Met Ward in de boshut (2)

De boshut waar we een nachtje zullen verblijven, heeft al een lange geschiedenis achter de rug. De hut werd gebouwd door de vader van Ward en een goede vriend, vermoedelijk in de jaren zeventig. Ze trokken zich er regelmatig met nog andere vrienden terug om te schaken of te kaarten. De houten wanden van de hut zijn getooid met de affiches van Lineart, een kunstbeurs die Ward jaren geleden mee organiseerde.

Rond de hut liggen stapels stookhout. Er is ook een vijver met een aanlegsteiger. Ward heeft er als kind nog gezwommen en in rubberbootjes gevaren. De hut heeft een mooi terras dat uitzicht geeft op de vijver. Het hout van dat terras is gevaarlijk glad na een regenbui.

De vijver is momenteel bruin van de algen. Af en toe landen er eens eenden in of komt een reiger een visje jagen. Tot twee keer toe spotten we een ijsvogeltje dat ook een kijkje komt nemen naar die twee rare snuiters op het terras. Voor het geval dat het nodig zou zijn, troont Ward me eerst nog mee naar het toilet, dat zich een vijftigtal meters verder in het bos bevindt. Het hokje is een beetje scheefgezakt. Je moet je op het toilet zittend een beetje plooien naar die scheve houten wanden. Er staat een oude wc-pot in het hokje, die op een ijzeren plaat rust waar een gat in is gemaakt om de ontlasting in een put te laten vallen. Een spoelsysteem is er helaas niet, maar er is wel voldoende WC-papier voorhanden. Soit, Ward en ik hebben jaren geleden op scoutskamp leren wennen aan een “hudo”, een afkorting van ‘houd uw darmen open’.

Na de exploratie van het toilet begint Ward het voorgerecht klaar te maken, meloen met parmaham. Terwijl mijn vriend ons diner voorbereidt, beginnen we stilletjes aan de jenever van passievruchten op te drinken. Daarbij serveert Ward ons voorgerecht op houten borden. Hij heeft ook nog een boel vlees mee om te braden op de barbecue. Het is mijn taak om het vuur aan te steken en voldoende houtskool te maken om het vlees goudbruin te bakken. Dat lukt me aardig, er ligt voldoende droog aanmaakhout. We gooien er enkele dikke houtblokken bij en na nog een tijdje aperitieven proeven we de rode wijnen.

In afwachting dat er genoeg houtskool is geproduceerd om het vlees te bakken, maakt Ward ruimte in de hut om onze slaapzakken en matjes uit te rollen voor de nacht. Er is geen elektriciteit in de hut, maar er hangt wel een kandelaar waarin we de boel met wat kaarsen kunnen verlichten.

We bakken het vlees op een stevige rooster die we boven het vuur plaatsen. Het eten is verrukkelijk, de wijnen zijn lekker en we onderhouden elkaar met betogen over onze voorgeschiedenissen, onze politieke overtuigingen, waarin we al vele jaren blijvend van mening verschillen zonder ruzie te maken. En de sterren staren teder.

’s Morgens sta ik op met diarree. Gelukkig niet al te zware, maar ik moet toch enkele keren gebruik maken van het scheefgezakte toilet. Zou het kunnen liggen aan die houten borden en het lichtbruine water uit de pomp? Het gaat gelukkig over na een lekker ontbijt met ons brood uit het woonzorgcentrum.

Als alles netjes opgeruimd en ingepakt is, verlaten we de boshut en beginnen we onze terugreis, opnieuw een kilometer of vijftien wandelen. De wandeling begint onder een stralende zon. We lopen aanvankelijk langs een deel van het parcours van de stamdropping van twee jaar geleden, die in Holsbeek langs de Chartreuzeberg en het kasteel van Horst liep. Maar nu wenden we de steven naar de andere richting, langs de weiden, bossen en velden waar Ward nog wat familie heeft wonen, naar de brug over de autosnelweg. Kort daarna slaan we rechts een overwoekerd pad in dat ons door manshoge varenpartijen tot in het Wingepark brengt.

Van daaruit volgen we even de Aarschotsesteenweg en lopen we de Abdijlaan in langs het Montfortanencollege. Wat verder stappen we de spoorweg onderdoor en volgen we een tijd de Winge naar de Steenweg op Wezemaal, waarna we aan de achterkant van de Plas in Rotselaar belanden. Daar dwingt een onweer ons om onze regenkledij aan te trekken en onze rugzak te overkappen. Terwijl we langs de Plas wandelen horen we de redders waarschuwen voor bliksems en donderslagen. Iedereen moet het zwemwater verlaten. Als we aan de Sportcafé Ter Heide arriveren, komen we doornat de cafetaria ingedropen. Daar consumeren we nog een biertje terwijl onze kleren de kans krijgen een beetje te drogen.

Van de Plas nemen we het pad dat ons naar de Demer leidt. Op de Demerdijk slaan we af naar Werchter, waar we een bezoek brengen aan de moeder van Ward. Ze heeft een heleboel goede bieren uit haar koelkast getoverd en serveert ons daar bovenop nog een lekkere croque-monsieur. Van Werchter naar Wakkerzeel stappend langs de achterkant van het festivalterrein worden we nog eens verrast door een striemende regenvlaag, maar kort daarna lopen we Wakkerzeel binnen, waar onze auto’s nog op de parking van de Pastorie staan en we mekaar een goede thuiskomst wensen.

Geplaatst in natuur, politiek, vriendschap, vrije tijd, wandelen | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Met Ward naar de boshut in Holsbeek

Eindelijk is het er van gekomen: een tweedaagse wandeling van alles samen ruim dertig kilometers van aan de Pastorie in Wakkerzeel tot aan een boshut in Holsbeek. In Wakkerzeel laten we onze auto’s achter en gaan we op tocht. Ward had me al meerdere keren gevraagd om eens met hem naar de boshut van zijn vader te trekken, te voet of per fiets, hij liet de keuze aan mij. Aangezien ik mocht kiezen, vertrekken we te voet.

We hebben allebei wel een redelijk zware rugzak mee. Ward zou voor het eten zorgen, ik voor het drinken. Toen ik hem vroeg wat hij zoal wil drinken bij ons avondmaal, wist hij goed wat hij wilde: een fles rode wijn, een fles witte, een fles rosé en een aperitiefje of degustiefje. Dat vond ik nu net allemaal een beetje teveel alcohol om op een avond op te drinken. Dus hield ik het bij twee flessen rode wijn en een halve liter fruitjenever.

Met de app van wandelknooppunten zette ik twee wandelingen van iets meer dan 14 kilometer uit. Eentje om naar de boshut te gaan en een tweede om ’s anderendaags langs een andere route terug naar Wakkerzeel te stappen. We zijn nog geen vijfhonderd meter onderweg op de Dijlekant, waar de Leibeek naast loopt, of we zien tegen de bosrand zo’n honderdvijftig meter ver een hinde en een jong reetje grazen. Ik haal meteen mijn verrekijkertje boven. Na enkele minuten krijgen de reetjes ons in de gaten en verdwijnen ze in het kreupelhout.

We volgen de Dijlekant tot we Strijland inslaan, een onverharde weg die ons naar de Achterheidestraat leidt. Van daar gaan we rechts de Kapoenstraat-landweg in, die in de Kapoenstraat uitmondt. Zo lopen we via de Vijfde Liniestraat Rotselaar in. Daar grijpt Ward zijn kans om me het verhaal te vertellen over een veldslag tijdens de Eerste Wereldoorlog, waar op één dag meer dan driehonderd Belgische soldaten sneuvelden.

