Zeer veel volk!

Met onderstaand verslag van nieuwjaarsdag januari 1955 begon de 17-jarige Roger Dejaegher zijn eerste boekje. In die jaaragenda’s komen op elke bladzijde in enkele regeltjes de gebeurtenissen van twee dagen te staan. Per dag heeft Roger daarvoor 4,5 bij 6,5 cm witte ruimte. Het dwingt hem heel kleine lettertjes te pennen en afkortingen te gebruiken.

Gedurende de rest van zijn leven zal Roger elke dag in zo’n boekje schrijven. Sommige weetjes zal hij elke dag bijhouden: hoe laat hij is opgestaan en weer naar bed ging en welk weer het was. Andere gebeurtenissen noteert hij als ze zich voordoen, bijvoorbeeld hoeveel drinkgeld hij kreeg, de uitgaven die hij maakte, de klusjes die hij verrichtte, het aantal eieren dat de kippen hadden gelegd, hoe en met wie hij zijn vrije tijd besteedde, wanneer hij zich schoor of zijn fiets poetste, …

1 en 2 januari 1955

Sommige regelmatig weerkerende zinnetjes plaatsen me voor een raadsel dat ik wellicht nooit zal kunnen oplossen. “Niet naar de beenhouwer geweest” bijvoorbeeld. Alsof hij elke dag naar de beenhouwer ging en achteraf wilde kunnen opzoeken wanneer hij niet was geweest. Of de keren dat hij met N. van school naar huis fietste. Wie was N? Het is de enige persoon die hij met één letter omschrijft.

Roger zat in het voorlaatste jaar van de moderne humaniora op het Sint-Leocollege, waar hij de economische richting volgde. Hij zou pas op z’n negentiende aan Sint-Leo afstuderen. Dat kwam omdat de school waar hij het basisonderwijs had gevolgd, de Sint-Jacobsschool van de Broeders Xaverianen in de Brugse Ezelstraat, nog zeven leerjaren telde in plaats van zes. Dat was toen nog in veel basisscholen zo.

In de Poelweg in Sint-Pieters Brugge, op dat moment nog een onverharde weg aan de buitenste kant van het dorp, woonden op nummer 23 Triphon en Sylvie met hun vier kinderen en de hond Dolly. Roger was de oudste. Hij had twee jongere zussen, Rosette (16) en Christiane (4), en een kleine broer, Adrien (11). De kleine Christiane heeft in die eerste koude januaridagen met vorst en sneeuw een paar keer na elkaar ’s nachts gespogen. Mijn tante Christiane zou mijn jongste tante worden. Ze deed haar plechtige communie in het jaar dat ik geboren werd.

Zoals ik vier jaar geleden al eens schreef (https://peterdejaegher.com/2017/03/29/in-de-poelweg/ ) woonde het gezin in een halfopen bebouwing met een grote tuin vol groenten, aardappelen, bessenstruiken en een pruimelaar. Achter het woonhuis waren enkele aanhorigheden gebouwd: een werkruimte waar al het alaam stond, de “boeie”, met het duivenkot erboven en het toilet ernaast, een klein hok met een houten deur en een gemetste bak waarop een plank met een rond gat was bevestigd.

De Poelweg 23

Van het toilet kwam je door het “pardak”, een overdekte en aan de kant van het erf open ruimte, langs de achterdeur het woonhuis binnen. Vlakbij die deur werd onder het pardak achter een kamerscherm gekookt op een gasvuur. Zo bleven de kookluchten uit het woongedeelte en misschien vertrouwden Rogers ouders die gasfles niet in huis.

De doorsnee gezinswoningen uit de jaren vijftig waren lang niet zo comfortabel als vandaag. Zoals ik het me herinner, stonden er in de keuken kasten, met een gordijntje afgesloten rekken en een gootsteen met een pomp. Een ijskast was er niet, maar een deur gaf toegang tot een koelkelder.

Alleen de woonkamer werd verwarmd, met een kachel. Roger hakte of zaagde geregeld hout. Maar er werden ook kolen besteld, bij Verthé’s. 500 kilogram steenkool kostte 690 frank. Als het heel koud was, kon de salon met een dubbele deur afgesloten worden. Boven op de eerste verdieping waren de drie slaapkamers en de trap naar de zolder onder de dakpannen.

