woord, ja.’
‘Niet te doen, jong.’
‘Hoort nu, dat stukske bougnoul is hier één dag en dat begint ons al te beledigen.’
‘Onthou één ding, probeer altijd te slapen, zelfs als je denkt dat je maar vijf minuten tijd krijgt.’
‘Nu lijkt het jullie allemaal nog fantastisch. Vanaf morgen word je afgepeigerd, afgebeuld en gekleineerd.’
‘Jij kan godverdomme mijn kloten kussen jong.’
‘Zelfs dat gaat allemaal nog. Maar wacht tot jullie op bivak gaan, dan begint het.’
‘Jij ook, lul.’
‘Ik ga slapen, gasten. We moeten er morgen vroeg uit.’
‘Wacht, ik ga mee. Het is toch bijna appel.’
‘Ik ook.’
‘O ja, ik heb nog een tip : als morgenochtend de sergeant van week jullie komt wekken, spreek hem dan aan met chef, want het is een eerste sergeant.’
‘Ja, jullie zullen wel snel in de mot krijgen dat ze hier nogal gevoelig zijn aan hun graad.’
‘Bedankt kerel.’
‘t Is niks. Of ja, geef me nog een sigaret.’
‘Miljaar!’
‘Kijk toch uit uw doppen stommerik!’
‘Een mens zou hier nog op zijn kloten gaan met al die stenen rond de grasperkjes.’
‘Zeg dat wel. Maar allez, vanaf morgen maak je dan niet uw jeansbroek maar uw camouflagebroek vuil.’

(Dit is het laatste hoofdstuk dat hier verschijnt. Binnenkort is de roman beschikbaar. Die zal zo’n 350 bladzijden tellen en ongeveer 26 euro kosten. Meer info volgt op deze site)

Geplaatst in De Muts | 1 reactie

De Muts, een update

Op 2 december 1985 stapte ik op de trein naar Marche-les-Dames. Die dag begon mijn militaire dienstplicht. Tegen de zin van mijn moeder had ik ervoor gekozen om paracommando te worden. Toen al was ik van plan daar ooit een boek over te schrijven. Wel, binnenkort is het beschikbaar. Lees verder

Geplaatst in De Muts | Tags: , , | 3 reacties

De Muts (9): Wartet, 2 december 1985

Rudy Vuylsteke werd als paracommando in de wieg gelegd. Zijn vader was onderofficier in het 1ste bataljon. Het stond in de sterren geschreven dat Rudy hem zou volgen naar het moederbataljon van het Regiment. Rudy heeft er nooit moeite mee om een van zijn eerste herinneringen op te roepen, aan de hand van zijn vader door de bogen van de Citadel in Diest stappend, het imposante fort dat als kazerne van 1 Para dienst deed. Toen hij er jaren later op zijn beurt als sergeant binnenkwam, werd een droom werkelijkheid. Maar misschien was hij wel nog liever instructeur in de Instructiecompagnie van de paracommando’s in Wartet. Hij is vrijgezel en verblijft in het onderofficierenverblijf van Marche-les-Dames. Daardoor kan hij ‘s avonds nog onverwachts bij zijn peloton binnenvallen. Dat is wat hij de eerste avond meteen doet. De luitenant had hen gezegd dat ze de rest van de avond vrij waren. Vrij? Dan kennen ze de Rudy nog niet. Van zodra hij de auto van de luitenant op weg naar huis ziet passeren, neemt hij zijn kaki schoudertas met folders en stuift hij de Golgotha weer op naar Wartet. Hij zal de zenuwachtige groep nog wat nuttig bezig houden. Met plezier stelt hij de verrassing vast op de gezichten van zijn nieuwe jongens. Hij deelt de folders uit, een lijst met de militaire graden en een organigram met de structuur van het leger.
‘Iedereen kent dat schema en de militaire graden tegen het einde van de week van buiten, begrepen!’ Protest komt er niet, maar hij ziet sommigen met de ogen rollen en tandenknarsen. Nu moeten ze in het leger ook nog studeren, denken ze.