Tijdens zijn verhaal begint het zachtjes te regenen. We kunnen er aan de herdenkingsplek gelukkig onder de bomen schuilen. Eens we aan de molen van Rotselaar twee keer de bruggen over de Dijle-armen zijn overgestoken, heeft Ward het verhaal van de Slag om Rotselaar verteld en was het regenen alweer gestopt.

We wandelen de Molenstraat uit tot de route ons rechts laat afslaan naar de Kwellenbergstraat, die ons naar de Hamelbroekweg voert, langs de Dijlekant. We blijven de rivier een heel stuk volgen maar verlaten ze weer terwijl we nog steeds op het Hamelbroekweg lopen, die ons naar de Durasstraat brengt. Zo lopen we Wilsele-Putkapel binnen. Onderweg zijn we twee lege broodautomaten gepasseerd. In Wilsele-Putkapel hopen we een bakkerij te vinden, want we moeten nog een brood vinden voor de volgende ochtend.

Op de Aarschotsesteenweg vinden we een bakkerij waarvan de deur open staat. Brood zien we er niet direct liggen en de bakker vertoont zich al evenmin. Na voldoende hard geroepen te hebben, komt er toch iemand poolshoogte nemen. De bakkerij is eigenlijk gesloten, zegt de jongeman die ons te woord staat. Hij heeft de voordeur open laten staan om voor wat verluchting te zorgen bij het zweterig weer. Bij de AD Delhaize in het dorp kunnen we ook al niet terecht voor een brood, want maandag is er de sluitingsdag.

We passeren de sporthal en vinden een pad langs de spoorweg. Daar zien we een bank staan, net wat we nodig hebben om onze picknick aan te spreken. We houden een mooi uitzicht op het zwembad. In het water zijn een heleboel jonge en oude dames onder de leiding van een energiek bewegende instructeur die zelf op het droge blijft, aan het aquagymmen. Wij doen alvast ons best om er niet als oude geilaards uit te zien.

Dus gaan we direct na ons middagmaal weer op stap langs de spoorweg, waar we links afslaan in de Daalputstraat en de brug over de A2 oversteken. Zo belanden we in het Gasthuisbos, waar we langs een onverhard pad een heleboel kleine poelen en vijvertjes voorbijlopen zonder natte voeten te krijgen.

Via de Gebroeders Van Tilststraat passeren we de Sint-Mauruskerk en steken we de Rotselaarsebaan over. Daar zien we de Sportschuur liggen. Helaas is ook daar de cafetaria gesloten. Onderweg passeren we een vrouw van middelbare leeftijd die haar hondje uitlaat. We vragen of er in het dorp nog een bakker open is. Ze denkt van niet, want het is immers al namiddag. Maar enkele straten terug zou de broodautomaat van de bakker wel nog broden hebben. Terwijl Ward wat uitrust op het terras van de gesloten cafetaria van de Sportschuur rep ik me naar de broodautomaat. Helaas, brood genoeg in voorraad, dat zeker, maar de automaat is defect.

Ik keer dan maar weer terug naar de Sportschuur, waar Ward zit te wachten. Onderweg vraag ik aan een dame die ik kruis of er in Holsbeek dan echt geen enkel café noch bakker op maandagnamiddag geopend is. Helaas, helaas, antwoordt ze. Tot er haar een lichtje opgaat. Maar jullie kunnen altijd wel terecht in het woonzorgcentrum, zegt ze. Ze is zelfs zo vriendelijk om ons de weg te wijzen.

Aan het onthaal van het woonzorgcentrum vragen we vriendelijk of we met onze rugzakken en bezwete kledij binnen mogen om onze dorst te lessen. Geen enkel probleem, verzekert de onthaalbediende ons vriendelijk. Gretig zetten we ons neer in de cafetaria, waar net de verjaardagen worden gevierd van de bewoners die in juli jarig zijn. Ze zijn herkenbaar aan het papieren hoedje op hun hoofd. Twee vrij jonge medewerksters dragen ook een hoedje en zorgen voor de animatie van het verjaardagsfeest. Intussen hebben wij al elk een biertje besteld. Tegenwoordig moet je dus naar de cafetaria van woonzorgcentra trekken om tegen zeer democratische prijzen te kunnen kiezen uit een grote keuze aan sterke bieren.

Als onze bieren schuimend voor ons staan, komt een of andere leidinggevende van het woonzorgcentrum even kennis maken met die twee rare snuiters die op het verjaardagsfeest binnengevallen zijn. We vertellen dat alles was begonnen met het gebrek aan brood onderweg. Daar wil hij wel een mouw aan passen. Hij stelt voor om ons aan de democratische prijs van de broodautomaat een brood te verkopen. Daar stemmen we meteen mee in. Zo zullen we de volgende ochtend toch kunnen ontbijten! Welgezind verlaten we het woonzorgcentrum en richten we eindelijk onze inmiddels vermoeide schreden naar de boshut.

Een verjaardagsfeestje in het Woonzorgcentrum, met een feestelijk biertje!

Geplaatst in geschiedenis, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , , | Plaats een reactie

Langs de Compostellaroute van Maubeuge naar Saint-Quentin (5)

We zijn op de laatste stapdag van onze driedaagse weer meer dan 30 kilometers onderweg naar Saint-Quentin. Aangezien ik na onze aankomst in die stad met een kathedraal mijn notaboekje niet meer heb aangevuld, moet ik nu hier en daar wat improviseren.

We verlaten Bohain-en-Vermandois langs een pad dat ons langs een beek leidt die onder de spoorweg doorloopt. Van daar volgen we een track door de glooiende velden en bossen van Noord-Frankrijk. We speurden de horizon af om van kerktoren naar kerktoren te wandelen en rijgen de gehuchten langs de Compostellaroute aan elkaar.

Een van de hoogtepunten van de laatste wandeltocht is ons bezoek aan de bronnen van de Somme. Ik dacht dat we het water ergens van uit de grond zouden zien komen, maar dat was een vergissing. Wat ze in het gehucht Fonsomme de bronnen van de Somme noemen, is een vijver die gevoed wordt door een stevig uit de kluiten gewassen beek met erg koud water dat ergens van onder een duiker tevoorschijn vloeit.

De bronnen van de de Somme hebben een toeristisch kleedje aangetrokken, met mooie wandelpaadjes, een keurig afgereden grasperk, wat afgeboorde wandelpaadjes en natuurlijk een parking voor de toeristen. Er staat nog een hokje dat gesloten is en waarvan we dus het nut niet kunnen doorgronden. Onze hoop om eens iets anders dan water te kunnen drinken was daarmee gesmoord.

Aan het vijvertje dat voor de bronnen van de Somme doorgaat, waren we niet de enigen die pootje baadden in het water. Twee jonge vrouwen speelden met een hond aan de oever van het water. Ze experimenteerden met een drone en lieten de hond erachteraan hollen. Wij maakten van een rustpauze gebruik om even onze botinnes uit te trekken, onze drinkflesjes aan te spreken en een snack die nog in onze rugzakken zat te verorberen. In de zon op het gras was het al lekker heet.

Achter het parkje van de bronnen volgen we de Compostellaroute langs een beek. We komen in een gebied met diverse kanaaltjes, vijvers en beken met veel groen en bos. We spotten er een specht, een stel eenden en een reiger. Enkele kilometers verder belanden we weer tussen de velden. Op een pad onder een hoogspanningslijn eten we onze picknick op.

