Van Tuchan naar Durban-Corbières

De langste dag is naast een boek van Cornelius Ryan uit 1959 over de landing in Normandië, dat in 1962 nog in zwartwit verfilmd werd met John Wayne en Robert Mitchum in de hoofdrollen, ook onze tweede dagtocht van onze laatste wandelvakantie op de Sentier Cathare. Daar is die tocht 28 kilometer lang, met meer dan duizend meter stijgen en meer dan duizend meter dalen. Van de hoogvlakte van Mont Tauch, waar we verbleven in joerts aan de Gîte Saint Roche, loopt het pad via Embres-et-Castelmaure naar Durban-Corbières.

Ondanks het met veel alcohol overgoten avondmaal sliepen we als roosjes in onze joerts en stonden we katerloos om 8 uur paraat voor het ontbijt. Na de afrekening bij de uitbater stapten we in de auto van Bart. Meteen knipten we circa twee kilometer van onze langste dag af, door genoeglijk gezeten met de auto af te zakken naar Tuchan.

Het was, zo beredeneerden we de dag voordien al tijdens het eetmaal, een beetje dwaas om de auto aan de gîte te laten staan. En als we hem dan toch in Tuchan zouden achterlaten, konden we even goed naar Tuchan rijden. Bovendien had Marianne al weken voor onze wandelvakantie in Katharenland beslist om die ene tocht van haast dertig kilometer, met zoveel stijg- en daalmeters, niet mee te stappen.

Vanuit Tuchan zou ze zo dankzij de auto zelf nog wat plezier aan de dag kunnen beleven. Bovendien bood ze ons aan om voor de lunch te zorgen die we dan soldaat zouden kunnen maken op een afgesproken plaats in Embres, het dorpje dat zich op de kaart iets over halverwege de dagtocht situeerde.

Dus namen we rond 9 u in Tuchan afscheid van Marianne en sloegen we de Sentier Cathare in, met als eerste halte de katharenburcht van Aguilar, niet eens ver buiten de dorpskom van Tuchan. Net als Quéribus, Peyrepertuse, Puilaurens en Termes hoorde het katharenkasteel van Aguilar toe aan de zogenaamde vijf zonen van Carcassonne.

Ook Aguilar lag op een strategisch belangrijke heuvel op de grens tussen Frankrijk en Aragon. In 1210 werd het kasteel belegerd en veroverd door de legers van Simon de Montfort, de graaf die aan het hoofd stond van de kruisvaart tegen de katharen. De adellijke eigenaar van het kasteel, Raymond de Termes, belandde in een donkere kerker in Carcassonne.

Maar zijn zoon, Olivier de Termes, heroverde het kasteel op de kruisvaarders. Aguilar werd daarop een toevluchtsoord voor de katharen. We zagen in de vorige blogpost over het kasteel van Quéribus al hoe deze Olivier de Termes zijn kazak keerde, vriendjes werd met de Franse koning en in 1255 Chabert gevangen wist te nemen. In ruil voor zijn leven en zijn vrijheid moest die laatste Quéribus aan de Fransen overlaten.

Olivier de Termes, geboren in een kathaarsgezind adellijk geslacht, trok daarna mee met de Franse koning op de zevende kruistocht naar het Heilig Land. Hij was een specialist in belegeringen geworden. Uit dankbaarheid voor zijn inzet in Egypte en Palestina kreeg hij van de Franse koning Termes en Aguilar terug. Hij nam daarna nog deel aan de achtste kruistocht, bezorgd als hij vanaf 1257 was geworden voor zijn ziel. Om dezelfde reden deed hij heel wat schenkingen aan de abdij van Fontfroides en andere kloosters. Olivier schopte het zelfs tot seneschalk van het koninkrijk Jeruzalem, het hoofd van de legers in het Heilig Land. In 1274 kwam hij er om het leven.

Aguilar had hij dan al in 1260 opnieuw aan Lodewijk IX verpatst. Daarmee werd het kasteel van zijn vader, net als Quéribus, een Frans bolwerk tegen Spaanse aanvallen. Maar in tegenstelling tot Quéribus werd Aguilar de volgende jaren niet met rust gelaten. Ondanks de grote verdedigingswerken die er uitgevoerd werden, werd het bijna voortdurend belegerd. Door de Spaanse troepen van Aragon, maar toen de koning van Aragon het had veroverd, ook opnieuw door Franse troepen. Pas met het Verdrag van de Pyreneeën uit 1659 kwam er een einde aan de strijd in de grensstreek. Het legde de grens tussen Frankrijk en Spanje verder naar het zuiden, waardoor Aguilar zijn strategische waarde verloor. Het werd verlaten in 1569.

Als we na enkele kilometer kalm stijgen tussen de wijngaarden op de parking van het kasteel van Aguilar aankomen en naar de ticket office wandelen, wacht ons een teleurstelling: het kasteel gaat pas om half elf open. Daar willen we geen dik half uur op wachten. We slaan verder de Sentier Cathare in, de wijngaarden, bossen, heuvels en valleien van de Corbières tegemoet.

Enkele kilometers verder buigt de Sentier Cathare links af aan een gehucht met de naam Nouvelle. We zijn nieuwsgierig naar dat gehucht, dat op de kaart op het einde van de bewoonde wereld ligt. We stuiten op wat bedrijfsgebouwen, een grote classisistische villa, enkele verwaarloosde huizen en ruïnes die middeleeuws aandoen. Het is duidelijk dat alles in dit gehucht om wijn draait. Omringd door wijngaarden ligt er het Château de Nouvelle, waar Muscat de Rivesaltes, Rivesaltes, Fitou et Corbières gebotteld worden. Het kasteel is gebouwd op de grondvesten van een oude Gallo-Romeinse villa. In wat modernere gebouwen is er enig leven te bespeuren: machines draaien, een wijntractor staat geparkeerd, een man komt per auto wijn in wrak kopen, nieuwe flessen om de wijn te bottelen staan op paletten langs een loods opgestapeld.

We houden Nouvelle voor gezien en keren op onze stappen terug naar de Sentier, waar we even van de druiven langs het pad proeven, altijd goed voor snelle suikers. Alweer enkele kilometer verder komen we in Embres-et-Castelmaure, een klein wijndorp van zo’n 140 inwoners. We hebben er met Marianne afgesproken om te lunchen. Achter de wat verwaarloosde feestzaal van het dorp ligt een ruime parking waar picknickbanken rust bieden bij het nuttigen van brood en toespijs. Een werkman doet er vergeefse pogingen om zijn oude vrachtwagen te starten. Een kwartier later geeft hij het op. Zonder ons te bezien gaat hij met zijn hond wandelen. Aan een kraantje vullen we onze drinkbussen bij en we stappen gedrieën verder. Marianne gaat met de auto al op verkenning naar Durban-Corbières.

Na een poos vrij vlak te wandelen in de vallei, waar we weer lekkere druiven plukken ten bate van ons suikerpeil, begint het pad opnieuw te stijgen. En het blijft maar klimmen. Na elke knik in de weg hopen we op een vlak stuk, maar keer op keer blijft de Sentier verder omhoog kruipen, tot we zo’n vijfhonderd meter hoger hijgend aan een toren op de top van de heuvel komen. Boven op de toren lijkt een madonna te staan. Maar het is een beeld van de maagd van Sainte Raphine, de patrones van Sevilla, door de bewoners van Durban-Corbières ‘La Recaoufa’ genoemd. Kristel vlijt zich uitgeput neer om op adem te komen. Bart en ik genieten al van het magnifieke uitzicht over de valleien. Er wacht ons vanaf daar een steile daling van nog eens vijfhonderd meter, langs een rotsig pad onder de bomen en dichte struiken naar Durban-Corbières, eindelijk eens een deftig uit de kluiten gewassen dorp van zo’n 700 inwoners.

Daar komen we van het katharenpad meteen in de hoofdstraat terecht, de D611, een drukke doorgangsbaan in de Corbières, waar fietsers, voetgangers en personenwagens rekening moeten houden met tractoren, vrachtwagens en busjes gevuld met druivenplukkers. Wijnbouw is hier de belangrijkste economische bezigheid. Rond het dorp liggen 350 hectare wijngaarden. Al gauw zie ik wat verderop Marianne op een muurtje zitten. Een café lijkt er in het nochtans grote dorp niet open, maar in een Bar-Tabac heeft ze al wat gekoelde biertjes en frisdrank op de kop weten te tikken. De vermoeide stappers worden verwend!

Als we de versterkingen uit hebben, volgen we Marianne naar onze overnachtingsplaats, waar ze de auto al heeft achtergelaten. Het is nog een stukje klimmen tot aan ons verblijf in Sous l’Abricotier, een gezellige chambres d’hôtes. Durban heeft een wirwar van kleine, smalle straatjes met pittoreske huizen. Helemaal op de top van de heuvel ligt de kasteelruïne van Durban, nog een klein klimmetje verwijderd van Sous l’Abricotier. Het kasteel dateert van de elfde eeuw, maar heeft geen rol van betekenis gespeeld in de kruistocht tegen de katharen. Na een snelle douche installeren we ons onder de abrikozenboom in de tuin met een biertje. Onze vriendelijke gastheer serveert als avondmaal een heerlijke pasta, met wijn naar believen en lekkere lokale kazen als dessert. Eens in bed, val ik als een blok in slaap. We hebben onze langste dag van 28 kilometer goed overleefd.

Geplaatst in Katharen, reizen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Van de Quéribus naar Tuchan

Een minuutje of tien. Zo lang duurt het om van de ticket office van Chateau de Quéribus het pad naar de burchtruïne te beklimmen. Een ticket voor volwassenen kost tussen 7,5 en 9,5 euro. In het bezoekerscentrum vind je allerlei informatie, zelfs een uitstekende gratis bezoekersgids in het Nederlands.

Het kasteel behoorde in het begin van de elfde eeuw tot het Spaanse koninkrijk Aragon. Later viel het met de kastelen van Peyrepertuse, Puilaurens, Aguilar en Termes in de handen van de “Zonen van Carcassonne”. De burchten fungeerden als buitenposten van het Franse Carcassonne, die de stad hielpen beschermen tegen Spaanse aanvallers.

