Dit weekend op de Mercator…

Ter gelegenheid van “Oostende voor anker” kreeg ik van de verantwoordelijken voor het museumschip Mercator de kans om “Cadet op de Mercator” te signeren op de barkentijn. Een kans die ik met beide handen greep. Ik zal op de Mercator zitten zaterdag 21 en zondag 22 mei van 11 tot 16 u, zolang mijn voorraad boeken strekt. Vooral zondag 22 mei wordt een spannende dag. Moest mijn vader nog geleefd hebben, hij zou die dag 85 zijn geworden, vijf jaar jonger dan de Mercator zelf.

Naar aanleiding van die 90ste verjaardag van het zeilschip loopt er een tentoonstelling aan boord, waar een van de pancartes met foto’s gewijd is aan mijn vader en een medecadet van toen, Jean D’Hondt, die ook in mijn boek wordt vermeld. Jean overleed helaas in november van vorig jaar.

De publicatie van mijn boek leidde ertoe dat ik in contact ben gekomen met twee andere cadetten die de kruistochten op de Mercator van mijn vader mee hebben beleefd. Eerst werd ik gecontacteerd door Jean-Pierre Desmet, die op de Mercator deel uitmaakte van het orkest. Jean-Pierre, een geboren en getogen Gentenaar, verloor zijn hart in New Orleans, de verste haven in de VS waar de Mercator op de 34ste kruistocht aanlegde. Via Jean-Pierre kwam ik ook in contact met Luc Dejonckheere, een van de cadetten waarmee mijn vader het meest optrok tijdens zijn Mercatortijd. Beiden lieten me weten dat ze zondagnamiddag naar de Mercator zouden komen. Spannend!

Hieronder vind je nog de weerslag van een interview in de Passe Partout dat Conny Justé enkele weken geleden van mij heeft afgenomen. Misschien tot in Oostende!

Geplaatst in familie, geschiedenis, reizen, uit de boekjes van mijn vader, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , | 2 reacties

Veertig jaar geleden

Moesten mijn vrienden van de oudleerlingenbond van Don Bosco Haacht het niet in herinnering hebben gebracht bij mijn oudste dochter, die een maand of wat geleden naar een bbq ter gelegenheid van haar 10 jaar afstuderen was geweest, ik zou er nooit aan hebben gedacht dat ik ruim veertig jaar geleden mijn college vaarwel heb gezegd.

Het fijne van zo’n oudleerlingenbond is vooral dat hij in de school een reünie met een barbecue organiseert. En omdat dergelijke bijeenkomsten omwille van de pandemie twee jaar niet hebben kunnen doorgaan, werd er die zaterdagavond in april verzamelen geblazen in mijn oude, maar enorm met nieuwbouw aangegroeide school, voor liefst drie afstudeerjaren tegelijk: 1980, 1981 en 1982. En dan bleken tot mijn persoonlijke verrassing ook nog eens de oudleerlingen die vijftig jaar geleden afstudeerden, in 1970, 1971 en 1972, tot de genodigden te behoren.

Naast een grote delegatie van de klas- en jaarmakkers uit andere richtingen tekenden ook verschillende oudleraars present. Carl uit de WeB had de aardrijkskundeleraar zelfs gepraamd om voor de afgestudeerden van ons jaar nog eens een kwartiertje les te geven. Meteen gaf Jos me weer het gevoel in die klas van weleer te zitten, naast Ludo op de achterste bank, voor een keer eens wat beter luisterend naar Jos die na zoveel jaren met pensioen te zijn, nog altijd niet had afgeleerd om oeverloos uit te weiden. Zes jaar lang hadden we bij Jos niet geweten waar hij ons in zijn les mee naar toe zou nemen en waar we uiteindelijk zouden eindigen. In zijn lesje als gepensioneerde nodigde Jos ons uit om, eens hij onder de zoden zou liggen op het kerkhof van Haacht, op zijn deksteentje de QR-code te komen scannen van een meer dan 300 bladzijden tellend levensverhaal over zijn excursies, dat hij zijn kleindochter wil nalaten.

Vijfde Latijn?

Op dat moment dacht ik, terug in die klas tussen mijn net als ik ouder geworden maar nog levendige medeleerlingen: wat heb ik toch een heerlijke tijd gehad in dat Don Bosco-college. En ik dacht het nog eens toen ik met Pieter praatte, onze turnleraar die ons niet zomaar elke week liet voetballen en die net als Herman jarenlang mee ging naar Uppingham in Engeland, voor een sportieve uitwisseling met een Engelse school in home hospitality.

Heerlijke lessen herinner ik me ook met Gaston, die me George Orwell leerde kennen en die ons als 16-jarigen een week meenam naar Londen. Daar schreef ik in 2014 al een blogpost over (https://peterdejaegher.com/2014/08/19/superstar/?fbclid=IwAR2srL83CNTxAR6i-Ioo4hrkr8EZNGiJVGSbG5ztORfigFwZQB03Ru_RdyI). Blijkbaar was ook Jef even op de reünie geweest, de leraar Engels van het zesde bij wie ik mijn maturiteitsproef maakte over de schrijver van o.a. 1984 en Animal Farm. Maar die heb ik helaas in de overvolle feestzaal gemist.