Hoe het met de elektriciteit in huis was gesteld, daar heb ik nog het raden naar. Maar er was alleszins nog geen telefoon of wasmachine in huis. Telefoneren, indien dat echt nodig was, werd bij bevriende buren gedaan. Roger noteerde wanneer zijn moeder ging wassen. Dat deed ze vermoedelijk in een wasserij in het dorp. De natte was ging dan mee terug naar huis om daar te drogen.

Triphon en Sylvie, fier voor hun huis

De mensen hadden lang niet zo veel kleren als nu. Als ze thuis waren, deden ze een schort om, een “schabbe”. Zo hielden ze de mooie kleren om naar school of het werk te gaan langer proper. Roger had vermoedelijk maar één lange broek. Hij had ook nog een stropbroek, zo’n broek tot onder de knieën waarin Kuifje zijn stripavonturen beleefde. Ik veronderstel dat die pofbroek zijn schoonste broek was, want hij noteerde in zijn boekje op welke dagen hij die droeg.

Een zwartwit tv-toestel was er nog niet. De eerste uitzendingen in België waren nog maar in oktober 1953 gestart en toen kon je nog niet overal in het land tv kijken. Dat zou pas vanaf 1958 kunnen, ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling. De favoriete avondlijke bezigheid thuis was kaarten. Roger hield in zijn boekje bij of hij gewonnen of verloren had.

Christiane springt touwtje aan de boeie

Uit het eerste dagboekverslag van 1955 leid ik af dat Roger nog in de Koninklijke Villa in het Zwin was, waarschijnlijk al heel de kerstvakantie, om er te werken als kelner. Veel later, toen hij mijn vader was geworden, heeft hij wel eens verteld dat hij al op jonge leeftijd tijdens al zijn schoolvakanties moest gaan werken. In dat chique Knokse restaurant bijvoorbeeld, waar hij goed Frans leerde spreken, was hij op z’n zeventiende al opgeklommen tot garçon en gaf hij van zijn drinkgeld door aan de commissen, de minder ervaren kelners.

Op Nieuwjaar 1955 heeft hij een kaartje van thuis ontvangen, met nieuwjaarswensen en wat nieuws over zijn vaders bezigheden. Dat schreef hij dus ook op: wat de gezinsleden voor bijzonderheden deden, van de permanente die ma ging laten zetten tot het kostuumpje dat Rosette had besteld bij de kleermaker, of van de kleine Christiane die hij had ingewreven met sneeuw en Adrien die zes vogels had gevangen. En dat de hond Dolly ziek was.

De Koninklijke Villa, klaar voor de service

Hij noteerde op 1 januari dat er in het chique restaurant zeer veel volk was, niet onlogisch op een nieuwjaarsdag. ’s Anderendaags schrijft hij dat Jean die nacht in zijn bed gebraakt heeft. Waarschijnlijk hebben de personeelsleden na de service op nieuwjaarsdag zelf ook een stevig feestje gebouwd. Jean ging op 2 januari met André al na de thee terug naar huis. Mijn vader vertrok een dag later, met een taxi, de tram en de trein. Die dag noteert hij ook dat hij 1.000 frank aan zijn moeder gaf. Het vast loon dat hij in de Koninklijke Villa verdiende, moest hij afgeven, het drinkgeld mocht hij houden. Zo ging dat toen. Maar gelukkig was er zeer veel volk, en dus ook veel drinkgeld!

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | 4 reacties

Geen piloot

Zolang ik mijn vader heb gekend, schreef hij elke avond de gebeurtenissen van de dag op in een boekje. Wat hij schreef, bleef duizenden dagen een groot geheim. Tot zijn overlijden in 1998 heeft hij zo tientallen boekjes vol gepend, van die kleine jaaragenda’s uit de tijd dat er nog geen smartphones bestonden.

Die boekskes, zoals we als kind die agenda’s leerden te benoemen, hebben sinds mijn vaders dood in een stalen koffer gerust in de slaapkamer van mijn ouders in ons ouderlijk huis. Nu is de koffer mee verhuisd naar het appartement waar mijn moeder woont. Na verschillende keren vragen, niet te vaak en niet te gretig, en gespreid over meerdere jaren om haar niet te froisseren, heeft ze me eindelijk inzage verleend. In de twee eerste boekjes, van 1955 en 1956. Al sinds ik blog op deze pagina’s, speel ik immers met het idee om met die boekjes van papa ooit iets te doen.