Vandaag spreekt vooral de rol van de Quéribus in de kruistocht tegen de katharen tot de verbeelding. Wie meer wil lezen over die gruwelijke oorlog vindt elders op deze website heel wat blogposts over de Sentier Cathare, het grote routepad dat naar de zogenaamde Albigenzer kruistocht verwijst.  

Na de val van Montségur in 1244 zouden verschillende gevluchte katharen zich verscholen hebben in het dichtbij de Spaanse grens gelegen Chateau de Quéribus. In de jaren dertig van de dertiende eeuw had de kathaarse bisschop Benoît de Termes er al gewoond. Toen al was het ook een schuiloord voor kathaarse monniken.

Twee jaar voor de val van Montségur, in 1242, kreeg een kathaarse ridder, Chabert de Barbeira, de Quéribus in handen. De vesting was in die jaren een veel kleinere burcht op de heuveltop dan vandaag. Chabert zou de kathaarse vluchtelingen en de onteigende ridders van de Languedoc die uit Montségur waren ontsnapt, in zijn burcht onderdak hebben geboden. Omdat de Quéribus toen nog onder invloed stond van het graafschap Roussillon, liet de koning van Frankrijk de als oninneembaar geachte burcht nog enkele jaren ongemoeid.

Maar tien jaar na de val van Montségur besloot Lodewijk IX ook Quéribus te belegeren. In 1255 slaagde Olivier de Termes, die ooit de trouwe wapenbroeder van Chabert was maar zijn kazak gekeerd heeft, erin deze gevangen te nemen. Chabert werd in een cel van de gevangenis van Carcassonne gestopt. Hij wordt voor een keuze geplaatst: om zijn vrijheid te herwinnen moet hij het kasteel en al zijn bezittingen overdragen aan de Franse kroon. Zo geschiedt op 25 mei 1255. Maar de katharen in de Quéribus bleken spoorloos verdwenen te zijn.

Met de intrede van een Frans garnizoen van een twintigtal soldaten, kwamen er ook ingenieurs mee en braken jaren aan van verbouwingen en versterkingen. De Fransen maakten van de burcht van Quéribus een vesting tegen aanvallen uit Aragon. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw, op de vooravond van de Franse revolutie, werd het kasteel als defensief wapen tegen de Spanjaarden definitief opgegeven.

Wie vandaag langs het steile pad boven aan de muren van de burcht komt, stapt via een kleine deuropening de eerste verdedigingsgordel binnen die de Fransen hebben toegevoegd. De donjon strekt zich dan nog hoog boven je uit. Er werden door de Fransen drie opeenvolgende ommuringen bijgebouwd, die via slingerende trappen tot op het torendak leiden. De Franse koning had Quéribus zo goed laten verbouwen, dat een garnizoen van een tiental soldaten de burcht kon verdedigen.

In de donjon bevindt zich een knappe gotische boogconstructie die op één centrale pijler steunt, geschraagd door vier kruisgewelven. Toen de artillerie in de oorlogsvoering tot ontwikkeling kwam, moest die oude donjon nogmaals verstevigd worden. Het resultaat is een dikke toren met een platform erboven waarop de kanonnen stonden.

Het uitzicht van op die toren is fenomenaal. Je kijkt er uit op de vlakte van de Rousillon, vanaf de uitlopers van de Corbières tot Albères en de Pyreneeën en van de kust tot Fenouillèdes. Ons bezoek aan het kasteel duurde ongeveer een uur. Daarna hervatten we vanop de parking, waar we de auto achter lieten, de Sentier Cathare richting Padern. Hier beginnen de laatste tachtig kilometer van de Sentier die we die week zullen afleggen, tot in Port-la-Nouvelle aan de Middellandse Zee. Die dag hebben we nog ruim achttien kilometer voor de boeg tot onze volgende overnachtingsplaats in Tuchan. Er liggen vijfhonderd stijgmeters voor ons, zo’n 790 daalmeters en een zengende temperatuur van boven de dertig graden.

Ongeveer op de middag passeren we het dorpje Padern, dat in 2019 nog 137 inwoners telde. We vinden er geen winkeltje, terras of café. Het dorp heeft wel een kasteelruïne, maar het gemeentebestuur verbiedt de toegang wegens het risico op vallende stenen. Gelukkig kunnen we onze veldflessen aanvullen op een pleintje in het dorp.

Wat verder zien we een voetgangersbrug over de Verdouble, een van de weinige riviertjes waar het water nog vrolijk kabbelt. De sentier loopt over het bruggetje en dat komt ons goed uit. Want als we op de brug gaan zitten, vinden onze blote voeten in het water aangename verkoeling. We eten er onze picknick van brood, kaas en worst en trekken de uitstekende rode wijn van de Corbières open, die we in het winkeltje in Cucugnan hebben gekocht. Een uurtje later is de fles op raadselachtige wijze leeg, waarop we dan maar besluiten verder te stappen naar Tuchan.

Het smalle pad van de Sentier loopt langs schilderachtige wijngaarden en bossen, eventjes door een kloof naar de D14 en dan langs bergflanken met indrukwekkende panorama’s verder naar onze bestemming. Op een van die bergflanken ligt een van het roesten egaal bruin geworden auto uit de jaren vijftig te vergaan. Voor ons blijft het een raadsel hoe dat voertuig zo hoog op die berg is beland, naast dat smalle pad.

Elk op ons eigen tempo dalen we verder af naar Tuchan. Dat is een al wat steviger uit de kluiten gewassen dorp met ongeveer 800 inwoners, een supermarktje en wat winkeltjes, een wijncoöperatieve en een café dat ook kamers verhuurt. Helaas is het op dat moment nog gesloten. Aan dat café is wel een pleintje waarop wat zitbanken staan. Bart en Kristel vatten er alvast post tot Marianne en ik aankomen. In de lokale Spar gaan we in afwachting van de opening van het café alvast wat blikjes bier en frisdrank kopen. Tegen het openingsuur komen meer dorpsbewoners naar het terras afgezakt. Onder hen ook een Vlaams echtpaar dat sinds hun pensioen de zomers in hun Frans buitenverblijf doorbrengt. Maar deze zomer was het in Tuchan echt te warm, klaagt de vrouw: drie weken lang meer dan veertig graden.

We besluiten niet te wachten tot het café opengaat, want we hebben de uitbater van de Gîte Saint Roche, onze overnachtingsplaats, beloofd rond 17 u aan te komen. Bart belt een taxi om de auto te gaan ophalen die nog op de parking van de Quéribus staat. Marianne biedt aan om hem te vergezellen. Als de taxi arriveert, vertrekken ze naar de parking van de Quéribus. Kristel en ik klimmen de laatste steile kilometers naar de Gîte Saint-Roche, waar we joerten hebben gehuurd. We dachten eerst dat we met z’n vieren in zo’n grote ronde tent ondergebracht zouden worden, maar de uitbater stelt ons twee joerten ter beschikking, elk met een eigen badkamer.

De Gîte Saint Roche, twee kilometer buiten Tuchan op de hellingen van de Mont Tauch, is prachtig gelegen en ook ecologisch een pareltje: alle energie op het domein van de Gîte Saint Roche komt van de zonnepanelen achter de gebouwen van de gîte. En aan de voorkant ligt er een geweldig terras met een machtig uitzicht over de vallei met de wijngaarden rond Tuchan, de Pyreneeën en het kasteel van Aguilar, dat morgen op ons programma staat.

’s Avonds genieten we er van een geweldig diner onder de sterrenhemel. Alle gasten verzamelen zich voor een heerlijk driegangenmenu met aperitief, streekwijnen en zelfs pousse-cafés naar believen. Als dat maar geen katers oplevert, want de volgende dag staat onze koninginnenrit van ruim 28 kilometer op de agenda, de zwaarste tocht die ons nog langs de Sentier Cathare rest, naar Durban-Corbières.

Geplaatst in Katharen, reizen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Van Cucugnan naar Duilhac

Met z’n vieren vertrokken we op zondag 4 september om 5 u ’s morgens aan het station van Haacht met de auto van Bart naar Cucugnan, zo’n 1.200 kilometer verder. Cucugnan ligt op de Katharenroute die er door de wijngaarden van de Corbières loopt, in de Zuid-Franse regio Occitanië. Het was voor sommigen onder ons een kort nachtje geweest, want we waren nog wat blijven plakken op het feestje dat Ward de avond voordien gaf voor z’n zestigste verjaardag. Maar met vier chauffeurs kregen we de rit makkelijk achter de kiezen.

We zijn er bijna!

Rond 19 u reden we de smalle, steile straatjes op van het piepkleine dorpje met een honderdtal inwoners. Het lag al vredig te slapen aan de voet van chateau Quéribus, een van de laatste katharenburchten die we nog gaan bezoeken. Na wat voorzichtig gemanoeuvreer parkeren we op een petieterig pleintje voor onze bestemming: de Auberge de Cucugnan.

Achter een ruit van de inkomdeur hangt een briefje met een telefoonnummer op, dat je moet bellen als er niemand thuis is. Net als we dat willen doen, gaat er tien meter verder op een bovenverdieping een raam open. Een vrouw van middelbare leeftijd heeft voor ons een onaangename boodschap. De Auberge is sinds meer dan een maand definitief gesloten. De vrouw vertelt dat de oude zaakvoerder zwaar ziek is geworden en helaas zijn herberg niet meer kan runnen.

Jullie zijn niet de eersten die ondanks een reservatie bij Booking niet meer in de herberg terecht kunnen, voegt ze eraan toe. Maar gelukkig heeft ze al een oplossing achter de hand: ze stuurt ons het blokje om naar het winkeltje waar buiten wat stalletjes met postkaarten staan. Dat winkeltje hadden we al gespot, het is vermoedelijk het enige van heel Cucugnan. Aangezien de eigenaars er ook kamers verhuren, zullen we er volgens onze redster wel onderdak vinden.