De sergeant laat iedereen voor hem op de vloer zitten en neemt zelf schrijlings plaats op het uiteinde van een bank. Hij vertelt het verhaal van hun regiment. Ditmaal zonder schreeuwen. Hij brengt de bevrijding van Europa van het nazisme in herinnering. En de rol van de parachutisten en commandotroepen daarbij. Vooral over de heldendaden van de Engelse SAS, de Special Air Service, is hij goed geïnformeerd. Van deze elitetroepen hebben de Belgische para’s zowat alles afgekeken, zo blijkt. Te beginnen met de kleur van de muts. Hij licht de structuur van het Regiment toe. Met het tweetalige 1 Para in zijn Citadel in Diest en het 3de, Vlaamse bataljon Parachutisten uit Tielen dat zijn sporen heeft verdiend bij de VN-troepen in de Koreaanse burgeroorlog. En natuurlijk het Waalse 2de bataljon Commando uit Flawinne. Dat heeft de mosterd en zijn groene mutsen bij de commandotroepen van de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog gehaald.
De sergeant haalt een stapel zelfklevers van zijn oude compagnie in 1 Para uit zijn tas. Op een zwarte achtergrond prijkt in het goud het mooie embleem van 1 Para, met de geweldige strijdkreet Who dares wins, gekopieerd van de SAS. Iedereen krijgt een sticker. De kandidaat-para’s van 12N hangen aan de lippen van de man die hen naar hun muts zal leiden. Van trots stijgt het bloed Vuylsteke naar de wangen. Hij vindt het geweldig om de bleukes in te wijden. Hij realiseert zich weer hoe zeer hij ervan houdt om die stukken menselijke klei tot een hechte troep parate para’s te boetseren. Hij neemt nog even de tijd om van de bewondering in hun ogen te genieten.
‘Tot daar het ontspannende luik van de avond.’ Hij werpt zich in een vlotte beweging in voorligsteun. ‘Komaan papzakken, ga zoals ik het jullie voordoe voor jullie bed liggen, we gaan nog wat pompen.’ Hij zal niet in de val trappen te vroeg te familiair om te gaan met deze jonge kerels. Ze moeten nog veel bewijzen vooraleer hij ze zijn sympathie zal schenken. ‘Allez, is iedereen nu bijna klaar om te beginnen? Ik ga jullie eens deftig leren pompen.’ De manier waarop sergeant Vuylsteke wil dat er gepompt wordt, is niet met de ellebogen open, zodat het lichaam van boven gezien een kruisvorm krijgt, maar tegen de romp geklemd.
‘En denk eraan, het lichaam moet gestrekt zijn!’ Hij is zonder het zelf te beseffen terug beginnen roepen. ‘Je moet de grond niet bevruchten of uw gat in de lucht steken om uw kameraden op vuile gedachten te brengen.’ Hij leert hen ook variaties: op de vingertoppen, op de knokkels, met één been in de lucht, op één hand, in snelle of in trage cadans. De sergeant is in topconditie, dat is wel duidelijk, niemand kan pompen zoals hij. Als iedereen uitgeput is, roept hij ‘houden zo!’ op het moment dat het peloton met de ellebogen in een rechte hoek gebogen voorover ligt. Hier en daar ligt een gezicht rood aangelopen op de grijze balatumvloer al stof in te ademen. Als er nog enkelen het hebben opgegeven, zegt hij het verlossende ‘en… goed zo’, nu niet schreeuwend maar met een stem zo rustig alsof hij luilekker aan het strand ligt. Een zucht van opluchting ontsnapt de kelen. ‘Amai, pompen lijkt wel zo gevarieerd als neuken’, lacht Alain De Greef, een van de eersten die terug op adem is gekomen. Wat een franke muil, denkt de onderofficier, maar hij reageert niet. Die De Greef is duidelijk een van de fitsten. Zeker in het begin niet te veel op de besten kappen. Die moet je immers eerst meekrijgen, weet hij.
De sergeant heeft nog een onaangename boodschap: verboden te roken in het kwartier, behalve in de kantine. ‘Roken is ongezond en dus schadelijk voor para’s. En zeker schadelijk voor mannen die aan hun opleiding tot para bezig zijn’, zegt hij overtuigd. ‘Dus voor al wie rookt: grijp de kans die we u hier bieden om er van af te geraken!’ De Greef vraagt of ze nog even naar de kantine mogen. Die kans om De Greef even op zijn plaats te zetten, laat de sergeant niet liggen. ‘Wat denk jij wel zatlap, je hebt hier nog niet eens een nacht geslapen en je wil al naar de kantine? Je moet er niet aan denken om de eerste weken, misschien wel maanden naar de kantine te gaan! Pas als de luitenant en ik vinden dat jullie het verdienen, mogen jullie eens naar de kantine. En ik kan u maar meteen waarschuwen, hoe meer je daarover zaagt, hoe minder goesting ik heb om jullie toestemming te geven!’ De sergeant roept het met een uitgestreken gelaat. Hij ziet aan de gezichten rond hem dat hij indruk heeft gemaakt. Zich beheerst opwinden, hij kan het goed. ‘Dezelfde regels gelden voor de bibliotheek, de filmzaal of avondvergunningen. Jullie moeten je tijdens deze eerste weken en maanden uitsluitend concentreren op de opleiding’, pepert hij de rekruten in. ‘En nog iets: het reglement schrijft voor dat alle verplaatsingen van de soldaten in looppas gebeuren. Behalve als je je in peloton verplaatst en zingt. Om niet zelf de hele tijd te moeten lopen als ik jullie ergens naar toe breng, zullen we al een liedje leren.’