Harry, met wie ik al eens een praatje sla bij het winkelen in een Haachts warenhuis, kwam me al van bij de aankomst op de speelplaats de hand schudden. Onze memorabele geschiedenisleraar heeft het na ons vertrek op Don Bosco tot directeur geschopt. Als leraar zette hij me aan om meer te lezen over de Belgische geschiedenis in de historische literatuur van veertig jaar geleden, wat me ertoe bracht om na de humaniora in Leuven pol&soc te gaan doen.

Spijtig natuurlijk dat niet alle klasmakkers aanwezig waren. Walter bijvoorbeeld was enkele maanden geleden gestorven bij een verkeersongeval. Ook Ludo was door het oog van de naald gekropen na een anti-immuunziekte in combinatie met corona. Pas toen hij zijn lach opzette met die fonkelende ogen van vroeger, herkende ik hem. Nu, de afwezigen hadden allemaal ongelijk.

Marianne en ik zaten het grootste deel van de avond in de buurt van Johan en Ann, Dirk en zijn vrouw en Luc en Wim. We spraken over tal van thema’s van maatschappelijk belang, of gewoon over koetjes en kalfjes, met Alain zelfs over alpaca’s, of over onze inmiddels, in de meeste gevallen althans, volwassen geworden kinderen en onze al overleden of bejaard geworden ouders. Af en toe kwam een vriendin van mijn een jaar jongere zus Katrien, die ook van de feest was, naar onze tafel om goeiedag te zeggen, een voorwendsel om kennis te maken met de vriendin die me naar verluidt doet stralen.

Het was dus een fijne bijeenkomst. In 2016 schreef ik ook al eens iets over een reünie die Kristel had georganiseerd in de Brasserie in Keerbergen (https://peterdejaegher.com/2016/12/05/reunie/). Daarom heb ik dagenlang gepiekerd of ik nog eens zo’n blog zou schrijven. Tenslotte was Kristien er niet en heb ik deze keer ook amper met Anita en Luc, Heidi, Griet en Guy, Wim en Kristel of Bert en Joke,… gebabbeld, die helaas aan andere tafels hadden aangeschoven, want ons jaar was zolang buiten op die speelplaats blijven babbelen dat we ons binnen in de zaal verplicht zagen in verspreide slagorde de nog resterende gaten aan de tafels op te vullen. Helga beloofde volgend jaar een nieuwe bijeenkomst te organiseren. Wij zijn inderdaad van die trouwe klasgenoten die niet allemaal even goede vrienden zijn gebleven als we waren maar toch graag eens blijven hangen in die nostalgische humanioratijden.

Zes Latijn en WeA

Gisteren ging ik op zoek naar een oude handleiding voor een droogkast die ik niet meer aan de praat krijg en in een oude klasseermap stootte ik op een verslag van veertig jaar oud dat ik met vulpen had neergepend, over onze Romereis. Het stelt niet veel voor en heeft een hoog opstelgehalte, maar ik tik het hier toch maar eens over, voor mijn mede-nostalgici uit de Don Boscojaren:

Een miezerige motregen wuifde de DC9 van Alitalia na. De leerlingen die na veel geloop een plaatsje bij het venster hadden bemachtigd, kwamen bedrogen uit. Toen het vliegtuig zich boven het laaghangend wolkendek verheven had, was slechts de staalblauwe lucht zichtbaar. Toch werd er niet getreurd om het schamel schouwspel. Iedereen was opgetogen, zinnens om een tiental dagen alle zorgen te kunnen vergeten: vervelende en verveelde gezichten op school werden omgetoverd tot vrolijke snuitjes waar hoge verwachtingen van afdropen. Slechte paasrapporten waren in een oogwenk vergeten en de problemen thuis raakten zoek in het achterhoofd. Ieders gedachten waren gefixeerd op de eeuwige stad Rome, op het Firenze van de Medici en op het eenvoudige maar alleraardigste Assisi van Franciscus.

Ook op de treinreis van Milaan naar Firenze bleven we vrolijk opgewonden kwebbelen als kinderen die op schoolreis mogen. Onze thuis lag al ver ergens in het kleine België, en dat vonden we uitstekend. We konden de onbekende Italiaanse steden, het zwartharige vrouwenschoon of de Italiaanse snelle jongens, de lekkere keuken en de spotgoedkope koppige wijntjes al ruiken. De echte toeristen onder ons waren uitgerust met nieuwe fototoestellen. Ze schoten ijverig plaatjes van Paul, de leraar wiskunde, die in zijn hemd lag te maffen in Boboli, van Marianne, de lerares Latijn, die enthousiast uitleg verschafte op het Forum Romanum, van Ludo die de eeuwenoude stenen van de Via Appia kuste of van Anita die zo’n onverwachte bruuske beweging maakte die foto’s in je geheugen griffen. Ze zouden later de klas rondgaan, prettige en onprettige anekdoten oprakelen voor ze weer voor jaren insluimeren.

Dat de eeuwige stad zijn reputatie als chaotische warboel waar maakte, wou iedereen graag over het hoofd zien. Het was opwindend om je tussen het toeterend verkeer te bewegen, of om op de stampvolle bussen kinderlijke spelletjes te spelen. ’s Avonds trokken we naar de Piazza Navona, het trefpunt van de jeugd. Dat een echt koud, goudkleurig pintje je daar meer dan honderd frank kostte, was rap vergeten: je was toch met vakantie! De wijn smaakte er ook uitstekend. Ze was echter enkele keren zo koppig dat het laatste restje pas ’s morgens op de ongebruikelijke manier mijn lichaam verliet.

