Naar Casamaccioli

Om twintig voor acht zijn Marianne en ik gelaarsd en gespoord om onze trektocht verder te zetten. We hebben een tiental kilometers voor de boeg. Ditmaal moeten we 507 meters stijgen, tot over de col, en daarna 811 meter dalen. Van aan de oever van de Tavignanu klimmen we weer tussen de magistrale hoge pijnbomen, met hun grillige takken. Maar aan alles komt een eind. Na een half uur vooral klimmen, zien we de bosrand. Wat later lopen we het bos uit op een plek waar we een struikveld met een ons onbekende vegetatie passeren. Op enkele vierkante decameters hangen dorre struiken bomvol webben, vermoedelijk van een spinnensoort die we door de dichte webben zelfs niet eens te zien krijgen.

Het pad slingert verder omhoog door weiden waarop paarden en koeien met hun kalfjes grazen. Hoe hoger we klimmen, hoe mooier de vergezichten zijn van de hier en daar nog besneeuwde bergtoppen die nu achter ons liggen. Aan de overkant van de vallei zien we hier en daar nog wat strookjes rivier blikkeren in haar bedding.

Als we hijgend de kam bereiken, passeren we een boerderij waar toevallig net een jeep stopt. Twee dames van middelbare leeftijd stappen uit. Ze torsen grote tassen en zware rugzakken. Ze zeggen vriendelijk goeiedag en we raken met hen even aan de praat. De twee dames vertellen met nog wat deugnieterij in hun ogen dat zij de bevoorradingstroepen van A Sega vormen. Hun tassen en rugzakken zitten vol met voeding, dranken en allerlei andere zaken die de waard van A Sega nodig heeft.

Na een laatste zwaai naar de hulptroepen van de waard in A Sega steken we de laatste honderden meters brede kam over en beginnen we aan onze lange afdaling. Een groepje Franse trekkers die we in A Sega gezien hebben, steekt ons voorbij langs een parallel pad dat over een track naar de boerderij loopt. We laten ze lopen en zwaaien eens.

Van op de top van de kam ontvouwt zich een prachtig uitzicht. We zien de hoge bergen waar de GR20 overheen slingert, het dal waarin een stuwmeer ligt en de dorpjes die diep in de vallei aan het meer liggen. We zien Calacuccia liggen achter het stuwmeer. Maar het dorp waar wij een B&B geboekt hebben, Casamaccioli, dat ook vlakbij het meer ligt, houdt zich voor ons nog verborgen achter een uitloper van het gebergte.

Ons pad passeert een grote rots waartegen een bordje staat waarop Bocca a l’Arinella ALT 1592 staat geschreven. We zijn op de top, op een hoogte van 1.592 meter. Het is tijd voor een tienuurtje. We eten een snackje en verpozen even om van de omgeving te genieten en onze dorst te lessen. Ik denk er ineens aan dat mijn jongste dochter die 4de juni jarig is en ik neem de tijd om haar te bellen en te feliciteren.

Na onze rustpauze zetten we de afdaling in. Het pad slingert in lange linten de berg af. Een koppel van ongeveer onze leeftijd komt ons klimmend tegemoet. In een haarspeldbocht van het GR-pad kruisen we het paar. Er ontspint zich met de vriendelijke Franse wandelaars een interessant gesprek over bergen, wandelen en trekken. Op trektocht met vijftigplussers, doet het een belletje rinkelen? Het Franse duo is op weg naar A Sega. Wij naar Casamaccioli, antwoorden we.

Dat dorp kunnen we van waar we staan nog altijd niet zien liggen. De Fransman, die 61 jaar oud is, vertelt dat hij de dag voordien de Monte Cinto heeft beklommen. Respect, zeg ik. Met zijn vinger wijst hij de berg aan de overkant van de vallei aan. De Monte Cinto is met zijn 2.706 meter de hoogste berg van Corsica. Het parcours van de GR20 passeert er dicht tegen de top. Heel wat wandelaars daar hebben er die omweg om naar de top te klauteren voor over.  

We babbelen een kwartiertje met het Franse koppel, dat ook houdt van trektochten, bergen, reizen en hiken, en wensen elkaar dan een goede wandeltocht toe. We dalen verder en helemaal aan de linkse oever zien we even later de eerste huizen van Casamaccioli liggen. Tot Marianne een misstap zet. Ze valt op haar slechte knie. Afdalen is al het pijnlijkste en moeilijkste voor die knie. We komen overeen om nog wat trager naar beneden te wandelen.

Het ziet er nog een lange weg uit, zucht ik, die afdaling naar het stuwmeer. Traag afdalen heeft wel het voordeel dat we meer oog hebben voor het landschap, met aan de horizon de machtige bergen van het natuurpark Parc Naturel Régional de Corse, het stuwmeer, de dorpjes die rond het stuwmeer uitgestrooid lijken met huisjes als dobbelstenen.

Af en toe spotten we een rode wouw die op de thermiek wiekt, speurend naar klein wild. De arend die we in de vallei van de Tavignanu op de thermiek zagen zweven, laat zich niet zien. Opeens loopt het pad zomaar dood op een bouwterrein, waar enkele bouwvakkers een groot stuk grond aan het nivelleren zijn en een put graven voor de funderingen of kelders van het gebouw dat er zal komen.

Wat nu? Ik vraag aan de man die zich als de werfleider voorstelt hoe we nu verder moeten met onze wandelroute op de Mare a Mare. Zijn antwoord is kort van stof: “ik ben alleen verantwoordelijk voor de bouw, niet voor de GR,” zegt hij en draait me zijn rug toe. Bij nader toezien, vinden we toch een scheef hangend bord dat onze wandelroute aanwijst, een korte rechte track van losliggend zand en puin, waarop Marianne met haar slechte knie niet verder naar beneden wil. De werfleider erkent dat die afdaling voor iemand met een slechte knie nogal onveilig is.

Gelukkig heeft hij een alternatief: er loopt ook een stoffige weg langs het meer die naar het bouwterrein leidt. Van die betonbaan komen de vrachtwagens voor het bouwterrein aan- en afgereden. Marianne checkt haar wandelapp en zegt dat we die baan met heel wat haarspeldbochten ook gewoon tot aan de dam van het stuwmeer kunnen volgen. Daarna is het naar schatting nog een kilometer of drie naar Casamaccioli.

Na een kwartiertje zijn we al beneden aan de stuwdam. De baan over de dam loopt naar Calacuccia, een dorp waar we niet moeten zijn. Het is twee uur in de namiddag als we de weg over de stuwdam verlaten en de andere richting uitstappen, naar Casamaccioli, het dorp van onze B&B, dat ook vlakbij het stuwmeer ligt. Vanaf daar ligt de weg er gelukkig vrij vlak bij. Het stuwmeer en de stuwdam dateren van 1968. Het meer bevat ongeveer 25 miljoen kubieke meter water, afkomstig van de Golorivier. Het levert elektrische energie die een groot deel van Corsica van stroom voorziet. Het water bevloeit ook de vlakten ten zuiden van Bastia.

Overal langs het stuwmeer hangen verbodsbordjes: het is er verboden te spelevaren, te zwemmen en te vissen. Jammer. De zon hamert op onze hoofden als we in de namiddag de betonbaan volgen. Hier passeren vrachtwagens en maar af en toe een auto. Onderweg maak ik een filmpje van een mestkever die een keutel over de betonbaan aan het duwen is. Een motard heeft zijn zware motorfiets langs de kant van de weg geparkeerd. Met zijn lief ligt hij op een dekzeil. De vrouw is een dutje aan het doen. De man zegt ons vriendelijk gedag.

Uiteindelijk lopen we nog sneller dan verwacht het dorp Casamaccioli in. Het zou zo’n honderd inwoners tellen. We houden halt aan een brede poort, waar een bordje aan hangt: B&B Casa Vanella, de bed&breakfast die Marianne geboekt heeft! Ze drukt op een knop aan de poort en wonder boven wonder, die schuift open, zoals Sesam in het sprookje. Verbaasd stappen we de steile toegangsweg op naar boven, onze laatste klim van de dag.

De B&B ligt helemaal boven op de helling, achter de nog lege parking en bestaat uit twee delen, een stijlvol herenhuis met daarachter een nieuwbouw in natuursteen en veel glaspartijen. Aan het herenhuis hangt een bordje met een pijl reception op geschilderd. De receptie bevindt zich in de nieuwbouw maar is helaas niet bemand. We proberen de deur eens, die tot onze verbazing opendraait. Van een salon met een boekenkast en muziekcollectie over Corsica wandelen we door een grote eetkamer, een bureau, een keuken en een voorraadkamer met koelkasten en een diepvries. In de koelkast bespeur ik een grote voorraad Corsicaanse bieren. Ik twijfel even, maar beslis dan toch maar om nog geen Pietra te ontkurken.

Langs de achterdeur, die evenmin op slot is, lopen we terug naar buiten, waar zich een geweldig groot terras voor de gasten bevindt. Aan de overkant van de vallei kijken we weer uit op de Monte Cinto en de andere bergen van het natuurpark. Aan de afspanning van een geiten- en schapenweide wappert de witte Corsicaanse vlag met het zwarte hoofd, getooid met de witte bandana.

Marianne installeert zich op een ligbed op het buitenterras, met zicht op de vallei, waar we over enkele uren een magistrale zonsondergang gaan beleven. Ze wil nog graag een uiltje knappen. Ik ga terug de heuvel af, het dorpje in, op zoek naar wat te eten of te drinken. Naast een fraai kerkgebouwtje dat geel geschilderd is, staat een losse barokke kerktoren. Hoewel de bergen van Corsica al veel langer bewoond zijn, ontstond het dorp Casamaccioli pas in de 18e eeuw. De bevolking hield zich toen bezig met het hoeden van geiten en schapen.

Wat verderop wandel ik voorbij een cafeetje. Er hangt een Guatemalteekse vlag uit, maar de kroeg ziet er gesloten uit. Aan de overkant staat een prachtig herenhuis. Een jonge vrouw is er haar auto aan het wassen. Ik vraag haar of het café gesloten is. Ze antwoordt me dat het om 17 u opengaat. Ik wandel wat verder en kom op een groot plein waar ik nog een café zie liggen. Helaas is dat café ook gesloten tot 17 u.

Tot die vaststelling komt vijf minuten later ook een Britse trekker met een reusachtige rugzak. Hij vraagt me of ik geen refuge weet in het dorp. Helaas, antwoord ik, maar er is wel een B&B. De Brit zucht diep. De jonge kerel moet nog helemaal terug de berg over naar de refuge van A Sega, waar hij blijkbaar afgesproken heeft met vrienden. Ik zeg hem dat ik en mijn vriendin er net vier uur over hebben gedaan om van daar af te dalen. Ik geef hem de raad snel terug de route omhoog op de Mare a Mare op te zoeken, want ik vrees dat hij niet voor het donker in A Sega zal geraken. De Brit mag van geluk spreken dat die route vanuit het dorp nog bewegwijzerd is. De jonge kerel vloekt hartgrondig en hijst zijn grote rugzak terug op zijn bult. Ik kijk nog wat rond of er in het dorp geen winkeltje is, maar keer dan maar terug op mijn stappen, naar onze B&B. Kort nadat ik terug op het terras van de B&B ben geraakt, rijdt de patron de oprijlaan op. Hij laat ons de mooiste kamer van zijn doening kiezen, waar we heerlijk douchen. Daarna geniet ik op het terras van een Pietra en Marianne van een Orangina, een traktatie van de praatgrage waard.

Bij het avondmaal in open lucht blijkt er aan een ander tafeltje voor twee nog een jong Frans koppel aan te sluiten. De waard concentreert zijn verhalen vooral op de twee Fransen, wat we uiteindelijk helemaal niet erg vinden. We krijgen een viergangenmenu voorgeschoteld, met een waaier van Corsicaanse charcuterie, een bord met grote gebakken witte soissons-bonen in tomatensaus, pancetta en Corsicaanse figatelliworst, een kaasplank met lokale kazen en een dessert van een halve peer in een saus van room en canistrelli’s. De zon was al even op spectaculaire wijze achter de bergen gezakt, toen voor Marianne en mij de nacht viel en we van het terras verhuisden naar ons superdeluxe bed.

 Het ontbijt op onze rustdag in Casa Vanella was super. Een buffet met fruit, kaas, fruitsappen, charcuterie en, op de valreep, verse croissants en chocoladebroodjes. Na dat festijn namen we samen een kijkje in het dorp. Deze keer waren de cafés open. Aan het eerste zat de waard al op zijn eigen terras. Is het café open?, vroeg ik. ‘Natuurlijk’, antwoordde de baas. Ik proefde er een Paolini-pint, Marianne hield het bij een Orangina. We raakten met de baas aan de praat over roofvogels. Klopt het dat we eergisteren een arend hebben gezien?, vroegen we. Ja, dat kan, antwoordde de man. Maar ze zijn nog zeldzaam. We vertelden dat we dan wellicht een steenarend hebben zien wieken op de thermiek in de vallei van de Tavignanu. Maar Corsica telt nog tal van andere roofvogels, leer ik van Google: de lammergier, de rode wouw, de buizerd, de slangenarend en de slechtvalk.

Ik heb nog een vraagje voor de cafébaas: waarom hangt er een Guatemalteekse vlag aan zijn voorgevel? O, antwoordt hij, mijn vrouw is afkomstig van daar. Dat vond hij een leuk idee. Ik antwoord dat de baas van de B&B waar wij verblijven een Corsicaanse vlag laat wapperen op zijn heuvel. Ja, ja, antwoordt de kroegbaas, ik weet het, de man is een neef van mij. Aan mijn tenen voel ik dat er wat ruis op de familieband zit. Ja, zucht de kroegbaas nog, in zo’n klein dorp als dit is bijna iedereen familie van elkaar.

Als onze drankjes op zijn, wandelen we verder het dorp in. We zien naast een eeuwenoude olijfboom lekkere kersen hangen aan de takken die over een omheining groeien. Die proeven we natuurlijk. Ook het andere café is ’s ochtends al geopend maar sluit dan weer op de middag tot 17 u. Aan de gevel hangen bordjes dat ze sandwiches verkopen, maar de twee caféklanten in de ruime zaal schamperen dat er al een lange tijd niets meer te bikken valt in hun café. We wandelen nog door wat straten waar huizen staan die tot drie verdiepingen tellen, sommige perfect onderhouden, andere verkommerend. We keren op onze stappen terug naar onze B&B, waar we nog de laatste restjes van onze inkopen in Corte opeten. ’s Namiddags lezen we lekker luierend op onze ligzetel. Wat is er meer nodig dan een warm zonnetje en een goed boek?

Rond half zeven wordt de rust aan Casa Vanella verstoord. Een groep van acht motards en hun vrouwen komt onder een brommend lawaai de heuvel opgereden en parkeert zich op de parking. De B&B zit meteen vol. Het avondmaal wordt om half acht geserveerd, maar de motards en wij wachten daar niet op om ons al te installeren aan tafel. Na de motards en hun vrouwen laten wij ons ook gevankelijk fotograferen aan de Corsicaanse vlag, met het unieke zicht achter ons op het gebergte.

Na een tijdje hebben we door dat er nog één gast op z’n eentje is ingecheckt. De eigenaar heeft vooral voor hem aandacht. Wie weet is het een neef… De baas praat en praat en praat maar, hij lijkt helemaal vergeten te zijn dat hij ook nog elf mensen een viergangenmenu moet voorschotelen. Hij blijft zo lang praten met die ene gast dat zowel de motards en hun vrouwen als wij het ervan op de zenuwen krijgen. Het is al half acht voorbij maar hij maakt geen aanstalten om het diner te serveren. De zon heeft zich intussen al achter de bergen terug getrokken. Enkele dames gaan een sweater, fleece of trui halen, het wordt nu snel koeler. Eindelijk komt na half negen het voorgerecht op tafel. De uitbater van de B&B is wat fier op het in een koek gebakken voorgerecht met prei en nog iets, een gerechtje dat zijn dochter heeft gemaakt, met een lekker slaatje erbij. Vervolgens krijgen we penne met ragout van everzwijn, wat niet de eerste keer is tijdens ons verblijf in Corsica. Als we dat achter de kiezen hebben, kruipen we ons bed in. Morgen wacht ons een zware dag stappen, van Casamaccioli naar de Col de Verghio, waar we een stuk van de GR20 gaan proeven.

Dit bericht werd geplaatst in Corsica, natuur, reizen, Uncategorized, vrije tijd en getagd met , , , , , . Maak de permalink favoriet.

3 Responses to Naar Casamaccioli

  1. Onbekend's avatar Anoniem schreef:

    Om van te snoepen …..

    Like

  2. Onbekend's avatar Anoniem schreef:

    zalig genieten van je reisverslag … mooi .!

    Like

Geef een reactie op Anoniem Reactie annuleren