In de kleine C3 stapelen we alles dat Marianne mee naar huis wil nemen. De auto is tot het dak volgeladen met een houten kist, volle plastieken dozen, zakken met lakens, dekens en andere huisraad en herinneringen die we niet willen achterlaten. Van Velez rijden we diep de Alpujarras in. We rijden naar Vàlor, een dorpje diep in de bergen, waar Marianne een slaapplaats heeft geboekt.
De Ierse huisbaas van het huisje wacht ons op na een steile afdaling door kronkelende smalle straatjes. Gewoon altijd dalen, zegt hij, tot je aan een rondpunt komt. Dat rondpunt blijkt een era te zijn, een geplaveide cirkel, lang geleden aangelegd door de Moren, die deze plaatsen gebruikten om naar oude traditie hun graan te dorsen. Daar mogen we van de Ier de auto parkeren. Onze verhuurder wijst ons nog de weg naar de lokale winkel, die helaas op zaterdagavond al gesloten is. Ons eten is zo goed als op.
Maar geen probleem, we vinden wat verder nog een geopend café. De baas verzekert ons dat we er de volgende ochtend kunnen ontbijten. Als we op zondagochtend tegen acht uur naar het café wandelen, stuiten we onderweg op een stoet terreinwagens. Twee jeeps trekken een grote aanhangwagen vol blaffende jachthonden. De jagers van Vàlor zijn klaar voor een dagje jagen op everzwijnen.
Als de jachtstoet vertrekt, wandelen we naar het café om te gaan ontbijten. Maar in tegenstrijd tot wat de baas ons de avond voordien had beloofd, is het café gesloten. Gelukkig is er tweehonderd meter terug een churroskraam geopend. Een sjofele ouderling staat er de Spaanse lekkernij klaar te maken. Aangezien we geen ontbijt meer hebben, schaffen we ons de worstachtige deegwaren aan. Lekker hoor!
Aan de uitbater vraag ik of we geen foto van hem mogen maken. “Als mevrouw dan naast me zou willen komen staan”, antwoordt hij in het Andalusisch dialect. Marianne laat zich gewillig in zijn kraam fotograferen. Als onze churros op is, brengt de grijsaard ons nog een romig likeurtje. En vraagt hij ons of hij geen kopie kan krijgen van die mooie foto met Marianne in zijn kraam… Dat hebben we dan maar geregeld.


We nemen afscheid van de vriendelijke churrosbakker en vertrekken op de dagtocht die Marianne heeft voorbereid. Vanuit het dorp klimmen we meteen steil naar boven voor een luswandeling van zo’n 12 kilometer. De wandeling is goed bewegwijzerd. Het is zo warm op de flanken van de berg dat ik mijn T-shirt uittrek. Wat mij betreft is het hier in januari nog warm genoeg om in blote bast te klimmen.
In de late namiddag lopen we terug Vàlor in. We zien al van ver een goed gevuld terras waar de locals onder een aangenaam zonnetje een biertje of een frisdrank drinken. Jongens voetballen op straat. We vragen de kelner of we diezelfde avond nog in het restaurant terecht kunnen voor een avondmaal. Geen probleem, antwoordt hij, vanaf 20 u.
Als we om acht uur ’s avonds de gelagzaal van het restaurant betreden, worden we overvallen door een orkaan van mannenstemmen aan de toog. De jagers binnen zitten, hangen en staan aan de toog bier te drinken en straffe verhalen te vertellen. De jachthonden moeten buiten blijven, veilig opgesloten in de aanhangwagens.
Net op dat moment vangt de voetbalwedstrijd voor de Spaanse Supercup aan, tussen FC Barcelona en Real Madrid. Het lawaai in het restaurant zwelt nog aan. Na de eerste helft druppelen er ook wat vrouwen binnen om te supporteren. Wij houden het voor bekeken na zo’n vermoeiende dag. ’s Anderendaags vernemen we dat FC Barcelona de Spaanse supercup won na een 3-2-zege op Real Madrid.


’s Anderendaags is ook de Coviran weer geopend. We slaan in de dorpswinkel voedsel in voor de rest van de dag. Slingerend rijden we verder en verder omhoog, de Sierra Nevada in. Hoe hoger we klimmen, hoe dikker de sneeuw wordt die we naast de weg zien liggen. Aan de bergpas is het druk. Er staan heel wat auto’s geparkeerd. Kinderen sleeën de berg af, al dan niet met vader of moeder, en wie niet sleet, maakt een sneeuwman. Eens we de bergpas over zijn gereden, dalen we onder een stralende zon terug de vallei in.
We houden halt in Guadix, waar mensen in grotten wonen, en daarna in Castril. Daar doen we nog een kloofwandeling langs de Rio Castril. Tenslotte rijden we door naar Huéscar, waar wij die avond in een bewoonbaar gemaakte grot zullen overnachten. Het zal de enige slaapplaats van onze roadtrip zijn waarin Marianne en ik niet in dezelfde slaapkamer slapen. Er zijn namelijk 2 kamers, maar elk met een nogal smal tweepersoonsbed. We maken van de gelegenheid gebruik om elk in een deftig bed te slapen, in onze van binnen witgekalkte grot.
De uitrusting van de grotwoning mocht wel wat uitgebreider. Er was geen koffiezetapparaat, geen koffietassen, geen waterkoker, geen keukenhanddoeken of afwassponsje, geen badhanddoeken, geen wijnglazen, geen wifi, maar gelukkig wel een stortbad. Na onze douche ontbijten we met de restjes van de Coviran in Vàlor, laden we de auto opnieuw in en rijden we naar onze volgende bestemming, vijfhonderd kilometer verder naar het noorden, naar Albarracín.



















