Naar de Col de Verghio

’s Ochtends aan de ontbijttafel, die zoals gisteren opnieuw onze smaakpapillen verwent, excuseert de uitbater van B&B Casa Vanella zich voor zijn gebrek: hij kan niet stoppen met praten. Hij was de vorige avond zo druk in de weer met zijn gepraat, dat Marianne en ik niet eens het dessert hebben gehaald. De man verontschuldigde zich ten voeten uit. Hij rekende het ons onbekend gebleven dessert niet aan en zorgde ook voor het meest fantastisch lunchpakket van onze reis. We kregen een picknick mee met een koude rijstschotel, met maïs, gele en rode kerstomaten, tonijn, plus zwarte chocolade, koekjes en geitenkaas. Aangevuld met onze eigen lekkere koekjes en candybars togen we op pad, terug door het dorp.

We volgden de asfaltbaan omhoog. We zagen op die baan welgeteld één auto. In een bocht van de weg zagen we nog net een vos de struiken in vluchten. Aan een weide met koeien en enkele kalfjes hing aan de prikkeldraad iets wat leek op de gestroopte huid van een wolf. Om vossen en soortgenoten af te schrikken, veronderstelden we. Tot we later via Google vernamen dat er geen wolven leven in Corsica…

Wat verder komen we aan een kruising van wegen, waar we een bospad in moeten slaan. Enkele wegwijzers naar nabije dorpen vertonen kogelgaten. Een bord waarschuwt ons dat een deel van het pad dat we moeten volgen afgezet is wegens een grondverzakking. Er is gelukkig een alternatief bewegwijzerd pad dat ons over een smal brugje leidt, waaronder een riviertje buldert. We moeten vanaf de brug over de rivier terug een flink stuk klimmen tussen felgeel bloeiende bremstruiken. Opeens spot ik een ringslang op het pad, die zich in zeven haasten de struiken in kronkelt. Was het wel een ringslang, of was het een adder, vraagt Marianne. Volgens mij was het een ringslang, antwoord ik, eentje van een ruime meter. Ik vis te laat mijn smartphone uit mijn broekzak om hem te fotograferen. Enkele tientallen meters verder spotten we boven ons weer de rode wouw in de vallei. Wie weet had hij honger.

We hebben een wandeling van zeventien zware kilometers voor de boeg, met 700 meters klimmen en 160 meters dalen. We lopen nu eens door het bos, dan weer over een pad tussen de struiken. Het pad slingert omhoog en omlaag op de rechterflank van de vallei, met beneden ons de rivier. Aan de overkant van de vallei zien we af en toe onder de boomkruinen auto’s rijden en horen we motorfietsen brommen.

Aan een bocht in het pad waar van de bergkam een riviertje vrolijk naar beneden klatert, nemen we plaats op twee droge rotsen die boven het water uitsteken. We smikkelen van onze heerlijke picknick. Dan volgen we het pad verder omhoog, nu eens tussen struiken en de bloemenpracht van een heerlijke junizon, dan weer in pijnboombossen waar het pad op bomen en rotsblokken goed gemarkeerd blijft.

Marianne ziet af. Haar slechte rechterknie speelt haar parten. Ik laat haar het tempo bepalen, dat traag is. Maar eens ik er me op instel om op haar tempo te wandelen, is het nog best aangenaam om ten volle van de prachtige omgeving te genieten. In een bocht waar we even halt houden voor een slok water en een candybar, haalt een jong Duits koppel ons in. We raken even met hen aan de praat. Ze zijn ook de GR-route van de Mare a Mare aan het volgen.

Van onder de pijnbomen komen we enkele kilometers verder in een berkenbos. Het valt op dat er ons meer wandelaars tegemoetkomen. Zij dragen echter geen rugzakken zoals wij, ze doen gewoon een boswandelingetje, op sneakers en met hoogstens een handtas of klein rugzakje als ballast. De paden zijn hier ook niet alleen met strepen gemarkeerd. Hier en daar staan grote palen met wegwijzers, naar verschillende bestemmingen. Col de Verghio kan niet ver meer zijn, schatten we in. Ik tel de laatste klimmeters die veel langer lijken dan gedacht, maar uiteindelijk vinden we toch op een paal de wegwijzer die de wandelaars naar de Col de Verghio voert, het midden tussen twee bergen in.

Die weg naar de col moeten wij echter niet nemen, want de col ligt nog zo’n anderhalve kilometer verwijderd van het hotel waar we de twee volgende nachten zullen verblijven. Aan een volgende richtingwijzer zien we dat de Mare a Mare-route die we volgen vanaf hier gelijk loopt met de GR20. We hebben nog twee en een halve kilometer te wandelen op de GR20. Uiteindelijk sturen de wegwijzers ons het bos uit. We komen op een brede baan met twee rijstroken. Enkele honderden meters verder zien we links al het hotel Castel de Verghio liggen. Dat hotel herbergt nauwelijks toeristen die er langer dan één nacht verblijven, zoals wij.

Een bordje aan het bordes vóór het hotel waarschuwt dat de rugzakken niet mee het hotel binnen mogen. Gehoorzaam heffen we onze rugzakken van de schouders en zetten ze tegen het muurtje. Via de hall lopen we naar de grote toog waar ik een halve liter Pietra en Marianne een Schweppes en een fruitsla kopen. Op het zonovergoten terras genieten we van onze drankjes en het bekijken van de toeristen, haast allemaal backpackers.

Aan de receptie krijgen we onze kamersleutel, op de tweede verdieping. De receptioniste licht ons voor hoe het hotel probeert de plaag van bedwantsen buiten te houden. In de hall staan tientallen vrij grote met een codenummer beveiligde kastjes. Alle gasten van het hotel, in overgrote meerderheid trekkers, moeten daar hun rugzakken in stouwen. De hotelgasten mogen alleen onmisbare spullen zoals wasgerief of vers ondergoed mee naar hun kamer nemen. Die moeten dan in een grote plastieken zak worden gestopt, zo’n zak met stevige handvatten zoals in de supermarkten.

Onze kamer en eigenlijk het hele hotel ademt de sfeer van de jaren zeventig uit, gedateerd, met oude meubelen en een klein terrasje, maar er staat wel een kingsizebed en uit de douche stroomt heerlijk warm water. Als we ons opgefrist hebben, zakken we af naar de eetzaal voor ons avondmaal. De eetzaal heeft alles van een refter in een school, een kazerne of een universiteit. De gasten kunnen als hoofdschotel kiezen tussen steak en een kippenbil. Je kan er ook een slaatje bij opscheppen. De toog voor het buitenterras is ook de toog waar de hotelgasten hun dranken dienen aan te schaffen.

Marianne en ik zijn het er roerend over eens dat we al veel betere kippenbillen hebben gegeten. Na het avondmaal trekken we ons terug op de kamer om nog wat te lezen en wat bezwete kleren en sokken te wassen. We hebben in Hotel Castel di Verghio twee nachten geboekt. Zo kunnen we morgen nog wat genieten van een rustdag. Die willen we benutten met een korte wandeling naar de watervallen aan de bergerie de Radule.

Die bergerie bevindt zich op de GR20-etappe van de refuge van Ciottulu di i Mori naar die van Manganu. Volgens de officiële Franstalige wandelgids van de GR20 is die etappe vrij lang, acht uur wandelen, met 643 stijgmeters en 1.033 daalmeters. De gids suggereert daarom om die etappe in twee delen te splitsen en te overnachten in het Hotel Castel di Verghio of, voor de wandelaars die minder begoed zijn, in de daarnaast gelegen camping, waar ook een winkel is en waar je kan douchen.

De volgende dag melden we ons om 8u ’s morgens aan voor het ontbijt. In tegenstelling tot gisterenavond is het bijzonder kalm in het hotel. De reden daarvoor laat zich raden: de meeste trekkers op de GR20 hebben lange en zware etappes voor de boeg, met grote hoogteverschillen. Zij verkiezen daarom heel vroeg op te staan, sommigen al om 6 u ’s morgens, om in de late namiddag rustig te kunnen arriveren aan de volgende hut op de GR20. Daar hebben ze zo meer tijd om zich te douchen of toch minstens op te frissen, hun vuile kleren te wassen, een praatje te slaan met andere trekkers, het avondmaal te reserveren of hun eigen potje te koken.

Marianne en ik daarentegen zijn niet gehaast. We verschijnen als de laatste gasten in de eetzaal voor het ontbijt. Dat heeft een voordeel: we kunnen zo ongeveer een dubbel ontbijt verorberen. We nemen van alles twee of meer stuks: charcuterie, kaas, croissants, chocoladebroodjes, fruitsapjes, koffie, yoghurtjes en een ruimere fruitsalade.

Na het ontbijt halen we ons gerief uit de lockers in de hall en stoppen alles weer in onze rugzakken. Goedgemutst gaan we een kijkje nemen op de camping. Die ziet er helemaal anders uit dan in 2015, toen ik daar met mijn dochters en met Romain en Julie, twee Fransen die met ons optrokken, naar het toilet ging en wat inkopen deed voor de rest van de dag.

Met ons ontbijt deels in de maag en deels in de tochtrugzak struinen Marianne en ik nog even tussen de tenten en de nieuwbouw met slaapplaatsen in zalen. De tenten staan mooi militair uitgelijnd. In de winkel kopen we nog wat canistrelli’s en wat fruit. Ik maak nog een praatje met de kruidenier die tegelijk gardien en eigenaar is. Ik vraag hem of hij hier tien jaar geleden ook al was, toen ik hier met mijn dochters stond. Hij knikt bevestigend. ‘Amai’, zeg ik, ‘dan is alles hier nogal verbeterd in vergelijking met toen.’ ‘Ik mag niet klagen’, lacht de man.

Dan is het tijd om langs de baan naar de Col de Verghio te stappen, waar een standbeeld staat, een ruime parking ligt, wegwijzers wandelingen aanwijzen, wat zwarte varkens rondscharrelen en een cafeetje z’n deuren en terras al geopend heeft. We verbruiken er een drankje. Van op de Col de Verghio loopt ook, oranje gemarkeerd, de Mare a Mare Nord naar Evisa, de tocht die we morgen zullen aanvatten.  

Vandaag volgen we de wegwijzers naar de refuge van Manganu, maar zo ver gaan we natuurlijk niet stappen. We gaan op ons gemak naar de Bergerie E Radule. Na een tijdje lopen we het berkenbos uit en komen we op het GR20-pad in de bergen, waar Marianne kennismaakt met het bergpad vol scherpe en los liggende stenen. We zien de Bergerie al van ver liggen. Twee vriendelijke vrouwen staan er achter de toonbank. Rond de Bergerie staan nog stallingen, schuurtjes en andere bijgebouwen, zelfs een tentzeil om de trekkers te beschermen tegen de zon. Je kan er dranken kopen, kazen en zelfs een maaltijd krijgen.

