De kaart en het gebied

Al van de herfst van vorig jaar laat de Grijze Man zich meeslepen door de kaart en het gebied. Vergis u niet, beste lezer, de kaart en het gebied die hem in de ban houden, betreffen niet de roman waarmee Michel Houellebecq, van wie hij een fan is, in 2010 de Franse Prix Goncourt heeft gewonnen. Deze kaart en dit gebied betreffen de stamdropping waar de Grijze Man ter gelegenheid van de 70ste verjaardag van zijn scoutsgroep, mee de schouders heeft onder gezet.

In een eerdere post op deze site liet de Grijze Man al eens zijn licht schijnen over hoe een dropping eruit zag toen hij nog jongverkenner, verkenner en leider was. De tijd van kompaslopen, rechtelijnschets, bolleke pijl, aanwijzingen in morse en zo meer, is voorbij. Of wie weet, toch niet helemaal. Aan de 85 ingeschreven deelnemers van de stamdropping om dat op 9 maart te ontdekken.

De Grijze Man is niet alleen om deze stamdropping voor te bereiden. Daar zit inmiddels een hele werkgroep achter. Het wonderlijke aan scoutswerkgroepen is dat die moeiteloos verschillende generaties leiders kunnen overspannen. Zo zitten in die werkgroep verschillende welpen aan wie de Grijze Man lang geleden als hun Akela leiding heeft gegeven. Maar ook met zijn oude vriend Leo, de zwarte panter Bagheera van weleer, die inmiddels ook 60 is geworden, heeft de Grijze Man dankzij de stamdropping de banden opnieuw aangehaald. En daar haalt hij veel deugd en vreugd uit.

Het eerste wat de werkgroep heeft beslist, was de keuze voor het gebied. Vervolgens werd gekeken naar de kaart. Waar laten we de dropping vertrekken? Waar komt ze aan? Blijven we zoveel mogelijk uit de bewoonde wereld en weg van geasfalteerde wegen of dorpskernen? Is de dropping niet te zwaar? Of te licht? De leeftijd van de deelnemers varieert immers van nieuwbakken scoutsleiders en -leidsters die nog geen twintig zijn, tot gepensioneerde zestigers die kampen met mankementen aan lijf en leden en een slechte fysieke conditie.

U raadt het, lezer, de Grijze Man heeft al veel plezier beleefd aan die voorbereidingen van de stamdropping. In verschillende groepjes testte de werkgroep de op kaart uitgezette routes uit. Hoe meer de dag van de stamdropping nadert, hoe beter ze eruit ziet. Op een geheime vergadering deze week in Kaffee Claude, zegde oudscout Guy toe om voor de catering tijdens de dropping te zorgen, wat voor een honderdtal deelnemers en helpers geen sinecure is. Voor dranken allerhande kunnen de oude en minder oude oud-scouts al decennia rekenen op Johan, nog zo’n kranige zestiger, die je in het gehucht Sint-Adriaan doorgaans terugvindt in de in Haacht wereldberoemde drankenhandel Swinnens.

Nu kijken de Grijze Man en zijn trawanten uit naar de big dark walk, de grote, laatste test van de stamdropping in het duister van een lange februarimaand die wat regenval betreft records verbreekt. Over een dikke week of twee krijgen de wandelaars wat meer informatie over de kaart en het gebied. En over een maand stappen leiders, oud-leiders en ouders die zich hebben ingeschreven uit de bus, om aan hun avontuur te beginnen. Enkele uren later zullen De kaart en het gebied voor hen geen geheimen meer hebben.

Want zoals een recensent over de roman schreef, heeft Michel Houellebecq zichzelf in 2010 met die onverwacht subtiele roman over leven en dood op een fenomenale manier vernieuwd. Pas toch maar op voor heksen, tovenaars en ridders! En vergeet je fluovestje niet.

Geplaatst in De Grijze Man, Haacht, literatuur, natuur, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , | Plaats een reactie

Diep begraven in liefde

Terwijl de boeren Brussel tot stilstand dwongen, zat de Grijze Man thuis te werken aan persberichten en toespraken voor zijn baas Sven Gatz, die minister is in de Brusselse regering. Hij keek even op toen buurvrouw en boerin Arlette enthousiast zwaaiend voorbij fietste, zoals ze dat zowat elke dag doet als de Grijze Man thuis is. Ze is een even welgezinde bezienswaardigheid als de eekhoorns, mezen, mussen, roodborstjes en af en toe eens een boomkruiper of kleine bonte specht waarnaar de Grijze Man uitkijkt als het zonnetje schijnt en de zonnepanelen katoen geven. Arlette is alvast niet gaan demonstreren in Brussel, bedacht de Grijze Man.

En dan hoorde hij The Triffids op Radio 1, de geliefde zender die het thuiswerken begeleidt en soms ook afleidt. Het liedje op de radio vormde de inleiding voor een gesprek met Triffidskenner Luc Janssen. De aanleiding voor het interview was de dood van de frontman van die Australische band, David McComb uit Perth, 25 jaar geleden.

Meteen werd de Grijze Man terug gekatapulteerd naar februari 1985, naar het Trainingscentrum voor Parachutisten in Schaffen, naar dat kleine kamertje in de blok voor onderofficieren, waar hij zijn laatste weken als dienstplichtige sergeant doorbracht bij de paracommando’s van het peloton RavAir. Tenzij hij in dromenland verkeerde, speelde op het nachtkastje naast zijn bed een oude mono cassettespeler met de nieuwste muziek die zijn scoutsvriend Raf speciaal voor hem had opgenomen. Daar leerde hij o.m. de elpee Born Sandy Devotional van die Triffids kennen.

Op kamp met de welpen, en leiders Raf, Leo en Tuur

Het is dus al 25 jaar geleden dat David McComb overleed, mijmerde de Grijze Man. Blijkbaar was McComb, na een harttransplantatie op z’n 36ste, blijven drinken en heroïne spuiten. The Triffids traden in de jaren tachtig enkele keren op in België, in Deinze, in ’t Stuc in Leuven, in Werchter en op Pukkelpop, waar ze in 1988 de headliner waren. De muziek van de band doet denken aan de weidsheid van het Australisch landschap, zoals trouwens de titel van een bekende single uit 1986 luidde, The wide open road. Vrolijk werd de Grijze Man van The Triffids niet. Maar toen het interview op de radio afgerond werd met hun “Bury me deep in love” (Diep begraven in liefde), welden er tranen. Over Raf.