Uit zijn tas haalt Vuylsteke kopies met de tekst van Captain Jack. Hij leert het soldatenlied aan, ironisch en ernstig tegelijk, zoals goede jeugdleiders dat kunnen. Captain Jack is een simpel liedje waarin het peloton een voorzanger nazingt. Het soldatenlied gaat over een kapitein die zich ontpopt tot een schietende, drinkende, moordende, neukende en marcherende man. In het laatste couplet, met een baby in de hand, vervelt Captain Jack tot een droevig man. Vader worden brengt een soldaat ongeluk.

Geplaatst in De Muts | Een reactie plaatsen

De Muts (8): Wartet, 2 december 1985

Onderluitenant Olivier Vande Putte roept ‘naam’. Hij staat met zijn rug naar de rekruut gekeerd en kijkt door het venster. Op het grasplein tussen de gebouwen slenteren twee soldaten. Ze turen ingespannen naar het paviljoen waar de verse rekruten opgewonden, nog in burgerkleren, wachten op hun toekomst als militair. Tot ze de officier achter het venster in de gaten krijgen. Als door een wesp gestoken zetten ze alle twee een looppas in. Vande Putte draait zich om.
‘Wel, hoe zit het ?’ Marc Gillis kijkt hem vragend aan.
‘Naam ?’
‘Marc Gillis!’
‘Marc Gillis, luitenant’, verbetert hij zich snel.
Gillis heeft zich het gesprek met de luitenant helemaal anders voorgesteld. Onderluitenant Vande Putte kan onmogelijk veel ouder zijn dan hem. Ze hebben misschien wel veel gemeen? Na zijn naam vraagt de luitenant zijn adres, leeftijd en studies. Die gegevens had Marc Gillis sedert de militaire keuring al ettelijke keren moeten invullen. Ze staan vermoedelijk ook netjes vermeld op de papieren die op de tafel voor Vande Putte liggen. Olivier Vande Putte gedraagt zich als een sfinx. ‘Ok’, zegt hij, ‘je kan beschikken.’ Hij is klaar. Gillis weet dat hij bij sommigen wél vragen heeft gesteld. Moeilijke: waarom wil jij bij de para’s komen? Of concrete: wil jij geen militievergoeding aanvragen? Luk Renders, de oudste van het peloton, vertelde dat hij tijdens zijn gesprek een bijzondere opdracht kreeg: hij werd aangesteld als kameroverste. Gillis zag meteen dat hij daarmee in zijn nopjes was. Maar voor hem heeft de luitenant dus niets bijzonders in petto. Geen enkele vraag naar zaken waarvan hij nog niets af kon weten zelfs. Gillis mag beschikken. Ook goed, als je me niet lust, laat me dan met rust, denkt hij.
‘O ja, bijna vergeten’, zegt Vande Putte net voor Gillis de deur achter zich wil dicht trekken. ‘Er is hier al een brief toegekomen voor u’.