Voor we het beseften zaten we weer in de klas. De reis naar Italië was geenszins een reis geweest om uit te rusten van die zware schooldagen. En nu kwamen de laatste loodjes eraan. Die wilde niemand nog laten vallen, dus togen we weer aan het werk, met frisse moed en uitgeslapen hersens, rechtdoor naar de laatste examens op de middelbare school.

Wie eventueel mijn kapotte droogkast kan herstellen, gelieve me een persoonlijk bericht te sturen.

Geplaatst in De Grijze Man, geschiedenis, Haacht, vriendschap | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Meertalig Brussel

Zaterdag 12 februari 2022 werd op een studiedag in de Residence Palace in de Brusselse Wetstraat, ingeleid door premier Alexander De Croo, een nieuw boek voorgesteld: “De toekomst is meertalig. Brussel als laboratorium”. Dit boek van de Brusselse minister Sven Gatz, die als eerste in Europa de bevoegdheid Promotie van meertaligheid in zijn portefeuille kreeg, werd ook meteen vertaald in het Frans en het Engels.

Minister Gatz volgde de studiedag nauwgezet en geconcentreerd. Hij sloot de dag af met een toespraak waarin hij de tien ideeën om meertaligheid te verankeren die in het slothoofdstuk van het boek staan vermeld, nog eens samenvatte. Hoewel hij zelf niet op het podium stond, was de studiedag ook voor de Grijze Man een belangrijke belevenis, waarvoor hij zijn vriendin Marianne had meegevraagd. Zoals hij dat al voor enkele andere boeken van Gatz klaarspeelde, was de Grijze Man ook deze keer de ghostwriter van de minister.

De tekstschrijver had de minister verschillende keren langdurig geïnterviewd over zijn ervaringen met talen en politiek in Brussel, want Sven Gatz is een geboren en getogen ket en dat zijn mensen die veel te vertellen hebben. Daarnaast nam de Grijze Man ook ellenlange gesprekken op met meer dan een dozijn fans, pleitbezorgers en experten op het terrein van meertaligheid. Die over tientallen bladzijden uitgesmeerde inzichten noemde de uitgever niet onaardig maar tegelijk wat langdradig. Op diens instigatie diende de Grijze Man al het verzamelde tekstmateriaal te verhakselen tot een tiental thematische hoofdstukken.

Om de boekverkoop een vliegende start te geven, was de uitgever bovendien met het voorstel komen aandraven om de publicatie vergezeld te laten gaan van een event, zoals een evenement tegenwoordig wordt genoemd. Zo begon de Grijze Man, daarin goed bijgestaan door zijn collega Sheraz Rafi, de raadgever meertaligheid van Gatz, aan het boek een studiedag te breien. De studiedag diende te worden getrokken door enkele in het boek geïnterviewde en enkele andere begiftigde sprekers en debaters, kwestie van de discussie over meertaligheid wat sterker te kruiden.

Toen de receptie na de geslaagde studiedag op z’n laatste benen liep, sloten de Grijze Man en zijn vriendin de vestiaire waar Marianne veel meer tijd heeft doorgebracht dan ze had gewenst. Allebei moe en matig tevreden trokken ze naar Topogigio om na te tafelen, een uitstekend en toch niet prijzig Italiaans restaurant in de Brusselse Notelaarsstraat, met de gemoedelijke sfeer die eenieder behulpzaam is die een plooi glad te strijken of een verdriet te verdrinken heeft.

Terwijl ze nakaartten geraakte het tafeltje naast hen bezet. Een man en een jongen vleiden zich neer en wensten de Grijze Man en zijn vriendin vriendelijk zowel bonsoir als goedenavond. Het duo, waarvan de man af en toe Frans sprak maar vooral zijn best deed mooi Nederlands te praten en de jongen de man her en der subtiel verbeterde, intrigeerde de Grijze Man meteen: na de studiedag volgde een doop in het meertalig Brussel zoals het is!

Lang duurde het niet of de twee koppels geraakten in gesprek. Zoals de Grijze Man en zijn vriendin hadden gedacht, was de man de vader en de jongen zijn tienerzoon. De papa, een Waal afkomstig uit Doornik, vertelde dat hij gehuwd was met een Turkse. Het Turks-Waals echtpaar woonde in Schaarbeek en had bijzondere afspraken gemaakt over het taalgebruik in het gezin, die erop neerkwamen dat de jongen Turks spreekt met zijn moeder en Nederlands met zijn vader. Wanneer het gezin samen is, spreekt iedereen Frans.

De jongen zit in de Nederlandstalige tienerschool op de gloednieuwe Gallait Scholencampus in Schaarbeek. Voor wie dit type school niet kent, een tienerschool legt een vierjarige brug van het lager onderwijs naar het secundair onderwijs, door leerlingen tussen 10 en 14 jaar samen in zo’n middenschool te zetten, waardoor de schoolstructuur van het basis- en secundair onderwijs van twee cycli van zes jaar verandert in drie cycli van vier jaar. De overgang van lager naar secundair onderwijs zou zo minder abrupt zijn en meer plaats bieden voor persoonlijke begeleiding en groei naar zelfstandigheid in de lastige jaren naar en doorheen de puberteit.

