Gedichtendag in Herne

Meer gestresseerd dan hij zelf zou willen, arriveert de Grijze Man een kwartier te laat in het Centrum van Herne. Centrum met hoofdletter want het is echt de naam van het dorpsplein. Misschien zijn Pajotten wel opgegroeid om de dingen gewoon te noemen zoals ze zijn, zonder al teveel tierlantijntjes, denkt de Grijze Man.

Voor het gemeentehuis zijn nog parkeerplaatsen vrij. Gelukkig is dit geen stad. Om de hoek boort de dikke toren van de Sint-Pieterskerk zich trots de zwarte hemel in. Achter het gemeentehuis staat de grote parking wel vol. Daar gloort het licht in de lokale bibliotheek Petrus Naghel.

Zou die naam dan misschien bedacht zijn door een inwijkeling, mijmert de Grijze Man als hij de bib betreedt, waar de Gedichtendag al is begonnen. Petrus Naghel, de prior van het kartuizerklooster in Herne, heeft in de veertiende eeuw voor de Middelnederlandse vertaling van de Bijbel gezorgd, de Hernse Bijbel.

De Grijze Man sluit zich aan bij de laatkomers, die moeten rechtstaan en reikhalzen om de zesdeklassers van basisschool De Bloesem een na een op het podium hun gedichtje te zien voordragen. Twee jongens schieten ongewild in de lach op het einde van De pinguïn en de papegaai van Erik van Os.

Marie-Louise Devriese, de schepen van Cultuur met een aura van een moederkloek, kondigt de eregast van de avond aan, Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz. De baas van de Grijze Man looft Herne als dat kleine dorp, diep verscholen in de heuvels van het Pajottenland, waar meer dichters tot bloei komen dan in menig Vlaamse centrumstad.

Vervolgens krijgt de burgemeester  het woord. In Kris Poelaert herkent de Grijze Man een geschikte burgervader om deze gemeente met 206 beelden, in 158 kapellen en op 31 kruisen, en minder dan zevenduizend zielen op behoedzame wijze te laten ontwaken uit grootmoeders tijd. De burgemeester ziet in het gemijmer van zijn dorpsgenoten de voedingsbodem voor zo ongewoon veel creatief gerijmel.

Afgewisseld door enkele muzikale intermezzo’s van ’t Jeugdmuziek beklimt de ene dichter na de andere het podium. Sommige met eigen werk, andere met goed ingestudeerde voordrachten van poëzie van alom zowel als minder bekende dichters.
Twee mannen in de tweede helft van hun leven durven het aan om het ellenlange meesterwerk Music Hall van Paul Van Ostaijen uit te voeren. Ze laten het pagina na pagina borrelen, rinkelen, murmelen en rammelen als een gala voor het oor.
Een vrouw speelt op een originele manier met onze taal in woorden die rijmen op iek. Op de receptie verklapt ze de Grijze Man dat ze vroeger met haar zoontje in de auto rijmspelletjes speelde. En zo schonk ze het leven aan een mooi gedicht.
Een andere vrouw had speciaal voor de minister een gedicht in het Brussels gemaakt. Helaas moest de baas van de Grijze Man nog naar Gent, waar hij in de Vooruit nog een handtekening moest gaan plaatsen op de officiële overeenkomst over de samenwerking van de Vlaamse Gemeenschap met de Noord-Franse regio Hauts-de-France.
Een man met een paardenstaart, die wellicht dorstig was geworden, verwisselt in een opwelling eens hij achter de micro staat zijn zelfgeschreven gedicht voor een korter, omdat het publiek anders nog langer zou moeten wachten op de receptie.
Een vrolijke oma zingt na het voorlezen van een versje waarin ze herinneringen ophaalt aan haar lidmaatschap van een toneelvereniging, een Duits liedje en brengt enkele danspasjes ten tonele, haar gezicht verborgen achter een oogmasker.

Ook de bezieler van de Gedichtendag in Herne ontbreekt niet op het podium. Marleen, de vrouw van Maurits Van Liedekerke, had de Grijze Man al toevertrouwd dat hij zeer geheimzinnig in de weer was geweest met zijn gelegenheidsgedicht. Ze wist slechts dat het over Donalds zou gaan, want ze had het nog niet te lezen gekregen.
Op het spreekgestoelte kreeg Maurits met zijn schotschrift In het theater van de Donalds de zaal aan het gniffelen. Luisterend naar de woorden en kijkend naar de gebaren van zijn leermeester over Trump, een eend, een keukenverkoper en een hamburgerketen, overviel een warm gevoel van weemoed de Grijze Man.

De lucht van Herne spoort aan tot mijmeren. De Grijze Man ziet voor zijn geestesoog hoe Maurits als hoofdredacteur correcties aanbrengt in de schrijfsels van zijn jongste redactielid. ‘Schrijf niet “de laatste maanden” maar wel “de jongste maanden”. En hier, die puntige zinnen over Louis Tobback: schrappen. Je loopt met een veel te groot mes rond.’
Toen voelde de Grijze Man zich in zijn wiek geschoten. Nu is hij Maurits dankbaar. Zoals al die uitstekende gelegenheidsdichters die het al een decennium lang onder zijn impuls aandurven om in hun dorp op gedichtendag een podiumkunst te beoefenen, zich kwetsbaar te maken voor hun buren en te genieten van de poëzie maar ook van de performance van hun dorpsgenoten.

Schepen Lieven Snoeks sluit de avond gepast af met het gedicht Oh, al de balzalen van mijn jeugd van Jotie T’Hooft. Het deuntje van Band of Brothers, dat ’t Jeugdorkest die avond heeft gespeeld, hangt nog in de oren van de Grijze Man als hij terug in zijn rood autootje stapt om naar huis te rijden. In het stille Centrum van Herne hangt een nostalgische geur van versgebakken frieten.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in cultuur, De Grijze Man, literatuur, vrije tijd en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Gedichtendag in Herne

  1. Karlien Van Liedekerke zegt:

    Een prachtig weergave over “de hoogdag van het gedicht” te Herne. Heb het gevoel dat ik erbij was. Knap Peter!!

    Vele groeten
    Karlien VL

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s