De luitenant overhandigt hem een vreemde enveloppe. Niet het formaat is vreemd, maar de kleuren. Het is een zelf gemaakte enveloppe. Iemand heeft een advertentie voor een shampoo uit een tijdschrift geknipt en daar een omslag van gemaakt. Op de voorzijde staat een rooswitte orchidee afgebeeld, op de achterzijde een stuk rok van wilde zijde waaruit een deel van een vrouwendij gluurt. En een adresstickertje van de afzender. Als Gillis dat leest, voelt hij het schaamrood stijgen. Hij haast zich terug naar de slaapzaal. Het is een brief van Kristien. Hij kent Kristien nog maar een week of vier. Ze werkte net als hij in de administratie van een verpleegstersschool waaraan een internaat was verbonden. Ze waren aangeworven in een van de nepstatuten waarmee de regering de jeugdwerkloosheid probeerde te bezweren. Of tenminste toch de sociale onrust daarover. Kristien was regentes. Ze was geen schoonheid maar ook niet lelijk. Ze had donkerblond haar en grote zwartbruine ogen die haar bloedmooi maakten als ze naar hem luisterde. Haar billen waren wat dikker dan die van de modellen uit de modebladen en haar borsten waren wat kleiner dan die van de modellen in de Playboy. Ze ging heel gewoontjes gekleed in wijde truien, ribfluwelen lange broeken of rokken in zware stof tot op de knie. Liever praktisch en concreet dan sensueel en frivool. Tot in haar ondergoed, vermoedt hij. Hij voelde zich meteen op zijn gemak bij Kristien. De voorbije weken bekroop hem soms het verlangen om haar te kussen, maar verliefd, neen, zo zou hij zijn gevoelens niet omschrijven. Bovendien had ze hem toevertrouwd dat er iemand anders was. Een enkele keer had hij in de verpleegsterschool de nacht moeten doorbrengen, om toezicht te houden op de internen. In het vooruitzicht van zo’n lange avond op zijn eentje had hij zijn stoute schoenen aangetrokken en gevraagd of ze geen zin had om langs te komen. Ze woonde toch vlakbij?
‘Misschien’, antwoordde ze. De mogelijkheid van haar bezoek was voldoende om zijn fantasie de vrije loop te geven. Zij kwam niet, hij wel: hij had zich afgerukt in het bureau van de directrice, dat was ook opwindend.
‘Ik had toch niets beloofd’, zei ze ’s anderendaags.
‘Dat is waar’, lachte hij zijn ontgoocheling weg. Terug in de slaapzaal merkt hij meteen dat er iets vreemds aan de hand is. Die brief lezen zal niet voor meteen zijn. Zeker tien jongens staan als een kudde schapen samengetroept rond zijn bed. Zijn sporttas? Zouden ze hem iets aan het flikken zijn? Neen, zo ziet het er niet uit. Ze lijken wel van hun stuk, bedrukt misschien. En bij nader toezien staan ze niet aan zijn bed maar aan dat van Voormeulen, zijn buur op de slaapzaal. Nu ziet hij Voormeulen op zijn matras zitten, met zijn hoofd in zijn handen. Zijn ogen zijn rood. De groep wijkt uiteen als hij erbij komt staan.
‘Wel Frank, wat scheelt er?’
Voormeulen was net vóór Gillis bij de luitenant op gesprek geweest. Voormeulen kijkt op en wil iets zeggen, maar slikt de woorden dan terug in. Hij beweegt zijn rechterhand traag en horizontaal van links naar rechts over zijn keel. ‘Ik moet al stoppen’, klinkt het dan toch, met schorre stem. De droom van Voormeulen om paracommando te worden heeft niet eens een dag geduurd of hij ligt aan scherven. Luitenant Vande Putte had Frank meegedeeld dat er van Belgrade, waar ze allemaal eerder een medisch onderzoek hebben ondergaan, een bericht van afkeuring was gearriveerd. Vande Putte had hem een brief voorgelezen waarin stond dat er iets scheelt met zijn rug.
‘Iets onherroepelijks. Zo noemde de luitenant het. De juiste term ben ik vergeten.’ De stem bevat al wat minder schuurpapier.
‘Naar het schijnt heb ik een vergroeide ruggenwervel. Daarmee mag ik niet parachutespringen van die dokter in Belgrade. Medisch afgekeurd.’ Dus mag Voormeulen geen paracommando proberen worden. De luitenant had gezegd dat hij het ook erg vond. Maar de officier beklemtoonde dat hij zich voor de rest geen zorgen moest maken. Voormeulen moet niet geopereerd worden of zo, hij kan gewoon zijn leven verderzetten.
‘En weet je wat die kloot nog durfde zeggen? Dat er ook goed nieuws in mijn afkeuring zit. Het goede nieuws is volgens hem dat ik nu geen vijftien maanden maar slechts tien maanden moet kloppen. Terwijl ik godverdomme mijn heel leven paracommando wilde zijn!’ Ze hebben allemaal met Voormeulen te doen. ‘Dat is toch niet menselijk, gezegd worden dat je afgekeurd bent op de dag dat je aan de opleiding begint’, vindt Alain De Greef. ‘Nog voor je hier je bed hebt kunnen opmaken’, voegt Adriaenssens er met zin voor pathos aan toe.