De vader vertelde dat hij z’n kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs in Brussel had gestuurd omdat hij zelf pas op z’n veertiende in Doornik zijn eerste Nederlands had geleerd, als derde taal. Veel Nederlands had hij op de middelbare school niet opgestoken en hij wilde dat zijn kinderen die taal beter zouden kennen dan hij zelf. Die wens was alleszins uitgekomen: de jongen verbeterde het taalgebruik en het accent van zijn vader. De Grijze Man zag dat de zoon trots was op zijn kennis van het Nederlands, dat hem met het Frans en het Turks drietalig maakt. Hij zal als viertalige afstuderen als hij later op school ook nog Engels leert.

Ziedaar de Brusselaar van de toekomst! Marianne en de Grijze Man kregen er na een educatieve studiedag nog een gratis praktijkles meertaligheid bij. Onder de waterlijn van de taalwetgeving evolueert Brussel van een officieel tweetalige naar een meertalige stad. En hoewel sommigen in Vlaanderen vrezen dat in het meertalig Brussel het Nederlands zal verdwijnen, bewijst het Nederlandstalig onderwijs in het kosmopolitische Brussel van vandaag het tegendeel: de Vlaamse scholen in het Brussels gewest tellen meer dan 50.000 leerlingen, waarvan een grote meerderheid thuis geen woord Nederlands heeft gehoord.

Tegenwoordig zit ongeveer één op de vijf jongeren in het Brussels gewest (18,5 %) op een Vlaamse school. Elk jaar komt er zo in Brussel een massa Nederlandskundige meertaligen bij, die meteen in Vlaanderen of Wallonië aan de slag kunnen. Dat vindt de Grijze Man de belangrijkste boodschap uit het boek van Sven Gatz: het Brussel van vandaag is een voorafspiegeling van het België van morgen, waarin meertaligheid een grote troef zal zijn.

“De toekomst is meertalig. Brussel als Blauwdruk”, Sven Gatz, uitgeverij Lannoo, Tielt, 2022, 162 blz, € 19,99    

Geplaatst in Brussel, De Grijze Man, politiek, samenleving | Tags: , , , , , | 3 reacties

Stentorstemmen en gefluister

Zo luidde de titel van de eindverhandeling die ik samen met mijn studiegenoot Peter Dhondt in 1985 schreef om licentiaat (tegenwoordig: master) in de communicatiewetenschap te kunnen worden. Ik vond dat een heel mooie titel, die bedacht was door mijn naamgenoot. Omdat die titel niets loslaat over de inhoud, voegden we nog een lange en technische ondertitel toe: “Een kwantitatieve input-output analyse van de buitenlandse nieuwsstroom bij het nieuwsagentschap Belga”.

Het werkstuk van twee volumes, samen 468 bladzijden dik, ging onlangs nog eens door mijn handen toen ik bij mijn verhuizing mijn dozen met boeken aan het uitpakken was. Even sloeg ik deel 1 open, het Onderzoekskader, waaruit een getypte brief en een twee bladzijden lange handgeschreven tekst vielen.

De brief was geschreven door de toenmalige hoofdredacteur van Belga. Hij maakte zich druk over wat we over zijn persbureau hadden geschreven. “De polemische toon van bepaalde passages is een wetenschappelijk werk onwaardig”, hield hij de student die ik toen was voor. “Bovendien hebt u zich schuldig gemaakt aan een onaanvaardbaar misbruik van vertrouwen”, beet hij door. “Van de afgesproken studie is in uw verhandeling niets terug te vinden”, ging hij verder. “U hebt echter op basis van fragmentarische background-informatie die u door redactieleden werd verstrekt, valse hypothesen geconstrueerd, zonder wetenschappelijke grondslag.” De hoofdredacteur besloot dat hij zich “volledig distantieerde” van wat ik hem toegestuurd had, en hij voegde daar nog aan toe dat mijn houding hem er niet toe aanzette nog mee te werken aan licentiaatsverhandelingen. “Wij zullen de faculteit hiervan op de hoogte brengen”, dreigde hij.

Zevenendertig jaar later kan ik ermee lachen. Ik herinner me dat we ons toen van die brief niets hebben aangetrokken. Het was immers duidelijk dat de hoofdredacteur slechts een oordeel had geveld over één hoofdstuk. Bij de verdediging van onze eindverhandeling, die we allebei toch met wat nervositeit tegemoet zagen, was de hoofdredacteur door onze proffen al wat gekalmeerd. We kregen voor ons werk dan ook een uitstekende beoordeling, van de drie proffen weliswaar, van wie er inmiddels al twee overleden zijn.

De handgeschreven tekst in de thesis, is de samenvatting voor het Tijdschrift voor Massacommunicatie van een of andere Nederlandse universiteit, dat aan ons onderzoek een artikel heeft gewijd. Dat tijdschrift moet zich nog ergens in mijn boekenkasten verschuilen.

Enkele dagen nadat ik die thesis in handen heb gehad, droomde ik dat ik Peter opnieuw tegen het lijf liep aan wat vroeger het Internationaal Perscentrum heette, in de buurt van het Brussels Schumannplein, waar destijds ook Belga was gehuisvest. Hij was er met enkele actievoerders pamfletten aan het bedelen voor een meer rechtvaardige mediawereld.

