Van een goede vriendin die na lange tijd op bezoek is gekomen, kreeg ik de dunne roman “Sneeuw, hond, voet” van de Italiaan Claudio Morandini cadeau. Een vreemde titel voor een bizarre maar intrigerende roman van minder dan 130 bladzijden. Hij rolde in 2015 van de drukpers in Italië, schopte het tot bestseller, won een prijs en kende flink wat vertalingen.
De hoofdfiguur uit de roman, Adelmo Farandola, leeft als een heremiet met grote vlagen van geheugenverlies hoog in de Alpen in een berghut die in de winter onder sneeuwt. Alleen om voorraden in te slaan uit de winkel in het dorp daalt Adelmo nog van zijn berg af. De winkeljuffrouw vraagt hem dan de deur open te laten staan om wat frisse lucht binnen te laten. Maar eigenlijk kan ze gewoon niet tegen de stank die met Adelmo haar winkel inwaait.
Adelmo Farandola zwerft in de zomer door de bergen en valleien met een oude hond, waarmee hij spreekt, ruziet, lacht en zijn voedsel deelt. In het boek kan het dier ook antwoorden. Soms stuit het onafscheidelijke duo in de bergen op een jachtopziener. Adelmo Farandola probeert de vriendelijke man te ontwijken maar slaagt daar niet altijd in. Dan vindt hij dat de jachtopziener hem te onpas aanspreekt, tracht uit te horen en bespioneert. Dat laatste doet Adelmo ook zelf met hem.
Tijdens een hongerwinter die man en hond in de ondergesneeuwde berghut doormaken, verliest het duo het onderscheid tussen waken en slapen. Als eindelijk het voorjaar aanbreekt, kunnen ze terug naar buiten. Daar doet Adelmo Farandola een sinistere ontdekking: uit de verse lawine die de berg is afgeschoven steekt een mensenvoet uit de sneeuw. Met de dooi komt langzaam heel het stinkende lijk van een man bloot te liggen. Adelmo Farandola verliest nu helemaal zijn realiteitszin. Hij begint te praten met het lijk en sleept het achter zich aan hoger de berg op, naar een lage en smalle tunnel die alleen hij nog weet zijn en waar hij zich samen met het hem onbekende lijk verstopt.
Eerder in het boek laat de auteur Adelmo Farandola een herinnering ophalen aan zijn kinderjaren in het dorp waar hij toen leefde. De huizen in zijn geboortedorp schurkten tegen elkaar aan onder een hoogspanningsleiding waarvan de kabels dag en nacht zoemden. De mensen werden er gek van, zei zijn moeder en ook zijn vader zei het, voordat hij een stok pakte om zijn zoon mee achterna te zitten alsof die de schuld was van dat gezoem. “Adelmo Farandola is er allang van overtuigd dat als er iets in zijn hoofd mis is, dat komt door de jaren onder die hoogspanningsleiding”, las ik. En ik denk meteen aan de Ventilusdiscussie.
Op het einde van de roman, als Adelmo Farandola tegen de ontbindende dode in de nauwe tunnel aan geschurkt ligt, vraagt hij het lijk of hij hem al over de kabels heeft verteld. “Ja, meer dan eens”, zucht de dode man. Zelfs daar hoort Adelmo Farandola het gezoem nog. En dan eindigt het boek met de zin: “Maar de dode naast hem doet alsof het hem niet interesseert.”
Een mooi, eigenaardig boek. Mag ik het ook vreemd vinden dat de Nederlandse vertaling van deze Italiaanse roman uit 2015 nu opnieuw te koop ligt in de Vlaamse boekhandels, terwijl de Vlaamse regering de Ventilusdiscussie nog niet heeft beslecht?
Bovenaan de trap naar de uitgang van het ondergronds gelegen Centraal-Station gekomen, zag ik hem staan. Hij ziet er wat verdikt uit, dacht ik. Hij stond daar zoals hij daar al jaren regelmatig staat, zijn boekjes voor daklozen te venten. Bij het buiten stappen in de mistige Brusselse ochtend, zag ik hem naar mij kijken. Op zijn gezicht verscheen de blik van herkenning. Meteen voelde ik dat hij me zou aanklampen, zoals hij gewoonlijk doet als ik er niet in luk hem ongemerkt te passeren. Mijn slechtere ik zocht al naar manieren om hem af te wimpelen. Mijn betere ik was nieuwsgierig naar de tactiek die hij ditmaal zou uitproberen.
In de twee seconden die nodig waren om hem te kruisen, verloor hij geen tijd. Snel als onze kater naar de melk, overbrugde hij de afstand van drie meter. Hij schudde me de hand en wenste me in het Frans een gelukkig nieuwjaar en een goede gezondheid. In één adem zette hij zijn smeekgezicht op en vroeg wat kleingeld, “om zijn kinderen eten te kunnen geven”.
“Non merci”, flapte mijn slechtere ik eruit, terwijl hij mijn hand nog altijd niet had losgelaten. “Hoe zo, mag ik je dan geen goede gezondheid wensen?”, antwoordde hij met de lach van een winnaar. “Natuurlijk! Natuurlijk wel!”, repliceerde ik snel. Op mijn beurt wenste ik hem veel geluk in het nieuwe jaar. Uit eerlijke schaamte tastte mijn linkerhand in mijn broekzak naar wat kleingeld. Ik wist al dat mijn hand daar geldstukken zou vinden, want ik had de dag voordien het leeggoed van de feestdagen teruggebracht naar mijn favoriete drankenhandel. Ik haalde de muntjes uit mijn zak, opende mijn hand en zag er een stuk van 2 euro, een stuk van 50 cent en nog 2 stukken van 20 en 10 cent in liggen.
Op dat moment liet de bedelaar mijn rechterhand los. Nog vóór ik zelf de kans kreeg hem vijftig cent toe te stoppen, griste hij trefzeker het stuk van twee euro uit mijn hand. Ik keek in zijn nu harde ogen en zag dat het terug vragen vergeefse moeite was. Mijn goede ik kon er om lachen: een mens voelt zich beter als een vertrouwde bedelaar een trucje uithaalt waarmee hij je bij de neus neemt. Tot binnenkort, lachte ik, wat overdreven grootmoedig, en stak haastig de straat over, alsof ik al te laat was.
Alleen al die voornaam heeft iets speciaals. Google leert me dat het een Engelse voornaam is, die “goddelijk machtig” betekent. Toen ik Oswald Van Ooteghem jaren geleden als jong journalist van het VU-weekblad Wij interviewde, was ik onder de indruk van zijn flair. Als grijsaard, hij was toen al flink in de zestig, was hij als om door een ringetje te halen. Hij stapte door het leven als een vlotte, beminnelijke gentleman.
Oswald werd door mij geïnterviewd omdat hij voormalig Oostfrontvrijwilliger was. Zo worden de Vlaamse vrijwilligers genoemd die tijdens de Tweede Wereldoorlog meevochten met de Duitsers. Op aanstoken van een andere ex-Oostfronter, de in 2011 overleden Toon Van Overstraeten, schreef ik een reeks voor Wij die gebaseerd was op interviews met ex-Oostfronters en historici die gespecialiseerd waren in dat onderwerp.
Nadat hij als directeur van de VU met pensioen was gegaan, vertelde Toon me het verhaal van de Rebellenclub waarvan hij in zijn Oostfronttijd deel uitmaakte. Die club was een groep soldaten van het Vlaams Legioen die collectief weigerde de eed op Adolf Hitler af te leggen, waarmee het Legioen tot SS-stormbrigade Langemarck omgedoopt werd en onder de vleugels van de Waffen SS belandde.
Toon en Oswald waren op hun zestiende, ze hadden in het rekruteringsbureau gelogen over hun leeftijd, met het Vlaams Legioen naar het Oostfront getrokken. Ze gingen er met nazi-Duitsland tegen de bolsjewistische Russen vechten, vooral in Oekraïne. De Vlaamse Oostfronters werden onder meer ingezet in Charkov en Cherson, waar het Poetinregime dezer dagen een oorlog voert en misdaden begaat waarvoor nog een naam moet worden uitgevonden.
Het nieuws dat Oswald Van Ooteghem op 1 november jongstleden op 98-jarige leeftijd was gestorven, had ik aanvankelijk niet opgepikt. Een na jaren toevallig opgedoken ex-collega van op het Barricadenplein in Brussel, waar het hoofdkwartier van de VU was gevestigd, bezorgde me wat persknipsels over het overlijden van Van Ooteghem. De gewezen Untersturmführer (onderluitenant) bij de SS-Brigade Langemarck was na de oorlog gemeenteraadslid, provincieraadslid, senator en Vlaams volksvertegenwoordiger voor de VU geworden. Na het uiteenvallen van die Vlaams-nationalistische partij was hij tot zijn laatste dagen trouw gebleven aan haar erfgenaam, de N-VA.
Bij de persartikels bevond zich onder meer een groot verhaal uit Knack, van de hand van Walter Pauli, een van de zeldzame Vlaamse journalisten met interesse voor de collaboratie. De knipsels bevatten ook een opiniestuk van de gepensioneerde VRT-journalist Walter Zinzen. Die verweet Van Ooteghem vaak te hebben verwezen naar de gruwelen die aan het Oostfront plaatsvonden, maar te hebben gezwegen over de gruwelen die hij zelf zou hebben aangericht (welke dan?). Bovendien zou Oswald nooit blijk hebben gegeven van schuldinzicht.
De bundel bevatte verder wat krantenartikeltjes over rouwhuldes voor Van Ooteghem in het Vlaams Parlement en de Gentse gemeenteraad, die door linkse partijen als Vooruit, PVDA en Groen (in het Vlaams Parlement op Björn Rzoska en Johan Daenen na) waren geboycot.
Als een van de zeer schaarse Vlaamse officieren, raakte onderluitenant Van Ooteghem aan het Oostfront drie keer ernstig gewond. Hij schopte het in ’43 tot Kriegsberichter, oorlogscorrespondent. Die job was ook niet van gevaar ontbloot, maar toch veel veiliger dan die van onderluitenant bij een vrijwilligerseenheid van de Waffen SS. Op het einde van de oorlog zou Van Ooteghem nog een van de officieren worden van het “Jeugdbataljon”. Dat bestond uit vijf- en zestienjarige zoons van collaborateurs die op het einde van de oorlog in het zog van de naar Duitsland gevluchte Vlaamse Landsleiding onder de wapens werden geroepen om de aanstormende Russen tegen te houden. Van Ooteghem besefte volgens Walter Pauli wat hen wachtte: “ze zijn te jong om sigaretten te mogen roken, maar oud genoeg om te sterven.”
Zoals die vergeefs geofferde jongens, waren Van Overstraeten en Van Ooteghem opgegroeid in radicaal Vlaams-nationalistische nesten. Hun vaders waren rabiate collaborateurs, hun moeders baden en weenden voor de terugkeer van hun zonen. Bij de familie Van Ooteghem en in mindere mate bij de Van Overstraetens waren hardleerse zwarte leiders als Reimond Tollenaere, Staf De Clercq, Hendrik Elias of dokter Daels kind aan huis. Na de oorlog dook Van Ooteghem enkele jaren onder in West-Duitsland, maar bij zijn terugkeer in België vloog hij meteen de Gentse gevangenis in waar ook zijn vader en Elias nog zaten.
Na een jaar in De Nieuwe Wandeling werd Oswald op vrije voeten gesteld. Uiteindelijk zou hij zichzelf opnieuw uitvinden als politicus bij de VU. Als naoorlogse politicus had Van Ooteghem de oprichting van het Vlaams Blok kunnen aangrijpen om voor een carrière bij extreemrechts te kiezen. Dat deed hij niet. Hij bleef het democratisch en vrijheidslievend Vlaams-nationalisme trouw.
Van Ooteghem erkende wel degelijk dat het naziregime misdadig was en dat hij voor een zeer foute zaak had gevochten. Zich daarvoor publiek verontschuldigen, deed hij niet. Maar kan je zo’n groot pardon verwachten van mannen die zich als adolescent geëngageerd hebben voor wat ze in België een rechtvaardige zaak vonden, maar dat onder Duits bewind een crimineel regime was dat een oorlog voerde op wereldschaal? Een dictatuur die misdrijven beging die al wel een naam hebben gekregen: misdaden tegen de menselijkheid.
In het interview dat ik van hem afnam, zei Oswald dat de collaboratie volgens hem “voor 90 procent te danken (was) aan de Belgische staat zelf. Hadden wij een vaderland om te beminnen, dan hadden wij dat vaderland waarschijnlijk even enthousiast verdedigd als we het bestreden hebben. (…) Wij zouden desnoods met de duivel hebben samengewerkt om de zelfstandigheid van Vlaanderen te verwerven en België te vernietigen.”
Toen ik Toon Van Overstraeten vroeg of hij achteraf bekeken spijt had dat hij naar het Oostfront is vertrokken, kreeg ik dit als antwoord: “Dat is de meest idiote vraag die je mij kunt stellen. Het is nu eenmaal niet opnieuw te doen. Mijn ervaringen plaatsen mij wel voor enkele gewetensconflicten. Maar dat is nog wat anders dan spijt hebben. En die gewetensconflicten, die beschouw ik zelf als verrijkend voor mij. Ik heb nooit gestudeerd, maar in die periode heb ik zoveel ervaren, zoveel mensenkennis opgedaan, relativeringsvermogen gekregen, dat wanneer dat alles verwerkt wordt, en dat duurt een tijd, ik een stuk verder stond dan anderen. Die periode heeft me van mijn jeugd beroofd. Hoe gek het ook mag klinken, mijn periode als Oostfronter kan ik niet anders beschouwen dan als een belangrijk, integrerend deel van mijn leven waar ik geen spijt kán van hebben. Wat ik vandaag ben, heb ik voor een deel aan het Oostfront en de oorlog te danken.”
Lees meer over dit thema in “Terug naar het Oostfront”, Peter Dejaegher, Brave New Books, bestelbaar via standaardboekhandel.be en bol.com.
De Vrijdagmarkt was in Gent nog lang na de Tweede Wereldoorlog een plek waar vooral groenten en fruit verhandeld werden. Er waren verschillende handelaars gevestigd en onder de bomen die toen nog rond het standbeeld van Jacob van Artevelde stonden, vond er dagelijks een groente- en fruitmarkt plaats.
In het pand waar vandaag restaurant het Keizershof is gevestigd, woonde in de vroege jaren zestig een gedreven, sportieve en intelligente jongeman, Etienne Vanhuffel, nog in bij zijn ouders. Enkele jaren later zou hij de vader van mijn vriendin Marianne worden. Ook Etiennes vader en moeder hadden er een florissant fruitbedrijf, dat Etienne later zou overnemen.
Op een ochtend in 1963 of 1964, precies herinnert Etienne het zich niet zo goed meer, stond vader Vanhuffel op met een goed gedacht: hij wilde op de Vrijdagmarkt nog eens een mandenkoers organiseren. Dat was vele jaren vroeger een traditie tijdens de Gentse Feesten. Toen vonden er in verschillende Gentse wijken mandenkoersen plaats.
Dat die traditie teloor was gegaan, had een goede reden: na de Tweede Wereldoorlog waren ronde fruitmanden nog het meest gebruikte verpakkingsmateriaal voor groenten en fruit. Maar daar kwam in de jaren vijftig verandering in: de manden werden vervangen door kartonnen dozen en houten kisten.
Etienne was meteen voor het idee van zijn vader gewonnen. Toen de koersen nog traditie waren, was hij immers nog te klein om mee te mogen doen. Deze keer zou hij zeker van de partij zijn. Bij zo’n mandenkoers moesten de deelnemers om ter snelst een parcours afleggen terwijl ze een toren van gestapelde ronde fruitmanden boven het hoofd torsten. Deelnemers die onderweg manden verloren, moesten hun toren eerst opnieuw stapelen. Je moest immers over de finish gaan met een complete toren.
Opgedoken uit de oude doos: een foto van de laatste mandenkoers op de Gentse Vrijdagmarkt
Vader en zoon Vanhuffel vonden voor hun initiatief een medestander in César Van Parijs, de baas van de CVP. Niet de politieke partij, maar de belangrijkste groothandel in fruit van Gent. Van Parijs had voor zijn bedrijfsnaam zijn initialen gekozen. Overal in Gent reden er in de jaren zestig bestelwagens rond met een gestileerde appel op, waarin CVP te lezen stond. César en zijn zoon Marcel zagen het idee van de Vanhuffels wel zitten. Marcel bestelde bij mandenvlechters 120 manden. Zoveel hadden ze er nodig om een echte mandenkoers met schiftingen, een kleine en een grote finale te organiseren.
Toen de manden gevlochten waren, bood vader Vanhuffel aan om ze in afwachting van de koers in zijn opslagplaats op de Vrijdagmarkt te bewaren. Wie weet, zat de pientere twintiger Etienne wel achter dat voorstel. Hij liet alleszins de kans niet liggen om in afwachting van de koers al wat te oefenen met het stapelen van de manden. Hoe beter gestapeld, hoe kleiner de kans dat de toren van tien manden die de deelnemers boven hun hoofd moesten dragen, zou vallen.
Van zijn vader, een ervaren mandencoureur uit de hoogdagen van de mandenkoersen maar een jaar of dertig ouder dan zijn zoon, kreeg Etienne nog wat tips mee. ‘Je moet de stapel die je boven je hoofd vasthoudt, lichtjes voorover laten hellen’, gaf zijn pa hem mee, ‘zodat de manden bij het startschot niet meteen achteruitvallen en je opnieuw moet beginnen stapelen.’
De jonge Vanhuffel oefende flink met zijn eigen toren, waarvoor hij in de opslagplaats rustig de tijd nam om de best in elkaar passende manden uit te zoeken. Etienne bedacht ook een nieuwe techniek: als je de eerste twee manden met het handvat op elkaar stapelde in plaats van ze in elkaar te schuiven, bedacht hij, heb je een meer comfortabele grip op die toren boven je hoofd.
Eindelijk brak de grote dag aan. De mandenkoers rond de Vrijdagmarkt was een namiddagvullend programma. De koers werd in verschillende reeksen gelopen. Tijdens de schiftingen moesten de deelnemers drie ronden rond de Vrijdagmarkt lopen. Daarna volgden de halve finales en de kleine en grote finales. In de kleine finale traden de deelnemers aan die in de halve finales de zesde tot de tiende plaatsen in het klassement hadden gehaald. De grote finale werd betwist door de top vijf van de halve finales. In tegenstelling tot bij de schiftingen, moesten de lopers tijdens de halve, de kleine en de grote finales een zwaardere koers lopen van vijf rondes. Etiennes vader was zesde en liep dus de kleine finale. Etienne had zich weten te plaatsen voor de grote finale.
Etiennes vader vroeg zijn zoon of hij voor zijn kleine finale diens zorgvuldig uitgekozen stapel met manden mocht lenen. Daar kon Etienne natuurlijk geen nee op zeggen. En zijn vader won die kleine halve finale, wellicht dankzij de stapel die zijn zoon in elkaar had gestoken. Maar toen vader Vanhuffel in de eindsprint over de meet ging, gooide hij de tien manden van Etienne met een oerkreet over zijn schouders de kasseien van de Vrijdagmarkt op. Waardoor Etienne, die minuten later mocht starten in de grote finale, geen tijd meer had om zijn tien manden opnieuw deftig in de goede volgorde te stapelen. De moed zakte de jongeman in de schoenen.
Met een ietwat scheve stapel boven zijn hoofd schoot hij als laatste uit de startblokken. Na vijf ronden had hij iedereen ingehaald, op één deelnemer na. Als zijn vader die stapel perfect geordende manden bij de halve finale nu niet over de meet had gegooid, was Etienne zeker gewonnen, daar is hij op z’n tachtigste nog altijd van overtuigd. Nu was Jef Carpentier, bijgenaamd Tseefke, de winnaar. Etienne strandde op de tweede plaats. Het zal daar thuis gestoven hebben. Nadien is er tijdens de Gentse Feesten nooit nog een mandenkoers gehouden.
Vanochtend stopte de trein van Leuven naar Oostende mooi op tijd in Brussel-Noord. Als de NMBS goed werk levert, mag dat ook eens gezegd worden. In het Noordstation dromde en kwebbelde een klas leerlingen op het perron. Ze droegen fluokleurige hesjes van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Verscholen achter het vensterraam stopte ik het lezen van de krant en bekeek ik geamuseerd de uitgelaten bende.
Een juf wisselde enkele zinnen met de treinbegeleider die uit de trein was gestapt. Ik hoorde de woorden Brussel-Centraal vallen. “Natuurlijk”, hoorde ik de conducteur antwoorden. De klas zou dus niet naar zee reizen. Ik keek nog eens naar de ramen van de wagon of er geen papiertje aanhing en ik toevallig in een coupé was gestapt die voor een school was gereserveerd. De eerste leerlingen stapten de trein al op. “En stil zijn op de trein hé”, hoorde ik de juf commanderen.
De grote klas stapte niettemin vrolijk kwebbelend op. Recht over me waren nog twee plaatsen vrij. Een jongen met schelmenogen en een stil meisje installeerden zich voor me. “Goeiemorgen” groette ik de kinderen van naar schatting een jaar of negen. Het jongetje beantwoordde meteen mijn groet.
“Tu parles Néerlandais?”, vroeg ik hem zonder nadenken in het Frans. “Bien sûr”, antwoordde hij. “En Arabisch”, voegde hij daar aan toe. “Salaam aleikum”, ging hij verder, “weet jij wat dat betekent?” “Jawel”, antwoordde ik, “Goeiedag! Maar wat een talenknobbel ben jij”, zei ik nog, “zo jong en al drietalig!” “Zeker”, zei hij fier, en wijzend naar zijn klasgenootje naast hem: “En zij ook!”
Toen stopte de trein in Brussel-Centraal. De klas stapte luidruchtig uit. Een jonge blonde juf die mijn kortstondige reisgenootjes liet passeren, gaf ik een compliment: “Amai, dit kereltje is precies één van de slimmeriken in je klas. Al drietalig!” “Ja, geweldig hé”, antwoordde ze. “En zij ook, hoor”, wees ze op het vriendinnetje.
Toen ik me op het perron tussen de vrolijke kinderen naar de roltrap wurmde, riep het bijdehandje me nog snel toe: “bye bye mister!” “Hola”, antwoordde ik, “eigenlijk ben jij al viertalig!” Op zijn gezicht vormde zich een mooie glimlach. “Ah ja, da’s ook waar”, realiseerde hij zich ineens zelf.
‘We hebben weer een erg actieve mol in de tuin’, vertelde ik mijn moeder gisteren. Marianne en ik zijn net terug van vakantie. De mol heeft van onze afwezigheid gebruik gemaakt om eens flink zijn gangen te gaan. ‘Tja’, antwoordt mijn moeder, ‘Papa zette dan een mollenklem. Soms ving hij dan de mol, maar vaak ook niet.’
Mijn moeder gaat verder met een ander verhaal dat ik al vergeten was. Er waren eens lang geleden, toen mijn vader nog leefde, een nonkel en een tante uit Brugge bij ons in Wespelaar op bezoek. Ook mijn neefje, een leeftijdsgenoot van mijn broer, en mijn oma en peter waren meegereisd. Ze zouden na de middag naar het ziekenhuis rijden om mijn vader te bezoeken. Hij was geopereerd aan zijn knie. Maar eerst had mijn moeder voor het gezelschap gekookt. De kans is groot dat we toen konijn met pruimen aten, een van haar geweldig lekkere klassiekers. Maar ook dat herinner ik me niet meer.
Tijdens die aperitief van decennia geleden ging het gesprek ook over mollen. Ons mooie gazon in de tuin was helemaal ontsierd door molshopen. Mijn vader had in een grote molshoop een mollenklem geplaatst, maar de sluwe zwarte blindganger was er tot dan nog altijd in geslaagd de dodelijke slagpin te ontwijken. De mol leek ons wel uit te lachen: ‘pak me dan, als je kan!’ En elke dag kwamen er molshopen bij.
Mijn grootvader toonde zich bereid om dat mollenvarken eens goed de oren te wassen. Als hovenier in stadsdienst had hij grote ervaring opgedaan met het vangen van mollen. Hij droeg zijn meegereisde kleinzoon op de wacht op te trekken. Ik kan het me niet herinneren, maar ik stel me voor hoe mijn neefje zich buiten op het terras op een stoel zette om de molshopen in de gaten te houden. Dat moest op de middag gebeuren, want volgens mijn grootvader zijn mollen gewoonlijk ’s middags actief. Dat zie je aan lichte of grotere bewegingen van de opgehoopte aarde in de molshopen. Van zodra mijn neef beweging zag, moest hij mijn grootvader alarmeren. Buiten stond al een spade klaar.
Op het moment dat ik misschien wel een heerlijk stukje van de rug van het konijn aan het oppeuzelen was, kwam mijn neef de woonkamer binnengelopen. ‘Alarm!’, riep hij opgewonden, ‘de mol beweegt!’ Opa stoof naar buiten. Hij griste de spade mee en snelde naar de molshoop die mijn neef aanwees. Hij dreef de spade diep in de hoop en wipte de aarde omhoog. Tussen de neervallende kluiten viel een verbouwereerde mol op de grond, die meteen wijlen werd toen de spade met een dreun op zijn zachte zwarte lijf belandde. Maar mijn grootvader stopte niet. Hij stootte de spade terug in de molshoop en wipte nog twee mollen de lucht van een mooie lentemiddag in, die vervolgens dezelfde snelle dood vonden als hun voortrekker.
Na het feestelijk middagmaal maakten de bezoekers zich op om hun onfortuinlijke zoon, broer, schoonbroer en nonkel te gaan bezoeken in het ziekenhuis. De vader van mijn neef, een nonkel van het type dat van grappen houdt, had een idee: hij rolde de dode mollen in een stuk krantenpapier en schonk zijn cadeautje meteen bij het binnenkomen in de ziekenkamer aan mijn vader. Ik stel me voor dat die zich verplicht voelde het grappig te vinden, maar dat hij bij het einde van het ziekenbezoek zijn schoonbroer met de mollenkadavers terug wandelen stuurde. Mijn vader was in dat Ukkels ziekenhuis immers niet alleen patiënt, maar ook werknemer.
De mollenjagers zagen zich zo verplicht met hun vangst opgeborgen in de koffer van de auto terug af te druipen naar het verre Brugge, zou je denken. Maar op de parking van het ziekenhuis kreeg mijn nonkel een beter inval. Op de parking liet hij het krantenpapier met daarin de drie mollen gedraaid op de motorkap van een chique auto achter. Een billenkletser, nog een geluk dat er toen geen camera’s op de parkings hingen.
Toen ik van mijn moeder terug thuis was, vertelde ik het mollenverhaal meteen aan Marianne. Eerder op de dag had ik onze eigen mollenverdrijver ingegraven tussen de molshopen: een buis met batterijen in die om de zoveel seconden een reutelend geluid produceert, waaraan mollen volgens de gebruiksaanwijzing een hekel hebben en het hazenpad kiezen. Om de mol wat te jennen, maakte ik ook nog al zijn hopen met de grond gelijk.
Vanochtend wachtte me op het terras een verrassing. Er lagen in verschillende hoopjes wat uitgekotste ingewanden en andere resten van een beest dat veel weg had van een mol. Alle platgeslagen molshopen lagen nog plat en er waren er geen nieuwe bij gekomen. Pluim, onze kater die ik soms minachtend de kleine jager noem, want zelf ben ik dan de grote jager, heeft eindelijk weer eens zijn werk gedaan.
De kleine jager Pluim rust uit na een nachtelijke grote jacht
Ter gelegenheid van “Oostende voor anker” kreeg ik van de verantwoordelijken voor het museumschip Mercator de kans om “Cadet op de Mercator” te signeren op de barkentijn. Een kans die ik met beide handen greep. Ik zal op de Mercator zitten zaterdag 21 en zondag 22 mei van 11 tot 16 u, zolang mijn voorraad boeken strekt. Vooral zondag 22 mei wordt een spannende dag. Moest mijn vader nog geleefd hebben, hij zou die dag 85 zijn geworden, vijf jaar jonger dan de Mercator zelf.
Naar aanleiding van die 90ste verjaardag van het zeilschip loopt er een tentoonstelling aan boord, waar een van de pancartes met foto’s gewijd is aan mijn vader en een medecadet van toen, Jean D’Hondt, die ook in mijn boek wordt vermeld. Jean overleed helaas in november van vorig jaar.
De publicatie van mijn boek leidde ertoe dat ik in contact ben gekomen met twee andere cadetten die de kruistochten op de Mercator van mijn vader mee hebben beleefd. Eerst werd ik gecontacteerd door Jean-Pierre Desmet, die op de Mercator deel uitmaakte van het orkest. Jean-Pierre, een geboren en getogen Gentenaar, verloor zijn hart in New Orleans, de verste haven in de VS waar de Mercator op de 34ste kruistocht aanlegde. Via Jean-Pierre kwam ik ook in contact met Luc Dejonckheere, een van de cadetten waarmee mijn vader het meest optrok tijdens zijn Mercatortijd. Beiden lieten me weten dat ze zondagnamiddag naar de Mercator zouden komen. Spannend!
Hieronder vind je nog de weerslag van een interview in de Passe Partout dat Conny Justé enkele weken geleden van mij heeft afgenomen. Misschien tot in Oostende!
Moesten mijn vrienden van de oudleerlingenbond van Don Bosco Haacht het niet in herinnering hebben gebracht bij mijn oudste dochter, die een maand of wat geleden naar een bbq ter gelegenheid van haar 10 jaar afstuderen was geweest, ik zou er nooit aan hebben gedacht dat ik ruim veertig jaar geleden mijn college vaarwel heb gezegd.
Het fijne van zo’n oudleerlingenbond is vooral dat hij in de school een reünie met een barbecue organiseert. En omdat dergelijke bijeenkomsten omwille van de pandemie twee jaar niet hebben kunnen doorgaan, werd er die zaterdagavond in april verzamelen geblazen in mijn oude, maar enorm met nieuwbouw aangegroeide school, voor liefst drie afstudeerjaren tegelijk: 1980, 1981 en 1982. En dan bleken tot mijn persoonlijke verrassing ook nog eens de oudleerlingen die vijftig jaar geleden afstudeerden, in 1970, 1971 en 1972, tot de genodigden te behoren.
Naast een grote delegatie van de klas- en jaarmakkers uit andere richtingen tekenden ook verschillende oudleraars present. Carl uit de WeB had de aardrijkskundeleraar zelfs gepraamd om voor de afgestudeerden van ons jaar nog eens een kwartiertje les te geven. Meteen gaf Jos me weer het gevoel in die klas van weleer te zitten, naast Ludo op de achterste bank, voor een keer eens wat beter luisterend naar Jos die na zoveel jaren met pensioen te zijn, nog altijd niet had afgeleerd om oeverloos uit te weiden. Zes jaar lang hadden we bij Jos niet geweten waar hij ons in zijn les mee naar toe zou nemen en waar we uiteindelijk zouden eindigen. In zijn lesje als gepensioneerde nodigde Jos ons uit om, eens hij onder de zoden zou liggen op het kerkhof van Haacht, op zijn deksteentje de QR-code te komen scannen van een meer dan 300 bladzijden tellend levensverhaal over zijn excursies, dat hij zijn kleindochter wil nalaten.
Vijfde Latijn?
Op dat moment dacht ik, terug in die klas tussen mijn net als ik ouder geworden maar nog levendige medeleerlingen: wat heb ik toch een heerlijke tijd gehad in dat Don Bosco-college. En ik dacht het nog eens toen ik met Pieter praatte, onze turnleraar die ons niet zomaar elke week liet voetballen en die net als Herman jarenlang mee ging naar Uppingham in Engeland, voor een sportieve uitwisseling met een Engelse school in home hospitality.
Heerlijke lessen herinner ik me ook met Gaston, die me George Orwell leerde kennen en die ons als 16-jarigen een week meenam naar Londen. Daar schreef ik in 2014 al een blogpost over (https://peterdejaegher.com/2014/08/19/superstar/?fbclid=IwAR2srL83CNTxAR6i-Ioo4hrkr8EZNGiJVGSbG5ztORfigFwZQB03Ru_RdyI). Blijkbaar was ook Jef even op de reünie geweest, de leraar Engels van het zesde bij wie ik mijn maturiteitsproef maakte over de schrijver van o.a. 1984 en Animal Farm. Maar die heb ik helaas in de overvolle feestzaal gemist.
Harry, met wie ik al eens een praatje sla bij het winkelen in een Haachts warenhuis, kwam me al van bij de aankomst op de speelplaats de hand schudden. Onze memorabele geschiedenisleraar heeft het na ons vertrek op Don Bosco tot directeur geschopt. Als leraar zette hij me aan om meer te lezen over de Belgische geschiedenis in de historische literatuur van veertig jaar geleden, wat me ertoe bracht om na de humaniora in Leuven pol&soc te gaan doen.
Spijtig natuurlijk dat niet alle klasmakkers aanwezig waren. Walter bijvoorbeeld was enkele maanden geleden gestorven bij een verkeersongeval. Ook Ludo was door het oog van de naald gekropen na een anti-immuunziekte in combinatie met corona. Pas toen hij zijn lach opzette met die fonkelende ogen van vroeger, herkende ik hem. Nu, de afwezigen hadden allemaal ongelijk.
Marianne en ik zaten het grootste deel van de avond in de buurt van Johan en Ann, Dirk en zijn vrouw en Luc en Wim. We spraken over tal van thema’s van maatschappelijk belang, of gewoon over koetjes en kalfjes, met Alain zelfs over alpaca’s, of over onze inmiddels, in de meeste gevallen althans, volwassen geworden kinderen en onze al overleden of bejaard geworden ouders. Af en toe kwam een vriendin van mijn een jaar jongere zus Katrien, die ook van de feest was, naar onze tafel om goeiedag te zeggen, een voorwendsel om kennis te maken met de vriendin die me naar verluidt doet stralen.
Het was dus een fijne bijeenkomst. In 2016 schreef ik ook al eens iets over een reünie die Kristel had georganiseerd in de Brasserie in Keerbergen (https://peterdejaegher.com/2016/12/05/reunie/). Daarom heb ik dagenlang gepiekerd of ik nog eens zo’n blog zou schrijven. Tenslotte was Kristien er niet en heb ik deze keer ook amper met Anita en Luc, Heidi, Griet en Guy, Wim en Kristel of Bert en Joke,… gebabbeld, die helaas aan andere tafels hadden aangeschoven, want ons jaar was zolang buiten op die speelplaats blijven babbelen dat we ons binnen in de zaal verplicht zagen in verspreide slagorde de nog resterende gaten aan de tafels op te vullen. Helga beloofde volgend jaar een nieuwe bijeenkomst te organiseren. Wij zijn inderdaad van die trouwe klasgenoten die niet allemaal even goede vrienden zijn gebleven als we waren maar toch graag eens blijven hangen in die nostalgische humanioratijden.
Zes Latijn en WeA
Gisteren ging ik op zoek naar een oude handleiding voor een droogkast die ik niet meer aan de praat krijg en in een oude klasseermap stootte ik op een verslag van veertig jaar oud dat ik met vulpen had neergepend, over onze Romereis. Het stelt niet veel voor en heeft een hoog opstelgehalte, maar ik tik het hier toch maar eens over, voor mijn mede-nostalgici uit de Don Boscojaren:
Een miezerige motregen wuifde de DC9 van Alitalia na. De leerlingen die na veel geloop een plaatsje bij het venster hadden bemachtigd, kwamen bedrogen uit. Toen het vliegtuig zich boven het laaghangend wolkendek verheven had, was slechts de staalblauwe lucht zichtbaar. Toch werd er niet getreurd om het schamel schouwspel. Iedereen was opgetogen, zinnens om een tiental dagen alle zorgen te kunnen vergeten: vervelende en verveelde gezichten op school werden omgetoverd tot vrolijke snuitjes waar hoge verwachtingen van afdropen. Slechte paasrapporten waren in een oogwenk vergeten en de problemen thuis raakten zoek in het achterhoofd. Ieders gedachten waren gefixeerd op de eeuwige stad Rome, op het Firenze van de Medici en op het eenvoudige maar alleraardigste Assisi van Franciscus.
Ook op de treinreis van Milaan naar Firenze bleven we vrolijk opgewonden kwebbelen als kinderen die op schoolreis mogen. Onze thuis lag al ver ergens in het kleine België, en dat vonden we uitstekend. We konden de onbekende Italiaanse steden, het zwartharige vrouwenschoon of de Italiaanse snelle jongens, de lekkere keuken en de spotgoedkope koppige wijntjes al ruiken. De echte toeristen onder ons waren uitgerust met nieuwe fototoestellen. Ze schoten ijverig plaatjes van Paul, de leraar wiskunde, die in zijn hemd lag te maffen in Boboli, van Marianne, de lerares Latijn, die enthousiast uitleg verschafte op het Forum Romanum, van Ludo die de eeuwenoude stenen van de Via Appia kuste of van Anita die zo’n onverwachte bruuske beweging maakte die foto’s in je geheugen griffen. Ze zouden later de klas rondgaan, prettige en onprettige anekdoten oprakelen voor ze weer voor jaren insluimeren.
Dat de eeuwige stad zijn reputatie als chaotische warboel waar maakte, wou iedereen graag over het hoofd zien. Het was opwindend om je tussen het toeterend verkeer te bewegen, of om op de stampvolle bussen kinderlijke spelletjes te spelen. ’s Avonds trokken we naar de Piazza Navona, het trefpunt van de jeugd. Dat een echt koud, goudkleurig pintje je daar meer dan honderd frank kostte, was rap vergeten: je was toch met vakantie! De wijn smaakte er ook uitstekend. Ze was echter enkele keren zo koppig dat het laatste restje pas ’s morgens op de ongebruikelijke manier mijn lichaam verliet.
Voor we het beseften zaten we weer in de klas. De reis naar Italië was geenszins een reis geweest om uit te rusten van die zware schooldagen. En nu kwamen de laatste loodjes eraan. Die wilde niemand nog laten vallen, dus togen we weer aan het werk, met frisse moed en uitgeslapen hersens, rechtdoor naar de laatste examens op de middelbare school.
Wie eventueel mijn kapotte droogkast kan herstellen, gelieve me een persoonlijk bericht te sturen.
Zaterdag 12 februari 2022 werd op een studiedag in de Residence Palace in de Brusselse Wetstraat, ingeleid door premier Alexander De Croo, een nieuw boek voorgesteld: “De toekomst is meertalig. Brussel als laboratorium”. Dit boek van de Brusselse minister Sven Gatz, die als eerste in Europa de bevoegdheid Promotie van meertaligheid in zijn portefeuille kreeg, werd ook meteen vertaald in het Frans en het Engels.
Minister Gatz volgde de studiedag nauwgezet en geconcentreerd. Hij sloot de dag af met een toespraak waarin hij de tien ideeën om meertaligheid te verankeren die in het slothoofdstuk van het boek staan vermeld, nog eens samenvatte. Hoewel hij zelf niet op het podium stond, was de studiedag ook voor de Grijze Man een belangrijke belevenis, waarvoor hij zijn vriendin Marianne had meegevraagd. Zoals hij dat al voor enkele andere boeken van Gatz klaarspeelde, was de Grijze Man ook deze keer de ghostwriter van de minister.
De tekstschrijver had de minister verschillende keren langdurig geïnterviewd over zijn ervaringen met talen en politiek in Brussel, want Sven Gatz is een geboren en getogen ket en dat zijn mensen die veel te vertellen hebben. Daarnaast nam de Grijze Man ook ellenlange gesprekken op met meer dan een dozijn fans, pleitbezorgers en experten op het terrein van meertaligheid. Die over tientallen bladzijden uitgesmeerde inzichten noemde de uitgever niet onaardig maar tegelijk wat langdradig. Op diens instigatie diende de Grijze Man al het verzamelde tekstmateriaal te verhakselen tot een tiental thematische hoofdstukken.
Om de boekverkoop een vliegende start te geven, was de uitgever bovendien met het voorstel komen aandraven om de publicatie vergezeld te laten gaan van een event, zoals een evenement tegenwoordig wordt genoemd. Zo begon de Grijze Man, daarin goed bijgestaan door zijn collega Sheraz Rafi, de raadgever meertaligheid van Gatz, aan het boek een studiedag te breien. De studiedag diende te worden getrokken door enkele in het boek geïnterviewde en enkele andere begiftigde sprekers en debaters, kwestie van de discussie over meertaligheid wat sterker te kruiden.
Toen de receptie na de geslaagde studiedag op z’n laatste benen liep, sloten de Grijze Man en zijn vriendin de vestiaire waar Marianne veel meer tijd heeft doorgebracht dan ze had gewenst. Allebei moe en matig tevreden trokken ze naar Topogigio om na te tafelen, een uitstekend en toch niet prijzig Italiaans restaurant in de Brusselse Notelaarsstraat, met de gemoedelijke sfeer die eenieder behulpzaam is die een plooi glad te strijken of een verdriet te verdrinken heeft.
Terwijl ze nakaartten geraakte het tafeltje naast hen bezet. Een man en een jongen vleiden zich neer en wensten de Grijze Man en zijn vriendin vriendelijk zowel bonsoir als goedenavond. Het duo, waarvan de man af en toe Frans sprak maar vooral zijn best deed mooi Nederlands te praten en de jongen de man her en der subtiel verbeterde, intrigeerde de Grijze Man meteen: na de studiedag volgde een doop in het meertalig Brussel zoals het is!
Lang duurde het niet of de twee koppels geraakten in gesprek. Zoals de Grijze Man en zijn vriendin hadden gedacht, was de man de vader en de jongen zijn tienerzoon. De papa, een Waal afkomstig uit Doornik, vertelde dat hij gehuwd was met een Turkse. Het Turks-Waals echtpaar woonde in Schaarbeek en had bijzondere afspraken gemaakt over het taalgebruik in het gezin, die erop neerkwamen dat de jongen Turks spreekt met zijn moeder en Nederlands met zijn vader. Wanneer het gezin samen is, spreekt iedereen Frans.
De jongen zit in de Nederlandstalige tienerschool op de gloednieuwe Gallait Scholencampus in Schaarbeek. Voor wie dit type school niet kent, een tienerschool legt een vierjarige brug van het lager onderwijs naar het secundair onderwijs, door leerlingen tussen 10 en 14 jaar samen in zo’n middenschool te zetten, waardoor de schoolstructuur van het basis- en secundair onderwijs van twee cycli van zes jaar verandert in drie cycli van vier jaar. De overgang van lager naar secundair onderwijs zou zo minder abrupt zijn en meer plaats bieden voor persoonlijke begeleiding en groei naar zelfstandigheid in de lastige jaren naar en doorheen de puberteit.
De vader vertelde dat hij z’n kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs in Brussel had gestuurd omdat hij zelf pas op z’n veertiende in Doornik zijn eerste Nederlands had geleerd, als derde taal. Veel Nederlands had hij op de middelbare school niet opgestoken en hij wilde dat zijn kinderen die taal beter zouden kennen dan hij zelf. Die wens was alleszins uitgekomen: de jongen verbeterde het taalgebruik en het accent van zijn vader. De Grijze Man zag dat de zoon trots was op zijn kennis van het Nederlands, dat hem met het Frans en het Turks drietalig maakt. Hij zal als viertalige afstuderen als hij later op school ook nog Engels leert.
Ziedaar de Brusselaar van de toekomst! Marianne en de Grijze Man kregen er na een educatieve studiedag nog een gratis praktijkles meertaligheid bij. Onder de waterlijn van de taalwetgeving evolueert Brussel van een officieel tweetalige naar een meertalige stad. En hoewel sommigen in Vlaanderen vrezen dat in het meertalig Brussel het Nederlands zal verdwijnen, bewijst het Nederlandstalig onderwijs in het kosmopolitische Brussel van vandaag het tegendeel: de Vlaamse scholen in het Brussels gewest tellen meer dan 50.000 leerlingen, waarvan een grote meerderheid thuis geen woord Nederlands heeft gehoord.
Tegenwoordig zit ongeveer één op de vijf jongeren in het Brussels gewest (18,5 %) op een Vlaamse school. Elk jaar komt er zo in Brussel een massa Nederlandskundige meertaligen bij, die meteen in Vlaanderen of Wallonië aan de slag kunnen. Dat vindt de Grijze Man de belangrijkste boodschap uit het boek van Sven Gatz: het Brussel van vandaag is een voorafspiegeling van het België van morgen, waarin meertaligheid een grote troef zal zijn.
“De toekomst is meertalig. Brussel als Blauwdruk”, Sven Gatz, uitgeverij Lannoo, Tielt, 2022, 162 blz, € 19,99
Zo luidde de titel van de eindverhandeling die ik samen met mijn studiegenoot Peter Dhondt in 1985 schreef om licentiaat (tegenwoordig: master) in de communicatiewetenschap te kunnen worden. Ik vond dat een heel mooie titel, die bedacht was door mijn naamgenoot. Omdat die titel niets loslaat over de inhoud, voegden we nog een lange en technische ondertitel toe: “Een kwantitatieve input-output analyse van de buitenlandse nieuwsstroom bij het nieuwsagentschap Belga”.
Het werkstuk van twee volumes, samen 468 bladzijden dik, ging onlangs nog eens door mijn handen toen ik bij mijn verhuizing mijn dozen met boeken aan het uitpakken was. Even sloeg ik deel 1 open, het Onderzoekskader, waaruit een getypte brief en een twee bladzijden lange handgeschreven tekst vielen.
De brief was geschreven door de toenmalige hoofdredacteur van Belga. Hij maakte zich druk over wat we over zijn persbureau hadden geschreven. “De polemische toon van bepaalde passages is een wetenschappelijk werk onwaardig”, hield hij de student die ik toen was voor. “Bovendien hebt u zich schuldig gemaakt aan een onaanvaardbaar misbruik van vertrouwen”, beet hij door. “Van de afgesproken studie is in uw verhandeling niets terug te vinden”, ging hij verder. “U hebt echter op basis van fragmentarische background-informatie die u door redactieleden werd verstrekt, valse hypothesen geconstrueerd, zonder wetenschappelijke grondslag.” De hoofdredacteur besloot dat hij zich “volledig distantieerde” van wat ik hem toegestuurd had, en hij voegde daar nog aan toe dat mijn houding hem er niet toe aanzette nog mee te werken aan licentiaatsverhandelingen. “Wij zullen de faculteit hiervan op de hoogte brengen”, dreigde hij.
Zevenendertig jaar later kan ik ermee lachen. Ik herinner me dat we ons toen van die brief niets hebben aangetrokken. Het was immers duidelijk dat de hoofdredacteur slechts een oordeel had geveld over één hoofdstuk. Bij de verdediging van onze eindverhandeling, die we allebei toch met wat nervositeit tegemoet zagen, was de hoofdredacteur door onze proffen al wat gekalmeerd. We kregen voor ons werk dan ook een uitstekende beoordeling, van de drie proffen weliswaar, van wie er inmiddels al twee overleden zijn.
De handgeschreven tekst in de thesis, is de samenvatting voor het Tijdschrift voor Massacommunicatie van een of andere Nederlandse universiteit, dat aan ons onderzoek een artikel heeft gewijd. Dat tijdschrift moet zich nog ergens in mijn boekenkasten verschuilen.
Enkele dagen nadat ik die thesis in handen heb gehad, droomde ik dat ik Peter opnieuw tegen het lijf liep aan wat vroeger het Internationaal Perscentrum heette, in de buurt van het Brussels Schumannplein, waar destijds ook Belga was gehuisvest. Hij was er met enkele actievoerders pamfletten aan het bedelen voor een meer rechtvaardige mediawereld.
Ik herinner me mijn naamgenoot inderdaad als een geëngageerde student, wat ook blijkt uit zijn loopbaan. Want die droom zette me ertoe aan hem op te sporen. Meteen bij LinkedIn was het raak. In de niet meer zo nieuwe digitale wereld zijn we nu terug verbonden. Ik stuurde hem prompt deze boodschap: “het lijkt wel een eeuwigheid geleden, die gezamenlijke thesis in Leuven, wat is de wereld veranderd!” Hij antwoordde: “Inderdaad, heel lang geleden, en het medialandschap is onherkenbaar veranderd. Maar onze conclusies blijven geldig hé!”
In onze titel stonden de stemmen van Stentor, de heraut uit het Griekse leger in de Trojaanse oorlog wiens stem even krachtig zou zijn geweest als die van vijftig andere mannen, voor de internationale nieuwsagentschappen die ons buitenlands nieuws domineren, maar ook voor de staten die dagelijks met nieuws van alle aard en gewicht in onze nieuwsbulletins verschijnen.
Het gefluister komt van de ontelbare kleine en onbeduidende nieuwsmakers en de tientallen landen en landjes die zelden de nieuwsdrempel van onze nieuwsmedia overschrijden, tenzij ze in slepende conflicten of catastrofale rampen verzeilen. Om maar iets te zeggen: in 1985 had ik nog niet van Tonga gehoord. Deze week zat het eindelijk eens vol in het nieuws. Wie kent inmiddels de hoofdstad of de koning van deze eilandengroep in Polynesië?