Het landschap blijft langs het Compostellapad hetzelfde: op de grote glooiende velden lopen we weer langs reusachtige herenhoeves met enorme schuren en stallingen. Brede stroken groene hagen bakenen de landbouwpercelen af. Tussen de velden geselen tracks van granieten stenen onze voetzolen. Alleen reusachtige tractoren met een oplegger voor de balen kunnen er makkelijk over rijden.

Wanneer we aan een veld met grote windmolens komen, zien we voor het eerst in de verte de kathedraaltoren van Saint-Quentin. We passeren nog enkele gehuchten en straten met triestige, eenvoudige en kleine huurwoningen tot we aan de eerste huizen van Saint-Quentin komen, waar we op een geopend café stuiten. Daar kunnen we niet zomaar aan voorbijgaan. In de kroeg zitten vier klanten hun dorst te lessen, want buiten is het te warm. We kopen er twee blikjes ijskoude cola, want ons resterend water is al lang niet meer koel. Bart kijkt eens op zijn wandelapp en schat dat we nog een vijftal kilometers langs het kanaal van Saint-Quentin moeten stappen vooraleer we in de stationsbuurt arriveren.

Op een halve kilometer van het station passeren we een strand met een grote zwem- en roeivijver. Op het strand staan speeltuigen en minstens één grote cafetaria. Het lijkt wel Hofstade plage, maar het complex werd Plage d’Etang d’Isle gedoopt. Voorbij de vijver zien we in de verte het station liggen.

Even aarzelen we of we ook nog naar de uit de middeleeuwen stammende Sint-Quintinusbasiliek van Saint-Quentin zullen stappen, wat we eigenlijk moeten doen om onze stempel te halen, maar die kerk laten we voor wat hij is. Onze volgende etappe op de Compostellaroute zal immers in Saint-Quentin starten, dan hebben we nog een kans om ons stempelboekje aan te vullen.

We besluiten eerst onze treintickets naar Maubeuge te kopen. Daarna gaan we nog een pint drinken op het terras van een café zonder klanten. Paix Dieu heeft de uitbaatster niet, maar Karmeliet wel. Het is er duurder om op het terras een consumptie te gebruiken dan binnen te zitten. Goed op tijd belanden we terug in het station van Saint-Quentin om de trein naar Maubeuge te nemen.

Het ticketje om de gratis parkeergarage binnen te geraken vind ik niet in mijn portefeuille, het zal dus nog op het dashboard van mijn wagen liggen, hoop ik in stilte. In Maubeuge hebben we een strategie bedacht om toch zonder ticket de garage in te geraken: terwijl ik aan de voetgangersingang aan de parlofoon iemand aan de lijn probeer te krijgen, trekt Bart gewoon aan de toegang voor de wagens de wacht op tot een auto de poort binnenrijdt en hij mee binnen kan glippen. Maar voor dat gebeurt, krijg ik een man aan de parlofoon zo vriendelijk om de voetgangersdeur voor mij open te maken. Anderhalf uur later zet ik Bart af in Wakkerzeel.

Geplaatst in Compostellaroute, reizen, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , | 1 reactie

Langs de Compostellaroute van Maubeuge naar Saint-Quentin (4)

In de Chambres d’hôtes La Maison du Parc de Papidan in Bohain-en-Vermandois, een uit de kluiten gewassen dorp van zo’n zesduizend inwoners, heerst wat chaos. Een man van middelbare leeftijd laat ons binnen. In het mooie huis staan, zitten en liggen een hoop jonge lieden. Eentje staat te slapen in de salon, anderen zitten in de tuin, in de eetplaats of op een slaapkamer, waar een groepje jongeren van verschillende leeftijden zich creatief bezighoudt met stiften, kleurpotloden en verf.

De man die ons verwelkomt, excuseert zich meteen. Normaal gesproken, zegt hij, houdt mijn dochter zich bezig met de B&B. Helaas is ze nu met vakantie. Nu moet ik het hier allemaal regelen. Hij zucht eens. De B&B heeft voor die nacht nochtans maar drie gasten, wij zelf en een assertieve Nederlandse dame van halverwege de zestig.

Wat mijn broer meteen gezien heeft, is dat er in de tuin een cirkelvormig zwembad staat opgesteld. Je moet met een trapje over de rand klimmen om te genieten van het verkoeling brengend water. Thuis hebben wij een gelijkaardig opzetzwembad. Het is intussen alweer afgebroken.

Onze gastheer neemt ons mee naar de bovenverdieping, om er ons onze kamer aan te wijzen. In het piepkleine kamertje staan twee éénpersoonsbedden. Tussen de muur en het voeteneind van de bedden is de afstand 25 centimeter. Onze rugzakken zetten we in een hoek van de kamer, om ruimte te winnen, want als we ze achter het voeteneind van de bedden zouden plaatsen, zouden we altijd over elkaars bedden moeten klimmen.

De gastheer toont ons ook het toilet en de badkamer. Het toilet ligt helemaal aan het einde van de linkerkant van de gang. De badkamer, die bestaat uit een wastafel en een kleine douche, ligt helemaal aan de rechterkant van de gang.

Het zwembad in de tuin geeft mijn broer inmiddels grote kriebels om te gaan baden. Hij belandt in het water naast de Nederlandse vrouw. Ze raken in een geanimeerd gesprek verwikkeld, want de vrouw heeft al meer ervaring met de Compostellaroute dan wij. Zij vertelt honderduit over haar wandelavonturen. Zo heeft ze bijvoorbeeld al de Caminho Português gelopen, van Porto naar Santiago de Compostela.

Niet voor niets heeft de vrouw die variant gekozen, zegt ze, want die route loopt langs de zee. Je kan dan altijd even uitrusten om een tijdje te zonnen of te zwemmen. Die Caminho Português staat bekend als de makkelijkste bedevaartroute naar Compostella.

Pas na een kwartier, na mijn stortbad, klim ik ook in het ronde zwembad. Bart en de Nederlandse zijn nog steeds niet uitgepraat. De vrouw vertelt dat ze speciaal naar Bohain is gekomen voor Matisse, een beroemde Franse schilder. Op Wikipedia lees ik dat deze Franse kunstschilder, graficus en beeldhouwer samen met Pablo Picasso beschouwd wordt “als een van de meest invloedrijke en vernieuwende kunstenaars van de 20ste eeuw”.

Matisse bracht zijn jeugd door in Bohain-en-Vermandois, een dorpje vlak bij zijn geboorteplaats Le Cateau-Cambrésis, waar zijn ouders handel dreven in graan en drogisterij. In 1952 schonk hij 82 werken aan zijn geboortestad Le Cateau-Cambrésis, waar een museum voor hem werd opgericht. In Bohain-en-Vermandois is er geen specifiek museum aan hem gewijd. Er staat wel een Maison de Matisse en in de Rue de la République werd er een school naar hem genoemd, het Collège Henri Matisse.

Wat de Nederlandse niet vertelde, was dat zij vlak voor onze neus met onze kamer was gaan lopen. Mijn broer had immers de kamer gereserveerd waar zij was ingetrokken. In die kamer waren er naast twee ledikantjes ook een privé stortbad en een toilet aanwezig. Toen hij dat in het snotje kreeg, ging mijn broer verhaal halen bij de reserve-gastheer. De man bood ons dan maar een korting op de huurprijs aan. Hij was ook zo vriendelijk om ons de weg te wijzen naar de Borsalino, een pizzeria, niet zo goed als Gio in Maroilles, maar toch ook best te pruimen. Al was het frambozenijs er niet zo lekker als het zelfgemaakt frambozenijs van Marianne. Tripadvisor plaatste de Borsalino op de 4de plaats van 13.