De late afkeuring heeft nog een ander gevolg. De militaire bureaucratie wil Voormeulens indeling bij het Regiment Paracommando niet meer ongedaan maken. Dit betekent dat hij, na de basisopleiding van één maand die alle soldaat-miliciens in het Belgisch leger krijgen, zijn peloton vaarwel zal moeten zeggen en de rest van zijn militair leven in ‘lichte dienst’ in Marche-les-Dames moet doorbrengen. Voormeulen zal na de eerste maand van de zijlijn moeten toekijken hoe de kameraden zich door de verdere opleiding worstelen. Hij is de eerste van het peloton die PSL wordt, een afkorting die staat voor Personnel de Service Léger. Het voelt voor Frank als een degradatie. De PSL’s zijn miliciens die om welke reden ook de opleiding tot paracommando hebben moeten staken en voor de resterende tijd van hun dienstplicht van tien maanden in het kwartier of elders in het Regiment worden ingezet als hulpjes. In de keuken, de kantines, de administratie of om allerlei gemeenschappelijke ruimten te poetsen of onderhouden.
Morgen zal het een vermoeiende dag worden, schrijft Gillis even later aan Kristien. Ze moeten extra vroeg uit de veren om hun soldatenkleren te gaan halen. Daarna moeten ze testen afleggen. Het begint meteen serieus. Hij heeft net haar eerste brief gelezen. Enkele zinnetjes doen zijn bloed sneller stromen. Kristien had hem geschreven dat ze in zichzelf niet klaar zag. Ik vind je reuze sympathiek, luidde het, en ik wil met jou graag een stevige vriendschapsrelatie opbouwen. Vrienden zijn erg belangrijk, een lief kan ook niet álles voor je betekenen. Al ben ik nu met Koen en houden we ondanks weerkerende ruzies van elkaar, ik heb vrienden nodig.
Wat een ontboezeming! Gillis leest de zinnen nog eens. Hij krijgt het warm. Hallelujah! Maar wat moet hij antwoorden? Hij begint alvast verslag te doen. Zoals afgesproken was. Over de korte carrière van Voormeulen als kandidaat-paracommando. Hoe is het toch ook mogelijk, vroegen ze zich af, dat het leger zo’n blunder begaat. Hoe lang is het geleden dat ze die fysieke toelatingsproeven in Flawinne en de medische testen in Belgrade hadden ondergaan? Meer dan een maand. En nu moet Voormeulen hier nog tien maanden lang zijn broek verslijten als PSL. Hij ziet hem terug fier zijn zakmes opdiepen. Als hij in de mess officieren kan gaan werken, heeft hij toch al een kurkentrekker. Foei Marc, wat een lelijke gedachte. Kom, verzin liever eens een antwoord op de zin dat Kristien het blijkbaar niet zo goed meer ziet zitten met Koen. Best alle opties openhouden? Gemakkelijker gezegd dan gedaan, vanuit het leger. Hij zucht en schrijft op dat hij ook heel graag vrienden zou blijven. Hij stelt voor om eens af te spreken op het einde van de maand, als ze van het leger tenminste wat kerstverlof krijgen. Hij ondertekent niet met een nachtzoen van Marc, zoals hij bij hun afscheid in de hogeschool had gezegd, maar met Vele groeten etc. Om eens te zien of ze erop zal reageren. En hij voegt nog twee post scripta toe. In het eerste bedankt hij Kristien voor het pakje Samson-tabak dat ze de laatste dag op de verpleegsterschool ongemerkt in zijn jaszak had gestopt, met een lief klein kaartje erbij. In het tweede PS schrijft hij dat ze, in tegenstelling tot wat hij haar heeft gezegd, toch een postzegel op de enveloppe moet plakken als ze nog wil terugschrijven. Wat ze overigens veiligheidshalve op de eerste brief had gedaan. De als onderstreept hij.

Geplaatst in De Muts | Een reactie plaatsen

De Muts (7): Wartet, 2 december 1985

Door de geopende deur ziet Peter Verbraeken een militair met een rode muts op zijn hoofd en een bril met een licht metalen montuur op de neus de slaapzaal betreden. Het geroezemoes verstomt. Ze kijken allemaal naar de man in uniform. Hij steekt zijn rechterhand op met drie gestrekte vingers. ‘Drie strepen’, zegt de man overdreven luid als hij zijn vingers op zijn linkerschouder legt waar zich de strepen in kwestie situeren, ‘dat betekent dat ik sergeant ben.’