Raf was net geen 45 geworden toen hij in juli 2011 door zijn lief dood teruggevonden werd in de badkamer, op zijn laatste werkdag vooraleer het bouwverlof zou aanbreken. De Grijze Man denkt nog vaak terug aan de stralen die Rafs gibberlach achterliet. Zoals Anaïs het op zijn bidprentje schreef.      

Geplaatst in Brussel, cultuur, De Grijze Man, geschiedenis, liefde, paracommando's, vriendschap | Tags: , , , , , , , , | Plaats een reactie

Niet voor kinderen

Afgelopen weekend nodigde de oudste dochter van de Grijze Man hem samen met zijn vriendin en moeder uit voor een diner op haar appartement in Brussel. Ze had flink haar best gedaan om lekker vegetarisch te koken. Het was de eerste keer dat oma het gezellige plekje bezocht dat Winke in de buurt van het Zuidstation had ingericht.

Na een aperitiefje diende ze een lekkere soep op en dan volgde een heerlijke vegetarische ovenschotel, die de Grijze Man en zijn gezelschap aangenaam verraste. Bij een glaasje rode wijn vertelde de Grijze Man over een artikel dat hij die ochtend in zijn krant had gelezen. Onder de titel ‘Neven en nichten worden schaars (en dat is slecht nieuws)’, vernam hij dat in de hele wereld de families kleiner aan het worden zijn. De grootouders leven langer, dat wel, maar de mensen moeten het met minder nonkels, tantes, neven en nichten stellen. En die grootouders zullen op hun beurt minder kleinkinderen hebben. Dat zet druk op de samenleving, echode de Grijze Man de journalist.

Families worden overal ter wereld smaller en verticaler, ging hij verder. Een groep demografen had over deze evolutie een studie in een wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd. De mensen leven tegenwoordig langer, maar tegelijk hebben ze minder kinderen en stellen ze de leeftijd waarop ze ouders willen worden, steeds langer uit.

Tegen het einde van deze eeuw, vertelde de Grijze Man verder, zal een vrouw van 65 jaar nog slechts 25 levende verwanten hebben. En in 1950 waren dat er nog 41, een daling met 38 procent dus. Met zo’n wijsheid probeerde de Grijze Man indruk te maken op z’n vrouwelijk gezelschap van een bijna dertigster, een 55’ster en een 85’ster. Die laatste had nog begin december met haar zussen, broer, vier kinderen, twaalf kleinkinderen en vier achterkleinkinderen een fantastisch verjaardagsfeest gevierd.

Toen hij nog een kleine jongen was, vertelde de Grijze Man verder, ging hij rond nieuwjaar met zijn ouders op bezoek bij zijn tabak snuivende overgrootmoeder, die 96 was toen ze stierf en 17 kinderen heeft gebaard. Waarvan twee voorkinderen, voegde zijn moeder daar aan toe. Voorkinderen? Daarvan had nog niemand van het gezelschap gehoord.

Wel ja, ging de moeder van de Grijze Man verder, de twee baby’s die mijn oma als jonge vrouw baarde toen ze nog niet getrouwd was en nog bij haar ouders verbleef. Een ongelukje dus, vroeg iemand. Ja, antwoordde oma, zo zou je dat kunnen noemen. Maar die baby’s werden bij mijn overgrootmoeder gewoon mee met de andere kinderen grootgebracht, tot de nog jonge moeder een man vond die zo vriendelijk was er de twee kinderen die niet van hem waren, na het huwelijk bij te nemen. Op eentje meer of minder werd niet gekeken in dat gezin. Er volgden nog vijftien andere kinderen.

Maar waarom lieten ze dan geen abortus doen, vroeg Winke. Omdat dat toen niet mocht, natuurlijk, antwoordden de drie oudsten in koor. Abortus werd immers pas legaal in 1990, herinnerde de Grijze Man aan de historie van koning Boudewijn, die weigerde de abortuswet te ondertekenen. De houding van de koning zorgde toen voor een constitutionele crisis, die werd afgewend door de paapse koning tijdelijk in de onmogelijkheid te stellen om te regeren.

En vóór abortus legaal was, was het bovendien duur en gevaarlijk om de vrucht uit de baarmoeder weg te laten halen, zei de moeder. Maar het gebeurde natuurlijk hier en daar wel, vertelde ze, illegaal bij een engeltjesmaakster. Dat was een vrouw die een flinke som geld vroeg om het embryo in de baarmoeder te doden. En het gebeurde wel eens dat de moeder daarna onvruchtbaar was, of dat ze bij zo’n bloedige ingreep het leven liet. Een huivering trok door het gezellige appartement. Wat een tijden waren dat toch. Gelukkig was er nog koffie met versnaperingen als toetje.   

Geplaatst in Brussel, De Grijze Man, familie, geschiedenis, media, politiek, samenleving, vrije tijd | Tags: , , , , | 2 reacties

Myriam en de kruisende mensen in de Brusselse kou

Het vriest dat het kraakt. Ook in Brussel is het erg koud. Om het wat minder koud te hebben, loopt de Grijze Man het Centraal-Station uit langs de ondergrondse gang naar Kantersteen. Hij zou de metro kunnen nemen om sneller en warmer op zijn werk te geraken, maar hij kiest toch voor de wandeling van een kwartier. Die wandeling naar zijn werk is in elk seizoen eigenlijk een boeiende belevenis, bedenkt de Grijze Man. Hij houdt ervan naar de mensen te kijken die hij in die gang en verder op weg naar de Kunstlaan kruist. Bovendien is wandelen goed voor de conditie.

Ook de kleuren van de kleding zijn in de winter donkerder dan in de andere seizoenen. De in lichte kleuren uitgedoste mensen zijn zeldzaam. Een fluovestje voor de veiligheid, ja dat ziet de Grijze Man wel eens voorbij wandelen. Maar verder is er in de hele gang naar Kantersteen maar één vrouw met een jas in een zomerse kleur, een heerlijk indigoblauw dat de Grijze Man herinnert aan de hemel in Kreta in mei.

Een vrouw heeft haar lichtbruine sjaal over haar hoofd gebonden zodat haar oren bedekt zijn, in plaats van hem rond haar hals te draperen. Een andere vrouw met een kort maar gevoerd jack daagt de vriestemperatuur uit in nylonkousen onder een minirok. Een derde vrouw doet haar handschoenen uit en leest een bericht op haar telefoon terwijl ze zich met forse stap vooruit haast. Als ze de Grijze Man kruist, verschijnt er een wondermooie glimlach op haar gezicht. De Grijze Man bedenkt dat ze waarschijnlijk een goede morgen gewenst wordt door haar lief, die misschien wel net aan het ontbijten is en het idee heeft gekregen zijn schat eens te verrassen.

Denk nu niet dat de Grijze Man alleen naar de vrouwen kijkt. Wat verder passeert hij een kale man in een lange grijze wollen overjas. Over zijn jas heeft hij een dikke sjaal rond zijn hals geknoopt, die wel zijn nek bedekt maar zijn oren en kale kop blootstelt aan de vrieskou. Hm, bedenkt de Grijze Man, gelukkig heb ik wel een muts op die mijn hoofd en ook mijn oren bedekt.

Een familie met grote valiezen probeert geconcentreerd haast te maken, in het zog van de man die wellicht hun vader en echtgenoot is. Ze hebben misschien wel enkele dagen Brussel bezocht, fantaseert de Grijze Man, en nu reppen ze zich terug naar het station, om hun aansluiting op de trein naar de luchthaven niet te missen.

Op heel het traject van Brussel-Centraal tot aan zijn kantoor loopt de Grijze Man geen enkele bekende tegen het lijf. Nochtans kijkt hij altijd uit naar bekenden. Maar natuurlijk zijn er veel meer mensen in Brussel die de Grijze Man niet kent dan wel. Nochtans, zo mijmert hij, doet hij een heel stuk van de weg die naar het centrum van de vaderlandse politiek loopt, waar hij wel enkele tientallen mensen kent: politici, kabinetsmedewerkers en personeelsleden van parlementen bijvoorbeeld.

En dan schiet opeens Myriam door het hoofd van de Grijze Man, een gewezen collega aan wie hij goede herinneringen bewaart. Hij werkte graag samen met Myriam op het kabinet van Marino Keulen toen die minister was. En op een receptie op het vorige kabinet van Sven Gatz zwaaide de Grijze Man Myriam mee uit, toen ze algemeen directeur werd van de stad Diest.

Die Myriam is toch wel een straffe madam, denkt de Grijze Man niet voor het eerst, met een grote vakkennis, werkkracht, charisma en lef. Ze was vanmorgen in het nieuws. Of beter gezegd, de Grijze Man merkte bij een check op zijn smartphone dat Myriam een nieuwe job heeft gevonden. Ze wordt na allemaal mannen, de eerste ombudsvrouw van het Vlaams Parlement ooit. De Grijze Man kijkt al uit naar de zeldzame momenten dat hij Myriam weer zal zien. Of kruisen. Proficiat Myriam!

Geplaatst in Brussel, De Grijze Man, politiek | Tags: , , , , , , , | 3 reacties

De dropping, toen

Als er één scoutsactiviteit is waar de Grijze Man veel mooie herinneringen aan bewaart, is het wel de dropping. Een activiteit waaraan je bij zijn (toenmalige) VVKS Brigands Haacht mocht deelnemen als je het tot jongverkenner had geschopt, op je elfde. De scouts werden dan geblinddoekt in enkele auto’s van hun leiders geladen en op een ander punt gedropt of, beter gezegd, achtergelaten. Van daar moesten de toen nog niet Grijze Man en zijn patrouilleleden de weg terug vinden naar het lokaal of het kampterrein. Het spreekt voor zich dat er tijdens zo’n dropping allerlei streken werden uitgehaald die niet zo stichtend zijn. Van het roven van een tuinkabouter tot een bezoek aan een café van nachtbrakers of de passage langs een frituur die al dan niet langs de te volgen weg lag.

Bij de jongverkenners leerde de Grijze Man ook kompaslopen, je in de natuur oriënteren met een kompas: de graden instellen om de opgegeven looprichting te volgen. Eens dat gebeurd was, werd een groepje voorop gestuurd tot ze het gevraagde aantal meters hadden afgepast door weiden, akkers en bossen. Als de koplopers op de juiste afstand stonden, moesten ze nog wat links of rechts wandelen tot degene met het kompas in de hand halt riep, als de voorlopers exact op het juiste aantal graden naast het noorden post hadden gevat. En dan werd er gewisseld: het achtervolgend groepje met het kompas, liep dan voorop.

In het duister of in dichte sparrenbossen ging zo’n kompastocht helemaal niet vlot vooruit, ondanks de zaklampen, hoe groter hoe beter, waarmee de groepen elkaars positie konden bijhouden. Soms lag de Grijze Man op zijn buik onder de takken van een dicht sparrenbos om een azimuth te kunnen berekenen. Zeker op kamp, als de ouders thuis niet ongerust op hun gedropte zonen met of zonder kompas zaten te wachten, durfde een dropping of kompastocht wel eens heel lang duren. Ofwel omdat de jongens er niks van terecht brachten en verloren waren gelopen. Ofwel omdat ze bewust getreuzeld hadden, om hun leiders een neus te zetten, want die moesten in de commandotent de wacht houden tot heel de troep aangekomen was.

Kompaslopen was niet de enige techniek die je bij een dropping wel eens nodig had. Er waren nog heel wat andere tochttechnieken die gebruikt werden om je weg te vinden in een onbekend gebied: rechtelijnschets en bolleke-pijl om er maar twee te noemen. Wie er meer over wil weten, moet maar eens googelen. Vaak werden er ook foto’s in de zoektocht verwerkt. Al die technieken zijn bij de nieuwere generaties langzaam in de vergetelheid beland. Nu heeft iedereen immers een smartphone om de weg niet te verliezen.

Het gebeurde wel eens dat de leiders het op de heupen kregen van het wachten op hun mannen en terug in de auto’s stapten om hun jongens te gaan zoeken. Zoals het ook eens gebeurde dat heel de leidingsploeg de jinners en verkenners uit hun bed zette om mee te helpen een slaapwandelende welp op te sporen. De leiding had toen CB-radio’s in enkele auto’s, waarmee ze met elkaar konden communiceren. Een mooie variant op een dropping.

Op 9 maart organiseren de Grijze Man en enkele andere oud-leiders van VVKSM Haacht, dat z’n 70ste verjaardag viert, voor het eerst in lange tijd opnieuw een stamdropping. Dat is ook een dropping, maar voor leiders, oud-leiding en ouders die eens van een avontuurlijk verzetje houden. Wie nog mee wil doen, moeten we helaas ontgoochelen. De bus zit vol. Wie al ingeschreven is, houden we verder op de hoogte!



Geplaatst in De Grijze Man, Haacht, vrije tijd | Tags: | 1 reactie

Naar de welpen

Op mijn tiende, we waren net uit Nossegem verhuisd naar de Olivier de Spoelberchstraat in Wespelaar, ging ik in september 1973 voor het eerst naar school in Haacht-Station. Naast ikzelf, hadden er zich voor de 5de klas bij mevrouw Weynants, een vriendelijke al wat oudere lerares met een zwak voor chocotoffen, nog twee andere nieuwe leerlingen aangemeld, Philippe en Alain. Wist ik veel dat Alain en Philippe jarenlang vrienden zouden blijven en dat de helaas veel te vroeg overleden Philippe mijn schoonbroer zou worden. En dat we vele avonturen zouden beleven bij de scouts, die toen nog als VVKS Brigands Haacht bekend stonden.

Want na de onwennige eerste schoolweek stuurde mijn moeder me op zaterdag ook voor het eerst naar de welpen. Mijn grasgroene trui had ze zelf gebreid en ze had ook ergens tweedehands een groene welpenpet op de kop getikt. Aan het scoutslokaal maakte ik in de intussen afgebroken oude hoeve in de Neerstraat kennis met mijn leiders Akela, Bagheera en Baloe.

Hygiëne op kamp is voor de welpen van groot belang. Op kamp in Westouter (1985)

Dat Baloe genoemd werd naar de bruine beer uit de Disneyfilm van het Jungleboek, wist ik al. Alle welpenleiders en -leidsters haalden hun namen uit dat boek van de Britse schrijver Rudyard Kipling. Onze Baloe, echt een beer van een vent in mijn kinderogen, heette in de werkelijke wereld Jan Van der Aa. Hij was mijn meest geliefde leider.

Akela, de leider van de welpenhorde, ging als Jan De Pierre door het leven. Vooraleer hij op zekere dag met een lief kwam aanzetten, werd van hem gezegd dat hij voor pastoor leerde. Akela vond ik eerlijk gezegd wat te streng naar mijn goesting. Maar dat kwam misschien vooral omdat hij mij geen eerste ster gunde op mijn eerste welpenkamp in Wezemaal.

Bagheera, de leidster met de naam van de zwarte panter uit het Jungleboek, was ook wel mijn favorietje. Ik hoedde me ervoor dat te veel te laten merken, want welpen moeten stoer en flink zijn. Bagheera was een beetje de moederfiguur van onze horde. Ik herinner me haar naam niet meer, maar wel dat Baloe en Akela al eens uit hun rol vielen en haar dan met haar meisjesnaam aanspraken. Toen ik op een of andere sneeuwvergadering in december bibberde van de kou, mocht ik haar trui lenen, die ik heerlijk ruiken vond.

Met de welpen de Leibeek over, groot avontuur!

Die eerste keer dat ik naar het welpenlokaal trok, was ik nog zenuwachtiger dan op mijn eerste schooldag bij mevrouw Weynants. Gelukkig waren er bij de welpen tot mijn aangename verrassing ook enkele nieuwe klasgenootjes van de partij: de al genoemde Alain, Walter, die enkele jaren geleden overleden is, Kris, Joan en Eric. En misschien ben ik er nog enkele vergeten.

Met heel wat van die jongens zou ik vele scoutsavonturen later in de leidingsploeg zitten van de VVKS Brigands Haacht. Met Joan en Leo, die een jaar te vroeg bij de welpen toegelaten was, begon ik aan mijn eigen carrière van welpenleider. Vijf jaar zou ik Akela zijn, met Joan en Leo als Baloe en Bagheera. Later kwamen daar nog twee jongere leiders bij, Raf en Freddy, die Kaa de slang en Chil de wouw werden. Ook die laatste twee zijn helaas veel te vroeg overleden.   

Bij de welpen waren een bosspel met dassenroof, en de hindernissencross met een apenbrug, mijn geliefkoosde activiteiten. Voor een bosspel gingen we nu eens naar het Trambos en dan weer naar de Hooiberg op Sint-Adriaan. Die “berg” was drie kwartier stappen langs de Spoorwegstraat en de Dreef. Onderweg leerden we welpen- en andere scoutsliedjes zingen: De machtigste koning, Een kleine welp, het Beloftelied en nog vele andere.

Op de Hooiberg was het geweldig “pottekestamp” spelen, met de bal die in de kom lag van de grote zavelput die er uitgegraven was. Dat spel bleef heel mijn scoutsverleden van welp tot groepsleider populair, net als Dikke Bertha.

Als er één ding van dat scoutsverleden op de zeef van de tijd blijft liggen, is het de vriendschap voor het leven met vele oudscouts. En dan wil je de viering van 70 jaar Scouts en Gidsen Haacht-Station, aan die prachtige nieuwe lokalen aan de Elleveldweg waar de leden van onze jeugdvereniging vandaag hun avonturen beleven, voor geen goud missen. Het was voor jong en oud, van de kapoenen tot de oudste aanwezige oudleidster van de gidsen, een onvergetelijk gebeuren.

Het deed me iets toen al die scouts en gidsen en hun leidingsploeg, van klein naar groot, voor de sluiting in een vierkantsformatie stonden aangetreden en hun kreten schreeuwden terwijl ze van rust ter plaatse in de houding sprongen om acht te geven. En dan was het tijd voor het feest en voor de verhalen, de herinneringen, de nieuwe plannen.

Zo kijken we uit naar de oudleidingdag van 9 december en de stamdropping op 9 maart 2024. Wacht voor die laatste activiteit niet langer om je in te schrijven! Meer info op de Facebook-pagina “once a scout always a scout” of op http://www.scoutshaachtstation.be.

Geplaatst in Haacht, Uncategorized, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , , , | 3 reacties

Zonder static line

De Grijze Man zoekt zijn weg op de website van Skydive Flanders. Dat is een platform waaraan drie clubs van parachutisten deelnemen, die van Moorsele, Zwartberg en Schaffen. Vooral de club van Schaffen vindt de Grijze Man interessant. Die ligt het kortst bij zijn woonplaats.

Bovendien grenst die club aan het Trainingscentrum voor Parachutisten in Schaffen, de militaire basis waar de Grijze Man als twintiger leerde valschermspringen. Hij sleet er de laatste maanden van zijn legerdienst als paracommando in het Peloton Luchtbevoorrading, een eenheid die in het leven was geroepen om de para’s op de grond vanuit de C-130 met goederenvalschermen te bevoorraden met van alles, van wapens en voedsel tot hele jeeps. Daar heeft de Grijze Man deelgenomen aan zo’n 25 oefendroppings vanuit die Herculessen die nog niet zo lang geleden uit dienst zijn genomen. Als de goederen uit de cargo waren gedropt, sprongen de luchtbevoorraders bij een tweede run over Schaffen met hun valscherm uit de grote achterpoort van het vliegtuig.

Als tijdelijk vrijwilliger sprong de Grijze Man toen met automatische opening uit het vliegtuig. Dat houdt in dat het valscherm van de parachutist met een nylon lint, de static line, is vastgemaakt aan een kabel in het toestel van waaruit hij springt. Wanneer de para het vliegtuig, de helikopter of de luchtballon uitspringt, wikkelt het lint zich enkele meters af tot het koordje waarmee het aan het valscherm hangt, door het gewicht van de vallende parachutist breekt. Dat koordje opent de rugzak waarin het valscherm opgepropt zit en trekt het eruit, waarop de parachute zich automatisch bol zet. Dan daalt de parachutist langzaam aan zijn valschermkoepel tot hij op de dropzone landt.

Kandidaat-parachutisten wachten hun beurt af voor de materiaalsprong uit de luchtballon. Rechts de Grijze Man.

Het is al jaren een droom van de Grijze Man om opnieuw te gaan parachutespringen. Maar dan in vrije val, waarbij de springer dus zonder verbonden te zijn met een lint in het vliegtuig eruit springt en zelf beslist op welke veilige hoogte hij manueel zijn valscherm opentrekt. De sensatie om een hele tijd zonder de rem van het valscherm gewoon door de lucht naar beneden te klieven, moet geweldig zijn, dacht de Grijze Man al tijdens zijn paracommandotijd.

Op de website van die valschermclubs noemen ze dit skydiven. Voor de zestigste verjaardag van de Grijze Man heeft zijn Marianne het onmogelijke onlangs mogelijk gemaakt: hem de kans gegeven om zo’n opleiding AFF of Accelerated Free Fall te volgen. De Grijze Man hoopt op basis van zijn prospecties op de site van Skydive Flanders op het einde van de zomer aan zijn AFF-opleiding te kunnen beginnen.

Die zestigste verjaardag zal de Grijze Man nog lang heugen. Hij stond compleet voor paal toen, bij een gezellig etentje thuis met broer, zussen, hun partners en zijn moeder, plots de ene auto na de andere voor de deur stopte. Zowat de hele schoonfamilie, tal van oude vrienden, dochters en plusdochters met hun partners, buren, collega’s en ex-collega’s, studiemakkers en schoolvrienden, neefjes en nichtjes toverden het huis waar net het dessert was opgepeuzeld om tot een feestzaal. Met ginbar en lounge, discobar en DJ, hot dogs, een uitstekende amateurfotograaf (foto’s volgen nog) en een live optreden van Joan. De goede oude vriend van de Grijze Man speelde covers op zijn gitaar van de liedjes die hun levens hebben getekend.

Deelnemers aan dit compleet geslaagde verrassingsfeest, konden een bijdrage leveren voor de vrije valcursus. Dankzij hen en Marianne kan de Grijze Man straks zijn droom waarmaken. Als hij straks maar durft springen zonder static line!

Meer avonturen van de Grijze Man bij de paracommando’s, lees je in de roman “De muts”, verkrijgbaar bij standaardboekhandel.be en bol.com.

Geplaatst in De Grijze Man, familie, paracommando's, vriendschap, vrije tijd | Tags: , , , , | 2 reacties

Zestig

Er was een tijd dat ik hier frequenter dan de jongste maanden blogposts plaatste. Daar is eigenlijk maar één reden voor: het geluk met Marianne te mogen samenleven. Liever dan schrijven, kijk ik met haar tv, werken we in de tuin (vooral zij) of trekken we erop uit. Nu ben ik toch weer in mijn pen gekropen, ter gelegenheid van een verjaardag waar mijn naasten meer dan anders drukte over maken: mijn zestigste. Beschouw dit stuk als een actualisering van de pagina “Over Peter” op deze site.

Alleen maar niet eenzaam ben ik al enkele dagen vóór mijn verjaardag aan deze post beginnen schrijven. Marianne genoot van een namiddag en avond met haar oudste dochter. Ik had het huis helemaal voor mezelf. Na het telewerken ontkurkte ik een fles wijn uit de Corbières, de wijngaarden waar Marianne, Kristel, Bart en ik doorliepen op de katharenroute, en schoof ik een dokter Oetker pizza, bestrooid met extra kaas, de oven in. Zoals toen ik net gescheiden was en op mijn comfortabel appartement in Wespelaar woonde. Om een mooie achtergrond voor mijn schrijven te hebben, zette ik luider dan gewoonlijk een van mijn favoriete platen van Bob Dylan op, met een toepasselijke titel: Oh mercy!

Vaak als ik onderduik in de discografie van artiesten uit de jaren tachtig, of vroeger, uit de jaren zestig, de jaren toen Dylan nog een folkzanger was die protestsongs schreef, terwijl ik het druk had met te leren praten en zindelijk worden, moet ik aan mijn vrienden denken die daar niet meer aan kunnen denken, omdat ze te vroeg gestorven zijn. Ook die vrijdagavond liet ik tranen zonder toeschouwers. Raf en Philippe hebben me zoveel mooie muziek en wonderlijke auteurs leren kennen.

Wie ik zittend op een wier in het leven ook mis, is mijn vader, de avonturier op de Mercator, die na enkele jaren van koopvaardij de wereldzeeën vaarwel zei om bij mijn moeder te blijven. Ik zal hem, behoudens onwelkome wendingen in mijn levensverwachting, dit jaar in leeftijd overtreffen. Al een kwarteeuw kan ik hem geen raad meer vragen. Maar moest ik dat wel nog kunnen, is de kans groot dat hij zou antwoorden dat ik altijd eerlijk moet zijn. Ik probeer dat.

Dankzij de boekjes waarin mijn vader sinds 1953, toen hij 15 was en op het Sint-Leocollege van Brugge zat, de gebeurtenissen van de dag noteerde, een zeldzame keer gekruid met enkele woorden persoonlijke commentaar, heb ik het gevoel dat ik hem vandaag beter ken dan toen hij nog leefde. Ik heb zijn agenda’s inmiddels doorgeploegd tot 1963, mijn geboortejaar. Veel spectaculaire dingen las ik er niet in en de weinige familiegeheimen die ik te weten kwam, hou ik voor me. Tussen de lijnen van zijn minuscuul geschrift borrelt de goesting om te leven naar de oppervlakte, de ambitie om van je leven iets te maken, de nieuwsgierigheid naar verre streken en andere culturen, maar ook de wens om de vrouw te vinden die hem gelukkig zou maken.

Ik hoop dat mijn moeder, intussen 84, me vertrouwt om papa’s boekjes nog tot zijn dood in 1998 te mogen lezen. Want eerlijk gezegd, denk ik dat het nooit mijn vaders bedoeling is geweest dat het opus dat hij jaar na jaar bij elkaar noteerde, ooit van een zekere openbaarheid zou mogen genieten. Voor zijn vier kinderen en vrouw waren ze alleszins al die jaren verboden lectuur.

Uit die eerste tien jaren puurde ik een schat aan verhalen, anekdotes en avonturen die nog niet verteld zijn in “Cadet op de Mercator”, over dat schoolschip, maar ook over Sint-Leo, de Zeevaartschool, de koopvaardijschepen waarop hij officier ter lange omvaart was, over zijn vrije tijd op Sint-Pieters, over de gebeurtenissen thuis in de Poelweg, over het leven in het provinciestadje Brugge, over zijn werk in de boerderijen in de polders en de restaurants aan zee, over hoe hij mijn moeder leerde kennen, hoe ze verliefd werden, zich verloofden, trouwden en op een appartementje in de Brugse Karel de Stoutelaan gingen wonen, waar mijn moeder me op zekere dag pardoes uit de kinderwagen op de stoep liet vallen. Voor zover ik weet zonder blijvende gevolgen.

Wat me in die tien jaren van mijn vader als jonge man trof, herken ik bij mezelf: de zin voor avontuur, het plezier te feesten en uit te gaan, de voetbal, kranten en boeken lezen, reizen, maar ook gedisciplineerd studeren wanneer het nodig was. En werken. In tegenstelling tot mijn generatie moest mijn vader hard werken tijdens zijn schoolvakanties, want studeren aan de Zeevaartschool vonden mijn grootouders ondanks de studiebeurs nog te duur.

Één passie bleef mijn vader heel zijn leven trouw: kaarten. Wanneer hij op zee en later aan de wal maar tijd vond, was hij altijd te vinden voor een spelletje manillen, wiezen, kingen of bridgen, volgens hem het ultieme kaartspel. Vorig jaar leerde ik in Oostende aan het museumschip dat de Mercator nu is, de tachtigers Luc en Jean-Pierre kennen, twee stokoude medecadetten van mijn vader in de jaren vijftig. Jean-Pierre speelde in het orkest van de Mercator, Luc sliep in de hangmat naast mijn vader. Luc diste tal van anekdotes op over zijn vriend Roger en vertelde dat hij nooit van zijn leven zo’n gepassioneerd kaarter heeft gekend.

Natuurlijk leerde mijn vader al op jonge leeftijd ook zijn kinderen kaarten. Hij overtuigde mij om een cursus bridge te volgen. Ik nam Philippe, Hein en Ward op sleeptouw naar een zaaltje in het Haachtse Brouwershof. Na de cursus lieten we alle vier het bridgen weer links liggen, het was ons toch wat te complex. Mijn vader bleef wel tot het einde van zijn dagen bridgen. Kleurenwiezen was meer mijn ding en ik speel het nu opnieuw geregeld, maar niet meer onder walmen van sigaren- en sigarettenrook en bij het drinken van vele primussen, zoals dat ging met mijn vader en zijn kaarttrawanten. De laatste van die trouwe kaarters overleed enkele weken geleden. “Nu kunnen ze kaarten in de hemel”, zei mijn moeder toen Piet stierf. Mocht die hemel bestaan, hoor ik mijn vader al “Ik wacht, …al lang” zeggen, als hij als eerste moet bieden.

Terugkijkend op mijn eigen leven, voel ik me tevreden en gelukkig. Ik ben 25 jaar getrouwd geweest met Greet, die ik leerde kennen in Ukkel, in het Sint-Elisabethziekenhuis waar mijn vader werkte. We schreven brieven naar elkaar toen ik mijn legerdienst deed als paracommando. Toen al broedde ik het plan uit om over de para’s ooit een boek te schrijven. Door die brieven begon er ook iets te broeien tussen Greet en mij, maar zij had al een lief, waarmee ze trouwde kort nadat ik was afgezwaaid. Na enkele jaren begonnen we toch iets en scheidde Greet van haar man. We gingen samenwonen in Mechelen en kort daarna kregen we onze oudste dochter Winke, die als baby mee verhuisde naar Haacht. Twee jaar later kwam er een zusje bij, Jolente.

In de Lijsterstraat sloop met het verstrijken van de jaren de klad in ons huwelijk. We ondernamen vele pogingen om onze relatie te redden, maar uiteindelijk gaf ik er de brui aan toen de dochters jonge vrouwen waren geworden. Ik blijf Greet dankbaar voor de vele mooie jaren en omdat ze me in mijn drukke leven als journalist en kabinetsmedewerker de meeste zorgen voor de kinderen uit handen nam. Vandaag bouwen onze dochters hun leven uit, vanuit Brussel en het aan Haacht grenzende Werchter.

Al die jaren dat ik de werkzaamheidsgraad mee heb helpen hooghouden, genoot ik van veel goede collega’s die mijn pad kruisten, op redacties en in de coulissen van de politiek. Ik hou er veel vrienden aan over. Zoals ook uit de scouts. Begin deze maand deed ik op vraag van mijn broer nog eens mee aan de scoutsquiz. Wat is dat toch een wonder, hoe generaties leiders en leidsters van jeugdbewegingen vrienden voor het leven blijven? Op de quiz-avond spotte ik mannen die me veertig jaar geleden Akela noemden, eentje zat zelfs in mijn ploeg. Hij herinnert er me nog regelmatig aan dat ik hem heb overgeslagen voor zijn eerste ster. Die fout zou ik vandaag niet meer maken!

Terwijl ik driftig aan deze tekst bleef schrijven, was de fles ineens leeg, maar dankzij een uitmuntende Ribera del Duero belandde ik in alsmaar hogere sferen. De zon was achter de kim gezakt en bij het luisteren naar Dylans Modern Times bedacht ik opnieuw hoe graag Marianne en ik in dit huis in “de Puttekes” van het Haachtse gehucht Sint-Adriaan wonen. Het heeft de charme van een Oostenrijkse chalet, met houten vloeren en binnenmuren, een ruim terras en een geweldige tuin. Eerst was het gewoon een opluchting dat we dit prachtige huis zouden kunnen huren. Onze eigen woningen waren immers verkocht terwijl de akte van het huis waarvoor we een verkoopovereenkomst hadden gesloten, door het plotse overlijden van de eigenaar en een moeilijke erfopvolging, niet kon worden verleden.

De weduwe wou helaas niet weten van een sleutelovereenkomst, die ons toegelaten zou hebben om dat huis tegen een billijke huurprijs alvast te betrekken, want we hadden er al meubels, verf en behangpapier voor gekocht. De paniek sloeg toe: we moesten op korte termijn een huurwoning vinden, want de kopers van onze woningen wilden natuurlijk ook hun nieuwe woonst betrekken. Gelukkig kwam mijn vriend Joan met het idee op de proppen om het huis van zijn net overleden schoonvader aan ons te verhuren, al moest hij dat nog uitklaren met zijn vrouw, schoonzus en schoonbroer. We zijn de drie kinderen van Fons dankbaar dat ze ons uit de nood hebben geholpen. Maanden later hebben we dan het huis dat we huurden, van hen gekocht.

Dat ik na enkele jaren van solitair appartementsleven nog op zo’n geweldige plek terecht zou komen, had ik niet kunnen bedenken, sterker nog, ik zou het niet gewild hebben. Ik droomde ervan om met Marianne een gelukkige oude dag te beleven in een niet te groot maar helemaal afgewerkt huis, waar ik me op een gezellig kamertje tussen mijn boeken kon terugtrekken om te lezen en te schrijven en, wie weet, met de kleinkinderen te spelen, vaak te reizen en op mooie zondagen te verpozen onder het lover van een boom in de tuin, waar ik het op een gezegende leeftijd niet erg zou vinden te overlijden, zoals het dokter Urbino onder zijn mangoboom overkwam, in Gabriel García Márquez’ schitterende roman Liefde in tijden van cholera.

Van het leven dat we leiden in onze chalet, vlakbij een grote boerderij, had ik nooit gedroomd: onkruid wieden, tomaten planten, hagen scheren, buitenschrijnwerk schilderen, bessen plukken, druivelaars en rozen snoeien of noten rapen. Dat ik dat niettemin toch doe, illustreert dat mijn appel veel minder ver van de boom is gevallen dan ik dacht. Maar ons groot huis met een ruime tuin komt ook van pas om feestjes te organiseren, te barbecueën en vrienden en familie te ontvangen.

Dat ik in dit huis gelukkig ben, heb ik helemaal te danken aan Marianne. Zij beschikt over het talent om mijn leven en welzijn in goede banen te leiden, zonder dat ik me van mijn vrijheid beroofd voel. Zij is de vrouw met wie ik nog lang samen gezond wil blijven, grote wandeltochten plan en veel avonturen hoop te beleven, in binnen- en buitenland. Waarover ik dan zou kunnen schrijven. Wie weet.

Geplaatst in familie, vriendschap | Tags: , , , , , , , , | 2 reacties

25 jaar geleden

Op vrijdag 13 februari 1998 overleed mijn vader, zeer onverwacht. Hij was 60 jaar en nog niet lang met vervroegd pensioen gegaan. ’s Morgens had ik hem nog kort gesproken, ik was even het ouderlijk huis binnen gesprongen voor ik naar mijn werk op de krant reed. Hij had geen oog dicht gedaan, zei hij, en klaagde over zijn knie, een euvel dat terugging tot zijn jonge jaren als voetballer.

’s Middags kreeg ik op mijn werk telefoon van mijn oudste zus. Ze zei dat ik zo snel mogelijk naar de kliniek moest komen, omdat het niet goed ging met papa. Ik stond net op het punt om naar de persconferentie van de Vlaamse regering te vertrekken, op het Martelaarsplein in hartje Brussel. Mijn chef toonde begrip en zond iemand anders naar de persconferentie.

Van de redactie in Groot-Bijgaarden sprong ik in mijn auto en reed naar het Sint-Elisabeth-ziekenhuis in Ukkel. Mijn vader had daar een groot deel van zijn leven in de administratie gewerkt. Hij kende er iedereen en stond erop zich daar te laten verzorgen. Toen ik eindelijk op de spoedafdeling van Sint-Elisabeth aankwam, werd de aalmoezenier erbij geroepen. Die bracht me naar een kamertje waar hij me onder vier ogen vertelde dat mijn vader net overleden was. Een pneumokokkeninfectie die te ver gevorderd was had hem de das omgedaan, zei hij. Al in de ziekenwagen was hij in coma gevallen. De aalmoezenier bracht me vervolgens naar een andere kamer, waar mijn moeder, broer en zussen met hun partners al zaten, verslagen, in tranen, vol onbegrip.

Na vijfentwintig jaar blijft de film van toen onwezenlijk. Het heeft lang geduurd vooraleer ik besefte dat hij echt dood was gegaan, op die ongeluksdag waarop we het ’s morgens nog hadden over de plantjes op de vensterbank en de lente die in aantocht was. Vaak heb ik later gezucht “wat zou hij daar van vinden?”, “hoe zou hij dat hebben opgelost?” of “zou hij me gelijk geven of het oneens zijn?”

Dit jaar word ik zo oud als hij geworden is. Ik hoop dat ik nog iets van betekenis kan doen met al die herinneringen die hij heeft opgeschreven in zijn boekjes, een levenswerk van toen hij vijftien was tot de avond voor zijn sterfdag.

Maar bovenal hoop ik nog lang te mogen leven, en er te kunnen zijn voor al wie me dierbaar is.

Geplaatst in familie | Tags: , , | 5 reacties

Santiago Bernabéu

Net op de dag waarop Hasso, Chris, Etienne en ikzelf voet aan de grond zetten in Madrid om Real aan het werk te zien, werd in België het nieuws bekend dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen de vergunning voor het nieuwe stadion van Club Brugge heeft vernietigd. Wat in een provinciestad als Brugge volgens de Raad niet kan voor een stadion van 40.000 man, loopt in de metropool van Madrid op wieltjes voor 80.000 toeschouwers.

Toen was het stadion nog zo goed als leeg

Etienne was in 2022 tachtig geworden. De vader van Marianne had nog een grote onvervulde wens op zijn bucketlist staan: een voetbalwedstrijd bijwonen in het stadion van een Europese topclub. Dat cadeau overhandigden zijn kinderen hem op het huwelijksfeest van Hasso en Mariannes zus Tania. Met zijn zoon en twee schoonzoons trokken we met grote goesting naar Santiago Bernabéu, waar de absolute Europese topclub Real Madrid zijn thuiswedstrijden speelt.

De voetballiefhebbers stromen langs meer dan vijftig toegangspoorten het stadion binnen, waar stewards aan elke trap of brug de supporters begeleiden naar hun genummerd zitje. Etienne en Chris zaten op de beste plaatsen, centraal aan de middenlijn op de derde ring, onder warmtestralers, want de avonden in Madrid schommelen in februari nog rond het vriespunt. Aan de overkant zaten Hasso en ik op de tweede ring, in het verlengde van de grote backlijn aan de andere kant van de in het wit uitgedoste Madrileense spionkop achter het doel van onze nationale doelwachter Courtois, die tijdens de wedstrijd geen seconde stil was.

Maar om 21 u goed gevuld!

Om 21 u werd de aftrap gegeven van de Liga-wedstrijd tegen Valencia. Madrid won eenvoudig met 2-0. Thibaut Courtois moest amper een bal pakken. We zagen Luka Modric live aan het werk, Karim Benzema, Vinicius Junior, Marco Asensio, Antonio Rudiger, Jurgen Kroos en andere toppers van de koninklijke. Van Eden Hazard, tegenwoordig vastgeroest op de bank, zagen we ook met mijn kleine verrekijkertje geen glimp. Hazard liet zich zelfs niet opmerken tijdens de rust, toen andere bankzitters zich wat warmliepen terwijl overal in het stadion de supporters hun broodje opaten, het veld gesproeid werd en jonge gasten de verhakkelde grasmat terug aanstampten.

Het meest onder de indruk waren we van het stadion Santiago Bernabéu. Met vijf ringen van zitplaatsen voor de supporters, die avond weliswaar niet volledig gevuld, heeft deze tempel een capaciteit van 81.000 toeschouwers. Rond het stadion zijn nog verbouwingswerken bezig. Reusachtige kranen torenen boven het dak uit.

Na de wedstrijd stroomt het publiek in dichte drommen de voetbaltempel uit. Op de brede lanen rond het stadion dwingt de massa al het verkeer tot stilstand. De supporterslegioenen zwermen uit naar het metrostation Bernabéu of naar een bushalte van één van de acht buslijnen die het stadion aandoen. Het is half twaalf als we in de buurt van onze overnachtingsplaats een restaurant binnenwandelen in de hoop nog iets te bikken te krijgen. Geen probleem, zegt de dienster, je moet wel bestellen vóór 12 u, want dan sluit de keuken.

’s Anderendaags, tijdens het bezoek aan het stadion, zagen we een prachtige maquette van hoe het stadion er na de werken zal uitzien. Het wordt een architecturaal pareltje met een schuifdak, volgens de club zelf het beste stadion ter wereld. Op de grasmat zijn tientallen arbeiders aan het werk. Ze ruimen van alle vijf ringen het achtergebleven vuilnis op. Op het voetbalterrein halen anderen met een soort van vorkheftrucks in dikke rollen de hele grasmat weg. Enkele dagen later moet er een verse liggen, want dan speelt Real opnieuw.

Ook in het museum dat in de catacomben van het stadion is ingericht, haalt de ware sportliefhebber die Etienne is zijn hartje op. Kast na kast vind je er de bekers terug die Real ooit won, meer dan 120 in totaal. Op video’s kan je naar spraakmakende doelpunten en juichende sterren kijken, er zijn vitrines met voetbaltruitjes, schoenen, ballen, keeperhandschoenen,… van vroeger tot nu. De grote voetbalhelden uit de geschiedenis van Real, zoals Di Stefano, krijgen er speciale aandacht. In de jaren vijftig was Etienne erbij toen Di Stefano in België kwam spelen.

De vervanging van de grasmat. Etienne keek en zag dat het goed was.

In de shop koopt Hasso voor zijn zoon een duur truitje en broekje van de basketbalploeg Real Madrid. Van alle sterren van de voetbalploeg kan je er drie verschillende truitjes kopen. Je kan ook je eigen naam op zo’n truitje laten zetten. En je vindt er een ontzagwekkende hoeveelheid petjes, mutsen, sjaals, sweaters, hoodies, vesten, medailles, asbakken, ballen, pennen, sleutelhangers, sport- en rugzakken, handschoenen en nog een schare andere prullaria, aan forse prijzen.

Biercafé La Mayor Cervecería

’s Namiddags gaan Hasso, Chris en ik weer met de metro naar het centrum van Madrid, waar de zon uitbundig schijnt in de buurt van het presidentieel paleis. Den bompa blijft in ons appartement. Hij heeft pijn aan zijn voet van gisteren teveel en te snel te wandelen en hij wil wat recupereren. Terwijl wij een Belgisch biercafé verkenden, heeft ook den bompa zich goed geamuseerd: op de televisie ontdekte hij de zender Real Madrid tv, waar de wedstrijd van gisteren de hele dag door wordt heruitgezonden. Zo ziet hij vertraagd en vanuit alle hoeken terug waarom bij een corner in de eerste helft het kopbaldoelpunt van Rudiger werd afgekeurd en waarom Benzema voor die fase terecht een gele kaart kreeg. Dat hadden we tijdens de wedstrijd geen van allen goed gezien. We hadden onze ogen nochtans zo goed mogelijk de kost gegeven.

Geplaatst in cultuur, familie, reizen, vrije tijd | Tags: , , , , | Plaats een reactie