We kijken eens rond en klimmen en klauteren over een groot en gevaarlijk rotsplateau naar lager gelegen rotsen, in de hoop dat we dan snel aan de watervallen en zwemplekken zullen geraken. We eten er onze lunch. Marianne wil graag zwemmen maar van op de plaats waar we zitten zie ik niet goed hoe we terug veilig op het pad zullen geraken. Zij meent wel een oplossing te zien, als we eerst nog een stuk dalen en daarna weer klimmen naar de waterval die poelen heeft gemaakt waarin mensen baden of zwemmen.

Uiteindelijk keren we toch maar terug op onze stappen. De sfeer tussen ons beiden is onderkoeld. Marianne was zo graag aan die poelen onder de waterval boven de Bergerie van Radule geraakt. Maar om het GR20-pad naar daar verder omhoog te klauteren, zie ik nu ook niet meer zitten. Aan de Bergerie drinken we nog iets en dalen daarna weer af richting Castel di Verghio.

Daar gaan we nog wat inkopen doen in de winkel van de camping. We kopen er Tommekaas, een dikke tomaat, een banaan en een Frans brood. Terug in het hotel wassen we de vuile kleren en dan gaan we op het hotelterras nog wat drinken als aperitief. Daarna schuiven we terug aan voor het buffet van het avondmaal. Tot onze ontgoocheling serveerde de keuken nog eens een hoofdschotel van steak of kippenbil. De avond voordien had ik nochtans nog gevraagd of er voor ons tweede avondmaal iets anders klaargemaakt zou kunnen worden. Maar de maître greep gelukkig in. Hij gaf de chef kok opdracht iets anders te voorzien. Die probeerde de opdracht door te schuiven naar een zekere Jeremy. Helaas was Jeremy ribbedebie. Vloekend schoof de chef dan maar eigenhandig twee cannelloni’s uit een supermarktverpakking de oven in. Ze waren maar net te eten. Toen ik wat peper uit de bus op de diepvriesmaaltijd wou strooien, viel mijn oog op de vervaldatum: 2021. De peper smaakte nog naar peper.

Geplaatst in Corsica, GR20, reizen | Tags: , , , , | 1 reactie

Naar Casamaccioli

Om twintig voor acht zijn Marianne en ik gelaarsd en gespoord om onze trektocht verder te zetten. We hebben een tiental kilometers voor de boeg. Ditmaal moeten we 507 meters stijgen, tot over de col, en daarna 811 meter dalen. Van aan de oever van de Tavignanu klimmen we weer tussen de magistrale hoge pijnbomen, met hun grillige takken. Maar aan alles komt een eind. Na een half uur vooral klimmen, zien we de bosrand. Wat later lopen we het bos uit op een plek waar we een struikveld met een ons onbekende vegetatie passeren. Op enkele vierkante decameters hangen dorre struiken bomvol webben, vermoedelijk van een spinnensoort die we door de dichte webben zelfs niet eens te zien krijgen.

Het pad slingert verder omhoog door weiden waarop paarden en koeien met hun kalfjes grazen. Hoe hoger we klimmen, hoe mooier de vergezichten zijn van de hier en daar nog besneeuwde bergtoppen die nu achter ons liggen. Aan de overkant van de vallei zien we hier en daar nog wat strookjes rivier blikkeren in haar bedding.

Als we hijgend de kam bereiken, passeren we een boerderij waar toevallig net een jeep stopt. Twee dames van middelbare leeftijd stappen uit. Ze torsen grote tassen en zware rugzakken. Ze zeggen vriendelijk goeiedag en we raken met hen even aan de praat. De twee dames vertellen met nog wat deugnieterij in hun ogen dat zij de bevoorradingstroepen van A Sega vormen. Hun tassen en rugzakken zitten vol met voeding, dranken en allerlei andere zaken die de waard van A Sega nodig heeft.

Na een laatste zwaai naar de hulptroepen van de waard in A Sega steken we de laatste honderden meters brede kam over en beginnen we aan onze lange afdaling. Een groepje Franse trekkers die we in A Sega gezien hebben, steekt ons voorbij langs een parallel pad dat over een track naar de boerderij loopt. We laten ze lopen en zwaaien eens.

Van op de top van de kam ontvouwt zich een prachtig uitzicht. We zien de hoge bergen waar de GR20 overheen slingert, het dal waarin een stuwmeer ligt en de dorpjes die diep in de vallei aan het meer liggen. We zien Calacuccia liggen achter het stuwmeer. Maar het dorp waar wij een B&B geboekt hebben, Casamaccioli, dat ook vlakbij het meer ligt, houdt zich voor ons nog verborgen achter een uitloper van het gebergte.

Ons pad passeert een grote rots waartegen een bordje staat waarop Bocca a l’Arinella ALT 1592 staat geschreven. We zijn op de top, op een hoogte van 1.592 meter. Het is tijd voor een tienuurtje. We eten een snackje en verpozen even om van de omgeving te genieten en onze dorst te lessen. Ik denk er ineens aan dat mijn jongste dochter die 4de juni jarig is en ik neem de tijd om haar te bellen en te feliciteren.

Na onze rustpauze zetten we de afdaling in. Het pad slingert in lange linten de berg af. Een koppel van ongeveer onze leeftijd komt ons klimmend tegemoet. In een haarspeldbocht van het GR-pad kruisen we het paar. Er ontspint zich met de vriendelijke Franse wandelaars een interessant gesprek over bergen, wandelen en trekken. Op trektocht met vijftigplussers, doet het een belletje rinkelen? Het Franse duo is op weg naar A Sega. Wij naar Casamaccioli, antwoorden we.

Dat dorp kunnen we van waar we staan nog altijd niet zien liggen. De Fransman, die 61 jaar oud is, vertelt dat hij de dag voordien de Monte Cinto heeft beklommen. Respect, zeg ik. Met zijn vinger wijst hij de berg aan de overkant van de vallei aan. De Monte Cinto is met zijn 2.706 meter de hoogste berg van Corsica. Het parcours van de GR20 passeert er dicht tegen de top. Heel wat wandelaars daar hebben er die omweg om naar de top te klauteren voor over.  

We babbelen een kwartiertje met het Franse koppel, dat ook houdt van trektochten, bergen, reizen en hiken, en wensen elkaar dan een goede wandeltocht toe. We dalen verder en helemaal aan de linkse oever zien we even later de eerste huizen van Casamaccioli liggen. Tot Marianne een misstap zet. Ze valt op haar slechte knie. Afdalen is al het pijnlijkste en moeilijkste voor die knie. We komen overeen om nog wat trager naar beneden te wandelen.

Het ziet er nog een lange weg uit, zucht ik, die afdaling naar het stuwmeer. Traag afdalen heeft wel het voordeel dat we meer oog hebben voor het landschap, met aan de horizon de machtige bergen van het natuurpark Parc Naturel Régional de Corse, het stuwmeer, de dorpjes die rond het stuwmeer uitgestrooid lijken met huisjes als dobbelstenen.

Af en toe spotten we een rode wouw die op de thermiek wiekt, speurend naar klein wild. De arend die we in de vallei van de Tavignanu op de thermiek zagen zweven, laat zich niet zien. Opeens loopt het pad zomaar dood op een bouwterrein, waar enkele bouwvakkers een groot stuk grond aan het nivelleren zijn en een put graven voor de funderingen of kelders van het gebouw dat er zal komen.

Wat nu? Ik vraag aan de man die zich als de werfleider voorstelt hoe we nu verder moeten met onze wandelroute op de Mare a Mare. Zijn antwoord is kort van stof: “ik ben alleen verantwoordelijk voor de bouw, niet voor de GR,” zegt hij en draait me zijn rug toe. Bij nader toezien, vinden we toch een scheef hangend bord dat onze wandelroute aanwijst, een korte rechte track van losliggend zand en puin, waarop Marianne met haar slechte knie niet verder naar beneden wil. De werfleider erkent dat die afdaling voor iemand met een slechte knie nogal onveilig is.

Gelukkig heeft hij een alternatief: er loopt ook een stoffige weg langs het meer die naar het bouwterrein leidt. Van die betonbaan komen de vrachtwagens voor het bouwterrein aan- en afgereden. Marianne checkt haar wandelapp en zegt dat we die baan met heel wat haarspeldbochten ook gewoon tot aan de dam van het stuwmeer kunnen volgen. Daarna is het naar schatting nog een kilometer of drie naar Casamaccioli.

Na een kwartiertje zijn we al beneden aan de stuwdam. De baan over de dam loopt naar Calacuccia, een dorp waar we niet moeten zijn. Het is twee uur in de namiddag als we de weg over de stuwdam verlaten en de andere richting uitstappen, naar Casamaccioli, het dorp van onze B&B, dat ook vlakbij het stuwmeer ligt. Vanaf daar ligt de weg er gelukkig vrij vlak bij. Het stuwmeer en de stuwdam dateren van 1968. Het meer bevat ongeveer 25 miljoen kubieke meter water, afkomstig van de Golorivier. Het levert elektrische energie die een groot deel van Corsica van stroom voorziet. Het water bevloeit ook de vlakten ten zuiden van Bastia.

Overal langs het stuwmeer hangen verbodsbordjes: het is er verboden te spelevaren, te zwemmen en te vissen. Jammer. De zon hamert op onze hoofden als we in de namiddag de betonbaan volgen. Hier passeren vrachtwagens en maar af en toe een auto. Onderweg maak ik een filmpje van een mestkever die een keutel over de betonbaan aan het duwen is. Een motard heeft zijn zware motorfiets langs de kant van de weg geparkeerd. Met zijn lief ligt hij op een dekzeil. De vrouw is een dutje aan het doen. De man zegt ons vriendelijk gedag.

Uiteindelijk lopen we nog sneller dan verwacht het dorp Casamaccioli in. Het zou zo’n honderd inwoners tellen. We houden halt aan een brede poort, waar een bordje aan hangt: B&B Casa Vanella, de bed&breakfast die Marianne geboekt heeft! Ze drukt op een knop aan de poort en wonder boven wonder, die schuift open, zoals Sesam in het sprookje. Verbaasd stappen we de steile toegangsweg op naar boven, onze laatste klim van de dag.

De B&B ligt helemaal boven op de helling, achter de nog lege parking en bestaat uit twee delen, een stijlvol herenhuis met daarachter een nieuwbouw in natuursteen en veel glaspartijen. Aan het herenhuis hangt een bordje met een pijl reception op geschilderd. De receptie bevindt zich in de nieuwbouw maar is helaas niet bemand. We proberen de deur eens, die tot onze verbazing opendraait. Van een salon met een boekenkast en muziekcollectie over Corsica wandelen we door een grote eetkamer, een bureau, een keuken en een voorraadkamer met koelkasten en een diepvries. In de koelkast bespeur ik een grote voorraad Corsicaanse bieren. Ik twijfel even, maar beslis dan toch maar om nog geen Pietra te ontkurken.

Langs de achterdeur, die evenmin op slot is, lopen we terug naar buiten, waar zich een geweldig groot terras voor de gasten bevindt. Aan de overkant van de vallei kijken we weer uit op de Monte Cinto en de andere bergen van het natuurpark. Aan de afspanning van een geiten- en schapenweide wappert de witte Corsicaanse vlag met het zwarte hoofd, getooid met de witte bandana.

Marianne installeert zich op een ligbed op het buitenterras, met zicht op de vallei, waar we over enkele uren een magistrale zonsondergang gaan beleven. Ze wil nog graag een uiltje knappen. Ik ga terug de heuvel af, het dorpje in, op zoek naar wat te eten of te drinken. Naast een fraai kerkgebouwtje dat geel geschilderd is, staat een losse barokke kerktoren. Hoewel de bergen van Corsica al veel langer bewoond zijn, ontstond het dorp Casamaccioli pas in de 18e eeuw. De bevolking hield zich toen bezig met het hoeden van geiten en schapen.

Wat verderop wandel ik voorbij een cafeetje. Er hangt een Guatemalteekse vlag uit, maar de kroeg ziet er gesloten uit. Aan de overkant staat een prachtig herenhuis. Een jonge vrouw is er haar auto aan het wassen. Ik vraag haar of het café gesloten is. Ze antwoordt me dat het om 17 u opengaat. Ik wandel wat verder en kom op een groot plein waar ik nog een café zie liggen. Helaas is dat café ook gesloten tot 17 u.

Tot die vaststelling komt vijf minuten later ook een Britse trekker met een reusachtige rugzak. Hij vraagt me of ik geen refuge weet in het dorp. Helaas, antwoord ik, maar er is wel een B&B. De Brit zucht diep. De jonge kerel moet nog helemaal terug de berg over naar de refuge van A Sega, waar hij blijkbaar afgesproken heeft met vrienden. Ik zeg hem dat ik en mijn vriendin er net vier uur over hebben gedaan om van daar af te dalen. Ik geef hem de raad snel terug de route omhoog op de Mare a Mare op te zoeken, want ik vrees dat hij niet voor het donker in A Sega zal geraken. De Brit mag van geluk spreken dat die route vanuit het dorp nog bewegwijzerd is. De jonge kerel vloekt hartgrondig en hijst zijn grote rugzak terug op zijn bult. Ik kijk nog wat rond of er in het dorp geen winkeltje is, maar keer dan maar terug op mijn stappen, naar onze B&B. Kort nadat ik terug op het terras van de B&B ben geraakt, rijdt de patron de oprijlaan op. Hij laat ons de mooiste kamer van zijn doening kiezen, waar we heerlijk douchen. Daarna geniet ik op het terras van een Pietra en Marianne van een Orangina, een traktatie van de praatgrage waard.

Bij het avondmaal in open lucht blijkt er aan een ander tafeltje voor twee nog een jong Frans koppel aan te sluiten. De waard concentreert zijn verhalen vooral op de twee Fransen, wat we uiteindelijk helemaal niet erg vinden. We krijgen een viergangenmenu voorgeschoteld, met een waaier van Corsicaanse charcuterie, een bord met grote gebakken witte soissons-bonen in tomatensaus, pancetta en Corsicaanse figatelliworst, een kaasplank met lokale kazen en een dessert van een halve peer in een saus van room en canistrelli’s. De zon was al even op spectaculaire wijze achter de bergen gezakt, toen voor Marianne en mij de nacht viel en we van het terras verhuisden naar ons superdeluxe bed.

 Het ontbijt op onze rustdag in Casa Vanella was super. Een buffet met fruit, kaas, fruitsappen, charcuterie en, op de valreep, verse croissants en chocoladebroodjes. Na dat festijn namen we samen een kijkje in het dorp. Deze keer waren de cafés open. Aan het eerste zat de waard al op zijn eigen terras. Is het café open?, vroeg ik. ‘Natuurlijk’, antwoordde de baas. Ik proefde er een Paolini-pint, Marianne hield het bij een Orangina. We raakten met de baas aan de praat over roofvogels. Klopt het dat we eergisteren een arend hebben gezien?, vroegen we. Ja, dat kan, antwoordde de man. Maar ze zijn nog zeldzaam. We vertelden dat we dan wellicht een steenarend hebben zien wieken op de thermiek in de vallei van de Tavignanu. Maar Corsica telt nog tal van andere roofvogels, leer ik van Google: de lammergier, de rode wouw, de buizerd, de slangenarend en de slechtvalk.

Ik heb nog een vraagje voor de cafébaas: waarom hangt er een Guatemalteekse vlag aan zijn voorgevel? O, antwoordt hij, mijn vrouw is afkomstig van daar. Dat vond hij een leuk idee. Ik antwoord dat de baas van de B&B waar wij verblijven een Corsicaanse vlag laat wapperen op zijn heuvel. Ja, ja, antwoordt de kroegbaas, ik weet het, de man is een neef van mij. Aan mijn tenen voel ik dat er wat ruis op de familieband zit. Ja, zucht de kroegbaas nog, in zo’n klein dorp als dit is bijna iedereen familie van elkaar.

Als onze drankjes op zijn, wandelen we verder het dorp in. We zien naast een eeuwenoude olijfboom lekkere kersen hangen aan de takken die over een omheining groeien. Die proeven we natuurlijk. Ook het andere café is ’s ochtends al geopend maar sluit dan weer op de middag tot 17 u. Aan de gevel hangen bordjes dat ze sandwiches verkopen, maar de twee caféklanten in de ruime zaal schamperen dat er al een lange tijd niets meer te bikken valt in hun café. We wandelen nog door wat straten waar huizen staan die tot drie verdiepingen tellen, sommige perfect onderhouden, andere verkommerend. We keren op onze stappen terug naar onze B&B, waar we nog de laatste restjes van onze inkopen in Corte opeten. ’s Namiddags lezen we lekker luierend op onze ligzetel. Wat is er meer nodig dan een warm zonnetje en een goed boek?

Rond half zeven wordt de rust aan Casa Vanella verstoord. Een groep van acht motards en hun vrouwen komt onder een brommend lawaai de heuvel opgereden en parkeert zich op de parking. De B&B zit meteen vol. Het avondmaal wordt om half acht geserveerd, maar de motards en wij wachten daar niet op om ons al te installeren aan tafel. Na de motards en hun vrouwen laten wij ons ook gevankelijk fotograferen aan de Corsicaanse vlag, met het unieke zicht achter ons op het gebergte.

Na een tijdje hebben we door dat er nog één gast op z’n eentje is ingecheckt. De eigenaar heeft vooral voor hem aandacht. Wie weet is het een neef… De baas praat en praat en praat maar, hij lijkt helemaal vergeten te zijn dat hij ook nog elf mensen een viergangenmenu moet voorschotelen. Hij blijft zo lang praten met die ene gast dat zowel de motards en hun vrouwen als wij het ervan op de zenuwen krijgen. Het is al half acht voorbij maar hij maakt geen aanstalten om het diner te serveren. De zon heeft zich intussen al achter de bergen terug getrokken. Enkele dames gaan een sweater, fleece of trui halen, het wordt nu snel koeler. Eindelijk komt na half negen het voorgerecht op tafel. De uitbater van de B&B is wat fier op het in een koek gebakken voorgerecht met prei en nog iets, een gerechtje dat zijn dochter heeft gemaakt, met een lekker slaatje erbij. Vervolgens krijgen we penne met ragout van everzwijn, wat niet de eerste keer is tijdens ons verblijf in Corsica. Als we dat achter de kiezen hebben, kruipen we ons bed in. Morgen wacht ons een zware dag stappen, van Casamaccioli naar de Col de Verghio, waar we een stuk van de GR20 gaan proeven.

Geplaatst in Corsica, natuur, reizen, Uncategorized, vrije tijd | Tags: , , , , , | 3 reacties

Naar A Sega

Om 7 u schuiven we in het hotel in Corte aan voor een eenvoudig ontbijt: een croissant, een koffie, brood, confituren en twee soorten fruitsap. Naast ons zitten nog andere trekkers die vanuit Corte een wandeling gaan doen. We wandelen eerst een stuk langs de baan RT202, steken de brug over de Restonica over en vervolgens de brug over de Tavignoni, en volgen dan even de D823, waar we een mooi uitzicht krijgen op de citadel die boven Corte uittorent. Marianne heeft de route, een onderdeel van de wandelroute Mare a Mare, als gpx op haar smartphone gezet. ‘Hier moeten we links afslaan’, zegt ze na een kwartiertje stappen.

We slaan een track in die met gele verf gemarkeerd is. Het pad daalt af in de vallei van de Tavignano.  De vallei van die rivier zullen we zowat de hele dag volgen. Op enkele plaatsen hangen er kettingen in de rotswand waaraan je je kan vastklampen. Na zowat een uur wandelen op min of meer dezelfde hoogte, komen we amper één wandelaar tegen. Van op een hoogte zien we beneden in de rivier een naakte man zwemmen met zijn Duitse scheper. We wandelen verder en verliezen hem uit het oog als we weer tussen de struiken en bomen stappen.

Een beetje verder slaan we rechtsaf een steil pad op, dat ons naar de Mare a Mare brengt. Het pad dat vanaf daar oranje gemarkeerd is, golft op en neer in de riviervallei. De route van Corte naar A Sega telt volgens de gpx 930 hoogtemeters en 200 daalmeters. Zoals overal op deze meerdaagse trektocht laat ik Marianne voorop lopen en het tempo bepalen. Op die Mara a Mare-route is het behoorlijk druk. Het is 3 juni en nog voorjaar. De natuur barst uit z’n voegen, met prachtige bloemen en bloesems langs de paden waar we passeren.

We laten iedereen die ons inhaalt, alle ruimte om ons voorbij te steken: wandelaars met een dagrugzakje, gehaaste trailrunners en trekkers met een grote rugzak. Van enkele trailrunners vernemen we dat ze een heen-en-weer-loopje doen naar een passerelle die enkele kilometers verder de Tavignano overbrugt.

Na ongeveer twee en een half uur wandelen zien we de brug over de Tavignano liggen. Het rivierwater dendert er in poelen naar beneden. Het water ziet er aanlokkelijk uit om verkoeling te krijgen in de hitte van de vallei. We zien enkele wandelaars pootje baden of een zwemmetje doen, maar nooit lang want het water van de rivier is in juni nog ijskoud. Eens de rivier overgestoken klimt het pad weer meer omhoog in grote wouden van pijnbomen met magistrale dennen. Soms zien we de rivier rechts onder ons liggen of horen we het water klateren zonder het te zien.

Na nog een uur wandelen komen we aan een zijriviertje van de Tavignano dat we even omhoog volgen. Het nog altijd oranje bewegwijzerd pad leidt ons door het kabbelend zijriviertje en daalt dan weer tot we links een ongemarkeerd zijpad zien dat naar enkele bergeries leidt. Dat pad volgen we niet. We volgen de oranje merktekens die ons nu weer dieper de vallei in voeren, tot we hier en daar flarden van de Tavignano spotten en haar geruststellend gekabbel horen. Zo’n viertal kilometer verder lopen we opnieuw vlak langs de rechteroever van de Tavignano. We passeren enkele koeien met hun kalveren die tussen de hoge dennenbomen naar frisse grassen speuren. Tussen de hoge dennen op het pad naar A Sega zien we aan de overkant van de vallei, veel hoger dan waar wij wandelen, een col liggen. Die gaan we morgen moeten overwinnen, zegt Marianne. Op dat moment beseffen we nog niet dat die tocht naar Casamaccioli nog flink wat zwaarder zal uitvallen dan we dachten.

In het pijnbomenbos wandelen we voorbij een grote stal, die niet de A Sega-hut is, maar van waar een breder pad ons nog eens naar een brug over de rivier leidt. Van op de brug zien we de nog veel grotere A Sega-hut en haar bijgebouwen liggen. Op een vlak terrein tussen de hoge bomen spotten we de trekkerstentjes die te huur zijn voor wandelaars die erin willen overnachten. Maar wij gaan in de hut zelf overnachten, die erg groot en comfortabel is. Als we ons melden bij de jonge waard van de hut, schrijven we ons in voor het avondmaal en het ontbijt. Van die gelegenheid maak ik gebruik om op het terras van de hut een halve liter Pietra te drinken.

Marianne heeft een ander plan. Ze gaat in het ijskoude water van de Tavignanu nog een zwemmetje doen. Van op het terras van de refuge kijken de pas gearriveerde trekkers en de waard himself hoe mijn liefste zich in het ijskoude water laat zakken en voor zichzelf zowaar een solo-zwempartijtje organiseert. Eén enkele andere man durft ook het ijskoude snelstromende water in. Het is immers nog juni, de toppen van de ons omliggende bergen waar de GR20 tussen slingert, zijn nog besneeuwd. De meeste beken en rivieren worden gevoed door het smeltwater van de bergen. Intussen geniet ik van mijn halve liter Pietra Ambré.

Het menu voor het avondmaal heeft de waard al met krijt op een bord geschreven: “Entrée: taboulé; Plateau: pâte au veau; fromage: brébis; confiture: figues; dessert: flan vanille. A reserver à votre arrivée! Servi à 19h00”. Een heerlijke maaltijd voor 23 euro per persoon. Vinden wij, althans.
Het is niet echt druk in de hut. De waard geeft ons een kamer van zes bedden, twee stapelbedden en twee eenpersoonsbedden. De matrassen van de bedden zijn met plastiek overtrokken. Alle hutten op de Corsicaanse grote wandelpaden en ook tal van hotels zijn er tegenwoordig erg voor beducht om bedwantsen in hun hut of hotel te krijgen.
Met mijn dochters ben ik in september 2015 op de GR20 eens aan de refuge van Carozzu op de GR20-Noord beland, die met bedwantsen besmet was. Terwijl ik eerst nog vond dat we best wel in die hut konden overnachten, overtuigden mijn dochters en een Belgische dokter uit het Sint-Janhospitaal in Brussel me om toch maar alstublieft het gratis aanbod van de hutbeheerder te aanvaarden en ons ook in de tenten te installeren die op de camping rond de refuge lagen.

Als we onze spullen naar de kamer in A Sega brengen, stuiten we op de Engelsen uit Vizzavona. Zij zijn hun spullen aan het uitstallen op de eenpersoonsbedden. ‘Het zijn hier Franse WC’s’, waarschuwt de Engelsman. ‘Maar de douches zijn wel dik in orde.’ En dat kunnen wij beamen. Wij vinden in het gebouw trouwens ook nog een “gewoon” toilet.
Het excentrieke duo heeft net als wij in Corte inkopen gedaan, vertellen ze, want hun voorraad gevriesdroogde zakjes was uitgeput. Wat ze voor voedsel gekocht hebben, vertellen ze niet. Zij gaan hun kostje bereiden aan een picknickbank op de camping, waar de tentjes staan die je bij de waard kunt huren. Wij hebben in een supermarkt in Corte een blok kaas, wat fruit en een zakje canistrelli’s gekocht, die typisch Corsicaanse koekjes waarop Marianne verliefd werd.

Als wij ons klaar maken om aan tafel te schuiven vertellen de Engelsen nog eens dat zij met hun inkopen hun eigen potje gaan koken. ‘Dat is veel goedkoper dan de maaltijd in de hut gebruiken’, zegt de Engelse vrouw. Alsof wij dat niet weten. De maaltijd in A Sega is lekker, maar eigenlijk niet zo gezellig. Aan onze tafel zitten twaalf gasten, onder wie tien Fransen die elkaar van alles en nog wat te vertellen hebben, maar geen gesprek aangaan met ons, de Vlaamse gasten met wie ze aan tafel zitten. De Fransen drinken bovendien allemaal kraantjeswater. Ik herinner me nochtans dat ik in de refuges van de GR20 die ik met mijn dochters, met de Corsicanen op de GR20 Zuid en met Ziggy en Sigrid aandeed, altijd kruiken rode wijn bestelde. De ene Fransman is duidelijk de andere niet…

’s Anderendaags zijn de Engelsen in onze kamer van zes al vroeg druk doende met hun spullen in te pakken. Wij hebben nog een ontbijt te goed. Een zeer bescheiden ontbijt weliswaar, met jam, charcuterie, kaas, Frans brood en koffie. Bij de Franse trekkers die aan onze tafel zitten, horen we wat ongerustheid over de weersvoorspelling. En effectief, er kruipen wolken over de berg waar we straks overheen moeten. Hopelijk valt daar geen regen uit. We rekenen af bij de waard, gaan nog eens naar de Franse WC’s en werpen dan onze rugzak op de rug voor onze nieuwe wandeltocht, eerst nog een stuk door het magistrale pijnbomenbos, daarna langs weiden waar koeien en paarden grazen, steil klimmen tot over de col, waar we een blauw stuwmeer zien liggen. In Casamaccioli, een dorpje langs de oever, heeft Marianne een B&B geboekt.

Geplaatst in Corsica, GR20, natuur, reizen, vrije tijd | Tags: , , , , | 1 reactie

Naar Corte

Het treintje dat ons naar Corte zal voeren, rijdt van Ajaccio helemaal naar het noorden van Corsica, naar de tweede grootste stad van het eiland, Bastia. Corte ligt zo ongeveer halverwege tussen Ajaccio en Bastia. Het grootste deel van die treinlijn bestaat slechts uit een enkel spoor. Er zijn in het bergachtige Corsica meerdere tunnels gegraven voor de treinverbinding van de hoofdstad naar Bastia.

In Vizzavona liggen twee sporen. Die zijn daar nodig om de treinen uit beide richtingen toe te laten elkaar te kruisen. Eens beide treinen hun passagiers hebben laten uit- en instappen, rijden ze weer de tunnels in, waar ze terug op één spoor rijden. Vanuit Vizzavona zijn wij lang niet de enigen die een zitplaats op de trein zoeken. We prijzen ons gelukkig dat we nog een plaatsje bemachtigen in de buurt van een stapelplaats voor de rugzakken, op een smalle bank waar al twee dikke mensen op zitten. De trein zit afgeladen vol met een hele school meisjes en jongens die op zeeklas vertrekken, trekkers die bergwandelingen gaan doen en oudjes die liever met de trein reizen dan met de auto.

In Corte stappen wij en vele andere reizigers uit. Vlakbij het station zijn er wat winkels, waar we tevergeefs iets te eten zoeken om te lunchen. Dan wandelen we maar van het station langs een grote drukke laan naar het centrum van het stadje. We lopen over een brug boven de rivier Tavigniano op de grote, drukke laan “Territoriale 20” die ons naar het centrum leidt.

Onderweg zien we de Campus Mariani liggen van de Université de Corse Pascoli Paolo. De Universiteit van Corsica werd in 1765 opgericht door generaal Pasquale Paoli. Maar na vier jaar werd ze alweer gesloten. Frankrijk vond het toen niet nodig om in Corsica universitair onderwijs te organiseren. Op de website van de universiteit lees ik wat meer over de geschiedenis van Corte en Corsica. Lange jaren leek het erop dat die sluiting definitief was.

Corte is een klein stadje met een grote geschiedenis, die terug gaat tot de Romeinse tijd. Die dankt het aan zijn centrale ligging, aan een kruispunt van wegen en de samenvloeiing van twee rivieren, de Tavignano en de Restonica. In de 14e eeuw kwam er een klein kasteel op een rotspunt. Vincentello d’Istria, de onderkoning van Corsica die regeerde namens de koning van Aragon, liet vanaf 1419 boven de stad een vesting bouwen, van waar hij het verzet tegen de Genuezen oppookte. Tussen 1553 en 1559 bezette een Frans leger de stad. Daarna werd de stad terug ingenomen door de Genuezen en ook Sampiero Corso had de stad korte tijd in handen in 1563.

In 1745 brak in Corte de Corsicaanse opstand tegen het Genuese bestuur uit. Tussen 1755 en 1769 was Corte de hoofdstad van het onafhankelijk verklaarde Corsica. In Corte waren de munt en een nationale drukkerij gevestigd. Na de Franse overwinning in de Slag bij Ponte Novo in 1769, kwamen Corsica en Corte onder Frans bestuur. Op bevel van de graaf van Vaux werd begonnen met de omvorming van het kasteel van Corte naar een citadel. In 1776 werd de kazerne Padoue gebouwd om er een garnizoen in onder te brengen. Tussen 1791 en 1793 was Corte de hoofdstad van het kortstondige departement Golo.

Maar in de 19e en het grootste deel van de 20e eeuw speelde de stad weer een tweederangsrol. Er was wel nog een garnizoen gelegerd. In de 19e eeuw kreeg de citadel van Corte haar huidige uitzicht. En in 1981 kreeg Corte dan toch opnieuw een universiteit, na acties van een volksbeweging.

In 1976 werd in Corsica het FLNC opgericht, het Front de la Libération National Corse. Het FLNC bestond uit verschillende paramilitaire organisaties die zich onafhankelijk van Frankrijk wilden maken en daar met militaire acties allerhande en aanslagen voor ijverden. De onafhankelijkheidsbeweging lijkt de jongste jaren veel minder gewelddadig te zijn dan in die vroegste jaren, waarin er ook moordaanslagen werden gepleegd. Nog steeds leeft er een onafhankelijkheidsstreven in Corsica. Activisten schilderen slogans voor de onafhankelijkheid op gebouwen, ze doorzeven plaatsnaambordjes en richtingaanwijzers die niet in het Corsicaans zijn gesteld of overschilderen de Franse benamingen. In 1983 verliet het Frans Vreemdelingenlegioen de citadel van Corte waar het sinds 1962 gelegerd was. Daarna werd in de citadel het Grand Musée de la Corse geopend.

Corte telt nog tal van andere bezienswaardigheden, zoals de kerk van de Annunciatie uit de 15de eeuw, het voormalig nationaal paleis, waarin de regering en het parlement zetelden en het klooster Saint-François uit de vijftiende eeuw, dat in de 17de eeuw werd uitgebreid. Na de Franse Revolutie werd het klooster in beslag genomen en werd het gebruikt als bejaardentehuis voor geestelijken, school en kazerne.

Marianne en ik vleien ons neer op het terras van een café op het centrale plein van Corte. We hebben dorst. Naast ons staat het standbeeld van Pasquale Paoli. Hij was de vader van het Corsicaanse nationalisme. Hij leidde het eiland van 1755 tot 1769 in het verzet tegen Genua. Carlo Mario Bonaparte, de vader van Napoleon, die andere beroemde Corsicaan, was zijn medestander. Paoli kreeg de titel van ‘generaal van de Natie’. Het lukte Paoli om een groot deel van Corsica van de Genuese bezetting te bevrijden, waarna hij een bestuur inrichtte met een democratische grondslag, gebaseerd op volkssoevereiniteit en scheiding der machten. De uitvoerende macht oefende hij zelf uit. Genua werd niet helemaal verslagen, maar wel zo verzwakt dat de Genuezen Corsica aan Frankrijk verkochten. Paoli organiseerde het gewapend verzet tegen Frankrijk, maar werd overwonnen bij de Slag van Ponte Nuovo in 1769. Hij ging in ballingschap, maar zou tijdens de Franse Revolutie terugkeren naar Corsica, dat een Frans departement was geworden, waarvan hij de leiding van het lokaal bestuur verwierf. Een van zijn medewerkers was toen de jonge Corsicaanse officier Napoleon Bonaparte. Het verbaast geen Corsicaan dat de nieuwe universiteit van 1981 naar Pasquale Paoli werd genoemd. Ik toast op hem met een Pietra, Marianne met een frisdrank.

Het meisje dat ons bedient hanteert wel een zeer speciale manier van afrekenen. Als je er met een bankkaart aan haar toog wil betalen, moet je tien euro meer pinnen dan wanneer je met cash betaalt. Is dat wel wettelijk, vraag ik haar. Ze antwoordt ontwijkend dat zij niet de enige is die zo werkt. Ik betaal dan maar van mijn voorraadje cash geld, dat als dat overal in Corsica zo zou zijn, snel uitgegeven zal zijn.

We wandelen op ons gemak de trappen en hellingen van Corte op en af. Mooi kerkje, goede terrassen, leuke winkeltjes, we verkennen het stadje met z’n vele trappen en mooie plekjes. We stranden op een terrasje om een broodje met een glas wijn te consumeren. Een al wat oudere dame bedient ons energiek en allervriendelijkst. Als ze mijn t-shirt ziet, slaat ze haar hand voor mond en roept ze uit ‘Oh, j’adore Dylan’. In haar ogen zie ik dat ik voor haar niets meer mis kan doen.

Na onze lunch hijsen we onze rugzakken weer op de schouders en zoeken we onze weg naar Hotel Corte HR, een hotel dat Marianne geboekt heeft omdat het over een zwembad beschikt. We lopen nu van het hoge Corte de trappen terug naar beneden. Al van ver zien we de hangbrug over de samenvloeiing van de Restonica en de Tavignanu. Het loopt er vol studenten van de Paoli-universiteit. We lopen door een buurt vol studentenresidenties en universiteitsgebouwen. Aan de overkant van de brug is het nog maar een klein eindje wandelen naar ons hotel.

Hotel Corte HR is een appart-hotel, waar de kamers ingericht zijn als een klein appartementje, met een klein bed van 140 cm, twee kleine nachttafeltjes en een mini-keukentje en -kast. In de gangen hangt een ondefinieerbare maar zeer doordringende geur, maar daar malen we niet om. We kleden ons om en gaan zwemmen, want het is geweldig zwemweer in Corte. Daarna gaan we in de nabijgelegen supermarkt nog wat mondvoorraad kopen voor onze lunch van morgen. En dan doen we onze “nette” kleren aan om een goed restaurant te scoren in het centrum van het stadje.

Als het aan mij had gelegen, had ik al op tien minuten tijd zo’n twee of drie goede eethuizen gespot. Maar het personeel was overal nog aan de mise en place bezig. Hadden we nog tien minuutjes geduld aub? We wandelden een trap naar beneden en kwamen aan een grote fontein waaromheen blijkbaar een restaurant al klanten plaats liet nemen. Marianne vond het ook een geschikte locatie en de uitbater die meteen met menukaarten kwam aandraven, was het met haar gloeiend eens.

Restaurant A Funtana, aan de fontein, stond op nummer 1 van de 73 restaurants in Corte, zoals de baas ons verschillende keren verzekerde (met een quotering van 4,7 op 5 bij 1.129 beoordelingen). Bij elk tafeltje dat bezet geraakt, neemt de man een glazen waterkruik van het zuiverste fris water uit de fontein en zet die op je tafel. We hebben er inderdaad heerlijk gegeten.

Terwijl ik foto’s neem vertelt hij aan Marianne het verhaal van zijn leven. Hij is geboren in het huis vlakbij de fontein en is kerngezond dankzij het zuivere water uit de fontein, dat rijk is aan magnesium, wat naar zijn zeggen vooral zeer gezond is voor de vrouwen. Dat hij wel een beetje een aansteller is, blijkt uit het verhaal dat hij voor Marianne ophing over zijn voetbalcarrière. Hij vertelde haar dat hij toen hij zestien was, bij de nationale junioresselectie van les Bleus zat, en met de nationale Franse voetbalploeg meedeed aan het Wereldkampioenschap voetbal voor junioren.

Wat er ook van zij, ik heb er een lekkere lasagne gegeten, goede wijn gedronken en wat Corsicaanse kazen van de plank achter mijn kiezen gestopt. Na de obligate foto van Marianne met de baas van A Funtana, die nu ook claimt dat zijn restaurant het beste van heel Corsica is, beklommen we eerst wat trappen en daalden we wat andere trappen weer af, tot we aan een grote boulevard kwamen, waar ik het restaurant, het terras en het hotel herkende waar ik enkele jaren geleden met Ziggy en Sigrid verbleef. Die ex-collega’s wilden toendertijd ook eens de sensatie van Corsica beleven. We organiseerden samen een shorthike van drie dagen. Na een lekker avondmaal en nog wat pinten en pietra’s in Corte kropen we toen flink aangeschoten ons bed in. De beklimming via de kleine meertjes van Capitello en Melo naar het GR20-pad dat ons naar Pietra Piana bracht, was de dag nadien voor Sigrid een echte martelgang, maar ze haalde het, langzaam maar zeker.

Na de laatste afdaling langs de trappen van Corte lopen we weer over de passerelle van de twee rivieren. Het is tijd om naar ons appartement-hotel te wandelen. We kruipen om 21 u ’s avonds in een smal bed. Eerst vul ik nog mijn boekje aan. Morgen wacht een zware dag.

Geplaatst in Corsica, geschiedenis, GR20, politiek, reizen, vriendschap | Tags: , , , , , , , | 2 reacties

Naar Vizzavona


De trein zit vol trekkers, sommigen uiterst licht gepakt, anderen met een veel te grote rugzak. Het overgrote deel van de passagiers in het bomvolle treintje stapt in Vizzavona af. Van daar begint voor velen hun avontuur op de GR20, ofwel richting Conca naar het zuiden, of naar Calenzana, het noordelijk eindpunt van de GR20.

Marianne heeft in Vizzavona een overnachtingsplaats voor twee geboekt in Le Vizzavona Chalet. De kamer is sober: twee smalle eenpersoonsbedden en een lavabo. Op de verdieping liggen de toiletten en twee stortbaden met een klein debiet. De refuge van het hotel waarin we overnachten ruikt muf en vochtig. Wij krijgen een kamer toegewezen op de benedenverdieping. Eerst gaan we naar het winkeltje van de camping in Vizzavona wat fruit en canistrelli’s kopen, de Corsicaanse koekjes waar Marianne dol op is geworden. Onderweg verlies ik mijn balpen, een onmisbaar instrument om onze avonturen in mijn boekje te kunnen bijhouden.

Op ons programma voor Vizzavona staat een inloopwandeling. Die is al behoorlijk pittig, met een dozijn kilometers en ongeveer 550 hoogtemeters. De wandeling begint vrij makkelijk, over de zuidelijke GR20 met brede paden langs heerlijke bossen. Achter een omgevallen boom vervul ik een dringende behoefte. We kruisen wandelaars die vanuit het verre Conca via E Capanelle op de GR20-Zuid het pad richting Vizzavona volgen. Marianne heeft een tocht uitgestippeld die deels langs de GR20-Z

uid en deels via de GR20-Noord loopt. Zo lopen we even op de GR20 richting E Capanelle en buigen we dan af tot we terug op de GR20 komen richting Onda. We steken de N193 over aan een chalet waar reclame wordt gemaakt voor een hoogteparcours in het woud. Een beetje verder in dat magistrale woud herken ik de route die ons terug naar Vizzavona moet brengen. Aan een brug over de Agnone herken ik de omgeving. Tien jaar geleden staken we die brug ook al over. Enkele honderden meters vóór die voetgangersbrug over de Agnone was ik tien jaar geleden met mijn dochters de noordkant van de GR20 vanuit de refuge van Onda naar Vizzavona afgedaald. Dat was eerst 711 meter steil klimmen, gevolgd door een lange afdaling van 1.221 meter.

Tijdens die steile en zware afdaling struikelde ik enkele honderden meters voor de voetgangersbrug over het riviertje de Agnone. Ik viel met mijn scheenbeen op een scherpe steen die wat hoger dan de andere rotsige stenen op het pad uitstak. Even vreesde ik dat mijn scheenbeen gebroken was, maar gelukkig heb ik blijkbaar sterke beenderen. De wond bloedde wat, maar na vijf minuutjes op mijn tanden bijten, kon ik weer mee met mijn dochters en onze toenmalige Franse wandelvrienden Romain en Julie. Op een latere korte hike met Ziggy en Sigrid passeerde ik op de afdaling naar Vizzavona nog eens langs die watervallen, de beroemde Cascades des Anglais.

Marianne en ik volgden de Agnone stroomopwaarts, op jacht naar die Cascades. De rivier baant via verschillende watervallen en overlopende poelen haar weg naar het dal. De watervallen zelf zijn niet zo makkelijk te benaderen en vergen heel wat klauter- en klimwerk op de rotsen rondom. Marianne heeft er schik in om de rivier tegen de stroom in langs de rotsen omhoog te volgen.

Tot we na een rotspartij in een bos terechtkomen met dicht struikgewas. Tijd om op onze tocht rechtsomkeer te maken, want we waren al aardig op weg naar Onda in plaats van terug naar Vizzavona. Op ons gemak dalen we terug naar beneden langs de overloop van poelen en watervalletjes. Op een rustig plekje met de voeten in het barkoude kabbelende water, lunchen we. Hoe verder we langs de rivier afdaalden, hoe meer er hier en daar mensen lagen te zonnen of te baden. Een troepje puberjongens amuseerde zich met van een meter of vier boven het water in een van de diepe poelen te springen, terwijl de meisjes beneden aan de rivier gebiologeerd toekeken.

Aan de overkant van de brug over de Agnone vanuit Vizzavona gezien, stond enkele jaren geleden nog een café-chalet met een groot terras. Dat maakt nu deel uit van het avonturenparcours met hoogtepistes tussen de bomen, waarlangs we afgedaald waren. We konden daar wel wandelen en naar de hoogtepistes tussen de takken kijken, maar in juni was het nieuwe avonturenpark helaas nog gesloten.

Onze weg vervolgde over de brug en verder enkele kilometers langs de rivier tot we weer in Vizzavona belandden. Op het terras van het café rechtover het station, was het behoorlijk druk. Trekkers die een dagwandeling hadden gemaakt, wachtten op het treintje bij het genieten van een drankje. Aan één van de weinige nog vrije tafeltjes vleien we ons neer na onze toch wel forse inloopwandeling. Ik bestel een grote Pietra en Marianne een frisdrank. Het Corsicaans kastanjebier smaakt. Er zijn nog zekerheden in het leven.

De waard heeft een nieuw bord aan zijn afspanning geplaatst waarop zijn regels voor het terras staan uitgelegd. Rugzakken en wandelstokken zijn er tegenwoordig bijvoorbeeld verboden. Die moeten tegen de buitenkant van het muurtje gestald worden dat zijn terras omgeeft.

Een uurtje voor het opgediend zou worden, begint de waard reclame te maken voor het avondmaal dat hij zal serveren. Marianne en ik gaan eerst douchen en beslissen daarna om op het terras van het café de zelfgemaakte penne te degusteren, in plaats van in het deftig restaurant van het hotel te dineren. De penne was eerlijk gezegd lang niet zo lekker als de pasta van de Via Roma in Ajaccio, maar wel goedkoper. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de waard te vragen of hij in zijn winkeltje toevallig geen balpennen verkoopt. ‘Ik verkoop alles’, lacht hij. In ruil voor een stuk van twee euro geeft hij me een zwarte Bic.

Bij het vallen van de avond rusten we nog even uit op de bank die voor onze kamer in de Vizzavona-chalet staat. We raken er aan de praat met een Engels koppel dat een bank verder zit. Graham is al enkele jaren gepensioneerd, zijn partner, die vele jaren jonger is, nog lang niet. De twee blijken echt heel gierige trekkers te zijn. Ze hebben voor hun hele tocht op de GR20 gevriesdroogde maaltijden mee, beknibbelen op elke uitgave en checken bij andere trekkers de prijzen na van het ontbijt, lunch of avondmaal, om dan opgelucht te kunnen zuchten dat zij het toch allemaal veel goedkoper doen.

Na ons avondmaal kruipen we al om negen uur in ons bed. We zijn moe. Van het veel te laat uitgelopen verjaardagsfeestje van Danny die de avond vóór ons vertrek 60 was geworden, van de stress voor de vertraging van onze vliegtuigreis, van de korte nacht in Ajaccio, van de inloopwandeling die voor de knieën en gewrichten van Marianne veel zwaarder was uitgevallen dan gepland. Wij slapen op de smalle eenpersoonsbedjes op de benedenverdieping. Er ligt een plastieken folie over de matrassen, om de bedwantsen buiten te houden. Over de plastieken matras draperen we onze lakenzak. De schrik voor die vervelende insecten zit er in de Corsicaanse hotels, B&B’s en trekkershutten dik in.

’s Ochtends worden we om 6 u gewekt door het gestommel van de trekkers die zich op de bovenverdieping klaarmaken. Een groepje van vier, drie mannen en een vrouw, willen duidelijk heel vroeg op pad gaan. Wij kiezen ervoor om eerst te ontbijten. Een ontbijt in het restaurant kost 13 euro per persoon, maar het is lang niet zo lekker en veel als in hotel Kallisté in Ajaccio. Minder kaas, minder keuze uit de soorten koffie en thee, minder charcuterie, een kleiner chocoladebroodje en een kleinere croissant.

Rond half acht zijn we ingepakt en hebben we afgerekend. We nemen de trein naar Corte van 8:45 u. Een enkel ticket kost 7 euro. Een minuutje na half negen voel ik het al kriebelen om naar het station te wandelen. Op de trein uit Corte moeten de reizigers niet wachten, maar het treintje uit Ajaccio dat naar Corte rijdt, heeft een klein kwartier vertraging.  

Geplaatst in Corsica, GR20, reizen, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Naar Ajaccio

Op 31 mei 2025 vertrekken Marianne en ik naar Brussels-South, de luchthaven van Charleroi. We gaan eindelijk nog eens op trektocht, naar mijn geliefde bestemming: Corsica! We hebben twee rugzakken mee, eentje van acht en eentje van zes kilogram. Sober gepakt dus voor een vakantie van twaalf dagen. Ik vind de 3-maal-4-regel uit: ik neem vier paar sokken mee, vier onderbroeken en vier T-shirts. Dat zijn de spullen die zeker ter plaatse gewassen zullen moeten worden.
Daar komt nog één korte wandelshort en één lange wandelbroek bij, een zwembroek en dunne zeemvel-handdoek, sandalen, een lege waterzak, een lakenzak, een fleece en een licht truitje, voor het geval dat we ‘s avonds in een deftig restaurant zouden gaan eten. Mijn bergschoenen houd ik aan mijn voeten, mijn paracommando-petje zet ik op mijn hoofd. In mijn rugzak steek ik ook nog een licht regenjasje, hoewel er amper neerslag wordt voorspeld.
Aangezien ik mijn rugzak incheck, kan ik er nog van alles bijsteken dat niet in de passagiersruimte zou mogen, zoals een powerbank en een zakmes. In een plastieken zakje dat ik meeneem in de passagiersruimte, stop ik nog de nodige kabeltjes, stekkers, mijn gsm en e-reader en enkele boterhammen voor onderweg.
Voor onze auto reserveerden we een plaatsje op een van de parkings rond de luchthaven. Als we die parking dankzij een QR-code binnenrijden, verliezen we een kwartier tijd om een lege plek te vinden. Zowat alle gehandicaptenplaatsen daarentegen staan leeg. Vanaf de parking stappen we nog een kwartier later de hall van de luchthaven binnen. We kunnen al snel mijn rugzak inchecken, waarna we probleemloos door de veiligheidscontrole geraken. We verbruiken nog een koffie en een gebakje en schuiven dan op ons gemak door naar de zitplaatsen aan de gate. Ons vertrek is gepland om 18:10 u. Als de tijd aanbreekt om te boarden, schuiven we bij de laatsten aan. We zitten achter elkaar aan het gangpad.
Maar dan zegt de piloot dat we nog even moeten wachten om op te stijgen. Er zijn blijkbaar zo’n slechte weersomstandigheden boven de Alpen dat een deel van het vliegverkeer omgeleid wordt. Alle passagiers moeten op hun stoelen blijven zitten. Na een half uur wachten, kondigt de piloot aan dat we over een uur kunnen opstijgen. Eindelijk, na negentig minuten, de reglementaire duur van een voetbalmatch, maakt het vliegtuig zich klaar om op te stijgen. De vlucht duurt een uur en 45 minuten. We rekenen uit dat we pas na half tien in Corsica zullen landen. Dan moeten we nog wachten tot mijn rugzak van de band rolt vooraleer we een taxi kunnen nemen naar de hoofdstad van Corsica.
Marianne heeft inmiddels uitgevogeld dat de taxiprijs van de luchthaven naar Ajaccio 25 euro bedraagt. Buiten het luchthavengebouw staan er nog maar twee taxi’s. De chauffeur van de eerste vraagt 30 euro voor een rit naar de hoofdstad. We zuchten eens, onze magen rammelen. We vragen ons af of we nog ergens aan een maaltijd zullen geraken. Daarin stelt de taxichauffeur ons gerust. In Ajaccio kan je nog tot ruim half elf in een restaurant terecht. Ongeveer twintig minuten later dropt de chauffeur ons aan hotel Kallisté. Deemoedig willen we hem wel die dertig euro betalen. Als ik een betaalkaart uit mijn portefeuille haal, vraagt de chauffeur of we niet in cash kunnen betalen. Dat kunnen we. Maar ik bedenk me dat als het in Corsica overal van dat laken een broek zal worden, we de komende dagen nog een geldautomaat zullen moeten vinden.
Aan de receptie van het hotel zitten drie mannen hun tijd te verdoen. We checken in en brengen onze rugzakken naar de ons toegewezen kamer op de tweede verdieping. Het hotel lijkt wel een gerestaureerd pakhuis van vier verdiepingen. De kamer die Marianne heeft geboekt, is mooi ingericht, met een groot bed en een hete douche. Het hotel ligt bovendien vlakbij de belangrijkste wandelstraat van Ajaccio, met tal van boetieks, winkeltjes, cafés en restaurants. Wat we nu nog willen, is een goed restaurant vinden.
Terug beneden aan de receptie vragen we het trio of ze geen suggestie hebben voor een restaurant. Daar laten ze zich niet mee kennen: we moeten naar de Kevin, zeggen ze in koor. Daar is het lekker eten, weten ze. Een van de drie neemt meteen de telefoon om ondanks het late uur bij de Kevin nog een plaats voor twee te reserveren. Dat lukt en maakt ons blij.
Het is een kleine kilometer wandelen, maar dat doen we graag, in die mooie wandelstraat die uitgeeft op de Place Foch, een plein dat over de baai uitkijkt. Van dat plein kom je in de Rue Roi de Rome, de “Beenhouwersstraat” van Ajaccio. Ik herken het straatje van toen ik met de Corsicanen in 2016 een trektocht heb georganiseerd langs de GR20-Zuid. Toen deden we op onze laatste nacht in Ajaccio in die uitgangsstraat van Ajaccio het laatste café dicht.
Maar Marianne en ik moeten in restaurant Via Roma zijn, waar we vragen of de Kevin nog aanwezig is. Ja, ja, antwoorden er twee kelners tegelijk. Ze voelen zich allebei geroepen als de Kevin en daarmee zit de sfeer met die drie Kevins er meteen in.
Aan de Genuezen danken de Corsicanen niet alleen de vele prachtige renaissancegebouwen en -paleizen, maar ook de Italiaanse keuken. Lekker eten dat dat was! Marianne koos een huisbereide risotto, ik een gnocchi van het huis met gorgonzolasaus. Nadat we voor ons godenmaal betaald hebben, beloven we de enige ware Kevin dat we na onze trektocht, terug naar zijn Via Roma in Ajaccio komen, want twee weken later moeten we van uit de Corsicaanse hoofdstad terugvliegen naar Charleroi.
Terug aan de Place Foch lopen we langs een standbeeld van Napoleon als Romeins consul. Van op het plein zien we aan de haven een massa volk naar een charmezanger luisteren. We begeven ons onder het publiek en luisteren enkele Corsicaanse liedjes mee, waar we kop noch staart aan krijgen. Langs de peperdure motorjachten en een tweemaster aan de kade zakken we langs de verkeersvrije straat weer af naar hotel Kallisté.
Onderweg raken we nog aan de praat met een bejaard koppel dat ons wijst op de koperen tegels die in de straat gelegd zijn, met de letter N in verwerkt. De N is de wegwijzer voor een toeristische wandeling rond Napoleon, de Franse keizer en despoot. De beroemdste Bonaparte verliet in Ajaccio op 15 augustus 1769 de moederschoot, een jaar nadat Corsica officieel Frans werd. Zijn geboortehuis, het Maison Bonaparte, is tegenwoordig een nationaal museum.
Moe maar gelukkig kruipen we in bed. De volgende ochtend gaat de wekker om half zeven af. In hotel Kallisté schuiven we snel aan voor een uitstekend ontbijtbuffet. Daarna wandelen we met de rugzak op de rug naar het treinstation van Ajaccio, waar we het treintje van kwart voor acht nemen naar Vizzavona. Dat plaatsje ligt in het midden van de roemruchte GR20-wandelroute.

Geplaatst in Corsica, reizen, vrije tijd | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De raid op Corsica, met de C-130 naar Solenzara

Het heeft me weinig overtuigingskracht gekost om Marianne mee te krijgen naar Corsica. Mijn verhalen en boeken over het schone eiland waren voldoende sterk. Mijn allerliefste nam zowat de gehele organisatie van onze Corsicareis op haar schouders, waarvoor mijn grote dank.

Zelf was ik al vier keer op het eiland geweest. Aan de eerste keer, in december 1986, als kandidaat-reserve-onderofficier met het peloton van de Luchtbevoorrading, bewaar ik niet zo heel veel herinneringen meer. Het is een luikje uit mijn paracommandotijd dat nog niet was geopend en waarover ik nog niet geschreven heb. Hierna volgt het relaas van mijn eerste bezoek aan Corsica. Eerlijk gezegd, dat was afzien.

Wist ik toen veel dat we een winters parcours zouden volgen langs ijskoude rivieren, over steile bergkammen, langs paden die je amper paden kon noemen. Ik herinner me niet dat de luitenant, de stafkaart ter hand, ons toen al langs de gemarkeerde paden van de GR20 gidste, een rode en een witte streep op rotsen, stenen en bomen.  Wellicht bestond de GR20 toen immers nog niet, was het natuurpark nog geen beschermd natuurgebied en waren er geen hutten voor trekkers maar voor herders.

Ik sleepte mezelf hijgend en puffend berg op en berg af, in het zog van de luitenant. Op een ruwe ondergrond begroeid met maquis beval hij bij valavond onze tenten recht te zetten. Het was tijd om onze rantsoenen aan te spreken en ons potje te koken. Hans en ik hadden een aardig vlak plekje gevonden op een plateautje tussen de struiken. Toen we ’s anderendaags wakker werden, leek de stilte de aarde te hebben veroverd. We ritsten ons tentje open. Waar we in het rond ook keken, overal lag er een wit sneeuwtapijt.

Van ons bivak daalden we elke dag terug af naar een niet nader genoemde rivier, een plek waar van ons, geharde strijders, verwacht werd dat we ons in het snelstromende ijswater in onderbroek en ontbloot bovenlijf van kop tot teen wasten. Aan die dagelijkse martelgang probeerde ik me waar mogelijk te onttrekken. Het was al erg genoeg dat er nergens in de wilde natuur toiletten met WC-papier voorhanden waren.

Naargelang onze decemberoefening zich ontwikkelde, rijpte ook de conditie van onze lichamen en werden de BV’s, de beroepsvrijwilligers, stoutmoediger nadat ze hun tentje hadden opgezet. De manschappen durfden het naarmate de martelgang vorderde alsmaar beter aan om na zonsondergang op de kammen van het gebergte of in het maquis op de hellingen waar de tenten schots en scheef gepositioneerd werden, luidkeels liederen te zingen bij het drinken van gin, wodka, cognac of whisky. De luitenant beval zijn onderofficieren, Hans en mij dus, om een einde te maken aan het bacchanaal van de BV’s, aangezien zijn nachtrust eronder leed. Hans en ik deden ons best om de discipline te herstellen, maar het storende kwaad was geschied tot het in het eerste ochtendlicht vanzelf op z’n alcoholische limieten botste en in een diepe slaap verviel.

De luitenant voerde ons gelukkig veilig terug naar waar we op het schitterende eiland vandaan kwamen, een plek die vandaag een Navo-luchtmachtbasis is en toen een stuk zand en struiken was, met wat barakken en een landings- en startbaan. We mochten er om het einde van onze Corsicaanse raid te markeren, een barbecue op touw zetten. De volgende ochtend werden we opgehaald door een militaire Airbus, met echte passagiersstoelen. Terug in Schaffen werden Hans en ik, op voordracht van onze luitenant, door de kapitein gestraft wegens insubordinatie. We waren er in het maquis niet in geslaagd het bacchanaal een halt toe te roepen.

Twee maanden later zwaaide ik af en leerde ik me weer als een goede burger gedragen. Tenzij ik me vergis moest Hans nog een maand langer in militaire dienst blijven. We spraken nog twee keer af in een café in Mechelen, maar verloren elkaar daarna uit het oog. Hij is één van die zeldzame paracommando-vrienden van halverwege de jaren tachtig die er tot vandaag in geslaagd zijn zich van mijn radar te houden.

De raid van Corsica heeft na mijn afscheid aan het Trainingscentrum voor Parachutisten een avontuurlijk eitje in mijn hoofd gelegd. Het is pas uitgebroed toen mijn twee dochters tot jongvolwassen vrouwen waren opgegroeid. In 2015 was de bergketen die van het noorden naar het zuiden van Corsica loopt, bewegwijzerd met gemarkeerde paden, berghutten en refuges, in een uniek en wondermooi maar wild natuurpark.

Met mijn twee dochters trok ik dus in september 2015 terug naar Corsica. We wandelden van Calenzana naar Vizzavona, het traject van de noordelijke GR20. Ik schreef er een eerste Corsica-boek over: “Vijf vingers op de GR20-Noord”, uitgegeven bij BraveNewBooks.

Geplaatst in Corsica, GR20, paracommando's, reizen | Tags: , , , | 1 reactie

Solliciteren en zo (4): geef de moed niet op!

”Dat het niet evident zou zijn om als 61-jarige nog een goeie job te vinden”, zei de Grijze Man in juli vorig jaar tegen de baas voor wie hij de laatste tien jaar van zijn loopbaan heeft gewerkt. De baas is nog steeds minister in een regering die al sedert de verkiezingen van vorig jaar niet gevormd is geraakt omdat de Brusselse baas van de PS niet in een coalitie wil stappen met de volgens hem racistische N-VA.

In de beginperiode van zijn werkloosheid kreeg de Grijze Man van goede ex-collega’s en vrienden nog tips voor vacatures. Hij pluist zelf nog elke dag de vacatures na op de website van de VDAB en via de mails waarin de federale en Vlaamse overheden hun jobaanbiedingen posten.

Gelukkig, dacht de Grijze Man, deden er zich bij de niet-Brusselse vleugel van de liberale partij ook nog enkele sollicitatiemogelijkheden voor. Een parlementslid bood de Grijze Man voor drie maanden een tijdelijke halftijdse job als medewerker aan. Daarna zou het parlementslid dan de Grijze Man inruilen voor een pas afgestudeerde sollicitant uit zijn eigen dorp. Toen de Grijze Man even checkte of hij met die tijdelijke halftijdse job wel méér netto zou overhouden dan zijn stempelgeld, sloeg het parlementslid tilt: “zo gaan we toch niet beginnen hé, er zijn nog veel jonge kandidaten die staan te springen voor die job!”

Een goede kennis van de Grijze Man tipte hem dat er nog een vacature openstond bij de liberale studiedienst. Na het sollicitatiegesprek met de voorzitter, de fractiesecretaris en een ander parlementslid, ontving de Grijze Man een vriendelijk briefje dat ze voor een andere studax hadden gekozen. De veel jongere uitverkorene had ervaring in de publieke sector opgedaan op een zwaarder wegend kabinet dan dat van de laatste baas van de Grijze Man.

Met goede moed trok de Grijze Man dan maar naar een jobbeurs van de VDAB in zijn eigen dorp, waar hij interesse had voor een job bij een federaal bevoegdheidsterrein dat hem maatschappelijk relevant leek: asiel en migratie. Helaas zou zijn standplaats ergens ver weg in het Vlaamse noorden liggen. Om elke werkdag 2 uur 40 minuten in de auto te zitten, had de Grijze Man geen zin.

Hij solliciteerde ook bij Defensie, een andere federale overheidsdienst, waar ze één case-officer wilden aanwerven. Een functie die discretie vereist en waar je dus beter niet praat over wat je doet. Zoals bij meer overheidsdiensten bestond de eerste proef uit een computergestuurde test die je binnen een krap tijdsbestek tot een goed einde moest brengen. Er waren verschillende sessies om aan die test deel te nemen. De Grijze Man koos de eerste sessie.

In een overheidsgebouw waar zo’n proeven worden georganiseerd, dichtbij het Noord-station in Brussel, was de Grijze Man naar goede gewoonte ruim op tijd gearriveerd. Er bleken voor die ene job in die ene sessie voor die computergestuurde proef meer dan 200 kandidaten opgedaagd te zijn. Zuchtend verliet de Grijze Man goed binnen de vooropgestelde tijd de examenzaal. Hij bleek niet geslaagd te zijn.

Tenslotte solliciteerde de Grijze Man, getipt door een vriendin, bij een strategische adviesraad van de Vlaamse overheid. Op één na bestaat die 12-koppige raad volledig uit vrouwelijke medewerkers. Er was een vacature uitgeschreven voor een beleidsmedewerker. Na een lang telefoongesprek met de directrice, stuurde die een mail naar de Grijze Man en wellicht ook naar de andere sollicitanten. In de mail vroeg ze hen binnen een week drie schrijfopdrachten uit te voeren. De Grijze Man, die zich in de materie nog helemaal moest inwerken, vulde met die schrijfopdrachten drie volle dagen.
Van de directrice kreeg hij kort na de deadline een vriendelijke mail met de boodschap: “we hebben jouw teksten grondig gelezen, en op basis van de output hebben we beslist om niet verder met jou in dit proces te stappen.”

De oudste dochter van de vriendin van de Grijze Man schudde het hoofd: waarom heb je die opdracht niet gewoon met AI gedaan? De Grijze Man zag het toen even niet meer zitten om te solliciteren. Hij was aan vakantie toe. Tot hij toch weer begon, ditmaal voor een vacature van copywriter.

Geplaatst in De Grijze Man, politiek, samenleving, vrije tijd | 5 reacties

Van Ollomont het natuurpark van de Twee Ourthes in

Van Ollomont hadden we nog nooit gehoord. Zelfs Waze vond het niet. Ollomont is dan ook stokoud en klein. Het is een gehucht dat teruggaat tot de 12de eeuw. Toen werd er een romaans kerkje gebouwd. Vandaag is Ollomont in Nadrin gelegen, een deelgemeente van Houffalize. Er staan enkele huizen en een paar grote boerderijen. Het romaans kerkje ziet er vandaag helemaal anders uit dan in haar gloriejaren. In 1907 was het niet veel meer dan een bouwval. Het schip van het kerkje werd toen afgebroken. In de plaats werd het gerestaureerd tot de huidige Chapelle Sainte-Marguerite, het oorspronkelijke torentje werd behouden. Het omliggende kerkhof is beschermd Waals patrimonium. Het kerkhof met schots en scheve graven en kruisen gaat door voor het mooiste van heel Wallonië.

Aan het kerkhof vind je een kleine parking, waar we onze auto stalden. Een honderdtal meter verder kwamen we op het wandelpad dat ons na een steile afdaling tot aan de oever van de Ourthe bracht. Twee vissers probeerden er forellen te vangen. We gaven ze een vriendelijke groet en sloegen het overvloedig bewegwijzerd pad stroomafwaarts in, nieuwsgierig naar de geheimen van het Parc Naturel des Deux Ourthes.

We waren op een zondagochtend met een lichte kater na een avond van veel bieren  proeven, de auto ingestapt voor een twee uur lange rit. De inspiratie voor de 11,5 km lange wandeling hadden we opgedaan in het Wandelboek voor de Ardennen en Wallonië, dat mijn oudste dochter me voor mijn 62ste verjaardag had geschonken.

Dat natuurpark van de Twee Ourthes is liefst 76.000 hectare groot. Volgens de auteur van de wandelgids is het daarmee ruim vijftien keer de oppervlakte van het Zoniënwoud. De gids geeft een mooi overzicht van te spotten dier- en plantensoorten in het park. Op de rotsen vind je steenbreekvaren, eikvaren, tongvaren, hazelworm, muurhagedis, levendbarende hagedis, gladde slang en ringslang. In de hellingbossen groeien eiken, esdoorns, haagbeuken en wilde narcissen. Ook de brem bloeide goudgeel.

In en nabij de rivier moet je wel al wat geluk hebben om bevers te spotten, of visarenden, ijsvogels, een gele kwikstaart, een zilverreiger, zwarte ooievaar, blauwe reiger, aalscholver, verschillende ganzensoorten, rivierkreeftjes, ringslangen, beekforellen of een hazelworm. We slaagden er alleen in een hazelworm en een rugstreeppad te fotograferen. Die bleven namelijk zitten waar we ze vonden.

Na een tijdje langs de oever gelopen te hebben, beginnen we aan een eerste stevige klim. Het pad loopt steil omhoog langs de achterkant van het richelpad op de beroemde rotsen van Le Hérou, van waar je langs kleine  paadjes hogerop naar de uitkijkpunten kunt klimmen, met een uniek uitzicht op de rivier beneden in het dal. Op één van die uitkijkpunten loopt de GR over de kammen. Het meisje van een jong koppel dat de GR 57 volgt, heeft wat aanmoediging nodig om af te dalen langs de ketting die van de rotsige kammen steil naar beneden loopt. Wij volgen de Eislek Trail, een pad gemarkeerd met een witte golf in een blauwe rechthoek, dat ons terug aan de oever van de Ourthe brengt. Dat oeverpad ligt bezaaid met omgevallen bomen en struiken, wat hier en daar wat behendigheid vraagt van de wandelaars.

Tijd voor een picknick aan de oever van de Ourthe. Ik vrees dan al dat onze drinkbussen van 1 liter een beetje aan de magere kant zijn voor de dorstigen op die zware maar niet zo lange tocht. En inderdaad, na lange tijd min of meer effen langs de rivieroever te hebben gelopen, zijn we halverwege onze wandeling. Maar enkele honderden meters verder is de relaxte oeverwandeling voorbij. We moeten ineens een zijweg in, steil omhoog naar de oude burchtsite van Cheslé. Op de top bereiken we de eerste overblijfselen van die burcht. Die Cheslé van Bérismenil is een droom voor archeologen: ze legden er al heel wat overblijfselen bloot van een Keltische schuilplaats in de Romeinse tijd, zo lezen we op infopanelen.

Ik durf niet zeggen dat het aan de archeologen ligt, maar op de hoog gelegen vlakte krioelt het van de paadjes weer naar beneden, waar we ons even van pad vergissen. Gelukkig hebben we allebei een gsm waarop de route gemarkeerd staat, zodat we toch niet teveel tijd verliezen.

We moeten na die Cheslé nog een paar keer diep dalen en dan weer steil klimmen. De vermoeidheid begint ons parten te spelen. We doen het klimmetje en de steile afdaling naar een wild stromende beek die erop volgen, op ons gemak. Eens we over de beek zijn geraakt, volgt de laatste klim, minder steil dan de vorige. Die leidt ons naar de voetbalterreinen van Ollomont, waar we van een doorsteek tussen twee woningen terug afdalen naar de Chapelle Sainte-Marguerite. We voelen de hoogtemeters in onze spieren. Het was een goede training voor onze volgende trektocht, mare di mare in Corsica. Eens niet op de GR20, maar erover.M

Helaas heeft onze goede training ook een mindere kant. Want nu hebben we vooral grote dorst en lege drinkbussen. En in Ollomont is er geen café, in Nadrin ook niet. Marianne vindt er op haar smartphone gelukkig wel een die open is in het gehucht Maboge. We stranden aan een houten gebouw dat een vzw herbergt ten bate van de lokale inwoners en vakantiegangers. Ouders zijn verantwoordelijk voor hun kinderen, luidt het in het Frans en in het Nederlands op een bord aan de muur.

Aan het clubhuis van de vzw, waar zich aan twee kampeertafels en een afsluitbare toog een achttal drinkebroers van beider kunne hebben verzameld, wordt er Nederlands, Frans en Brussels door elkaar gekout. We lessen er onze dorst en stappen dan terug de auto in. Tweehonderd meter verder in dat gehucht langs de oever van de Ourthe passeren we een prachtige herberg met een mooi terras. Een plekje om een volgende keer halt te houden. Wie weet ligt er geen kajakbedrijf vlakbij.  

Geplaatst in natuur, vrije tijd | Tags: , , , | 2 reacties

Stamdropping overdag

Nog altijd beleeft de Grijze Man plezier aan de stamdropping van 15 februari. Enkele dagen nadien trok hij terug naar het station van Pécrot, met de wagen weliswaar, om er nog eens een fikse wandeling van 21 km te doen in de omgeving die tijdens de dropping in het absolute duister was gehuld.

Overdag is het gebied in en rond Huldenberg en Sint-Agatha-Rode nog zoveel mooier dan in het pikdonker. Het heuvelige landschap waardoor de Dijle kronkelt, de weiden en uitgestrekte akkers, sommige vers geploegd, de zon die voor het eerst toeliet in t-shirt te wandelen, de bossen in de glooiingen van het landschap. Prachtig.

De organisatoren, van deze stamdropping hadden flink hun best gedaan om er een gevarieerde wandeling van te maken, met een waaier van tochttechnieken in moeilijk begaanbare terreinen, met een ravitailleringspost en een nog een aangename verpozing in de voetbalkantine van Pécrot.

De ouderlingen in de groep van de Grijze Man, die zich hadden ingeschreven met “De mannen” als groepsnaam, waren verrukt door de grote creativiteit van de organisatoren van deze dropping. Hoe mooi het in die streek ook overdag is, zie je op de foto’s.

De Grijze Man kijkt al uit naar een volgende generatie scoutsleiding, die het wondere werk van scouting wil verderzetten en ook voor de wintermaanden van 2026 een nieuwe stamdropping wil ineenknutselen.

Geplaatst in natuur, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , | Plaats een reactie