Vlaamse wandelaars in Duilhac-sous-Peyrepertuse

Helaas pindakaas, alle kamers die de winkeluitbaters verhuren, zitten ook vol. Geen paniek, zegt de winkelier. Hij neemt het heft voor onze reddingsoperatie stevig in handen. Uit zijn bruingroen gevlekte camouflagebroek vist hij een smartphone. Hij begint driftig te bellen naar kamerverhuurders, hotels, chambres d’hôtes en b&b’s in de buurt. Intussen snuisteren wij in zijn winkel. Er worden vooral boeken verkocht over de katharen en het leven in de middeleeuwen. Er is ook een collectie strips met ridders en kinderboeken. Er is een speciale plek voor oude boeken en een andere voor pas gepubliceerde. Alles in het Frans. Het koppel verkoopt ook zwaarden, dolken, messen en speelgoedversies daarvan, streekproducten, snoep en wijnen afkomstig van de druiven in de uitgestrekte wijngaarden van de Corbières waar we door zijn gereden.

Terwijl de man het ene telefoongesprek na het andere zonder succes afbreekt, stelt Marianne me voor om een goede fles wijn te kopen. Zo kunnen we de winkelier-kamerverhuurder danken die voor ons lege bedden aan het toveren is. Ik kies er een van de duurdere kasteelwijnen uit en vraag aan de vrouw of ik een goede keuze heb gemaakt. Met een lach en een knipoog erbij gaat haar duim omhoog. Intussen heeft haar man nieuws: bij één hotel beloofde een receptioniste aan onze redder dat haar baas die een boodschapje is gaan doen, binnen een kwartiertje zal terugbellen.

We vrezen al dat we ergens in een stal terecht zullen komen, als de telefoon in de zak van de winkelier overgaat. Er is nog plaats in Duilhac-sous-Peyrepertuse, enkele kilometers verder. We kennen het hotel, want bij onze vorige tocht langs de katharenroute verbleven we er en bezochten we hoog boven het dorp de prachtige burchtruïne van Peyrepertuse. Van daar zagen we toen al in de verte dat kleine zwarte rechthoekje tegen de kim, op een bergtop van meer dan 700 meter, de massieve toren van de Quéribus.

De Quéribus vanuit de auto

Een half uur later al hadden we twee kamers versierd en gingen we dineren in het restaurant waar we bij onze vorige wandelvakantie al eens lekker gegeten hadden. De hond, de gastvrouw en de kwaliteit van het eten waren dezelfde gebleven, de dochter was nog knapper geworden. In het restaurant valt een kwartier na ons een viertal Vlamingen uit het Aalsterse binnen. Ze zijn uitgedost met bergschoenen en lopen ook de GR van de Katharen. Er valt natuurlijk heel wat te bespreken over hoe en wat zij en wij dat doen.

Het wordt nog een lange en zware avond, wellicht van opluchting dat we dan toch aan onze wandelvakantie kunnen beginnen. ’s Anderendaags zie ik de ook met wandelstokken gewapende Vlamingen terug aan de kruidenier van Duilhac, waar ze ook hun lunch komen kopen.

De Quéribus, vooraleer we hem beklimmen

Wat later stappen wij de auto in, weg van onder de schaduw van de Peyrepertuse naar de Quéribus. Eerst terug de vallei in, waar we snel weer uitrijden om de klim naar de katharenburcht aan te vatten. En die is erg steil. Op een klein stukje van die toegangsweg naar de parking aan de burcht moet Bart terugschakelen naar eerste versnelling. Intussen maken Marianne en Kristel foto’s van het silhouet van de burcht, scherp afstekend boven de golvende horizon van bergtoppen waar wolken over jagen. Straks beklimmen we het pad naar de burcht.

Geplaatst in Katharen, reizen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

In en uit de Imbroskloof, dolend naar Chora Sfakion (12)

Al om 6:30 u gaat de wekker. Marianne en ik reppen ons naar de bushalte, waar we zoals gewoonlijk te vroeg arriveren. Door mijn toedoen, een soms vervelend atavisme, die schrik om te laat te komen. Voor ons zien we nog een koppel zich naar de bussenparking haasten. Nog flukser dan wij vliegen ze de lange trap op. Ze zien er ook wat jonger uit. Terwijl we even later samen op de bus staan te wachten, zie ik dat de man een T-shirt draagt van een marathon in Engeland. Het toeval wil dat ik ook een sport-T-shirt draag met een geschiedenis, van een Race Against Nature enkele jaren geleden.

Nieuwsgierig als ik ben, vraag ik de man of hij effectief die marathon gelopen heeft. Ja, zegt hij. En ja, zoals ik al dacht, nemen ze ook de bus naar de Imbroskloof. De Imbroskloof, de Aradenakloof en de Samariakloof zijn drie kloven die in elkaars buurt in de Witte Bergen liggen. De Imbroskloof is met z’n zeven kilometer de kleinste. Ze loopt van het dorpje Imbros op de Askifou-hoogvlakte naar Komitades, aan de Libische Zee.

We rijden mee met een goed gevulde bus richting Chania. We vragen de chauffeur om ons te waarschuwen als hij aan Imbros stopt. Na een half uurtje klinkt luid door de bus: “Imbros!”. Wij, het Engels koppel en een jonge vrouw stappen af. Marianne troont me mee naar de taverne, enkele honderden meters van de ingang van de kloof. We hebben immers nog niet ontbeten. Dat was blijkbaar ook het plan van het Engels koppel. Waarom dus niet samen ontbijten?

We zetten ons aan dezelfde tafel in de lege ontbijtzaal en keuvelen met Phil en Tracy over wat we tijdens onze vakantie in Kreta zoal hebben gedaan. Even later komt tot onze aangename verrassing de jonge vrouw die samen met ons van de bus stapte, nu met een schortje om, onze bestelling opnemen.

Uit het gesprek met de Engelsen blijkt dat we in Kreta veel gelijkaardige dingen hebben gedaan: kloven afdalen, bergen beklimmen, af en toe eens luieren en zwemmen, lekker eten en drinken. “Wat we ook heel bijzonder vonden”, gaat Tracy verder, “was ons bezoek aan Gavdos.” Marianne kijkt me met grote ogen aan. We vertellen hoe wij ons gepland bezoek aan Gavdos door de neus geboord zagen. “Oh, wat spijtig”, zegt Phil. “Wij hadden Gavdos niet op voorhand geboekt, maar we hebben op goed geluk geprobeerd er nog een kamer te vinden. En toen zei de eigenaar dat we nog welkom waren omdat hij vruchteloos de gasten van een eerdere boeking had proberen bereiken.” We vielen net niet van onze stoel. De kans is dus groot dat Phil en Tracy een van onze kamers hebben gekregen. Ze vonden het er zo leuk dat ze nog een nacht hebben bijgeboekt. Nu ja, we gunnen het hen.

Rond half negen vertrekken wij naar de kloof. Phil en Tracy zullen ons wel inhalen, met hun hoger wandeltempo. De ticketbalie in de chalet aan de ingang van de kloof is nog niet bemand. Dus lopen we gewoon verder de kloof in. De Imbroskloof zou na de Samariakloof de meest bezochte kloof van Kreta zijn. Deze kloof heeft dan ook veel troeven. Ten eerste is ze in tegenstelling tot de Samariakloof heel het jaar toegankelijk. Er stroomt immers geen rivier meer door.

In die kleine kloof valt er heel wat te bezien aan fauna en flora. De zo’n 30 miljoen jaren oude kloof ontstond toen Kreta nog een tropisch klimaat kende met hevige regenbuien. Daardoor werd een zeer erosieve rivier met diepe insnijdingen gevormd, een proces dat werd versterkt door tektonische verschuivingen. Wie nieuwsgierig is naar het natuurschoon dat in de kloof te beleven valt, komt zeker aan zijn trekken.

Een derde troef van de kloof is haar geringe lengte, zo’n zeven kilometer. Die maakt de wandeling voor minder geoefende bezoekers makkelijker. Ook het hoogteverschil van slechts bijna 600 meter maakt de Imbroskloof voor een breder publiek goed te pruimen.

Maar de volgens mij grootste troef van deze kloof is de rol die ze heeft gespeeld in de Tweede Wereldoorlog, bij de Slag om Kreta. In mei 1941 heeft de Duitse Wehrmacht onder de codenaam Operatie Mercurius, zo’n achtduizend parachutisten op het eiland gedropt. Het was op dat moment de grootste luchtlandingsoperatie uit de geschiedenis. Hoewel er veel meer geallieerde troepen op het eiland gestationeerd waren, slaagden de Duitsers erin een vliegveld te veroveren. Ze vlogen er met Junkers 52-transportvliegtuigen nog zo’n 14.000 bergjagers over.

Een geallieerde tegenaanval op het vliegveld van Maleme mislukte, waardoor de geallieerde troepen zich gedwongen zagen terug te trekken naar het oosten van het eiland. Nadat de Duitsers erin waren geslaagd uit hun bruggenhoofd te breken, besloot het geallieerd opperbevel in Londen tot een terugtocht vanuit Chora Sfakion. Tussen 28 en 31 mei 1941 werden zo’n tienduizend geallieerde soldaten via de Imbroskloof geëvacueerd. Wat een vreselijk gevoel moet het die soldaten gegeven hebben om zich in een eindeloze sliert door die hoge en smalle wanden van de kloof te haasten om hun leven te redden. Vanuit Chora Sfakion geraakten uiteindelijk zo’n zestienduizend militairen op een boot naar Egypte.

Voor Marianne en mij is de tocht door de kloof makkelijk als een wandeling in een park. Het pad is goed begaanbaar. Zonder geklauter over rotsen, zoals in de Aradenakloof, schiet het ook goed op. Toch halen Phil en Tracy ons sneller dan we verwachten in. Even later lopen we over een overhangende rots door. Daarna komen de loodrecht oprijzende wanden dichter bij elkaar, tot we door de beroemde flessenhals wandelen waar de wanden op iets meer dan anderhalve meter van elkaar loodrecht oprijzen. Dat is nog dichter bij elkaar dan de IJzeren Poorten van de Samariakloof.

Ongeveer halverwege stuiten we op een half in de rotswand gebouwde schuilhut, waar de vreemdste voorwerpen uitgestald zijn. Heel wat wandelaars hebben er pasfoto’s nagelaten of andere herinneringen. In deze hut zou er een of andere kluizenaar wonen, maar op het moment dat wij er passeren, is er niemand te bekennen. Er zouden ook enkele geweerlopen hangen die na de vlucht in de kloof waren achtergebleven, maar ik zie ze niet.