De sergeant met de bordeaux baret roept dat hij samen met de pelotonscommandant, een officier waarmee de kennismaking nog even op zich laat wachten, het peloton zal opleiden. De sergeant heet Rudy Vuylsteke. Hij ziet er snugger uit. Maar het werkt Peter op de zenuwen dat die Vuylsteke niet als een gewone mens spreekt. Hij schreeuwt. Hij schreeuwt elk woord dat hij uitspreekt. Permanent. ‘Dat luitenant Vande Putte direct de kamer zal binnenkomen! Dat die luitenant officier is! Dat hij hun pelotonsoverste is! Dat, áls de luitenant de slaapzaal betreedt, de sergeant “Ter orde!” zal roepen! Dat iedereen dan stokstijf en onbeweeglijk recht moet staan! Met de armen en handen gestrekt naar beneden en de pink op de naad van de broek! Voor het bed! Dat die houding “Geef acht!” heet!’ De schreeuwerd hapt even naar adem.
‘En als ík in ‘t vervolg de kamer binnenkom’, tiert Vuylsteke terwijl hij voor alle duidelijkheid met zijn wijsvinger op zijn borstkast duwt, ‘moet de eerste die dat ziet niet luid “Ter orde!” roepen, maar “Geef acht!”’ Zo maak je een verschil tussen een officier en een onderofficier! En als er een soldaat binnenkomt, moet je niets doen! Soldaten hebben immers geen bevelen te geven, enkel uit te voeren!’, roept hij. ‘We zullen eens oefenen!’ Hij steekt kinnen omhoog, trekt schouders achteruit, port zijn vingers in uitstekende buiken en plaatst voeten op de milimeter naast elkaar. Een andere militair met een rode muts op stapt met gedecideerde pas en strenge blik de kamer binnen. ‘Ter… Orde!’ roept Vuylsteke prompt. ‘Onbeweeglijk!’ bijt de officier iemand toe die beweegt. ‘Onbeweeglijk!’ schreeuwt de officier nog eens omdat iemand het waagt zijn hoofd mee te draaien als hij monsterend de dubbele rij van ongeüniformeerde burgers die uit alle macht acht trachten te geven, voorbij stapt. ‘Twintig keer pompen, iedereen. En luidop tellen!’ Ze stommelen onzeker op handen en knieën, buigen in voorligsteun voorover, wie niet weet hoe te pompen, kijkt rond en doet na wat anderen voordoen. De Greef Alain telt luid om de kadans aan te geven, de anderen volgen. Sommigen hebben het al moeilijk om aan twintig push ups te komen. Na de krachtinspanning geven ze terug acht voor de bedden. De officier blijft zwijgend rondkijken. Peter ziet hoe de jongeman die op de korte tijdsspanne in de slaapzaal al zowat aan iedereen zijn zakmes heeft getoond, aan zijn oor krabt. Hoe stom kun je nu zijn.
‘Onbeweeglijk heb ik gezegd! Hoe is uw naam bougnoul?’
‘Frank Voormeulen, meneer.’
‘Luitenant! Ik ben luitenant! Geen meneer!’ Oei, de officier lijkt wel buiten zinnen van woede om de verkeerde aanspreking. ‘In een kazerne zijn geen meneren, ezel! Iedereen terug twintig!’ Enkele diepe zuchten ontsnappen. Ze zijn een voorbode voor gehijg, gekreun, gesteun. ‘Vergeten te tellen, stommeriken!’ onderbreekt de officier. ‘Begin maar opnieuw. Sergeant, geef de cadans eens aan.’ Vuylsteke telt luidop. Peter constateert dat heel wat jongens de twintig niet halen en uitgeput op hun buik blijven liggen. De luitenant keurt vergenoegd de blozende kaken rond zich. Plotsklaps met een montere, niet langer onvriendelijke stem, steekt hij van wal.
‘Oké, sta maar terug recht, in geef acht, voor zover dat al gaat. Goeiedag allemaal, welkom in de Instructiecompagnie van het Regiment Paracommando. Mijn naam is Olivier Vande Putte. Mijn graad is onderluitenant maar je spreekt me aan met luitenant. Begrepen? Ik ben de komende drie maanden jullie pelotonscommandant. Jullie krijgen hier in Wartet en Marche-les-Dames een opleiding om deel uit te maken van de eenheid met de beste soldaten van het hele Belgische leger. Jullie zullen begrijpen dat wij zomaar niet Janneke en Mieke toelaten. Jullie moeten daarvoor inspanningen leveren! Jullie moet het verdienen paracommando te mogen worden!’ Hij wacht even om zijn woorden goed te laten doordringen. ‘Het eerste wat jullie hier zullen leren is dat paracommando’s niemand in de steek laten. Jullie zullen de komende maanden vaak voor stommeriken, papventen of klootzakken uitgemaakt worden. Denk eraan: jullie zijn geen klootzakken.’ Heel even waait een aanmoedigende glimlach over zijn mond. Dan kijkt hij weer ernstig en kwaad. ‘Jullie zijn een bende klootzakken! En jullie moeten één bende klootzakken worden! Met de nadruk op één!’
