Langs de Leuvense vaart

De eerste auto die me vlak voor zonsopgang kruist, heeft een Nederlandse nummerplaat en zit vol jongens en kampeergerei. Nog zo’n honderd jongeren zullen hen volgen, in volgestouwde wagens met op dit uur al lachende gezichten, langs de weg die van Tildonk-brug over Wespelaar en Haacht naar Werchter loopt. Aan Wespelaar-station, waar ik mijn fiets stal, kijk ik op mijn horloge. Het is 5.40 u. Ik haal een flinke pas uit mijn mars, en zet koers naar Mechelen.

Als je te voet reist, ben je veel opmerkzamer. In Wespelaar hangen aan één huis liefst vier Belgische vlaggen. Zou er een zware drinker wonen? Ik zie eerst de gevels van een bedrijfsgebouw zacht oranjeroze oplichten vooraleer de zon zich verheft aan de horizon boven het containerpark, gloeiend als een sinaasappel. Ik begeef me naar Tildonk-Brug om langs het kanaal Leuven-Dijle, zoals de Leuvense vaart officieel heet, naar het station van Mechelen te wandelen.

Over het kanaal zweven dekens van mist van de ene oever naar de andere. De Leuvense Leuven---dijlevaart is een van de oudste van België. Keizerin Maria Theresia verleende einde januari 1750 bij octrooi de toelating om het te graven. Dat ging toen veel vlotter dan de huidige grote openbare werken, om de Oosterweelverbinding niet te noemen, zou je denken. Wel, dat klopt niet helemaal. Ja, de eerste spadesteek volgde al een tiental dagen later in Wilsele en in december 1752 werd de grote gracht gevuld. Maar omdat er oorspronkelijk slechts twee sluizen waren ontstonden er overstromingen. Dijken moesten hoger en er kwamen sluizen bij. In 1763 werd het kanaal in gebruik genomen.

Het verwondert me hoeveel voor hoeveel drukte de watervogels op en rond het kanaal zorgen, met tientallen eenden, meerkoeten, waterkiekens, kokmeeuwen, ganzen, blauwe reigers en futen. Van achter me zoeven me in het eerste stuk, tot aan Kampenhout-Sas, slechts enkele fietsers voorbij. Hoe hoger de zon aan de hemel staat en hoe dichter bij Mechelen, hoe drukker het op het jaagpad wordt. Nog vóór Kampenhout-Sas spelen op een reusachtig pas gemaaid graanveld enkele hazen tikkertje, tot ze, hun oren als antennes in de lucht, stil staan om me te vorsen als een koe een trein. Hoe lang is het geleden dat ik nog eens hazen vrij hun pad zag kiezen?

Vanuit de verte zie ik het grote gebouw van waaruit de bruggen op het kanaal worden bediend. Op de achtergrond hoor ik het verkeer razen langs de al drukke steenwegen die elkaar in Kampenhout-Sas kruisen. Daar bovenuit torent snel de bedrijvigheid van de afvalverwerkers op het industrieterrein. De sluis aan Kampenhout-Sas, of beter, alle vijf sluizen op het kanaal, mag je tegenwoordig niet meer oversteken. Als kind deed ik dat vaak. In de lange zomervakantie gingen we de sluiswachter in Kampenhout helpen om de boten te versassen, soms kregen we dan van de schipper vijf frank fooi.

Net niet onder de brug van Kampenhout-Sas staat een huis met een vlaggenmast in de voortuin. Een geelzwarte leeuw klauwt in de top. Aan een venster op de bovenverdieping hangt een Belgische vlag. Of nee, ik vergis me, het is een Duitse. Woont er nog een overlever van de DeVlag, de Duits-Vlaamse Arbeidsgemeenschap uit de collaboratiegeschiedenis?

Ik vergeet te speuren naar de sporen van de oude Trambrug uit mijn jeugd, waaronder we met de jongverkenners woudloperskeuken deden als het regende en van waarop durfallen in de hondsdagen het verfrissende water in doken. Even verder klauwt onzichtbaar in een bos een pauw en reppen zich vier Canadese ganzen van het jaagpad het water in, alsof ik hen kwaad zou durven berokkenen. Ik passeer eindelijk eens langs De Wilg, een taverne en restaurant waar nogal wat van mijn kennissen tijdens een fietstochtje graag verwijlen.

Aan de overkant van het kanaal zie ik een gemeentebordje staan met Boortmeerbeek op. Ik verwacht op het bordje dat ik aan mijn kant van het kanaal zie maar nog niet kan lezen omdat het op het tegemoetkomend verkeer is gericht de gemeentenaam Kampenhout, maar die verwachting komt niet uit. Er staat ook Boortmeerbeek op, met een streep erdoor. Voor wie uit Mechelen de vaart volgt wacht na Boortmeerbeek een niemandsland. Ver weg schemert de Sint-Romboutstoren zoals Monet hem zou schilderen.

De weg loopt verder langs het Sas van Boortmeerbeek en de Sasbrug waar de Langestraat overgaat in de Pontstraat. Ik zet mijn weg verder langs de Vaartdijk. Ik gniffel als ik de achtertuin herken waar een Gwenny’tje de recreanten en fietsers langs het jaagpad trachtte te verleiden. Toen het bordenploegje waarvan ik op de verkiezingsdag deel uitmaakte het ronde bord kwam weghalen, trakteerde de liberale villabewoner ons op zijn terras met zwembad op een koele pint.

Op een plaats tijdens mijn wandeling die ik me niet meer herinner merk ik dat aan het eind van de kanaalstreep naar de horizon de Sint-Rombouts weggezakt is. In de plaats van de reus steekt een okergeel kerkje zijn spits boven de einder: de Sint-Jozef-Colomakerk. Liep ik dan al rechts langs het kanaal, dat ik wegens werken om de oevers te verstevigen ben moeten oversteken, ik vermoed aan de Hellebrug in Schiplaken?

Het fietsverkeer wordt van langsom drukker en elektrischer. De fietsers laten zich niet van hun aangenaamste zijde zien. De meesten groeten niet, ze staren star naar de verte, rochelen op enkele meters voor de trage wandelaar met rugzak en bergschoenen ongegeneerd een fluim in de berm of houden hun menselijkheid verborgen achter de spiegels van hun zonnebril. Er is aan het Stamkroegske aan Hofstadebrug blijkbaar een verbodsbord nodig om de onbeleefderiken ervan te weerhouden met hun fiets het terras te betreden.

Met een reuzenkoptelefoon over haar oren komt een meisje enkele honderden meters voorbij de brug luid zingend aangepeddeld. Op tien meter stokt plots haar stem en krijgt haar gezicht vijftig tinten rood. Daarom vind ik haar wel sympathiek. Wat verder kruis ik de enige andere voetganger die zo vroeg op pad is, een angstig wegkijkende man die zijn harige hond uitlaat.

Vanaf nu gaat het snel vooruit. Links ligt het Blosodomein van Hofstade verborgen. Ik passeer onder een treinbrug langs de Planckendaelkaai. De toegang tot het domein rechts is natuurlijk gesloten. Maar wat een gekras en een gekraai klinkt op vanuit het bos met de wilde dieren in een kooi. In een gat tussen de bomen verschijnt als bij wonder een vlek roze flamingo’s. Ik herken de apentoren en een stalen wandelpad hoog in de bomen, van toen de kinderen nog klein waren en we een abonnement hadden voor het dierenpark. Plots een azuren flits over het water, met een oranje glinstering: een ijsvogeltje maakt de dag nog mooier.

Na een lichte bocht in de weg doemt in de verte de grote spoorbrug aan het station van Mechelen op. Nog de Sint-Jozef-Colomakerk voorbij, die er veel robuuster uitziet dan ik eerder geringschattend had gedacht en ik kan via een enorme parking afslaan naar het station, waar ik me om 8.20 u tussen de pendelaars een vreemde eend in de bijt voel.

Met een door mijn rugzak bezwete rug zit ik op de trein van 8.24 u naar Brussel. Mijn voeten doen geen pijn maar mijn linkerzool voelt toch wat verhit aan. De nieuwe bergschoenen die ik me gisteren in de solden heb aangeschaft en waarvan de reclame zegt dat ze bijzonder geschikt zijn voor meerdaagse tochten in het hooggebergte, voldeden langs het vlakke kanaal aan de verwachtingen. Volgende week wacht een dubbel zo lange dagtocht langs de Semois met Winke. Ik zal haar toch maar nog eens waarschuwen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s