Frambozenijs! Maar het zelfgemaakt frambozenijs van Marianne is beter…

’s Ochtends bij het ontbijt had de invaller-gastheer flink zijn best gedaan om ons een uitstekend ontbijt te serveren. Hij had zelfs croissants en chocoladebroodjes in huis gehaald. Daar bovenop gaf hij ons nog een goede raad vooraleer we het pand zouden verlaten om naar Saint-Quentin te stappen: neem voldoende water mee. Het zou weer een heel hete dag worden, zei hij, en hij voegde daar aan toe dat er tussen Bohain-en-Vermandois en Saint-Quentin geen cafés, winkels of andere neringen te vinden zijn waar je wat te drinken kan kopen. Daar hadden we na twee stapdagen al niet meer op gerekend. Met al onze drinkbussen en plastieken flesjes gevuld, vatten we de laatste etappe van onze driedaagse aan: naar Saint-Quentin. Het zou alweer een hete en zware dag worden.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | Plaats een reactie

Langs de Compostellaroute van Maubeuge naar Saint-Quentin (3)

Inschrijven om verder te lezen

Abonneer je om toegang te krijgen tot de rest van dit bericht en andere inhoud voor abonnees.

Geplaatst in Compostellaroute, familie, reizen, vriendschap | Tags: , , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Langs de Compostellaroute van Maubeuge naar Saint-Quentin (3)

Langs de Compostellaroute van Maubeuge naar Saint-Quentain (2)

Redelijk stinkend bezweet en verregaand vermoeid bellen we aan bij de Chambres d’Hôtes Vert Bocage in Maroilles. Een Franse vrouw van middelbare leeftijd opent de deur. Marie-France Vilbas, zo heet onze gastvrouw, lees ik op de naamkaartjes die we later die avond zullen meenemen. Marie-France is een rot in het vak. Ze baat al meer dan twintig jaar de tot Chambres d’Hôtes verbouwde hoeve uit.

Gelukkig trekt ze geen neus op voor de stinkerds die ze nu moet ontvangen. Ze had ons al verwacht, zegt ze. Zet jullie stokken maar in het rek, zegt ze nog. Die stokken moeten daar tijdens ons verblijf blijven staan. We vertellen over onze lange wandeling van Maubeuge langs de Samber tot aan haar Chambres d’Hôtes. De vele kronkelingen van de Samber hebben onze tocht langer gemaakt dan verwacht, zegt mijn broer. We hebben dik meer dan 30 kilometers gestapt.

Hebben jullie geen dorst?, vraagt ze. Natuurlijk wel, denken we, ons water is trouwens zo goed als op en onze tongen smaken naar karton. Hebt u misschien een pintje in huis, vraagt mijn broer. O jawel, antwoordt de vrouw, en ze komt met twee ijskoude pilsjes aandraven en twee halve literflesjes water. Ze is ’s anderendaags zo vriendelijk om die pintjes niet op de rekening te zetten.

In Vert Bocage wordt er geen avondmaal geserveerd. Maar onze gastvrouw raadt ons wel een zeer goed pizza-restaurant aan. Het is maar een kleine kilometer lopen. We kunnen Pizzeria Gio niet missen, het is een van de eerste neringen die we in het dorpscentrum tegenkomen. Er zijn volgens mevrouw Vilbas nog tal van andere restaurants en cafés in het dorp. De bakker bevindt zich vijftig meter verder langs de overkant van de straat, gaat ze verder. Daar kunnen jullie dan morgenochtend een lunchpakketje kopen.

We moeten volgens Marie-France zeker ook de kerk bezoeken, de watermolen en de abdij, waar nog altijd renovatiewerken plaatsvinden. Na onze douche trekken we propere kleren aan en wandelen we nog een kilometertje verder naar de dorpskom. Van ver zien we het terras van pizzeria Gio al liggen. Er zit een jong koppel te eten. Ze drinken Duvel. U leest het goed: ze drinken Duvel. We zwaaien het koppel toe met een vriendelijke goeiedag. En ja hoor, de man antwoordt ons in het Nederlands. Maar we gaan eerst een kijkje nemen in de kerk.

Maroilles blijkt een dorp met een geweldig oude geschiedenis te zijn. De voormalige abdij van Maroilles was een klooster van benedictijner monniken, gesticht halverwege de zevende eeuw. De abdij werd tijdens de Franse Revolutie geplunderd en helaas deels verwoest. De watermolen en de tiendenschuur bleven wel overeind. Die laatste werd fraai gerenoveerd tot toeristisch centrum, dat al gesloten is als wij er passeren.

Dus lopen we even de Saint-Humbertkerk binnen. Voor de kerk ligt er al een Sint-Jacobsschelp in de plavuizen van het kerkplein. In de kerk hangen er raadgevingen voor de pelgrims op: waar ze kunnen overnachten, wie ze daarvoor kunnen bellen en wanneer. Informatie die wij natuurlijk niet meer nodig hebben.

In de kerk staat een maquette van de abdij in haar gloriejaren. We stuiten er op nog andere merkwaardige dingen. In de rechter zijbeuk staat een gouden schrijn waarin we achter een glazen raampje een schedel ontwaren. U raadt het: die van de Heilige Saint-Humbert, de heilig verklaarde abt. In de linkerzijbeuk staat een grappig beeld van een priester in zijn misgewaad. Ik vertaal even het bordje dat onder zijn sokkel hangt: ‘laat een parochie tien jaar zonder priester en men zal er de beesten vereren’, wat een gezegde was van pastoor d’Ars. Bij het buitengaan port de parochie de kerkbezoekers nog aan om mee te doen aan een inzamelingsactie voor de missies. Op een bordje staat een bril getekend, met de boodschap: ‘hier kan u uw oude bril brengen voor de missies. Merçi.’

We hebben honger gekregen, dus keren we weer naar de pizzeria. Het jonge koppel zit er nog. Ze zwaaien eens naar ons, of zijn het de wespen die rond hun pizza zoemen waar ze vanaf proberen te geraken? We zetten ons neer naast hun tafeltje en kiezen een pizza uit het menu. Ik kies een vierkazenpizza. Eén van de kazen is een kaas waar ik nog nooit van heb gehoord: een Maroilles.

De gemeente Maroilles blijkt in het noorden van Frankrijk welbekend om zijn Maroilles-kaas, een AOP-kaas (Appellation d’Origine Protégée) die een eeuw geleden door de monniken van de abdij werd gecreëerd. De zachte kaas heeft een gewassen korst en is gemaakt van koemelk. Op de pizza smaakt hij heerlijk romig en melkachtig. De abt liet overigens niet alleen zijn kaas en zijn schedel na, maar je vindt zijn naam ook terug op de flesjes witbier van de ambachtelijke brouwerij van Saint-Humbert.

Sociaal als we zijn, geraken we aan de praat met de twee Duvel drinkende Vlamingen naast ons. Het verbaast me eerlijk gezegd dat de jonge vrouw ook aan de Duvel zit. Op de drankenkaart van Gio wemelt het van Vlaamse bieren. Nu ik dit schrijf heb ik spijt dat ik van die bierkaart geen foto heb gemaakt. Los uit mijn geheugen herinner ik me dat ongeveer alle trappistenbieren erop vermeld waren, en zeker ook Karmeliet, Cornet en Paix Dieu.