We wandelen verder richting zee en na een half uurtje zien we honderd meter verder een vrouw op een klapstoel aan een plooitafeltje zitten. Als we haar met een vriendelijke groet willen passeren, vraagt ze onze tickets. We leggen uit dat het ticket office aan de ingang nog onbemand was toen we aan de afdaling begonnen. Ze vraagt toch 2,5 euro per persoon, de prijs van de tickets. Die betalen we graag.

Rond half twaalf lopen we de kloof uit. We hebben haast niemand gekruist of gepasseerd, op Phil en Tracy na. Als dit de meest bezochte kloof van Kreta is, hebben we er misschien wel de rustigste dag van het jaar voor uitgekozen. Op het einde van de kloof komen we aan een taverne waar een jong meisje ons vrolijk goeiedag zegt. We feliciteren haar met haar vlekkeloze Engels. Hoe oud ben jij, vraag ik. Raad eens, antwoordt ze zonder blikken of blozen. Ik zeg 11. En hoe oud denk jij dat ik ben, vraagt ze aan Marianne. Twaalf, antwoordt Marianne. Zie je wel, zegt het meisje tegen mij, de vrouwen weten het altijd best.

Deze bijdehandse Christina leerde haar Engels op school en van een juf die haar bijles geeft. En ik leer ook veel Engels van de toeristen, zegt ze. Haar vader en twee andere mannen zijn inmiddels cement aan het mengen voor de renovatiewerken aan de taverne. Wat een pientere dochter heb jij, complimenteer ik de vader. Zeg dat wel, antwoordt de man. Maar soms is ze me wel teveel betweter, zucht hij.

We zetten ons neer aan een tafeltje onder een boom en bestellen een drankje. Christina is de perfecte ober. Ze vraagt me of ze een bloem rond mijn hals mag hangen. Eerst heeft ze ook Marianne al bloemen in het haar gestoken. Ik voel me vereerd: versierd door zo’n jong meisje. Dan vraagt ze of ze een cijfertruukje mag uithalen. Doe dat maar met Marianne, antwoord ik, zij is van ons twee de slimste en al zeker in wiskunde. Ook Marianne staat versteld als Christina na enkele bewerkingen het getal raadt dat Marianne had opgeschreven. Dat truukje wil Marianne ook wel leren, om het ook haar slimme kleindochter te kunnen bijbrengen. Enkele weken later zal die er haar bompa versteld mee doen staan.

Het wordt tijd om terug te keren naar Chora Sfakion. Vijf minuten verder passeren we in het dorpje Komitades verschillende tavernes en kiosken. Obers bieden ons taxi’s naar Chora aan, of proberen ons binnen te lokken voor een lunch of een drankje. Maar Marianne herinnert zich nog een gemarkeerd wandelpad dat naar Chora Sfakion leidt, dus slaan we alle voorstellen af en een nieuw bergpad in, steil omhoog. De markering van het pad laat echter zwaar te wensen over. Bovendien staat de zon nu hoog aan de hemel. We zweten ons te pletter. Het blijft zoeken naar markeringstekens.

Ten einde raad steken we een bergrug over en dalen naar een gehuchtje met enkele huizen. Maar we stuiten op een manshoge stevig beveiligde omheining die zo ver loopt als we kunnen kijken. Erachter springt een grote hond wild blaffend tegen het hek op. We zien ons verplicht terug te keren op onze schreden. Langs een ander paadje geraken we weer terug over de bergrug en dalen vervolgens een dal in waar we opnieuw markeringen vinden. Tot die ophouden en we op een zandweg komen. Maar helaas loopt die opnieuw dood op de afsluiting van een steengroeve. Marianne is uitgeput. Ons water is op. De zon staat in het zenith.

Ik wring me dan maar door het hek. Als we het terrein van de steengroeve oplopen, herkennen we enkele honderden meter verder de asfaltweg waarover de bus ons ’s ochtends naar Imbros heeft gebracht. We sluipen zo stil mogelijk langs de barakken, loodsen en kranen en machines van de steengroeve. Honderd meter naast ons staan op een parking enkele auto’s en bestelwagens. Er komen mensen een gebouw uit, maar ze zien ons niet of doen alsof. Achter een kerkje dat vreemd genoeg op dit terrein staat, lopen we eindelijk door een open poort de asfaltweg op.

De laatste twee kilometers wandelen we onder een beukende middagzon langs de drukke weg naar Chora Sfakion. Marianne slaakt een zucht als ze zich kan neerploffen in de taverne van Georgis aan de haven. Een biertje, een heerlijke Griekse salade en een lekkere pita brengen ons weer tot leven.

Na onze stevige lunch gaan we op zoek naar Erwin en Christel. We passeren op de promenade de lookalike van Stromae, de ober met het hoverboard en de quick service. Hoi, spreek ik hem aan, ken jij soms Stromae? Meteen komen er nog wat andere obers rond ons staan. Neen, zegt de nep-Stromae. De andere obers googelen en dan gaat Stromae ineens een licht op: alors on dance, zegt hij. En hij somt nog enkele liedjes op van de superster. Waw, spreek jij ook Frans, vraag ik hem. Ah oui, antwoordt hij met de flair van Stromae, c’est la langue de l’amour. Je parle souvent le Français avec les filles. Je suis un pecheur d’amour, tu sais. We schieten in de lach.

Despina, toen nummer 1 op TripAdvisor!

Marianne en ik besluiten nog even te gaan siësten vooraleer we met Erwin en Christel gaan aperitieven en dineren. We eten weer in een van de door TripAdvisor aanbevolen resto’s. Ik weet niet meer wat de anderen aten, maar mijn risotto met ouzo en garnalen was alleszins heerlijk. Daarna gaan we nog naar Despina, de lokale nummer 1 van TripAdvisor, een dessert eten. De uitbaatster en haar helpende zoon wisten niet eens dat hun zaak de lijst van Trip Advisor aanvoert. We proppen nog vier grote stukken lekkere taart in onze maag. Morgenochtend komen we hier terug ontbijten, beloven we, vooraleer we met de bus naar Chania terugkeren, en van daar het vliegtuig op naar huis.  

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , , | 1 reactie

Naar Chora Sfakion (11)

We staan weer vroeg op. Om half acht drinken we een laatste koffie in taverne Akrogialis, waarna we afscheid nemen van de hoteleigenaar Pavlos, zijn broer Costas en Whynot. We beloven plechtig over enkele jaren terug te keren. Pavlos ontfermt zich over onze rugzakken. Hij brengt ze met zijn motorboot naar de ferry in Loutro. Daar heeft hij geregeld dat de uitbater van een taverne aan de haven van Chora Sfakion onze rugzakken van de veerboot zal halen. We kunnen ze dan daar ophalen.

We vertrekken langs de E4, via het korte pad naar Loutro en van daar verder naar Chora Sfakion. Marianne ziet af na de zware dag op en af naar Aradena. Ze stapt nog mee tot Loutro en neemt daar de veerboot naar Chora Sfakion.

Loutro van op de E4 richting Chora Sfakion

Voorbij Loutro volgen we de E4 naar onze bestemming. Om 9:30 u zijn we al aan Sweet Water Bay. Daar gaan we ontbijten. We zijn de eerste gasten in de taverne die wat hoger gelegen is dan de zee. We genieten van ons ontbijt met vers fruitsap en omelet bij een prachtig uitzicht over het strand en de zee. Er zijn op dit vroege uur al mensen aan het zonnen en zwemmen.

Ook dit strand heeft recent een metamorfose ondergaan. Sweet Water Bay staat tegenwoordig vol strandstoelen en parasols. Het strand dankt zijn naam aan de zoetwaterbronnen die hier en daar opborrelen. Aan het einde van de stoet ligstoelen kampeert een handvol nudisten in kleine tentjes. Een oudere hippie en zijn vrouw zijn aan een zoetwaterbron de afwas aan het doen. Erwin en ik doen ook onze kleren uit en genieten van een kort maar krachtig zwempartijtje. Christel vindt het water zo vroeg in de ochtend nog wat te koud.

Het prachtig gelegen Sweet Water Bay met de taverne in zee, de ligstoelen op het strand en de wildkamperende nudisten op het eind van het strand

We stappen verder naar Chora Sfakion, genietend van de prachtige zichten op de kust. De E4 is hier vrij gemakkelijk te bewandelen. Onderweg zien we de veerboot passeren waarop Marianne zou moeten zitten. We zwaaien vanop een uitkijkpunt met een sjaal van Christel naar de boot die zo’n kilometer verder door de golven ploegt. We zien niemand terugzwaaien.

De laatste twee kilometer wandelen we langs een drukke asfaltweg tot in Chora Sfakion. Motorrijders scheuren er hard door de haarspeldbochten. Erwin is al eens in Chora Sfakion geweest en hij weet een trapje waarlangs we verlost geraken van de verkeersdrukte. We dalen de laatste meters tot aan de strandboulevard af. We bellen Marianne op om te vragen of ze al aangekomen is. De boot is aan het ontschepen, zegt ze, en we spreken af aan de trappen van het busstation vlakbij de haven.

Terugblik op Sweet Water Bay

Chora Sfakion is het belangrijkste dorp uit de regio Sfakia. Het is ook de enige plaats in heel Griekenland die nooit bezet is geweest door een externe vijand. Heel de streek heeft een sterke reputatie van verzet. Tegen overheersers als de Venetianen, de Turken en de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 31 mei 1941 heeft de lokale bevolking vele geallieerde troepen uit Nieuw-Zeeland en Australië helpen evacueren vanuit de haven van Chora Sfakion. Het dorp is vervolgens gebombardeerd door de Duitsers.

Marianne zit al te wachten op de trappen naar het busstation. Onze bagage ligt nog niet in de taverne maar dat vinden we niet erg. We gaan eerst een Mythos drinken aan de strandboulevard. Het is er aangenaam zitten, dus blijven we er ook lunchen. Het is zondag en dan is het druk in Chora Sfakion. Overal zijn families met kleine kinderen samengekomen. Ze praten en lachen honderduit op de terrassen en showen hun baby’s in de koets en peuters in de buggy.