het eerste boekje, 1955

Het eerste boekje heeft een versleten bordeauxrood lederen kaftje. Zo’n agenda van de jaren vijftig is op zich al een curiosum. Op de pagina’s van de binnenomslag staan de toenmalige verkeersborden afgedrukt, met lekker ouderwetse tekeningen in het bord. Er is op de volgende pagina’s veel ruimte vrijgemaakt voor tal van persoonsgegevens die de eigenaar kan invullen. Vandaag doen die de wenkbrauwen fronsen: je kan er de afmetingen van de banden van je auto of moto invullen, de maat van je handschoenen, schoenen, boord (“col” in het Frans) en hoed. Onder die toenmalige essentialia kan de eigenaar van de agenda invullen op welk adres men moet verwittigd worden als hij of zij een ongeval is overkomen. Mijn toekomstige vader heeft die plaats leeg gelaten.

Bij de pagina’s met ruimte voor adressen heeft hij wel verschillende namen ingevuld die mij niets zeggen, op die van André na, de vriend waarmee hij studeerde aan het Sint-Leocollege in Brugge. Ik ken hem omdat mijn vader met die inmiddels ook overleden vriend en zijn gezin heel zijn leven lang contact heeft gehouden. Het was altijd prettig om met die familie met vijf kinderen samen te komen en kattenkwaad uit te steken.

Uit de eerste summiere schrijfsels in het boekje leid ik af dat mijn vader in 1955 in het laatste jaar van zijn secundair onderwijs aan Sint-Leo zat. Hij woonde nog bij zijn ouders in de Poelweg in Sint-Pieters Brugge.

Op de tweede pagina voor adressen staan nog enkele andere namen waarbij telkens een nummer met vijf cijfers staat vermeld. Ik neem aan dat het om telefoonnummers gaat. Het moge duidelijk zijn dat de meeste gewone mensen thuis toen nog geen telefoon hadden. Ook bij mijn vader thuis was er geen telefoon. Als hij wilde telefoneren, ging hij naar kennissen die wel zo’n toestel in huis hadden.

Bovenaan het lijstje van contactpersonen met een nummer staat de Koninklijke Villa. Die ken ik uit zijn oudste fotoalbums. Het was het restaurant in het Knokse Zwin waar mijn vader vooraleer hij ging varen, elke schoolvakantie als kelner werkte. In zijn agenda hield hij dagelijks bij hoeveel fooi hij daar opstreek, naast zijn gewoon loon.

Die villa werd in 1934 gebouwd door koning Leopold III, die er vaak kwam verpozen met zijn geliefde koningin Astrid, tot zij een jaar later in het Zwitserse Küssnacht bij een verkeersongeval het leven liet. In 1952 maakte graaf Léon Lippens van het Zwin het eerste natuurreservaat van België. In de Koninklijke Villa bracht hij een restaurant onder, met daarrond een hele resem kooien voor een keur van bewonderenswaardige vogels.

Volgens De Standaard van 18 april 2009 was dat in de jaren vijftig een revolutionair concept. De bezoekers van het Zwin konden een exquis hapje eten in het restaurant en daarna wat kuieren tussen de kooien, waar de vogels zich gevankelijker lieten spotten dan op het strand, vooraleer ze zich verder gingen vermeien in de duinen en pannen van het grote vogelreservaat. Bij de vernieuwing van het Zwin in 2009 werd de Koninklijke Villa afgebroken.

Na de contactpersonen bevat het boekje nog talrijke pagina’s met de heiligen- en maankalender, maten en gewichten, zelfs de Engelse, summiere tips voor eerste hulp bij brandwonden, armbreuken, beenbreuken, bewusteloosheid en verdrinking, een overzicht van de feestdagen tot 1964, tijdstabellen voor andere tijdzones, autokenletters van Europese landen, kleurenkaartjes en stadsplannen van Antwerpen, Brussel en Luik. Met als uitsmijter een maattabel voor het gewicht van mannen, vrouwen en kinderen, op basis van hun lengte. Daarin kon mijn vader aflezen dat hij voor zijn lengte van 1 meter 72 tussen de 68 en de 73 kilogram mocht wegen. “Het gewicht van een volwassene”, zo staat er geschreven, “moet ongeveer met het getal in cm. boven 1 m. voor de mannen en 1,03 m. voor de vrouwen overeenkomen.”