Kris en Jaen, onze Vlaamse buren op het terras, zijn al een tijdje samen, vertellen ze. Kris was vooraleer hij met Jaen een koppel vormde godsdienstleerkracht in Ronse. Jaen is van Turkse origine. Ze leerde Kris kennen tijdens een Erasmusstage in Gent, waar ze een opleiding tolken volgde. Jaen spreekt vlekkeloos Nederlands. De twee werden verliefd op elkaar en nu hebben ze trouwplannen. Ze verhuisden van Ronse en Gent naar Leuze, een dorp in de buurt van Maroilles, waar ze een huis hebben gekocht dat ze aan het renoveren zijn.

Kris stelt ons een vraag die we niet hadden verwacht: zijn jullie gelovig? Tja, dat is relatief, antwoord ik terwijl ik mijn broer aankijk. Wij zijn allebei in een katholiek gezin opgegroeid. We zijn zelfs lang misdienaar geweest. Maar echt gelovig, neen, ik denk niet dat wij dat nog zijn. En jullie, kaats ik de bal terug. Wij zijn wel gelovig, zegt Kris. Om dat te staven zegt hij dat hij heel de bijbel heeft gelezen. En Jaen is nu ook het heilig boek beginnen lezen. Zij is inderdaad in Gent tot het katholiek geloof bekeerd. Ze hebben intussen al een tijdje hun pizza achter de kiezen en nemen afscheid.

Bart en ik lopen nog wat rond in het dorp, op zoek naar een cafeetje om nog een pint te drinken. Maar alle restaurants en cafés zijn al dicht, of staan op sluiten. Alleen op het terras van de cafetaria aan de abdij is er nog leven: aan drie tafeltjes zitten er nog klanten. Ook op die kaart staan tal van Belgische bieren. Bart bestelt nog een Duvel maar dan zie ik dat er ook Paix Dieu van het vat op de kaart staat. Ik kan hem nog net van de Duvel redden. En gelukkig maar, want de Paix Dieu bestaat in drie inhoudsmaten, 25 cl, 33 cl en 50 cl. Bart komt terug met twee Paix Dieus. Ik denk dat het mooie engeltje dat er de bar deed, erover heeft gewaakt dat onze bestelling dichter bij de halve liter lag dan bij de 33 cl.

Als ons bierglas leeg is, wandelen we terug naar de Vert Bocage. Nu we in de andere richting stappen, merken we onderweg een koffiehuis op. Het is natuurlijk ook al gesloten, maar de naam doet ons glimlachen: Chez Georgette. Moest onze moeder mee op tocht naar Compostella geweest zijn, dan zou ze voor ons wel opengedaan hebben, zegt ze, voor tv gezeten in haar zetel.

Geplaatst in Compostellaroute, cultuur, geschiedenis, reizen, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie

Langs de Compostellaroute van Maubeuge naar Saint-Quentin (1)

Marianne en ik waren op 11 juni terug van Corsica. Enkele dagen later kwam mijn broer Bart met een nieuw wandelvoorstel aandraven:  drie dagen met ons tweeën stappen op de Compostellaroute. Hij had het allemaal goed uitgekiend. We zouden met de auto naar Maubeuge rijden, waar hij al enige verkenningen had verricht. De vorige wandeltocht had hij immers op z’n eentje gedaan, tot in het noorden van Frankrijk. Daar had hij in het kleine stadje Maubeuge hier en daar al z’n neus aan het venster gestoken. Van Maubeuge, enkele kilometers van de Belgische grens verwijderd, kon hij nog makkelijk terug met de trein naar Brussel.

Op 17 juli omstreeks half zeven ’s morgens laadden we onze rugzakken in mijn auto. Zowat anderhalf uur later reed ik een gratis en overdekte parkeergarage aan het treinstation van Maubeuge binnen. Een automaat spuwde een ticketje uit met een QR-code, om bij onze terugkeer zonder problemen de garage opnieuw binnen te kunnen. Achteloos legde ik het op het dashboard. We strikten onze wandelschoenen vast en hesen de rugzak op de schouders.

Bart verzekerde me dat de tocht makkelijk zou lopen. We moesten gewoon van uit Maubeuge het pad langs de Samber volgen, tot we ergens moesten afslaan naar een dorp met de naam Maroilles. Daar werden we in de Chambres d’hôtes Vert Bocage verwacht. Van daar zouden we de dag nadien verder stappen naar Bohain, waar de Chambres d’hôtes La Maison du Parc de Papidan ons al twee eenpersoonsbedden had toegezegd. Van Bohain moesten we dan enkel nog het laatste eind van onze driedaagse naar Saint-Quentin stappen. Na een bezoek aan de kathedraal konden we dan eenvoudigweg twee treinticketjes kopen om terug naar Maubeuge te sporen, van waar we met mijn auto terug naar Haacht zouden rijden.

Mijn broer had het eens uitgerekend: op drie dagen van Maubeuge tot Saint-Quentain zouden we ongeveer 75 kilometer te voet hebben afgelegd, een ambitieus voornemen. We hadden allebei voor de zekerheid wandelstokken mee, want 75 kilometer stappen over drie dagen leek ons als vijftig- en zestigplusser wel een grote uitdaging te vormen. Bart had de avond voordien, net op tijd dus, het postpakket met zijn kakelverse wandelbotinnes ontvangen. Helaas had hij er niet aan gedacht om die schoenen eerst nog wat in te lopen. Dat zou hij zich de volgende dagen nog beklagen.

Ik plooide bij het vertrek in Maubeuge alvast mijn driedelige wandelstokken open en hield mijn petje goed op mijn hoofdje. Een zonneslag kunnen we maar beter vermijden. Blijgezind zetten we er stevig de pas in langs de Boulevard de l’Europe. Daar weerstaan we meteen de verleiding om eerst de McDonald’s binnen te lopen.

Over de brug van de Samber slaan we linksaf de Chemin de Halage in, het voorlopig nog geasfalteerde jaagpad langs de rivier. Ongeveer een kilometer verder komen we op een grindpad. Langs beide zijden van de Samber hebben zich grote bedrijven en staalfabrieken gevestigd. We vinden het wel vreemd dat we na onze eerste kilometers nog geen route-aanduiding gezien hebben van de  Compostella-route, met die gouden schelpjes op een blauwe ondergrond.

Na een tijdje wandelen arriveren we in het dorpje Hautemont. Ook daar zien we nog steeds geen schelpen die de Compostella-routes markeren. Bart weet via zijn Compostella-app gelukkig wel dat we in Hautemont de brug over een eiland in de Samber moeten oversteken. Over de brug slaan we rechts af en komen we aan een binnenhaven op de Samber. We volgen de rivier vanaf hier langs de linkeroever. Het pad is een bospaadje geworden, het loopt nog steeds vlak naast de rivier en grenst zo aan een mooi natuurgebied.

Af en toe passeren we een sluis. Ze zijn genummerd en stuk voor stuk onbemand. Het is verboden over de sasdeuren te lopen. Camera’s moeten verhinderen dat de sluizen toch overgestoken worden. Veel boten varen er niet op de Samber. We zien er maar een drietal. De schippers zwaaien ons vriendelijk toe.

Gelukkig valt er nog wat meer te beleven op en langs de Samber. In een klein dorpje langs de oever van de Samber eten we ons lunchpakket op. Op een grasstrook aan de oever vinden we nog een zitplaats. Op een houten picknickbank voor vier personen hebben twee mannen met een overall van hetzelfde bedrijf zich genesteld. Ze lunchen er en maken een fles rosé leeg. Ze hebben zelfs een parasol mee om de brandende zon te ontwijken.