Vlakbij onze tafel rijden enkele grotere kinderen de smalle promenade af en aan met een hoverboard. Die hebben ze geleend van hun slungelachtige jonge nonkel, die ober is op ons terras. Hij bedient de klanten per hoverboard. I deliver a quicker service, zegt hij lachend. De jonge kerel trekt hard op Stromae.

In de late namiddag meert de ferry Daskalogiannis aan in de haven. De boot komt van Loutro en Agia Roumeli. De ontscheping duurt lang. Eerst rijden de voertuigen van de boot. Daarna volgt een massa toeristen. Het zijn hoofdzakelijk wandelaars die de Samariakloof overleefd hebben, zoals sommigen het de wereld laten weten van op een fonkelnieuwe T-shirt. Dat hebben ze gekocht in de souvenirshops van Agia Roumeli.

Even uitblazen op een terras langs de promenade van Chora Sfakion

Enkele minuten lang hou ik van op het terras die stoet in de gaten. Dan begin ik te tellen. Er komen nog 418 mensen van de Daskolgiannis gestapt. Ze nemen wat verder de trappen naar de bussenparking. Vanuit Rethymon, Chania of Heraklion, de grote toeristische centra aan de noordkust van Kreta, kan je excursies boeken naar de Samariakloof, voor circa honderd euro per volwassene.

Als de drukte aan de kade voorbij is, halen we onze rugzakken op en trekken we naar de kamers die we gehuurd hebben. ’s Avonds eten we in een van de door Trip Advisor best geklasseerde resto’s van het kustdorp alle vier een mixed grill. Deze keer krijgen we hem helemaal op. Al kost dit Erwin en mij toch enige moeite.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Van Lysos naar Aradena door de kloof (10)

Vroeg in de ochtend stappen we de E4 in westelijke richting op, naar het strand van Marmara. Hoewel ze nog helemaal niet hoog geklommen is, geeft de zon al zoveel warmte dat de schapen en geiten van Pavlos samenhokken in de schaduw van de steile kliffen aan de kust. Het pad is daar op enkele plekken echt wel gevaarlijk, met steile stukken waar we ook onze handen nodig hebben om erover te klauteren. Niet voor mensen met hoogtevrees, want naast ons op de kliffen gaapt een afgrond, zonder reling of ketting.

De Aradenakloof staat op het programma. Reisgidsen noemen het één van de topwandelingen van West-Kreta. We passeren snel en makkelijk Marmara, eertijds een verlaten baai voor zonnekloppers en zwemmers, tegenwoordig een min of meer aangelegd geëgaliseerd stenenstrand waarop ligbedden en parasols verhuurd worden. Na Marmara begint de klim naar Aradena.

De Aradenakloof is kleiner dan de Samaria-kloof. Maar ze is erg indrukwekkend door de hoge steile wanden. En vooral: je komt er nauwelijks een kat tegen. Al snel lopen we tussen wanden van meer dan 200 meter hoge rosse rotsen. De kalderimi, het ezelspad loopt tussen prachtige rozerode oleanders die in het voorjaar welig bloeien.

De kloof wisselt vals plat en traag stijgende stukken door een breed ravijn af met steil opgehoopte rotspartijen tussen hoge wanden. Daar moet je dan klauterend op handen en voeten je weg zoeken. Af en toe zien we de geschilderde merktekens van het pad over het hoofd en moeten we op onze stappen terugkeren. Na een half uurtje wandelen passeren we een aftakking in het pad naar rechts naar Livaniana en wat later voert een aftakking naar links je op het bergpad dat je tot Agios Ioannis leidt.

Af en toe zien we naast het pad oude geitenkadavers liggen. Na een bocht stuiten we op het lijk van een jonge bunzing. Het is niet duidelijk of hij van een hoogte is gestort of op een andere manier om het leven is gekomen. De gieren of roofvogels die geregeld de kloof screenen op verse kadavers zullen het onfortuinlijke jong wel opruimen. 

Spectaculair zijn de twee ijzeren trappen en het klimkoord om een haast loodrechte wand in de kloof te overwinnen. Het klimkoord vergt enige durf. Je moet je lichaam achterover laten hangen aan het koord en je zo stap voor stap en hand voor hand omhoog hijsen. Wandelaars die verkiezen de ladders en touwen te vermijden, kunnen links omhoog een bergpad op met hier en daar een reling.

Na enkele uren wandelen zien we in de verte de ijzeren brug die beide kanten van de kloof verbindt. De brug heeft houten planken. Er kan maar één auto tegelijk over. Als er eentje over rijdt, hoor je het gerammel tot in de kloof, die onder de brug een kleine 150 meter diep is. Vanaf de brug wordt er af en toe gebungeejumpt.

De brug is een cadeautje van de rijke familie Vardinogiannis. Ze verbindt sinds 1986 het bergdorpje Agios Ioannis, waarachter alleen nog bergpaden liggen, met de dorpjes Livaniana en Agios Dimitrios. Van daar kan je met de auto doorrijden naar de baai van Lykos of naar het grote kustdorp Chora Sfakion.

Als we een kleine halve kilometer onder de brug zijn doorgewandeld, komen we aan een hoop stenen waarin een stok is geplant met een geitenschedel op. Zowel langs links als langs rechts kan je hier de kloof uit langs een steil maar makkelijk begaanbaar pad. Wij nemen het linkse dat ons naar het spookdorp Aradena brengt. Dit pad was tot 1986 de enige manier om de kloof over te steken.

Aradena heeft een lange en bewogen geschiedenis. Als het antieke Aradin werd deze plek al in de tweede eeuw voor Christus bewoond. In de eerste eeuwen na Christus was er een bisdom gevestigd. Tussen de ruïnes van het dorp staat nog een kleine 14de eeuwse Byzantijnse kerk gewijd aan de aartsengel Michaël, met mooie muurschilderingen en iconen. Rondom Aradena liggen nog restanten van de oude stad Aradin.

De vrome voorgeschiedenis van Aradin heeft niet kunnen verhoeden dat halverwege vorige eeuw een regelrecht drama plaatsvond in het dorp, waardoor alle bewoners stierven of het verlieten. Volgens wat ik op internet kon terugvinden, begon het tragische verhaal met een ruzie tussen twee jongens om een geitenbel. De ruzie escaleerde in een mum tot een vendetta waarbij bijna alle inwoners de dood vonden. De paar mensen die het bloedbad overleefden verhuisden naar het nabijgelegen Anopolis.

Het doet vreemd aan tussen de bouwvallen van nochtans fraaie, oude woningen te wandelen, met boogpoorten en terrassen. Hier en daar zijn er weer tekens van bewoning en herstellingen. We lopen het lege dorp terug uit door een rasterhekken en wandelen naar de kleine taverne aan het open terrein voor de ijzeren brug over de kloof. Het terras onder de schaduw van wat bomen is onmogelijk te weerstaan.

We zijn op die eerste zaterdag van juni niet de enige gasten. Drie Kretenzers houden er een drinkgelag. Ze worden bediend door een jonge vrouw die tussendoor probeert haar kleuterdochter te laten eten. Op de tafel van de drie mannen, uitgedost in soldatenhemden en katoenen broeken met beenzakken, staan 21 lege blikjes bier. De vrienden bestellen nog een rondje. Wij bestellen Griekse salade en ook wat drankjes, want het is heet op de middag.

Het duurt even vooraleer de salade klaar is, maar hij is heerlijk. Tien minuten nadat één van de drie mannen een telefoontje heeft gekregen, rijdt een reusachtige pick up de brug over. De chauffeur parkeert de auto aan de overkant van de straat naar Agios Ioannis. De man is stevig gebouwd en rond de twee meter lang. Als de kolos de straat oversteekt, lijkt de tijd stil te staan, zo traag stapt hij. Het tafereel doet me denken aan de beginsequenties van Once upon a time in the west, maar dan zonder de muziek van Ennio Morricone. Zelfs zijn drie drinkebroers lijken hun adem in te houden. Uiteindelijk schuift hij mee aan tafel. Een volgend rondje volgt. De reus heeft nu het hoge woord.

Niet veel later, onze salade is bijna op, horen we weer de houten balken op de ijzeren brug rammelen. Groot en dik komt er nu een zwarte Ford-jeep met Duitse nummerplaat overgereden. Hij draait op de open ruimte voor de taverne en parkeert zich dan naast de pick up. Een dikke man en een vrouw die zich als een dienstmeid gedraagt, stappen uit. Ze wisselen enkele woorden en dan kruipt de man terug in zijn auto. De vrouw wandelt naar het begin van de brug terwijl de man de jeep terug start en naar de brug rijdt. In tegenstelling tot wat we denken dat er zal gebeuren, stapt de vrouw niet in. De man geeft haar nog wat aanwijzingen en begint dan traag over de brug te rijden. De vrouw filmt de jeep met haar iPhone. Als het voertuig de brug over is, keert de man en rijdt hij terug over de rammelende brug, alweer gefilmd door de vrouw. Dan stapt de vrouw in en rijden ze weg, nog eens over de brug, een nieuw avontuur met hun zwarte Ford-jeep tegemoet.

Onze Griekse salade is op. We rekenen af. Snel tel ik intussen de lege blikjes aan de tafel met vier mannen. Er zijn er twaalf bij gekomen. Wij keren terug naar het verlaten dorp. Aan een ruïne vlakbij het ezelspad naar de kloof trekken we de laatste foto’s vooraleer we afdalen. De terugtocht naar zee gaat veel sneller dan de klim tot Aradena.

Hoe verder we afdalen, hoe meer mensen nog aan de tocht in omgekeerde richting lijken te beginnen. Eigenlijk nemen ze vooral een kijkje in dat natuurwonder, om dan weer op hun stappen terug te keren. We kruisen een Vlaamse vrouw uit Rotselaar die het zonnekloppen op het ligbed naast haar man aan het strand van Marmara even moe was. Ze wist niet dat achter het strand in die magistrale kloof zoveel avonturen en een prachtige natuur wachten.

Vooraleer we de E4 naar Pavlos weer afdalen, drinken we op het hoog gelegen terras van de taverne van Marmara nog een biertje. We hebben een fraai uitzicht op de schaars en nog schaarser geklede zonnekloppers op het strand en op de zeilers en de zwemmers in zee, die niet weten wat ze vandaag hebben gemist maar daar ook niet om malen.  