Maar de grootste verrassing vernam ik op het einde van het inleidende gedeelte van de agenda, op de bladzijde waar nota’s kunnen worden toegevoegd. Mijn vader had daar erg beknopt wat gegevens opgeschreven over pilotenopleidingen: voor zweefvliegen moest je in St-Hubert zijn en de opleiding van piloot bij Sabena gebeurde in Grimbergen. Toen ik mijn moeder verbaasd vroeg of papa dan piloot had willen worden in plaats van zeeman, antwoordde ze: “ja, hij wel. Maar de Zeevaartschool moest hij al zelf betalen, piloot worden was bij hem thuis dus helemaal onbespreekbaar en onbetaalbaar.”     

Geplaatst in familie, geschiedenis | Tags: , , , | 1 reactie

De notenboom

Net nu het toeval me terug in contact bracht met enkele volwassen geworden jongens en meisjes uit mijn kindertijd in Nossegem, denk ik terug aan onze notenboom in Wespelaar. Over die boom heb ik in 2016 al eens verteld, een speechke dat ik uitsprak bij het verrassingsfeest voor de 75ste verjaardag van mijn moeder.

Die tekst begon aan de tafel in onze woonkamer in de Pachthofstraat in Nossegem. Iets minder dan een halve eeuw geleden trok papa daar de gesprekken op gang over ons nieuw huis. We zouden in 1973 verhuizen naar Wespelaar, een dorp dat vanaf 1978 ingedeeld is bij de fusiegemeente Haacht. Ik weet het nog goed: ik was tien jaar oud. Op een donkerblauwe T-shirt stond dat nummer genaaid. Mijn broer had hetzelfde T-shirt gekregen, met nummer vier op. Er zijn ergens nog super 8-filmpjes waarop wij tweeën met dat T-shirt staan, aan het ravotten rond het niet omheinde huis in Wespelaar waar de tuin nog overging in de vrije natuur.

Die naam alleen al: Wespelaar. Wat een grote verwachtingen gingen erin schuil voor iemand die in Nossegem woonde. Het klonk haast zo mooi als Brugge, volgens mijn vader, die tenslotte de wereldzeeën had bevaren, de schoonste stad ter wereld. Zelfs de naam van de straat sprak hij met eerbied uit: Olivier de Spoelberchstraat. En die d schrijf je met een kleine letter, zei papa, want dat is een adellijke naam. Lang heb ik ernaar uitgekeken om de graaf van Wespelaar in onze straat eens tegen te komen.

In wat voor een droomhuis zouden wij gaan wonen, als je papa bezig hoorde. Hardop dromen, het was een geliefkoosde bezigheid bij ons aan tafel. Over de Fiji-eilanden of een zeiljacht. En in de aanloop naar die zomer van 1973 vooral over wat er allemaal mogelijk zou worden na de verhuizing. Grotere slaapkamers. Een garage met twee poorten, waarin we zouden kunnen pingpongen. Een reusachtige woonkamer met een open haard. Een bureau. Een logeerkamer voor als er familie uit Brugge met vakantie kwam.

Een enorme tuin. In die tuin zou plaats zijn voor een hoge schommel, een voetbalplein, een tennisveld, een zwembad zelfs. En naast en achter die tuin bossen en braakliggende velden om in te spelen en kampen te bouwen. Alles was mogelijk. Het voetbalveldje kwam er. Naast ons huis. Later maakten we met de kinderen uit de buurt ook nog een atletiekveld om Olympische Spelen na te spelen en een crossparcours voor mountainbikes die nog uitgevonden moesten worden. De schommel kwam er. De pingpongtafel kwam er. Het tennisplein kwam er. Op straat, want er reden toen nog geen auto’s in de Olivier de Spoelberchstraat omdat er nog geen andere mensen woonden. Alleen het zwembad werd altijd maar uitgesteld. Om veel redenen. Vooral om redenen die bij kinderen geen begrip wekken. Uiteindelijk vergaten we dat zwembad. We hadden al zoveel gekregen.

In de tuin maakte ook papa zijn dromen waar. Een tuinhuis, een groententuin vol ongespoten groenten en fruit. Kippen die scharreleieren legden. Konijnen om te kweken. En een echte druivenserre, afgebroken in Overijse en langzaamaan terug opgebouwd in de tuin, een meerjarenproject.

Maar het belangrijkste van die droomtuin heb ik nog niet vermeld. De notelaar. Toen papa het kleine boompje met een stam als een stok plantte, was het drie jaar oud. Nog zeven jaar wachten, zei hij, en dan hebben we okkernoten. Zeven jaar! Het was een eeuwigheid voor de tienjarige die ik was.

Het is inmiddels 23 jaar geleden dat onze papa onverwacht stierf. Onze notelaar die nadien jaar na jaar verder groeide, deed me nog vaak aan hem denken. Want die notelaar heeft de verwachtingen van papa volslagen ingelost. Jaar na jaar dikte zijn stam en strekte hij zijn takken en bladeren verder uit over de tuin. In de zomer was het heerlijk toeven onder zijn lover. Kilo’s noten leverde hij elk jaar trouw af. Mama deelde ze kwistig uit. Net als mama was de boom de jongste jaren wat scheef gegroeid. Je zou voor minder, na al die vruchten die hij heeft gegeven, al de bescherming, de troost en het geluk dat we onder zijn bladeren hebben gevonden.

Het leven trekt de mensen verder zoals de seizoenen onze scheve notelaar. Zoals de mens zijn lot niet kan ontlopen, kan de notelaar er niet voor kiezen om eens een jaar geen noten te dragen. Het is hem onmogelijk om het botten, ontbolsteren, schaduw geven, bruinen en vallen van zijn bladeren eens een jaartje uit te stellen.

Zo’n twee jaar geleden verkocht mijn moeder ons ouderlijk huis. Ze ruilde het voor een appartement in Haacht, vlakbij het kerkhof waar Philippe begraven ligt. Over dat kerkhof worden soms grapjes gemaakt, maar bijgelovig is mijn moeder niet. Terwijl ze even in het ziekenhuis verbleef om een op hol geslagen hart te kalmeren, schreef ze zich alvast in voor de volgende reis met Okra.

Gisteren kon ik me niet meer houden. Ik moest onze oude tuin nog eens zien. Langs de nieuwe verkaveling achter ons huis kon ik er alleen nog een glimp van opvangen. De tuin is sinds kort helemaal door andere tuinen ingesloten. Heel de buurt van ons ouderlijk huis is daarmee verkaveld. Vandaag is Haacht een verkavelingsgemeente met meer dan 15.000 inwoners geworden, een toename van haast 50 procent in vergelijking met het begin van de jaren zeventig.

Achteraan in de tuin stond de serre nog en het oude kippenhok. Boven het tuinhuis zag ik kale takken in de blauwe lucht grijpen. Onze notenboom komt straks weer tot leven. 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | 1 reactie

Het zeemansboekje

Op 10 december 1956 leverde de Koopvaardij en Zeevisserij van het Koninkrijk België het eerste en enige Zeemansboekje af aan mijn vader. In mooi gekrulde letters en zwarte inkt heeft hij de verplichte identificatiegegevens ingevuld. Bij de opruim van mijn ouderlijk huis kwam het als een relikwie uit de kast.
Lees verder

Geplaatst in familie, geschiedenis, Haacht, liefde, reizen | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Hoe Leopold II zijn Vrijstaat kwijtspeelde en een verrader held kon worden

In “De droom van de Ier” maakt Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa een geromantiseerd portret van Roger Casement, een Ier die als een van de eersten de massale uitbuiting en wreedheid in Congo Vrijstaat aan de kaak heeft gesteld. Door de aanhoudende kritiek op Leopolds bewind moest de vorst zijn privéstaat overdragen aan België.
Lees verder

Geplaatst in cultuur, geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Op veldtocht tegen de slavenhandel

Naast het sedert de onthanding historisch zeer betekenisvol geworden beeldhouwwerk van de gebroeders Courtens aan de Drie Gapers in Oostende, bevindt zich nog een merkwaardige bronzen plaquette. Ze bewijst eer aan Aristide Doorme, een in 1905 overleden officier, omschreven als de “Held der veldtochten tegen de Arabieren en de Batetelas”.

Van die veldtochten hebt u wellicht nog nooit gehoord, nietwaar? Wel, het zijn militaire campagnes die Leopold II in de Afrikaanse jungle liet ondernemen tegen Arabische slavenhandelaars. Het was één van de drie beloften van Leopold II die David Van Reybrouck aanhaalt in zijn onvolprezen meesterwerk Congo, een geschiedenis, op grond waarvan onze baardigste vorst in 1885 Congo als privéterrein verwierf.

Aan België beloofde de koning nooit geld te vragen voor zijn persoonlijk project in Afrika. En aan de Conferentie van Berlijn beloofde hij twee dingen: in Congo de vrijhandel te respecteren en de slavenhandel te bestrijden. Zo’n vijf jaar later, toen de vorst quasi bankroet was door de investeringen die hij in de infrastructuur van zijn Vrijstaat Congo had moeten laten uitvoeren, verbrak hij twee van die beloften.

Hij smeekte België om geld en dwarsboomde de vrijhandel waar hij maar kon. Dat laatste deed hij door alle Congolese grond die niet verbouwd of bewoond werd eigendom van de Vrijstaat te noemen, inclusief de ondergrond en de dieren en planten erin, erop of erboven, die soms lucratieve handelswaar opleverden, neem nu koper, ivoor of rubber. Die nationalisatie betrof zo’n 99% van het grondgebied. ‘Een pygmee die een olifant schoot en de slagtanden verkocht, voorzag niet langer op legitieme wijze in zijn onderhoud, maar beroofde de staat’, schrijft Van Reybrouck.

Aan de belofte om de slavenhandel te bestrijden, hield Leopold II zich wel. Volgens Van Reybrouck verschafte die hem een ideale dekmantel voor zijn expansiedrift. De krijgsverrichtingen tegen de slavenhandelaars concentreerden zich in Katanga, Oost-Congo en Zuid-Soedan. Eerst werd Katanga, het rijk van zo’n slavenhandelaar, vrij makkelijk veroverd. Leopold liet daar haast mee maken omdat hij wist dat de Brit Cecil Rhodes vanuit Zuid-Afrika ook zijn oog op Katanga had laten vallen, met de bedoeling om de Engelse koloniale bezittingen in Afrika aaneen te rijgen van de Kaap tot Kaïro.

De strijd om de andere gebieden was geen wandeling in Leopolds park. Zeker die om Zuid-Soedan. Leopold was betoverd door de Nijl, na zijn huwelijksreis naar Caïro in 1855. Als hij Zuid-Soedan zou kunnen veroveren, bedacht hij, zou hij de bovenloop van de Nijl controleren. Een regio die rijk aan ivoor heette te zijn. Leopold zette enkele expedities op touw, geleid door Belgische officieren, onder wie de Oostendse held Aristide.

Een leger van zwarte miliciens

Al die expedities mislukten. Dat kwam vooral omdat de soldaten van de Force Publique, het leger van de Vrijstaat dat bestond uit blanke officieren en zwart voetvolk, massaal aan het muiten sloegen. In de Vrijstaat had Leopold een nogal middeleeuws systeem van gedwongen rekruteringen ingevoerd voor zijn privéleger, de Force Publique.

De dorpshoofden en de missieposten moesten allemaal enkele jonge mannen afstaan voor het leger, waar die dan zeven jaar militaire dienst moesten kloppen. Wie ooit in ons land verplicht was om zijn militaire dienst te doen, was afhankelijk van de periode, zo’n acht tot twaalf maanden milicien. En die herinnert zich wellicht dat niet elke dienstplichtige met volle overgave zijn diensten aan het vaderland leverde.

In Congo Vrijstaat dus ook niet. Bovendien namen de soldaten vaak hun vrouwen, kinderen en ouderen mee op veldtocht met de Force Publique. Die veldtocht mogen de ex-miliciens niet vergelijken met een of ander militair kamp in Elsenborn of Leopoldsburg. Op die jungletochten in Leopoldland was zelfs voor de troepen geen ravitaillering geregeld. Dus nam de bonte bende wat men nodig had in de dorpen die het leger passeerde, nog zo’n middeleeuws gebruik.

De soldaten van de Force Publique en ook de dorpen waaruit ze stamden of waar ze door trokken, waren op die manier allesbehalve bevrijd van de slavernij. Integendeel: de militairen werden ziek, ze geraakten ondervoed, ze waren nauwelijks getraind, sommigen vochten met een geweer, anderen hadden alleen hun speer.

Hoeft het te verbazen dat er in de Force Publique muiterij uitbrak? Vier jaar zou die opstand duren, aangevuurd door de Batetela, lees ik bij Van Reybrouck. Meer dan zesduizend soldaten en hulptroepen zouden zich tegen hun commandanten hebben gekeerd, waarbij er tien Belgische officieren vermoord werden.

De officieren, onder leiding van hun commandant baron Dhanis, traden daar toen ook wat strenger op dan de instructeurs en bevelhebbers van ons leger onder de dienstplicht, die stoute miliciens wel eens tien keer lieten pompen of ze zelfs een weekend in de kazerne durfden te houden. Veelzeggend was al de bijnaam van commandant Dhanis, Fimbo Nyingi, wat betekent: ‘veel zweepslagen’.

Wat niet wil zeggen dat alleen de zweep voor de zwarte soldaten een straf was. Ook aframmelingen en de dood door ophanging of executie waren op weg naar Zuid-Soedan schering en inslag. Dorpshoofden die zich weerbarstig gedroegen, dreigden levend te worden begraven, hun hoofd net boven de grond, indien mogelijk in volle zon of nabij een mierenhoop.

Was Aristide Doorme een van de vermoorde officieren op die onmenselijke veldtocht? Wellicht niet. De veldtocht was in 1905, toen Doorme volgens de plaquette in Oostende overleed, al stopgezet. Maar zekerheid hierover heb ik in de me onmiddellijk beschikbare bronnen niet gevonden. Wie meer over Aristide of de opstand van de Batetela weet, mag het me altijd signaleren.

Van Aristide Doorme heb ik alleen een spoor teruggevonden in La mutinerie militaire au Kasai en 1895, een rapport van Marcel Storme voor de Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen uit 1970 dat als pdf te googelen is. Doorme wordt erin vermeld als de commandant van het kamp van Kasongo, op de rechteroever van de Lualaba, één van de vier zones die een belangrijke rol zouden spelen in de strijd tegen de Batetela.

In Congo doet Van Reybrouck het relaas van de 92-jarige Martin Kabuya, een kleinzoon van zo’n recalcitrant hoofd uit een dorpje nabij de Soedanese grens, die hij in Kinshasa sprak. Ook Martins grootvader werd levend begraven. Alle kinderen van zijn opa, ook zijn vader, werden daarop door de gebroeders maristen meegenomen naar het internaat van Buta, zeshonderd kilometer meer naar het westen. Daar werd zijn vader op de missiepost katholiek, huwde er en kreeg drie kinderen. Martin was van het gezin de laatste overlevende.

Het vaderland dienen, beschaving brengen en het geloof verspreiden, het waren harde stielen in de tijd van Leopolds Vrijstaat.

Geplaatst in geschiedenis, vrije tijd | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Onthanding in Oostende

Op winterwandel met Marianne in Oostende viel er heel wat te bekijken. De toeristische dienst verwende de vele bezoekers met een boeiend Valentijnsprogramma. Oostende kreeg wellicht nog niet eerder al half februari zoveel toeristen op bezoek. Op de dijk, op het strand, in de winkelstraten, langs het parcours van The Crystal Ship of aan en in de vele andere publiekstrekkers en attracties die er ondanks corona te genieten vielen, het zag er zwart van het volk.
Lees verder

Geplaatst in Brussel, cultuur, geschiedenis, vrije tijd | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

De spiegel en het licht

Met veel plezier en ook wat volharding heb ik De spiegel en het licht gelezen. Dit boek begon en eindigde met een onthoofding. Tussenin gaf Hilary Mantel in ruim twaalfhonderd bladzijden vorm aan het laatste deel van haar schitterende trilogie over het leven van Thomas Cromwell. Voor de eerste twee delen, Wolf Hall en Het boek Henry, won de historica telkens de Man Booker Prize. Lees verder

Geplaatst in geschiedenis, literatuur | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Tranen na de Weerdse kronkels

Terug in Hombeek zat ik wat lui in de zetel op mijn smartphone te facebooken, wordfeud woordjes te zoeken, mails te checken, whatsappjes te beantwoorden, kortom de normale zooi te doen waartoe zo’n ding me telkens als ik hem openklap verleidt.
Lees verder

Geplaatst in familie, geschiedenis, reizen, vrije tijd | Tags: , , , , , | 1 reactie

Het vliegend dorp

Sinds het thuiswerken de Grijze Man de meeste werkdagen in zijn kot gekluisterd houdt, droomt hij vaker dan vroeger weg bij schone luchten, veelal doorkruist door vogels. Dat is niet zo moeilijk: hij is woonachtig in een dakappartement in het slaperige dorp Wespelaar. Lees verder

Geplaatst in De Grijze Man, Haacht, samenleving, vrije tijd | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen