Fred en Ward

Met zijn matzwarte aktentas van HP, hét accessoire van de trendy ambtenaar van vijftien jaar terug, stapte hij café Den Akker binnen. Hij keek onwennig rond. Hij had er met Ward afgesproken om na ruim dertig jaar het contact met Fred, een gemeenschappelijke jeugdvriend, te herstellen.

Op het eerste gezicht was de eerste er nog niet en de tweede zag hij niet meteen zitten. Achter een tafeltje met een leeg bierglas stak een eenzame, kalende man met baard en het leesbrilletje laag op de neus aarzelend zijn hand op.

Schuchter was Fred altijd geweest. Maar met een vertederende lach. En het was die lach die nog altijd zijn gelaat verfraaide, van de krullende mondhoeken tot zijn flikkerende ogen, nu met de wenkbrauwtippen van een uil, hunkerend naar het hogere. Geen twijfel mogelijk: hij was het. Hoe komt het, dacht hij, dat ik vroeger nooit heb gemerkt hoe die lach zijn wezen bepaalt en hoe hij er ook toen al de mensen een lekker gevoel mee gaf?  Zeldzaam zijn de zaken waarnaar je pas na decennia heimwee krijgt.

Ze schudden elkaar de hand want hoe begroet je anders een bekende die je dertig jaar lang niet meer hebt gezien. Aftastend bekeken ze elkaar, niet te lange seconden, niet van in het begin te diep naar de ziel priemend in elkaars ogen. Tien minuten later viel Ward het café binnen. Hij durfde wel omhelzen en kussen alsof ze elkaar nog vorige week hadden gezien. Gelijk heeft hij, een maandag is voldoende doordeweeks om hem met een deugddoende omhelzing te verblijden. En daarbij, Ward is een jaar ouder, wat 35 jaar geleden nog haast een generatie leek, maar hem ook die avond het meeste vrijheid gaf in doen en laten.

De glazen werden bijgevuld, de kieren en reten in geheugens leeg geschraapt. Wat er in zo’n krochten en kroegen toch allemaal boven komt, na zoveel jaren. En hoe makkelijk de geheimen die al die tijd werden bewaard, nu lachend kunnen worden gedeeld.

Over het vrolijke meisje dat ze alle drie kennen, inmiddels vrouw en moeder van middelbare leeftijd, die een van hen zoenend achter het gordijn in een fuifzaal het uur dat hij thuis moest zijn uit het oog deed verliezen. Dat hij in dat verregende scoutskamp bij het wisselen van hun natte jongverkennerskleren Freds geslachtsdelen monsterde op omvang en beharing. Hoe de fles martini die iemand bij de verkenners aan de mond zette gevuld was met urine (niemand wist nog van wie) die meteen uitgeproest en rondgespetterd werd over de lachers. De coup de foudre die een meisje uit Don Bosco de jongens kon bezorgen toen ze die bril met dikke glazen voor lenzen had geruild, behalve aan Fred, die al voor haar was gevallen mét bril en die dus een voorsprong had.

Hun gemeenschappelijke vriendentijd in Haacht strekte zich van het tweede tot het zesde middelbaar uit. De misschien wel wonderlijkste jaren uit het bestaan van mensen van mannelijke kunne. Als ze verwonderd ontdekken dat de heupen van een vrouw op de maat van haar pas omhoog en omlaag kunnen wiegen. Als ze ondervinden dat ze de aanvechting er de handen eens op te plaatsen moeten leren onderdrukken. Als ze ’s anderendaags met diezelfde handen nog een boomhut bouwen in het verboden bos van de graaf. Als ze imponeren en flirten, kussen en handjes vasthouden, het beu worden en terug gaan voetballen, het uitmaken terwijl ze dat nog niet behoorlijk hebben geleerd (sommigen zullen dat nooit leren) en zich dat dan nog lang beklagen.

Hij droomt weg, in het Spaans restaurant aan de oevers van de Dijle, na een bord lekkere paella en bij een fles reserva, met een half oor luisterend hoe de vrienden converseren over kunst: het verschil tussen mensentheater en poppentheater, de geneugten van het SMAK, een cinefiele film waarvan de naam alleen hem niets zegt. Een podiumartiest met kunstenaarsbloed en een archeoloog die kunstbeurzen organiseert en naar tentoonstellingen of opgravingen reist, hoe konden ze anders dan zich ook over culturele hoogtepunten buigen.

Tot die jonge juf Frans ter sprake komt en ze het snel weer eens zijn: dat ze zich pas nu realiseren dat die onvergetelijke lerares met haar eindeloze benen, zwart lang haar en rode lippen, diep uitgesneden mouwloze truitjes en langoureuze lach allesbehalve kwansuis over hun banken kwam hangen. Hoe graag en hoe snel liet hun hart zich nog op hol slaan. Ze voelen de warmte nog gloeien.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Haacht, vriendschap en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s