Peter voelt een hoestbui aan komen kriebelen in zijn keel. Geen krimp geven nu! De luitenant waarschuwt dat ze zullen moeten slagen in een zware maar progressieve lichamelijke en geestelijke opleiding.
‘Progressief betekent hier niet vooruitstrevend of zachtaardig, maar geleidelijk.’ De luitenant doet moeite om zich verstaanbaar uit te drukken, maar kan hij niet wat opschieten, die kriebel wordt zo stilaan onbeheersbaar.
‘Ik zeg u nu al dat niet iedereen zal slagen. Ik weet uit ervaring dat minstens één op drie van jullie nooit zijn muts zal halen. Maar het belangrijkste voor ieder van u is te wíllen slagen. Bij die twee op de drie willen zijn! Bij de elite van het leger die de para’s zijn, wíllen behoren! De rode of groene muts wíllen halen!’ De luitenant zwijgt even en kijkt rond of hij niemand ziet bewegen. Niemand. ‘Het opleidingsprogramma is erop gericht om u zo ver te brengen. Het is gradueel’. Van de Putte temporiseert weer, hij lijkt naar de juiste woorden te zoeken. ‘We gaan dus uw grenzen telkens verleggen’, verduidelijkt hij. Peter laat zijn adem langzaam en onhoorbaar ontsnappen. Hij heeft de kriebel onder controle. Nu krijgt hij het pas echt op zijn zenuwen van die dwaas die zeven keer met andere woorden hetzelfde zegt. Hij ziet hoe de grote struise die Johan heet en goed lijkt op te schieten met Marc buiten het blikveld van de luitenant met zijn ogen rolt, zijn tong uitsteekt en ze dan vliegensvlug weer intrekt. Sergeant Vuylsteke, die tijdens de toespraak met de benen wijd, handen op de rug en rode muts uitdagend op het hoofd indruk staat te wekken, is het niet ontgaan.
‘Jij daar, stukske mislukte clown, twintig keer! Hoe is uw naam?’
‘Adriaenssens Johan, sergeant!’ Johan zegt het onverwacht luid, gearticuleerd en beslist.
‘Wel Adriaenssens, twintig keer! En luidop tellen!’ Onderluitenant Vande Putte doet of hij de korte interruptie niet heeft gehoord en gaat verder met zijn betoog terwijl Johan luidop tellend aan zijn opdrukjes begint. Gelukkig moeten we weer niet allemaal mee pompen, denkt Peter. ‘De sergeant zal u straks een folder geven met meer uitleg over de opleiding en over het kwartier waar u de komende drie maanden zult doorbrengen. Vandaag moet iedereen ook nog naar de kapper. Dat is verplicht om hygiënische én militaire redenen. Hygiënisch, omdat de lange ervaring die het leger met vuilaards als jullie heeft opgedaan, geleerd heeft dat er sneller beestjes zitten in lang dan in kort haar. Militair omdat de vijand een kaalgeschoren soldaat niet aan zijn haar kan trekken.’ Peter ziet pretlichtjes in de ogen van de officier twinkelen. Die kerel staat hen gewoon voor zot te houden!
‘Jullie zullen ook één voor één bij mij worden geroepen voor een persoonlijke kennismaking’, gaat hij verder. ‘Morgen om vier punt dertig uur wekken om uw militaire kledij, basisuitrusting en korpsmateriaal te gaan halen. Daarna MTLG-test. Dat is de Militaire Test voor Lichamelijke Geschiktheid. Alle miliciens moeten die afleggen. Maar ik verwacht van iemand die paracommando wil worden nu al dat hij minstens zeventig op honderd haalt. De sergeant zal u nog een en ander uitleggen wat u moet weten. Doe verder.’ De officier draait zich om en beent de slaapzaal uit. Maar zo heeft één van de kandidaat-paracommando’s het niet begrepen. Om de aandacht van de luitenant te trekken steekt hij zwaaiend zijn arm in de lucht.
‘Luitenant ik ben thuis al naar de coiffeur…’ Vande Putte laat hem niet uitspreken.
‘Heel het peloton nog twintig keer, dankzij u, luizenkop’, draait hij zich naar de onverlaat.
‘Hoe is uw naam, dat ik hem goed in mijn oren knoop?’
‘Ronny.’ De luitenant bliksemt met zijn ogen. ‘…Palmans, meneer! Euh… luitenant!’
‘Wel paljas, laat de sergeant u uitleggen hoe je een officier iets mag vragen.’ De luitenant trekt de deur met een klap achter zich dicht.
‘Sergeant, is het toegestaan?’ Verwonderd kijken de ontredderde jongens naar de waaghals met de Turkse hangsnor wiens gestrekte arm, hand en wijsvinger de lucht in priemen alsof hij op de schoolbank zit. ‘Dat is toch niet eerlijk, die jongen weet helemaal niet…’ Sergeant Vuylsteke ontploft. ‘Wat durf jij nu nog protocollen, Verheusden? Iedereen in voorligsteun! Twintig keer voor de luitenant! En jij, stukske bougnoul met uw lelijke moustache, twintig keer extra voor mij! Het zal u leren een bevel van de luitenant in twijfel te trekken!’ Het peloton legt zich opnieuw in voorligsteun. Peter geraakt met veel moeite nog aan 20. Rond hem liggen ze halfweg al uitgeput met het gezicht in het stof te hijgen. De kerel met de moustache van wie de sergeant blijkbaar de naam al kent, krijgt ook de twintig opdrukjes niet meer voor elkaar, laat staan de twintig extra. Vuylsteke komt wijdbeens voor hem staan. ‘Wel, stoere, wat scheelt er? Groot woord maar pap in uw armen? Zie maar dat je er morgen bij de MTLG-test iets van maakt, want je weet dat ik je speciaal in het oog hou!’ Wat een dictator, denkt Peter. Waar ben ik toch aan begonnen! Maar ik ga me hier niet laten kennen. Hij kijkt zo minachtend mogelijk naar die paljas van een Palmans. De sergeant sommeert iedereen naar buiten, om in een formatie die van ver op een peloton lijkt naar de kapper te wandelen, want marcheren kunnen ze natuurlijk nog niet. Het kapsalon blijkt het wachtlokaal te zijn, waar in het midden een houten tabouret werd opgewaardeerd tot kapstoel. In Marche-les-Dames is de kapper een dienstplichtige die men een oude, enorme tondeuse met een pinkdikke elektrische draad in de handen heeft gestopt. De anciens die van wacht zijn, grijpen zoals in alle legers van alle tijden de gelegenheid om zich vrolijk te maken over de groentjes. Het peloton moet de hele tijd stokstijf acht blijven geven voor het wachtlokaal, terwijl Vuylsteke de rekruten één voor één naar de schopstoel beveelt om geschoren te worden. Als het zijn beurt is om het lokaal te betreden, moet Peter Verbraeken zijn walging onderdrukken. Rond de tabouret ligt een vieze, zachte en pluizige berg, een vale massa waarin bij nader toezien alle mogelijke tinten van de menselijke haargroei te onderscheiden zijn, wemelend als ratten als de rond het hoofd op de stoel struinende kapper met zijn combats de hoop in verwarring brengt. Als hij terug in het gelid stapt, ziet hij de rekruten die geschoren zijn als klonen van elkaar bijeen staan. Hoewel de uniform kaalgeknipte schedels de gelaatstrekken en gezichtsuitdrukking sterker prononceren, verloren de rekruten met hun haar een deel van hun identiteit. Morgen, met uniformen aan, zullen ze er helemaal als gelijken uitzien. En er als gelijken uitzien, dat is nog maar het begin, vreest hij. Roerloos kleumend voor het wachtlokaal bedenkt hij dat in de onbekende wereld die ze als blinden binnenstapten, het tweede uur nog niet heeft geslagen of drie waaghalzen lieten zich reeds opmerken: Ronny Palmans uit domheid, Johan Adriaenssens uit impulsiviteit en die Verheusden met zijn moustache uit edelmoedigheid. Hun moeilijk te beheersen aanleg om op te vallen is ze alledrie slecht bekomen. Dat is een eerste les, prent hij zich in: hou je gedrukt, neem het tegenover een meerdere niet op voor een ander maar ook niet voor jezelf.

Geplaatst in De Muts | Een reactie plaatsen