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Even naar Loutro (9)

De ochtend na onze eerste nacht in hotel Akrogialis ontbijten we laat. De avond tevoren waren we wat te diep doorgezakt. Marianne heeft veel wakker gelegen, door mijn gesnurk maar ook omdat ze nog pijn heeft in haar gewrichten en voet.

Na het ontbijt gaan Erwin, Christel en ik even op en af naar Loutro. Marianne is al vaak in Loutro geweest en ze verkiest in het hotel te blijven en wat te lezen en luieren. Loutro is het volgende kustdorpje ten oosten van het schiereiland in de Libische Zee waar Lykos tegenaan ligt en wat verder ook Finikas, nog een andere diepe baai met enkele rustige hotels en restaurants en een mooie aanlegsteiger, zij het niet voor veerboten.

Dit kleine plaatsje heeft een lange geschiedenis. Het was de haven van het grote bergdorp Anopolis. Het is nog stil in de hotels in Finikas, als we er passeren. Er zijn vanuit Lykos twee wegen die naar Loutro leiden. Een korte wandeling over de heuvel gevolgd door een steile afdaling, of een meer gezapige wandeling via Finikas en het schiereiland. De korte tocht duurt volgens Marianne zo’n twintig minuten.

Voor de heentocht naar Loutro lopen we langs de kaap. Daar passeren we nog twee kapelletjes en de ruïnes van het Turkse kasteel, Turki Kastro. Deze Koule keek neer op het huidige Loutro en de omgeving. Het rechthoekig gebouw met twee verhoogde torenposten dateert van 1868. Enkele muren zijn bewaard gebleven. Buiten lag een grote cisterne om het garnizoen in het fort van water te voorzien.

Langs Café Kastela, een taverne met een enig zicht op de baai, dalen we af naar het kustdorpje. Eigenlijk bestaat het uit niet meer dan een promenade. Er rijden geen auto’s. Het dorp is alleen via wandelpaden en de veerboot bereikbaar.

Net als we beneden aan de promenade zijn, meert een ferry aan. Meteen is het een drukte van jewelste aan de kade. Uit de veerboot komen wagens en kleine vrachtwagens, passagiers, maar ook ijsjes, geld, kasten, groenten, bouwmaterialen, allerhande dozen, valiezen, rugzakken, geneesmiddelen en zelfs boxspringmatrassen. Op de kade staat een dozijn mensen te wachten met karren en kruiwagens. De auto’s en kleine vrachtwagens kunnen er hun lading lossen en eventueel nieuwe lading terug meenemen. Het eerste voertuig dat de veerboot verlaat, is een kleine vuilniswagen. Die komt het vuilnis van Loutro ophalen.

Het haventje ligt mooi in een half maantje, waardoor het ook bij slechte weersomstandigheden een veilige plek is. Wie in Loutro de nacht doorbrengt, kan volgens diverse getuigen op verblijfswebsites de volle maan uit de zee zien oprijzen. Grote hotels vind je niet in Loutro, maar op Google Maps vond ik toch een zevental kleinere hotelletjes. Bovendien biedt ongeveer elk huis in Loutro wel kamers aan en er worden ook heel wat appartementen verhuurd. Het dorp leeft van het toerisme en de horeca. Alle terrassen zijn op zee gericht. Je vindt er veel winkeltjes en souvenirshops, er staat een mooi maar klein kerkje gewijd aan de maagd Maria en er is een bankautomaat.

We slenteren langs de promenade tot op het einde, waar we in een strandwinkeltje zwembrilletjes kopen. In de baai van Lykos is het zalig snorkelen tussen de rotsen in de zee. Op het einde van de promenade kan je nog via de E4 verder wandelen naar Chora Sfakion, maar die tocht staat pas over enkele dagen gepland. Dus keren we maar op ons gemak terug naar waar het korte pad naar Lykos begint.  

Als we het terras van Loutro Café passeren, is het nog zo goed als leeg. We twijfelen niet en nemen plaats aan een tafeltje met uitmuntend zeezicht. Dicht aan de bar zitten een paar obers te praten. Toch duurt het nog vijf minuten vooraleer er eentje onze bestelling komt opnemen.

Intussen geven we onze ogen de kost: in een naburig hotel wordt de ene boxspring na de andere binnengebracht. De grootste onderdelen werden van de veerboot in een kleine motorboot verscheept en worden dan aan de kade vlakbij het hotel uitgeladen. Er is wel een tiental mannen in de weer om alle kamers van het hotelletje met zo’n hip bed uit te rusten.

Als de ober van dienst de drankjes brengt, geef ik hem een briefje van tien euro. Hij loopt ermee weg vooraleer ik kan zeggen dat hij het wisselgeld mag houden. Maar in plaats van die halve euro terug te brengen, schuift hij weer bij zijn collega’s aan tafel. Ze hebben misschien wel belangrijke zaken te bespreken, zoals de stoet van de boxsprings, veronderstellen we. Ook bij Pavlos waren er nieuwe bedden in het hotel, waarover iedereen praatte. Welkom in het moderne Kreta.  

Als onze drankjes op zijn, klimmen we het steile pad achter de promenade omhoog tot we weer aan het plateau zijn. Na het middageten bij Pavlos testen we onze zwembrilletjes uit. We snorkelen naar hartenlust tussen de rotsen en riffen onder water.

Marianne heeft kano’s geboekt om in de late namiddag te gaan varen. We peddelen van het hotel tot aan de baai van Marmara, met een prachtig strand. In Marmara Beach mondt de Aradenakloof uit. Op het strand ligt het vol zonnekloppers en badgasten die met bootjes uit Loutro of Agia Roumeli zijn komen aanvaren. In Loutro hebben we een bedrijfje gezien dat zich toelegt op de verhuur van motorboten in verschillende formaten.

Boven het strand van Marmara is een taverne met een groot terras. Aan het uiteinde van de baai zijn nog grotten waarin je kan gaan zwemmen of spelevaren. Morgen zullen we terug in Marmara zijn, maar dan niet per kano maar te voet via de E4. En wij komen niet naar Marmara om te zwemmen of zonnen, maar om naar Aradena te stappen en terug. Door die kloof natuurlijk.    

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , | 1 reactie

Eindelijk naar Pavlos (8)

Als er één pleisterplaats in Kreta is waaraan Marianne haar hart verloren heeft, dan is het hotel Akrogiali, in de baai van Lykos nabij Loutro, bij Pavlos. Ze heeft daar weliswaar ook een onaangenaam voorval te vermelden. Ze viel er in het duister van een trap waarbij ze haar enkel ontwrichtte. Daardoor kon ze de rest van die vakantie niet meer mee wandelen. Vandaag gaat ze voor de vierde keer naar Pavlos. Voor Christel is het de derde keer, voor Erwin de tweede en voor mij de primeur. Ik ben zeer benieuwd.

Om van Agios Ioannis in de baai van Lykos te geraken, moeten we eerst vijf kilometer zweten langs een asfaltbaan, tot voorbij de brug over de Aradenakloof. Daar slaan we dan een pad in dat ons na een lange afdaling langs het bergdorp Livaniana tot op onze bestemming brengt.

Waar gaan jullie naartoe vandaag, vraagt de patron van het Alonia Guesthouse, die we voor het eerst zien als hij van ons afscheid komt nemen. Oh, zegt hij als hij de bestemming vernomen heeft, dan voer ik jullie wel tot aan de Aradenakloof. Dat moet hij ons geen twee keer zeggen. We hebben wat langer geslapen en de zon schijnt om negen uur ’s morgens al flink warm. Als we die asfaltkilometers kunnen vermijden, doen we dat graag.

Vooraleer de patron ons afzet, zien we links van ons net vóór de brug een taverne waarachter het zo goed als verlaten dorp Aradena schuilgaat. Onze chauffeur heeft ons dan al het verhaal verteld van de twee dorpen. Agios Ioannis, het dorpje waar de weg eindigt en de bergpaden beginnen, heeft enkele kerkjes en kapelletjes maar telt nog slechts tien permanente inwoners.

Als ze de mis willen bijwonen moeten zij nu elders naar de kerk, en dat terwijl het dorp een Sint-Janskerk heeft waarnaar het dorp is genoemd, die dateert uit de veertiende eeuw. We tellen even op onze vingers: van die tien inwoners hebben we er tijdens ons verblijf in het dorp dus al zeven gezien: de drie op het terras, de patron van het verblijf met zijn vrouw en dochter en een eenzame jager die ’s avonds tijdens ons diner langs het terras passeerde.

Sneller dan verwacht rijden we over de rammelende brug over de Aradenakloof en een minuutje later stappen we uit met onze picknickrugzakken. Zoals Marianne had voorspeld wil de patron niet betaald worden voor zijn taxi. We bedanken hem en goedgemutst beginnen we aan de afdaling naar de zee. In principe zouden we ook via de Aradenakloof naar de baai van Marmara kunnen afdalen en vandaar de E4 volgen die een kilometer verder de Lykos baai passeert. Maar die mooie kloof houden we nog voor een latere dag.

Het pad naar Livaniana is vrij makkelijk en goed gemarkeerd. Gelukkig maar, want Erwin heeft wat last in zijn onderrug en Marianne sukkelt nog met haar voet. In het eerste deel van de tocht lopen we nog een kort stukje over asfalt op een plateau met zicht op de besneeuwde Witte Bergen. We spotten er nog eens een hop.

Het tweede deel van de tocht loopt wat steiler naar beneden langs een lastiger pad, tot we in het bergdorpje Livaniana belanden. Hoog boven het dorp zien we weer verscheidene lammergieren cirkelen. Erwin slaagt er met zijn telelens in enkele mooie foto’s te maken.

Als we bijna het dorpje doorgelopen zijn, passeren we een taverne waar we halt houden voor een biertje op het terras. Beneden ons zien we van daar de blauwe Libische Zee en de baai van Lykos al goed liggen. Een man van middelbare leeftijd bedient ons. We geraken aan de praat met een jong Duits stel, dat naar het strand van Marmara wil.

Als de Duitsers afscheid genomen hebben, vertelt Marianne dat er bij haar vorig bezoek aan het café een mannelijke modepop naast de deur stond. De vrouw die de zaak toen op haar eentje runde, had de zwijgende man daar gezet na een mislukte relatie. Ze vertelde aan iedereen die op haar terras kwam dat ze alleen nog een man wou die zich niet moeide, niet sprak en haar met rust liet. Die modepop was voor haar de ideale man en zo stelde ze hem voor aan haar klanten. Maar die pop stond er dus niet meer. Helaas hebben we de bazin tijdens ons bezoek niet te zien gekregen. We wilden wel eens weten of ze vond dat haar nieuwe, levende man aan de verwachtingen voldeed.

Tijdens de afdaling vanuit Livaniana lopen Erwin en ik in dynamisch evenwicht voorop. We zien bij elke stap beter hotel Akrogiali liggen, de steiger met een motorbootje, het keienstrand met blauwe ligzetels en de zee die schittert in het late ochtendlicht. Voor we het beseffen lopen we op het erf van Pavlos, waar een bord in het Engels en het Grieks waarschuwt: Pas op! Geiten kunnen je auto beschadigen! Parkeren alleen op eigen risico.

Een vriendelijke jongeman heet ons welkom op het prachtige terras van het hotel, met zicht op zee. En nee, dit is niet Pavlos maar zijn jongere broer Costas, die enkele jaren in Engeland heeft gestudeerd. Costas is terug uit Albion en helpt zijn broer en moeder mee in de familiezaak. Hij vertelt dat Pavlos ’s avonds terug zal zijn van een bezoek aan zijn vrouw en zoontje, die in Chania wonen. Erwin en ik bestellen een biertje en het is de Albanese ober die ons bedient. Als we een kwartiertje later nog een tweede bier bestellen, zegt hij lachend why not! Sindsdien noemen we hem ook Whynot.

Eindelijk komen ook Marianne en Christel veilig aan, gevolgd door Pavlos. Het weerzien van de dames met de knappe dertiger is hartelijk. Ze hebben allen veel te vertellen, zeker Pavlos, die bij het vorige bezoek nog vrijgezel was en nu vrouw en kind heeft. We nemen een Griekse salade als lunch. Alles in het gerecht is vers en bereid door de mama van de broers. We hebben nog een mooie namiddag voor de boeg. Eerst gaan we douchen en siësten, maar daarna gaan we ook zwemmen in zee en wat luilekker lezen op de ligbedden. Na een tweede douche is het tijd voor het avondmaal.

Na zo’n anderhalve liter bier als aperitief smullen we van de calamares met Griekse frieten. Er volgen nog vele halve liters witte wijn en een drietal kannetjes raki, die Whynot steevast met een vrolijk why not! serveert. Marianne en ik gaan nog naar de sterren kijken op het verlaten strand. Maar het teveel aan alcohol houdt ons uit een vredige slaap.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Van Agia Roumeli naar Agios Ioannis (7)

Om 6 u gaat de wekker op mijn gsm in hotel Calypso. Tijd om op te staan, ons wat te verfrissen en in te pakken. Om half zeven staat de gepensioneerde baas van het hotel ons al buiten op te wachten met zijn bestelwagen. Daar laadt hij onze rugzakken in. Straks brengt hij ze naar de veerboot. Met Pavlos, de eigenaar van hotel Akrogiali, waar we morgenavond zullen overnachten, heeft hij afgesproken dat onze rugzakken in de loop van de dag in Loutro zullen afgezet worden, de aanlegplaats van de veerboot die het dichtst bij Akrogiali ligt. Pavlos zal ze dan met zijn motorboot in Loutro gaan ophalen en naar zijn hotel brengen, enkele kilometers ten westen van Loutro aan de Lykosbaai.

Voor deze service rekenen de twee hoteleigenaars ons niets aan. Het scheelt misschien wel dat Marianne al enkele keren bij hen verbleven heeft. Om onze bagage van Sougia naar de ferry naar Agia Roumeli te brengen, vroeg de baas van hotel Irene één euro per rugzak. Nu ja, de man moest het transport naar de ferry dan ook met zijn brommertje doen.

De rijzige grijze baas van hotel Calypso wordt emotioneel als we afscheid nemen. Hij omhelst de vrouwen en schudt de mannen stevig de hand. De zeventiger hoopt ons een van de komende jaren nog eens terug te zien in Agia Roumeli. Tegen dan zullen zijn zoons wellicht helemaal zonder hem het hotel runnen. Tijd om afscheid te nemen. ‘Over enkele jaren keren we terug’, beloven we. Dan vertrekken we op tocht. We dragen dagrugzakjes, met wat drinkbussen en het hoogstnodige voor één nacht. We hebben een hotelletje geboekt in het piepkleine Agios Ioannis, ongeveer 800 meter hoog in de bergen. We steken het brugje over waaronder het riviertje van de Samariakloof naar zee stroomt. We passeren een camping met trekkerstentjes onder de bomen. Er is nog geen teken van leven te bespeuren.

Mijn maag knort als we de E4 verder oostwaarts volgen langs de kust. Het plan is om te ontbijten aan de taverne naast het oude kerkje van Agios Pavlos. Van daar volgen we dan verder de E4 tot we een zijpad bereiken dat naar Agios Ioannis leidt. Vanaf de camping golft het pad gezapig langs de kustlijn. Maar de zware dag van gisteren zit nog in mijn benen. Het wandelingetje van vier kilometer tot aan Agios Pavlos is toch lastiger dan verwacht.

We moeten toch weer wat over en tussen rotsen klauteren en ploeteren door wegzakkende kiezels of zand. Ook zo dicht bij de kust zijn er enkele steile afdalingen en bestaat de ondergrond soms uit los steenpuin of grote rotsblokken. Iets na achten horen we geitenbellen en zien we in de verte de taverne Saint Paul en erachter het kerkje Agios Pavlos liggen, een van Kreta’s meest fotogenieke Byzantijnse kerkjes langs het strand.

Eerst lopen we het terras van de taverne Saint Paul op, waar al een koppel en een Nederlandse vader met zijn zoon aan het ontbijten zijn. In de taverne kan je ook kamers huren, om eens een nacht door te brengen in een compleet lichtloze omgeving, ideaal om de magistrale sterrenhemel boven dit verlaten stukje Kreta te bewonderen. Ook nu is er op het mooie en uitgestrekte strand van Agios Pavlos niemand te bespeuren. Dat komt natuurlijk omdat deze plek zo moeilijk bereikbaar is. Het strand ligt aan de uitgang van de Eligiakloof. Je kan er alleen met een bootje of te voet geraken. Via de E4 geraak je langs de kust naar het strand vanuit het westelijk gelegen Agia Roumeli en het oostelijke dorpje Loutro, waar er verbindingen met de veerboot naar de bewoonde wereld zijn. Ook in de Eligiakloof loopt een pad door de Witte Bergen dat hier en daar vertakkingen heeft. Maar om van daar op een berijdbare weg te geraken moet je nog langer dan langs het kustpad hiken.

In de taverne bestellen we alle vier omelet als ontbijt. Na een dik kwartier komt de patron met de eerste twee eiergerechten, brood en koffie aanzetten. Tien minuten later volgt het tweede koppel omeletten. Ze hebben waarschijnlijk maar twee vuren in de keuken, bedenk ik. Het is onwaarschijnlijk dat op deze plek een taverne is waar je niet alleen iets kunt drinken, maar je ook kunt ontbijten en eten. Een deel van het menu is op een rots geschilderd.

Het Byzantijns kerkje dat zo’n honderd meter verder op het strand staat, is ongeveer duizend jaar oud. Het is waarschijnlijk gebouwd met stenen die ter plaatse op het strand werden verzameld. Agios Pavlos is Grieks voor Sint-Paulus. Volgens de overlevering is het kerkje opgetrokken op de plaats waar de apostel Paulus omstreeks 59 na Christus in Kreta aan land ging, al bestaan daar geen bewijzen van. Het kerkje bevat nog enkele goed bewaarde fresco’s uit de dertiende eeuw.

Na de bezichtiging van het kerkje klimmen we een zandduin op die ons weer op de E4 brengt. Marianne ondervindt hinder van haar knieën, zowel de goede als de slechte. Ook in haar enkel schiet er af en toe een stekende pijn, wellicht een scheut die terugkeert bij dezelfde voetbeweging. Na een kilometer behoorlijk vlak wandelen met rechts van ons de kust en onder het lover van naaldbossen, staan we voor een splitsing op de E4. Rechtdoor loopt het pad verder naar de baai van Marmara, aan de monding van de Aradenakloof, en van daar verder naar het kustdorp Loutro. Wij moeten links af, steil omhoog tegen de beboste bergflank naar het bergdorpje Agios Ioannis. Er komt net een Duitse hiker met een hoed op zijn hoofd het pad afgedaald. We groeten elkaar en hij wenst ons goede moed bij de steile klim.

Het klimmetje is inderdaad nijdig. Over een afstand van een kilometertje stijgen we van 100 meter naar bijna 600 meter hoogte. Daar komen we aan een hoogvlakte en dwarsen we een weg. Hier is het gelukkig minder steil. Intussen hebben we weer honger. We picknicken onder een grote den en zien een hop overvliegen. Na de lunch loopt het pad wat minder op en neer. We passeren links van ons een kapelletje en enkele honderden meters verderop zien we rode daken. Een kwartiertje later lopen we het dorp in. Er staan amper huizen maar nog drie kerkjes in dit godvergeten gat op 800 meter hoogte.

Alonia Guesthouse is de ideale uitvalsbasis voor trekkings in de Witte Bergen. De eigenaar van het gastenverblijf is er niet, maar op het door bomen tegen de zon beschut terras met drie tafels zitten zeven andere mensen. Vier Duitse hikers bespreken tochten die ze de volgende dagen misschien nog willen maken. Aan het tweede tafeltje zitten drie Grieken met forse baarden bier te drinken en dingen te bespreken waar wij het raden naar hebben. Het zijn herders, boeren of jagers, vermoeden we, op basis van hoe ze gekleed zijn. We schuiven bij aan het vrije tafeltje naast hen. De vrouw van de eigenaar neemt onze bestelling op en geeft ons onze kamersleutels. We drinken een biertje en Erwin en ik elk nog een tweede. Dan gaan we naar een bijgebouwtje achterin, waar in oude paardenstallen comfortabele kamers zijn gemaakt. Het stortbad doet deugd en we beslissen nog een middagdutje te doen.

’s Avonds aperitieven we weer op het terras. Rondom ons zien we hoog in de lucht lammergieren wieken. Rond het huis nestelen er tal van distelvinken. Zwaluwen en mussen vliegen af en aan van de olijfbomen naar nissen en holten in de muur en onder de dakrand van de gelagzaal van de doening, waar alleen ’s winters het avondmaal geserveerd wordt. Dan zijn er vooral Kretenzische families te gast, voor een weekendje sneeuwpret, om er kerstvakantie te houden of nieuwjaar te vieren in een bijzonder kader. Marianne en ik eten een lekkere huisgemaakte lasagne, Erwin en Christel eten er lamsvlees. De bijdehandse dochter des huizes komt met een rode wijn aanzetten die we mogen proeven. Althans, ze noemt de wijn rood terwijl de kleur veeleer lichtbruin is. Hij smaakt echt niet naar wijn, vinden we. Geen erg, antwoordt ze met een brede lach op haar gezicht, nu weten we dat ook. Ik heb het gevoel dat zij al veel langer wist dat het bruine vocht niet te drinken is. In de oude paardenstallen slapen we als roosjes. De sterren staren teder.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Langs de E4 naar Agia Roumeli (6)

De E4 is een Europees wandelpad van meer dan 10.000 kilometer. Het start in Tarifa, een klein stadje op het zuidelijkste punt van Spanje en Europa, in de regio Andalusië. Het pad loopt door Spanje, Frankrijk, Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Roemenië, Bulgarije en Griekenland en eindigt in Cyprus. De route door Roemenië en een deel van Bulgarije is (volgens Wikipedia) nog niet helemaal uitgezet.

In Griekenland springt de E4 van het zuidelijke Gytheon naar Kastelli Kissamou op Kreta. Het pad loopt verder naar het zuiden, naar het wondermooie Elafonisi in het westen. Van daar gaat het naar het oosten tot in Kato Zakro, waar het terug noordwaarts buigt tot Sitia. In Sougia zijn er noordelijke en zuidelijke zijtakken. De noordelijke gaan door de Witte Bergen, waar we het stuk tot aan het zadel van de Gingilos hebben gevolgd (zie https://peterdejaegher.com/2022/07/04/stekels-op-de-gingilos/). De zuidelijke tak volgt de kustlijn langs een ruw kliffenpad. Beide aftakkingen zijn zo’n 320 kilometer lang. Heel wat informatie over de E4 en de verschillende etappes in Kreta vind je op https://www.destinationcrete.gr/nature/e4-european-trail/.

Erwin en ik hebben onze zinnen gezet op de kustroute die van Sougia naar Agia Roumeli voert. Daar hebben we voor ons vier kamers geboekt in hotel Calypso, een plek waar onze vrouwen jaren geleden gecharmeerd werden door de eigenaar en zijn zoons. Vanuit Sougia is dat echter een behoorlijk zware en lange kliffenwandeling van 20 kilometer. Rother raadt de etappe alleen aan voor ervaren bergwandelaars in uitstekende conditie. Veel water meenemen, raadt de wandelgids aan. De auteur van de gids suggereert minder getrainde wandelaars ook om de tocht in twee dagen te doen. Halverwege kan je dan overnachten op een strandje.

Marianne heeft voor Erwin en mij nog een betere suggestie: de tocht van dik tien uur inkorten door een motorbootje te huren. Als we een bootje vinden dat ons van Sougia naar Kaap Tripiti vaart, wordt de tocht met zowat twee vijfden ingekort. Een bootje vinden is voor de hoteleigenaar van Santa Irene klein bier. Hij fikst voor ons een kapitein en een bootje, dat ons van het vissershaventje van Sougia voor 50 euro afzet in de baai van Tripiti.

Om zoveel mogelijk de hete middagzon te vermijden, spreken we al om 7 uur ’s morgens af met onze kapitein. Zo vroeg op de dag zijn we de enige passagiers aan boord. Het kleine bootje ploegt dapper door de golven. Een half uurtje later zijn we in Tripiti. De boeg van het bootje deint op en neer terwijl Erwin en ik veilig op de piepkleine steiger proberen te springen. Als we afgezet zijn schakelt de kapitein in achteruit en wordt de afstand tussen de steiger en de boeg langzaam groter. Tot Erwin ineens naar zijn fototoestel aan zijn schouderriem grijpt, naar de kapitein zwaait en roept dat hij iets vergeten is. Gelukkig heeft de kapitein de gebaren gezien. Hij zet de boot terstond terug in vooruit. Erwin was het kapje van zijn fototoestel vergeten.

Eens aan wal vinden we snel de geelzwarte palen die de E4 markeren. Het pad slingert omhoog langs de steile kliffen. Hier en daar is het pad smal en brokkelig met losliggende stenen. We kijken soms wel twintig meter in de diepte naar rotsen, stenen en de zee. Dit is geen pad voor wie hoogtevrees heeft. Nergens zijn er relingen, kabels of kettingen om je houvast te geven. In de Ardennen zijn er voor veel ongevaarlijker paden omheiningen geplaatst of trappen aangelegd. Nog een geluk dat we sommige halsbrekende toeren niet met onze zware rugzakken moeten uitvoeren. De grote rugzakken gaan van Sougia samen met Marianne en Christel op de ferry naar Agia Roumeli.

De geelzwarte palen van de E4-route staan behoorlijk ver uit elkaar. Het is niet steeds mogelijk om van de ene paal of gele verfstreep al de volgende te bespeuren. We moeten regelmatig gokken: zitten we nog op het goede pad, of zijn we op een geitenpaadje beland? Zeker op de schraal begroeide kammen met stekelige struiken lopen we al eens enkele decameters verkeerd vooraleer we terug het goede spoor terugvinden. Zo ’s morgens in de vroegte is de temperatuur nog heel draaglijk. Maar de inspanningen op het zware terrein zorgen ervoor dat het zweet ons van het lijf drupt.

Vanuit de hoogte zien we na een uur of twee klimmen en dalen een verlaten strandje van keien voor ons uit liggen. Dat moet het strand van Domata zijn. We moeten eerst een flink stuk dalen tot we zo’n tweehonderd meter voor het strand in de Kladoukloof uitkomen. Pas als we echt op het keienstrand staan, zien we dat het niet helemaal verlaten is. Een hiker heeft er overnacht. Hij knikt ons toe terwijl hij zijn tentje aan het opbreken is.

Erwin en ik spreken eerst onze knapzak en drinkbus aan. Intussen is de hiker in zijn blootje de zee in gegaan voor een ochtendzwemmetje. Daar hebben we ook wel trek in. Ik speel in een wip mijn kleren uit en wiebel over de keien de zee in. Erwin volgt. We zwemmen een minuutje of tien en laten ons dan drogen op het strand. Intussen is er een motorbootje onze richting uit aan het varen. We zien nochtans nergens aan het strand een steiger. Maar de kapitein kan zijn passagiers ook zonder steiger afzetten. Een oudere man en twee jonge vrouwen, klauteren uit het bootje in het ondiepe water dat net boven hun knieën golft. Zo waadt het trio een voor een het strand van Domata op. De drie leggen hun rugzakjes op een hoopje, trekken hun T-shirt en watersandalen uit en gaan meteen terug de zee in om te zwemmen. Hun zwempak hadden ze al aan.

Terwijl de drie nog aan het zwemmen zijn, kramen Erwin en ik op. Enkele honderden meters verder wijst een E4-paal het binnenland in. Het pad gaat weer de hoogte in over kale rotsen, waar de zon hoog genoeg geklommen is om al haar hitteduivels op onze al afgepeigerde lijven te ontbinden. Het pad loopt nu van de kust weg en klimt steil van zeewaterniveau naar een hoogte van meer dan 500 meter. Gelukkig priemt de zon hogerop niet meer door de bomen. Voor een korte tijd, helaas. Wat verder puffen we weer op een nieuwe hoogvlakte waar de lagere begroeiing geen zonnestralen meer tegenhoudt. We zitten inmiddels over de helft van onze route.

Maar de tweede helft van de pittige kliffenwandeling wordt een nijdige klovenwandeling, van hoogten met fraaie uitzichten op de kust en de zee over een handvol afdalingen naar een droge bedding. We dalen af langs brokkelige paden en klimmen daarna weer over gevaarlijke passages tot aan plateautjes met lage begroeiing. Na de tweede kloof draait het pad weer richting kust. Een van de laatste afdalingen loopt over een steile steenpuinvlakte met rollende stenen, een levensgevaarlijke route waar we bovendien het geelzwarte E4-spoor enkele honderden meters kwijt geraken.

De zware tocht laat in mijn spieren sporen na. Het laatste deel van de tocht, op de flank van de hoogten achter het langgerekte strand van Agia Roumeli, zien we af. Maar gelukkig blijven we ongeveer op dezelfde hoogte lopen. Eindelijk zien we door de bomen tekens van bewoning en dalen we naar het kustdorp op het eind van de Samariakloof. Opgewekt lopen we terug het ons al bekende Agia Roumeli in. Vijf minuten later zitten we op het terras van Hotel Calypso. Het is half twee ’s middags, we hebben er zes uur over gedaan.

Een van de twee obers die op het zowat lege en grote terras rondhangen, komt op ons toegelopen. ‘Ha, jullie zijn gearriveerd’, zegt hij in het Engels, alsof we oude bekenden zijn. ‘Jullie vrouwen zijn hier al, ze zijn in ons nieuw gebouw’. Marianne en Christel waren al een poos gearriveerd met de ferry uit Sougia. Een van de obers had alle rugzakken tegelijk op zijn rug genomen en ze afgeleverd in de gloednieuwe kamers van het bijgebouw van de Calypso. ‘Geef ons eerst maar een mythos, we gaan daarna wel douchen’, zeggen we aan de ober. ’s Avonds zullen Erwin en ik op hetzelfde terras zwaardvis eten. Met zo’n tocht in de benen konden we een stevige vis wel smaken. ’s Anderendaags moeten we weer vroeg uit de veren. We verkassen naar Agios Ioannis, terug de bergen in.

Geplaatst in kreta, reizen | Tags: , , , | 1 reactie