Ik herinner me mijn naamgenoot inderdaad als een geëngageerde student, wat ook blijkt uit zijn loopbaan. Want die droom zette me ertoe aan hem op te sporen. Meteen bij LinkedIn was het raak. In de niet meer zo nieuwe digitale wereld zijn we nu terug verbonden. Ik stuurde hem prompt deze boodschap: “het lijkt wel een eeuwigheid geleden, die gezamenlijke thesis in Leuven, wat is de wereld veranderd!” Hij antwoordde: “Inderdaad, heel lang geleden, en het medialandschap is onherkenbaar veranderd. Maar onze conclusies blijven geldig hé!”

In onze titel stonden de stemmen van Stentor, de heraut uit het Griekse leger in de Trojaanse oorlog wiens stem even krachtig zou zijn geweest als die van vijftig andere mannen, voor de internationale nieuwsagentschappen die ons buitenlands nieuws domineren, maar ook voor de staten die dagelijks met nieuws van alle aard en gewicht in onze nieuwsbulletins verschijnen.

Het gefluister komt van de ontelbare kleine en onbeduidende nieuwsmakers en de tientallen landen en landjes die zelden de nieuwsdrempel van onze nieuwsmedia overschrijden, tenzij ze in slepende conflicten of catastrofale rampen verzeilen. Om maar iets te zeggen: in 1985 had ik nog niet van Tonga gehoord. Deze week zat het eindelijk eens vol in het nieuws. Wie kent inmiddels de hoofdstad of de koning van deze eilandengroep in Polynesië?    

Geplaatst in geschiedenis, media, samenleving | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Verander(en)de tijden

Beste bezoeker, het is een hele tijd stil geweest op deze pagina’s. De Grijze Man heeft lang gezwegen, terwijl toch veel lezers zijn website bleven bezoeken. Er zijn vele redenen voor dat stilzwijgen. Enkele daarvan wil de Grijze Man wel kwijt.

Het gaat de Grijze Man tegenwoordig heel goed. Hij is gelukkig en tevreden. Er zijn de voorbije maanden wel enkele tegenslagen geweest. Maar er waren veel meer mooie en gelukkige momenten in zijn leven.

De Grijze Man heeft het voorbije jaar veel verhuisd. Voor anderen en ook voor zichzelf. Zijn appartement is verkocht. Hij woont nu met zijn grote liefde Marianne voor een jaartje in een prachtig houten huis met een geweldige tuin, in het buitengebied van zijn gemeente Haacht, op een boogscheut van de Dijle.

Een droomhuis voor een jaar

Het grote huis, veertig jaar oud, werd ontworpen door een Noorse architect. Het ligt in een enorme tuin en heeft alle comfort. Zoals een kachel die de Grijze Man de gelegenheid geeft ongestoord in het vuur te staren. Of een terras zo ruim dat het de komende lente en zomer onvergetelijke barbecues zal mogelijk maken, als het weer meewil.

Als tijdelijk schuiloord en ontmoetingsplaats voelt het huis als een vakantiechalet uit de duizend. Tijdelijk inderdaad, want wat de toekomst de Grijze Man en zijn vriendin zal brengen, is nog onzeker en ligt misschien wel in handen van notarissen, erfgenamen en uiteindelijk rechtbanken. Maar daar liggen ze niet meer en nog niet opnieuw van wakker.

De Grijze Man en Marianne zijn straks anderhalf jaar een koppel. In die periode hebben ze heel wat avonturen beleefd en anekdotes verzameld in binnen- en buitenland. Ze wandelden in groep met Vlaamse stappers, met vrienden of gewoon samen. Ze leden dorst en zweetten in de Spaanse hitte en ze bibberden in de sneeuw van de Oostkantons. Ze bunkerden in de Sierra Nevada, verslonden paëlla in havenstadjes op Spaanse eilanden en beklommen er de bergtoppen. Ze baadden onder watervallen, trokken kloven door en zwommen in zee, dat laatste Marianne iets meer dan de Grijze Man. Ze dronken regelmatig een geweldig lekker glas wijn teveel, de Grijze Man iets vaker dan Marianne, wat meermaals eindigde in lachkrampen in bed. Ze kampeerden met vrienden en familie langs de Semois en vierden vakantie in Frankrijk met hun dochters en hun aanhang. Ze lazen elkaars favoriete boeken, leerden elkaars familie kennen en werden bevriend met elkaars echte vrienden.

In de buurt van Sankt Vith

En vaak telewerkten ze schouder aan schouder in de woonkamer van die Noorse chalet, met uitzicht op een eik en een notelaar. Uit hun verstrengeld geraakte takken daalt elke dag een eekhoorn af die even op het terras passeert om goeiedag te zeggen. Tussen het werken door smeedden Marianne en de Grijze Man hun plannen voor van alles en nog wat.

In de voorbije maanden verzamelde de Grijze Man ook snippers vrije tijd om aan een nieuw manuscript te werken over een onderwerp dat verschillende lezers niet zal verbazen: de avonturen van zijn vader als cadet op het schoolschip Mercator, in de tweede helft van de jaren vijftig van vorige eeuw.

en maar schrobben, dat dek!