Nog een andere man zit alleen op een picknickbank zijn boterhammen op te eten. De enige gewone bank die nu nog vrij is, palmen wij in. Als de mannen op de picknickbanken hun middagmaal achter de kiezen hebben, ruimen ze mooi op en vertrekken ze weer met hun wagens die beneden aan de berm staan geparkeerd, vermoedelijk naar hun werk in een of ander bedrijf in de buurt of bij particulieren.

Op dat moment realiseer ik me dat ik met één veldfles van een liter maar weinig water mee heb om een hele dag wandelen onder een stralende zon gezond door te komen. Bart heeft gelukkig nog wat plastieken flesjes water mee, van een halve liter. We laden de restjes terug in onze rugzakken en tijgen vol goede moed verder op het pad langs de Samber.

Aan de overkant van de rivier zijn Franse scouts een enorm groot kampterrein aan het optuigen. Twee kajakkers komen uit een zijrivier gevaren. Langzaam maar zeker steken wij hen al wandelend op het oeverpad voorbij.

Onverwachts komt uit een onooglijk dorpje via een veldweg naar het pad langs de Samber een groepje jongeren aangewandeld. De zowat 16-jarige jongens en meisjes worden door drie leiders begeleid. Een van hen torst een muziekbox waarmee hij hits van nu en vroeger speelt en tot jolijt van de bende min of meer op de maat van de muziek dansend voorop loopt. De jongeren zijn allemaal licht gekleed, sommigen op sneakers en andere op crocs, allemaal met een zwemzak op de rug of in de hand. Bart en ik denken dat ze gaan zwemmen in de rivier, maar dat doen ze niet. Enkele honderden meters verder wordt het mysterie opgelost: we zien aan een sluis een jeep met een trailer vol kleurrijke kajaks staan.

Ook de natuur laat zich van haar mooiste zijde zien. Aan de overkant van de Samber spotten we een bever in het oevergras. Gelukkig hebben we allebei wel een verrekijkertje op zak. Wat verder krijgen we een reiger in het oog, die over het water scheert en opeens een duik maakt, waarna hij met een vis in zijn snavel verder vliegt naar een overhangende boom aan de overkant van de rivier. Daar laat hij een kunstje zien: hij wipt de vis met zijn lange hals verticaal gerekt zijn keel in. Waarom toch hebben we nu geen fotograaf mee, met een telelens?

We worden stilaan moe. Eindelijk verlaten we de oever van de Samber om af te slaan in de Rue des Juifs, waar onze Chambres d’Hôtes op ons wacht. Intussen is het bewustzijn gedaald dat die 25 kilometer er wel wat meer zijn geweest. Maar goed, we moeten ze toch malen om aan onze overnachtingsplaats te geraken. Eens gearriveerd in de Vert Bocage blijkt dat we 32 kilometer hebben afgelegd. Van uit Maroilles is de weg ineens weer gemarkeerd. Gelukkig maar!

Geplaatst in Compostellaroute, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Naar Porto di Ota

Het zou een beetje gek zijn om in Corsica langs de Mare a Mare Nord te wandelen, zonder een zee gezien te hebben. Aangezien we via Vizzavona met de trein naar Corte reisden en de oostkust van het eiland niet bezochten, proberen we dus vanuit Evisa in Porto di Ota te geraken. Vanuit Evisa loopt er een etappe van de Mare e Monti-route naar Ota. Het is volgens onze reisgidsen een mooie wandeling, maar weer met bijna duizend daalmeters. Je passeert er bijvoorbeeld over de Ponte Vecchiu, een van de mooiste Genuese bruggen van het eiland. Maar toch, de vermoeidheid laat zich stilaan gelden. Daarom zullen we proberen naar de zee te liften. Onze gastvrouwen van B&B A Tiusella stellen ons nog eens gerust dat er heus wel snel een auto voor ons zal willen stoppen.

Dus vertrekken we vanuit onze B&B langs de D84 met de rugzak op de rug en onze duimen al van ver goed zichtbaar omhoog voor alle voertuigen die ons voorbijrijden. Bij het uitlopen van het dorp passeren ons tal van vierwielers, een bus vol toeristen, grote en kleine bestelwagens en mobilhomes. Veel wagens zijn helaas al vol met passagiers. Sommige chauffeurs doen teken dat ze maar een kort traject afleggen. Andere rijden ons zonder omzien vrolijk voorbij. Eens we een kilometer van de dorpskom van Evisa verwijderd zijn, passeren er minder voertuigen.

De zon hamert intussen haar hete stralen op onze lijven. Onze nochtans niet te zware rugzakken zorgen voor onaangename zweetplekken op schouders en heupen. De weg loopt ook niet meteen vlak. Langs de valleien slingert de D84 omhoog en omlaag. Gelukkig hebben we voldoende water mee. We ergeren er ons al na twee kilometers aan als een wagen ons voorbijrijdt, terwijl er plaats is om in de berm halt te houden en ons op te pikken. De moed zinkt ons in de schoenen als we beseffen dat via de D84 Porto di Ota 22 kilometers van Evisa verwijderd ligt. Marianne heeft nu al pijn in haar rechterknie.

Een maar half volle bus met toeristen rijdt ons ook voorbij. De chauffeur doet teken dat hij niet gemachtigd is om extra passagiers op te laden. Net als we het erover hebben dat liften tegenwoordig blijkbaar helemaal uit de mode is geraakt, komt er een blauwe huurwagen voorbijgereden. Naast de mannelijke chauffeur zit een jonge vrouw. Plaats genoeg voor nog twee passagiers, zeg ik, en dan verlaat de auto ineens de weg om zich op de berm te parkeren. We mogen mee, doet de chauffeur teken.

Wat een opluchting! We schatten dat we op dat punt zo’n vijf tot zes kilometers gewandeld hebben. Het wordt nog mooier als blijkt dat de twee inzittenden Nederlanders zijn. Onze rugzakken kunnen nog net in de koffer bij de bagage van het jonge koppel, Erwin en Linda. Hoe heerlijk voelt het om met dit jonge koppel te mogen meerijden. De huurauto is gloednieuw. ‘Waar moeten jullie heen?’, vraagt Erwin. Naar Porto, antwoorden we. Linda voert meteen een nieuwe bestemming in de gps van de wagen in: Porto.

Het koppel is die dag van plan verder noordwaarts langs de kust te reizen. Ze zetten ons af aan de Spar in Porto. We maken van het jonge stel nog een foto en wensen onze redders nog een prettige vakantie. Als ze terug vertrokken zijn, loopt Marianne de supermarkt in om nog wat dringende inkopen voor die dag te doen. Aan de overkant van de straat zie ik een café met een terras, waar ik me installeer met een Pietra. Wat later schuift Marianne bij met een tonic.

Van het cafeetje is het nog zowat 2 kilometer wandelen naar het kustdorp Porto. Aan het begin van de baan naar Porto passeren we aan een bushokje. De tijdstabel hangt er uit. Die is nuttig om weten, want morgen moeten we de bus nemen van Porto naar Ajaccio. Die mogen we niet missen, want er is er maar één per dag.

Langs de boulevard naar het dorpscentrum passeren we tal van hotels, cafés en restaurants. In het centrum van Porto valt er heel wat te bekijken. We checken eerst in bij Hotel Le Romantique, waar de kamer spijtig genoeg nog niet vrijgegeven kan worden. We mogen wel onze rugzakken achterlaten in een ruimte achter de receptie. De ernstige receptioniste die een carrière als lerares heeft gemist, geeft ons nog een lesje over hoe we de zon via een uitschuifbare luifel uit de kamer kunnen krijgen, hoe de afstandsbediening voor de airco werkt en hoe laat het ontbijt en diner worden geserveerd.

Als de receptioniste ons alles heeft verteld dat we moeten weten, gaan we op verkenning in het dorpje aan zee. Aan de kade van zeilboten en motorjachten liggen ook verschillende boten die excursies uitvoeren naar een van de populaire natuurwonderen nabij Porto, de Calanches de Piana, uitgesleten rotsen en grotten in zee, of de Gorges de Spelunca. De streek staat op de werelderfgoedlijst van Unesco.

Hotels, restaurants, cafés, souvenirwinkeltjes, stalletjes om excursies te boeken, het toeristisch kantoor, alles wat er moet zijn, vinden we in Porto di Ota. Maar het is de Middellandse Zee die ons het meest aantrekt. Het water is warm en de golven zijn hoog. We doen een heerlijk zwemmetje in zee. Als we terug in het hotel zijn, kunnen we onze kamer betrekken. Die is inderdaad heerlijk, met een groot bed, een luifel voor de schaduw, een airco voor de koelte en een lekker hete douche.

Op Tripadvisor zoek ik het beste restaurant van Porto. Dat is de pizzeria La dolce vita, met een quotering van 4,9 op 25 restaurants. Daar vinden Marianne en ik zowaar nog een tafeltje. We hebben helaas net het happy hour gemist. Dat zien we aan de vele halve liters bier en cocktails die overal nog op de tafels staan. Aan een tafel vol mannelijke Nederlandse gasten zijn haast alle koppen al hoogrood.

De bediening in het restaurant is uitstekend. De patron mag zichzelf niet alleen gelukwensen met het beste restaurant van Porto, maar ook met de beste vrouwelijke kelner van onze reis. Ze is hoogblond en uitgedost in een hemelsblauw broekpak, vriendelijk, snel, efficiënt en met een energie en een flair die me doet denken aan Pommelien Thijs.

Geplaatst in Corsica, reizen | Tags: , , , , | Plaats een reactie

Terug naar Ajaccio

De laatste dag van onze trektocht met enkele zware etappes langs de Mare a Mare breekt aan. We hebben al betere ontbijten gekregen dan in hotel Le Romantique. Alles is er afgemeten. Na de middag moeten we de bus nemen die ons terug naar Ajaccio zal brengen. We gaan terug naar onze goede kamer om onze rugzakken in te pakken.

Marianne wil nog een boottocht op zee maken, naar die Calanques, rotsen en grotten langs de kust, die op de werelderfgoedlijst staan van Unesco. Heel wat boten aan de kade bieden zeetochten naar de Calanches aan. Doorheen Porto zijn er veel stalletjes waar je zo’n excursie kan boeken. Marianne heeft er een gevonden die niet te duur is, een aantrekkelijke boot bezit in Greenpeace-kleuren, met goede vertrekuren, want we willen natuurlijk onze busrit, de enige naar Ajaccio die dag, niet missen.

Bij een vriendelijke oudere heer boeken we onze boottocht. Dat avontuur van anderhalf uur kost ons 60 euro. De man maakt er geen probleem van om een oogje in het zeil te houden op onze rugzakken. We zijn een van de eersten die aan de kade  staan als de boot van de vorige excursie aangevaren komt. En dus zijn we ook een van de eersten aan boord. We hebben de zitplaatsen maar om uit te kiezen. We nemen plaats vooraan in de boeg, met een uitstekend zicht op de zee.

Samen met ons stapt een grote groep senioren op de boot. Het zijn Fransen uit Normandië die een grote reis maken met alle hoogtepunten van Corsica erop en eraan, al vermoed ik dat de GR20 niet op dat lijstje zal staan. Marianne geraakt onderweg aan de praat met het besje dat naast haar zit. Ze toont zich heel opgetogen over hun prachtige busreis doorheen Corsica.

De Calanques en roze granieten rotsen waarheen onze tocht leidt, heb ik al eens met mijn dochters gezien vanuit het land, toen we met een huurauto op weg waren naar het vertrekpunt van de GR20 in Calenzana. Maar vanuit de mooie blauwe Middellandse Zee hebben we ook mooie plekjes gespot. De stuurman van de grote boot slaagt erin door smalle engten tussen rotsen en in grotten te navigeren, waarvoor hij van de overwegend gepensioneerde toeristen een applaus heeft verdiend.

Een uur of twee later maakt de boot rechtsomkeert. We nemen afscheid van onze medepassagiers en begeven ons naar het stalletje waar we onze rugzakken oppikken. Op ons gemak wandelen we naar de bushalte. In de Spar haal ik nog wat mondvoorraad voor onderweg, klaargemaakte sandwiches en twee flesjes Fuze tea. Als we terug aan de halte zijn, zitten er twee Duitse vrouwen, een jonge en een wat oudere, op een bankje te wachten op de bus. Naast het bankje staan de rugzakken van de moeder en de dochter. We raken aan de praat en vernemen dat zij een wandeltocht hebben gemaakt langs de Mare a Monti.

Een kwartiertje later stopt een kleine bus waarop al één passagier zit, die zich naast de buschauffeur heeft gezet. We hebben een rit van een tweetal uren voor de boeg. Onderweg stappen de Duitse vrouwen uit in Cargese. Daar stappen twee andere passagiers op. Uit de gesprekken van de chauffeur en de passagier naast hem, verneem ik dat de buschauffeur ook een taxibedrijf runt, om zijn inkomen wat te vergroten. Daaruit leid ik af dat het de taxichauffeur was die ik in Evisa heb gebeld. Hij wilde ons toen vanuit Evisa voor 66 euro wel naar Porto di Ota voeren. Wat we dus gratis via autostop hebben gedaan.

Eens in Ajaccio checken we de bussenparking. ’s Anderendaags mogen we immers de eerste bus naar de luchthaven niet missen. Die vertrekt vlakbij het treinstation al om 5 u.  Daarna wandelen we terug naar het stadscentrum, de winkelwandelstraat in. Marianne  loopt wat klerenwinkels in en uit maar ze lijkt er haar gading niet te vinden. Ze trakteert me op een nieuw Corsica-T-shirt. Uiteindelijk vindt Marianne toch een blouse die haar bevalt. Op een terrasje drinken we nog een biertje en een frisdrank en dan zoeken we ons hotel op. We verblijven die nacht in Hotel du Golfe, een chique hotel, waar we helaas niet lang zullen verblijven.

Wat ik in Ajaccio nog doe, is de Via Roma reserveren, ons meest favoriete restaurant van de reis. De Kevin is nog niet aanwezig, zegt het keukenpersoneel als ik naar hem vraag, maar dat zal zeker niet lang meer duren. We lopen nog wat rond in de Corsicaanse hoofdstad en nemen een kijkje aan de vesting, de haven  en het strand. Dan is het tijd voor ons avondmaal. Het is er weer geweldig lekker. Aan de Kevin zeggen we dat we zeker nog eens terugkomen.

Terug in Hotel du Golfe kruipen we ons bed in. De wekker staat om 4:15 u. Een kwartier te vroeg arriveren we gepakt en gezakt aan de bushalte. Je kan er voor 6 euro een SMS-ticket kopen. Helaas lukt dat niet met buitenlandse gsm’s. Buitenlandse passagiers moeten dan op de bus 10 euro betalen voor een ticket. Een minpuntje, vinden we.

We ontmoeten aan de bushalte een Vlaams koppel uit Bertem, een andere Peter en zijn vriendin Ede. De andere Peter vertelde dat hij voor de 20ste keer op wandeltocht is gegaan in Corsica. Zijn vriendin ging voor de vierde keer mee. We hadden elkaar meteen van alles te vertellen. Zo was de wachttijd om in te checken snel voorbij. Mijn kleine teen zegt me dat Marianne ook nog wel eens mee naar Corsica zal willen gaan.

Geplaatst in Corsica, reizen | Tags: , , , | 1 reactie

Naar Evisa

Het is zondag 7 juni als we terug gelaarsd en gespoord Castel di Verghio verlaten voor onze volgende bestemming: Evisa. Ook deze wandeling langs de Mare a Mare is geen kattenpis. In afstand is de etappe niet zo ver, ongeveer 12 kilometers. Maar de zwaarte van de wandeling zit vooral in het vrij hoge aantal daalmeters, 811, tegenover 246 stijgmeters. Vooral voor Marianne zal het vele dalen de tocht weer zwaar maken. Na een half uur wandelen en voorzichtig afdalen in een prachtig bos van magistrale laricio-dennen, komen we op een breder pad dat langs de bergflank slingert. Het brede pad daalt gezapig tot aan de brug van Casterica, waarna we weer wat steiler verder dalen langs een beekje.

Daarna volgt een klein klimmetje van een honderdtal meters, waarna we na wat geklauter over kale rotsen scherp afdalen tot aan een hangbrug over de rivier. De brug wiegelt wat, maar we geraken veilig aan de overkant. Van daar volgen we de loop van de rivier naar beneden. Het ijskoude water vloeit van bassin naar bassin neerwaarts, tot aan de overblijfselen van een oude brug. Langs de oever klimt het pad daarna weer omhoog, tot we aan een plek komen waar nog mensen zitten te picknicken of pootjebaden. We zijn beland aan de watervallen en poelen van de Aitone, een prachtig natuurlijk zwembad, maar ijskoud, ook in de hoogzomer, naar verluidt.

Het is zondag en er zijn heel wat dagjestoeristen opgedaagd om verkoeling te zoeken aan de watervallen. Zwemmen in de bassins is officieel verboden, maar toch zien we een vader en een dochter zich uitkleden om een duik te nemen in het koude water. Dat volstaat voor Marianne om zich niet te laten kennen. Ze begeeft zich ook in het bassin aan de plek waar we willen lunchen, maar lang duurt het niet vooraleer ze weer uit het ijzig koude zwembad kruipt. Natuurlijk daagt ze mij ook uit om een duik te nemen. In het ijswater duiken, is geen spek voor mijn bek, maar ik ontsnap niet aan een klein zwemmetje vooraleer ik me bibberend weer op de brede rotsplaten neervlei, waar onze rugzakken liggen en ik me met mijn zeemvel droogwrijf. Het ijskoude water geeft me een heerlijk gevoel bij het droogwrijven.

Na het korte zwempartijtje klimmen we langs een breed pad met trappen omhoog, richting Evisa. Op elk moment verwachten we ons aan een parking waar de bezoekers van dit natuurwonder hun vierwieler kunnen stallen, maar die is er niet. We komen wel uit op de D84, een drukke baan, waar tientallen auto’s langs de bermen geparkeerd staan. Na enkele honderden meters wandelen langs de asfaltbaan, slaan we een breed educatief pad in dat ons door een woud van kastanjebomen leidt.

De kastanjebomen maken geleidelijk plaats voor omgewoelde weiden, waarin zwarte varkens rondknorren. Op educatieve borden leren we van alles over de kastanjes en waar ze allemaal voor gebruikt worden, van bier tot ijscrème en likeur. Voor we het beseffen, wandelen we op een smal baantje dat ons het dorp inleidt. We lopen zomaar het terras van een café-restaurant op, waar ik een grote Pietra bestel en Marianne verschillende smaken van de artisanale ijsjes proeft.

Evisa is zowat het toeristische kastanjedorp van Corsica. Je vindt er een bushalte, een postkantoor, verschillende café-restaurants, een souvenirwinkeltje en tal van chambres d’hôtes of B&B’s. Marianne heeft voor ons de B&B A Tiusella geboekt, waar we één nacht zullen verblijven. Die B&B wordt volgens Google Maps als de beste van Evisa beoordeeld. De deur van het huis staat open. We lopen een ruime woonkamer in, gezellig vol met foto’s, schilderijen, beelden en andere versiersels. Een brede trap loopt naar de bovenverdieping. We roepen even hallo, om te kijken of er iemand thuis is. Maar er volgt geen antwoord.

Dus lopen we terug naar buiten om een kijkje te nemen in de tuin. Daar ligt een mooi zwembad op ons te wachten, met uitnodigende ligzetels en parasols. Op twee ligzetels zonnen een jonge man en een jonge vrouw. We vragen hen waar we de uitbaatster kunnen vinden, maar ze verstaan ons niet. Het zijn Duitsers, we kunnen met hen wel een woordje Engels praten. Maar neen, ze weten niet waar de uitbaatster is, maar ze zou normaal gesproken rond 17 u moeten arriveren.

varkens luierend langs het educatief wandelpad naar Evisa

Marianne wacht niet op haar, maar kleedt zich meteen uit en neemt alvast een duik in het koele water, aangenamer van temperatuur dan die ijskoude waterbassins van de Aitone. In afwachting leggen we ons daarna te lezen op de ligbedden. En inderdaad, rond 17 u komen er opeens twee vrouwen het huis uit om aan het zwembad te kijken of ze al nieuwe gasten hebben. Ze waren gewoon even gaan siësten, zeggen ze.

De B&B A Tiusella biedt geen avondmaal aan. In het dorp zijn er immers volgens onze gastvrouwen voldoende goede restaurants. Ze raden ons de Bar de la Poste aan, een café-restaurant met een mooi, hoog terras. Het dorp ligt immers breed en lang uitgestrekt op de bergflank. Van op het terras hebben we een mooi zicht op de vallei. Het eten in de Bar de la Poste is geweldig lekker. We krijgen een varkensworst met verschillende sausen, Corsicaanse frieten, gegrilde groenten, lekkere lokale wijn, een flan van kastanje en tot slot nog een kastanje-likeurtje.

In het restaurant geraken we aan de praat met een Vlaams koppel dat ook in A Tiusella verblijft. Zij bezoeken Corsica met een huurwagen. De man en Marianne geraken aan de praat over de lelijke streek die Air Corsica haar reizigers heeft geleverd, door het vertrekuur van de vlucht ontiegelijk te vervroegen. In plaats van om half elf te vertrekken, gaat ons vliegtuig al om half acht ’s morgens de lucht in. Dat betekent voor ons dat we in Ajaccio om 4 u 30 zullen moeten opstaan om de eerste bus van 5 u naar de luchthaven te halen.

Marianne en ik moeten trouwens nog een oplossing vinden voor een vervoersprobleem: we moeten ’s anderendaags naar Porto di Ota, voor Marianne een te lange en zware voettocht naar de zee, waar ze ook al een hotel heeft gereserveerd. Aan onze twee gastvrouwen in de B&B vragen we hoe we van Evisa makkelijker in Porto di Ota kunnen geraken. Liften of een taxi nemen, dat zijn de makkelijkste oplossingen, zeggen ze in koor. We bellen een taxichauffeur op, die 66 euro vraagt. Dat vinden we teveel. Dus maar liften dan.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | 1 reactie