Die epoque met zijn West-Vlaamse dorpen, de provinciestad Brugge en de wijde wereld waarvan de vader van de Grijze Man gretig en met grote ogen een flink deel al zeilend kon proeven, was heel anders dan vandaag. Maar tegelijk werden ook toen de mensen zoals nu gedreven door dromen en ambities, tegenslagen en ontgoochelingen, winstbejag en pijnlijk verlies, meeval en ongeluk. Nu hij de kans krijgt zijn overleden vader als jonge man te leren kennen, ziet de Grijze Man in dat als de tijden veranderen, de mensen zich aanpassen, de ene weliswaar sneller dan de andere, maar ook hetzelfde blijven.

Geplaatst in De Grijze Man, familie, geschiedenis, Haacht, reizen, Uncategorized | Tags: , , , | 4 reacties

De notenboom

Net nu het toeval me terug in contact bracht met enkele volwassen geworden jongens en meisjes uit mijn kindertijd in Nossegem, denk ik terug aan onze notenboom in Wespelaar. Over die boom heb ik in 2016 al eens verteld, een speechke dat ik uitsprak bij het verrassingsfeest voor de 75ste verjaardag van mijn moeder.

Die tekst begon aan de tafel in onze woonkamer in de Pachthofstraat in Nossegem. Iets minder dan een halve eeuw geleden trok papa daar de gesprekken op gang over ons nieuw huis. We zouden in 1973 verhuizen naar Wespelaar, een dorp dat vanaf 1978 ingedeeld is bij de fusiegemeente Haacht. Ik weet het nog goed: ik was tien jaar oud. Op een donkerblauwe T-shirt stond dat nummer genaaid. Mijn broer had hetzelfde T-shirt gekregen, met nummer vier op. Er zijn ergens nog super 8-filmpjes waarop wij tweeën met dat T-shirt staan, aan het ravotten rond het niet omheinde huis in Wespelaar waar de tuin nog overging in de vrije natuur.

Die naam alleen al: Wespelaar. Wat een grote verwachtingen gingen erin schuil voor iemand die in Nossegem woonde. Het klonk haast zo mooi als Brugge, volgens mijn vader, die tenslotte de wereldzeeën had bevaren, de schoonste stad ter wereld. Zelfs de naam van de straat sprak hij met eerbied uit: Olivier de Spoelberchstraat. En die d schrijf je met een kleine letter, zei papa, want dat is een adellijke naam. Lang heb ik ernaar uitgekeken om de graaf van Wespelaar in onze straat eens tegen te komen.

In wat voor een droomhuis zouden wij gaan wonen, als je papa bezig hoorde. Hardop dromen, het was een geliefkoosde bezigheid bij ons aan tafel. Over de Fiji-eilanden of een zeiljacht. En in de aanloop naar die zomer van 1973 vooral over wat er allemaal mogelijk zou worden na de verhuizing. Grotere slaapkamers. Een garage met twee poorten, waarin we zouden kunnen pingpongen. Een reusachtige woonkamer met een open haard. Een bureau. Een logeerkamer voor als er familie uit Brugge met vakantie kwam.

Een enorme tuin. In die tuin zou plaats zijn voor een hoge schommel, een voetbalplein, een tennisveld, een zwembad zelfs. En naast en achter die tuin bossen en braakliggende velden om in te spelen en kampen te bouwen. Alles was mogelijk. Het voetbalveldje kwam er. Naast ons huis. Later maakten we met de kinderen uit de buurt ook nog een atletiekveld om Olympische Spelen na te spelen en een crossparcours voor mountainbikes die nog uitgevonden moesten worden. De schommel kwam er. De pingpongtafel kwam er. Het tennisplein kwam er. Op straat, want er reden toen nog geen auto’s in de Olivier de Spoelberchstraat omdat er nog geen andere mensen woonden. Alleen het zwembad werd altijd maar uitgesteld. Om veel redenen. Vooral om redenen die bij kinderen geen begrip wekken. Uiteindelijk vergaten we dat zwembad. We hadden al zoveel gekregen.

In de tuin maakte ook papa zijn dromen waar. Een tuinhuis, een groententuin vol ongespoten groenten en fruit. Kippen die scharreleieren legden. Konijnen om te kweken. En een echte druivenserre, afgebroken in Overijse en langzaamaan terug opgebouwd in de tuin, een meerjarenproject.

Maar het belangrijkste van die droomtuin heb ik nog niet vermeld. De notelaar. Toen papa het kleine boompje met een stam als een stok plantte, was het drie jaar oud. Nog zeven jaar wachten, zei hij, en dan hebben we okkernoten. Zeven jaar! Het was een eeuwigheid voor de tienjarige die ik was.

Het is inmiddels 23 jaar geleden dat onze papa onverwacht stierf. Onze notelaar die nadien jaar na jaar verder groeide, deed me nog vaak aan hem denken. Want die notelaar heeft de verwachtingen van papa volslagen ingelost. Jaar na jaar dikte zijn stam en strekte hij zijn takken en bladeren verder uit over de tuin. In de zomer was het heerlijk toeven onder zijn lover. Kilo’s noten leverde hij elk jaar trouw af. Mama deelde ze kwistig uit. Net als mama was de boom de jongste jaren wat scheef gegroeid. Je zou voor minder, na al die vruchten die hij heeft gegeven, al de bescherming, de troost en het geluk dat we onder zijn bladeren hebben gevonden.

Het leven trekt de mensen verder zoals de seizoenen onze scheve notelaar. Zoals de mens zijn lot niet kan ontlopen, kan de notelaar er niet voor kiezen om eens een jaar geen noten te dragen. Het is hem onmogelijk om het botten, ontbolsteren, schaduw geven, bruinen en vallen van zijn bladeren eens een jaartje uit te stellen.

Zo’n twee jaar geleden verkocht mijn moeder ons ouderlijk huis. Ze ruilde het voor een appartement in Haacht, vlakbij het kerkhof waar Philippe begraven ligt. Over dat kerkhof worden soms grapjes gemaakt, maar bijgelovig is mijn moeder niet. Terwijl ze even in het ziekenhuis verbleef om een op hol geslagen hart te kalmeren, schreef ze zich alvast in voor de volgende reis met Okra.

Gisteren kon ik me niet meer houden. Ik moest onze oude tuin nog eens zien. Langs de nieuwe verkaveling achter ons huis kon ik er alleen nog een glimp van opvangen. De tuin is sinds kort helemaal door andere tuinen ingesloten. Heel de buurt van ons ouderlijk huis is daarmee verkaveld. Vandaag is Haacht een verkavelingsgemeente met meer dan 15.000 inwoners geworden, een toename van haast 50 procent in vergelijking met het begin van de jaren zeventig.

Achteraan in de tuin stond de serre nog en het oude kippenhok. Boven het tuinhuis zag ik kale takken in de blauwe lucht grijpen. Onze notenboom komt straks weer tot leven. 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | 1 reactie

Het zeemansboekje

Op 10 december 1956 leverde de Koopvaardij en Zeevisserij van het Koninkrijk België het eerste en enige Zeemansboekje af aan mijn vader. In mooi gekrulde letters en zwarte inkt heeft hij de verplichte identificatiegegevens ingevuld. Bij de opruim van mijn ouderlijk huis kwam het als een relikwie uit de kast.
Lees verder

Geplaatst in familie, geschiedenis, Haacht, liefde, reizen | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Hoe Leopold II zijn Vrijstaat kwijtspeelde en een verrader held kon worden

In “De droom van de Ier” maakt Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa een geromantiseerd portret van Roger Casement, een Ier die als een van de eersten de massale uitbuiting en wreedheid in Congo Vrijstaat aan de kaak heeft gesteld. Door de aanhoudende kritiek op Leopolds bewind moest de vorst zijn privéstaat overdragen aan België.
Lees verder

Geplaatst in cultuur, geschiedenis | Tags: , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Op veldtocht tegen de slavenhandel

Naast het sedert de onthanding historisch zeer betekenisvol geworden beeldhouwwerk van de gebroeders Courtens aan de Drie Gapers in Oostende, bevindt zich nog een merkwaardige bronzen plaquette. Ze bewijst eer aan Aristide Doorme, een in 1905 overleden officier, omschreven als de “Held der veldtochten tegen de Arabieren en de Batetelas”.

Van die veldtochten hebt u wellicht nog nooit gehoord, nietwaar? Wel, het zijn militaire campagnes die Leopold II in de Afrikaanse jungle liet ondernemen tegen Arabische slavenhandelaars. Het was één van de drie beloften van Leopold II die David Van Reybrouck aanhaalt in zijn onvolprezen meesterwerk Congo, een geschiedenis, op grond waarvan onze baardigste vorst in 1885 Congo als privéterrein verwierf.

Aan België beloofde de koning nooit geld te vragen voor zijn persoonlijk project in Afrika. En aan de Conferentie van Berlijn beloofde hij twee dingen: in Congo de vrijhandel te respecteren en de slavenhandel te bestrijden. Zo’n vijf jaar later, toen de vorst quasi bankroet was door de investeringen die hij in de infrastructuur van zijn Vrijstaat Congo had moeten laten uitvoeren, verbrak hij twee van die beloften.

Hij smeekte België om geld en dwarsboomde de vrijhandel waar hij maar kon. Dat laatste deed hij door alle Congolese grond die niet verbouwd of bewoond werd eigendom van de Vrijstaat te noemen, inclusief de ondergrond en de dieren en planten erin, erop of erboven, die soms lucratieve handelswaar opleverden, neem nu koper, ivoor of rubber. Die nationalisatie betrof zo’n 99% van het grondgebied. ‘Een pygmee die een olifant schoot en de slagtanden verkocht, voorzag niet langer op legitieme wijze in zijn onderhoud, maar beroofde de staat’, schrijft Van Reybrouck.

Aan de belofte om de slavenhandel te bestrijden, hield Leopold II zich wel. Volgens Van Reybrouck verschafte die hem een ideale dekmantel voor zijn expansiedrift. De krijgsverrichtingen tegen de slavenhandelaars concentreerden zich in Katanga, Oost-Congo en Zuid-Soedan. Eerst werd Katanga, het rijk van zo’n slavenhandelaar, vrij makkelijk veroverd. Leopold liet daar haast mee maken omdat hij wist dat de Brit Cecil Rhodes vanuit Zuid-Afrika ook zijn oog op Katanga had laten vallen, met de bedoeling om de Engelse koloniale bezittingen in Afrika aaneen te rijgen van de Kaap tot Kaïro.

De strijd om de andere gebieden was geen wandeling in Leopolds park. Zeker die om Zuid-Soedan. Leopold was betoverd door de Nijl, na zijn huwelijksreis naar Caïro in 1855. Als hij Zuid-Soedan zou kunnen veroveren, bedacht hij, zou hij de bovenloop van de Nijl controleren. Een regio die rijk aan ivoor heette te zijn. Leopold zette enkele expedities op touw, geleid door Belgische officieren, onder wie de Oostendse held Aristide.

Een leger van zwarte miliciens

Al die expedities mislukten. Dat kwam vooral omdat de soldaten van de Force Publique, het leger van de Vrijstaat dat bestond uit blanke officieren en zwart voetvolk, massaal aan het muiten sloegen. In de Vrijstaat had Leopold een nogal middeleeuws systeem van gedwongen rekruteringen ingevoerd voor zijn privéleger, de Force Publique.

De dorpshoofden en de missieposten moesten allemaal enkele jonge mannen afstaan voor het leger, waar die dan zeven jaar militaire dienst moesten kloppen. Wie ooit in ons land verplicht was om zijn militaire dienst te doen, was afhankelijk van de periode, zo’n acht tot twaalf maanden milicien. En die herinnert zich wellicht dat niet elke dienstplichtige met volle overgave zijn diensten aan het vaderland leverde.

In Congo Vrijstaat dus ook niet. Bovendien namen de soldaten vaak hun vrouwen, kinderen en ouderen mee op veldtocht met de Force Publique. Die veldtocht mogen de ex-miliciens niet vergelijken met een of ander militair kamp in Elsenborn of Leopoldsburg. Op die jungletochten in Leopoldland was zelfs voor de troepen geen ravitaillering geregeld. Dus nam de bonte bende wat men nodig had in de dorpen die het leger passeerde, nog zo’n middeleeuws gebruik.

De soldaten van de Force Publique en ook de dorpen waaruit ze stamden of waar ze door trokken, waren op die manier allesbehalve bevrijd van de slavernij. Integendeel: de militairen werden ziek, ze geraakten ondervoed, ze waren nauwelijks getraind, sommigen vochten met een geweer, anderen hadden alleen hun speer.

Hoeft het te verbazen dat er in de Force Publique muiterij uitbrak? Vier jaar zou die opstand duren, aangevuurd door de Batetela, lees ik bij Van Reybrouck. Meer dan zesduizend soldaten en hulptroepen zouden zich tegen hun commandanten hebben gekeerd, waarbij er tien Belgische officieren vermoord werden.

De officieren, onder leiding van hun commandant baron Dhanis, traden daar toen ook wat strenger op dan de instructeurs en bevelhebbers van ons leger onder de dienstplicht, die stoute miliciens wel eens tien keer lieten pompen of ze zelfs een weekend in de kazerne durfden te houden. Veelzeggend was al de bijnaam van commandant Dhanis, Fimbo Nyingi, wat betekent: ‘veel zweepslagen’.

Wat niet wil zeggen dat alleen de zweep voor de zwarte soldaten een straf was. Ook aframmelingen en de dood door ophanging of executie waren op weg naar Zuid-Soedan schering en inslag. Dorpshoofden die zich weerbarstig gedroegen, dreigden levend te worden begraven, hun hoofd net boven de grond, indien mogelijk in volle zon of nabij een mierenhoop.

Was Aristide Doorme een van de vermoorde officieren op die onmenselijke veldtocht? Wellicht niet. De veldtocht was in 1905, toen Doorme volgens de plaquette in Oostende overleed, al stopgezet. Maar zekerheid hierover heb ik in de me onmiddellijk beschikbare bronnen niet gevonden. Wie meer over Aristide of de opstand van de Batetela weet, mag het me altijd signaleren.

Van Aristide Doorme heb ik alleen een spoor teruggevonden in La mutinerie militaire au Kasai en 1895, een rapport van Marcel Storme voor de Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen uit 1970 dat als pdf te googelen is. Doorme wordt erin vermeld als de commandant van het kamp van Kasongo, op de rechteroever van de Lualaba, één van de vier zones die een belangrijke rol zouden spelen in de strijd tegen de Batetela.

In Congo doet Van Reybrouck het relaas van de 92-jarige Martin Kabuya, een kleinzoon van zo’n recalcitrant hoofd uit een dorpje nabij de Soedanese grens, die hij in Kinshasa sprak. Ook Martins grootvader werd levend begraven. Alle kinderen van zijn opa, ook zijn vader, werden daarop door de gebroeders maristen meegenomen naar het internaat van Buta, zeshonderd kilometer meer naar het westen. Daar werd zijn vader op de missiepost katholiek, huwde er en kreeg drie kinderen. Martin was van het gezin de laatste overlevende.

Het vaderland dienen, beschaving brengen en het geloof verspreiden, het waren harde stielen in de tijd van Leopolds Vrijstaat.

Geplaatst in geschiedenis, vrije tijd | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Onthanding in Oostende

Op winterwandel met Marianne in Oostende viel er heel wat te bekijken. De toeristische dienst verwende de vele bezoekers met een boeiend Valentijnsprogramma. Oostende kreeg wellicht nog niet eerder al half februari zoveel toeristen op bezoek. Op de dijk, op het strand, in de winkelstraten, langs het parcours van The Crystal Ship of aan en in de vele andere publiekstrekkers en attracties die er ondanks corona te genieten vielen, het zag er zwart van het volk.
Lees verder

Geplaatst in Brussel, cultuur, geschiedenis, vrije tijd | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen