Roadtrip van Haacht naar Zuid-Spanje en terug (9)

Onderweg naar het noordelijk gelegen Albarracín genieten we van de wouwen en gieren die hoog boven de snelweg op de thermiek wieken. Het stadje is tegen een bergflank van 1.182 meter gebouwd. Moorse omwallingen en een Alcázar, een moorse burcht, domineren er het uitzicht, al staan er vanzelfsprekend ook katholieke kerken, zelfs een kathedraal.

Volgens Wikipedia is Albarracín geen stad, maar een gemeente in de Spaanse provincie Teruel in de regio Aragón. Het telt op een oppervlakte van 452 km² rond de duizend inwoners. In Albarracín is het moeilijk om horizontale wegen te vinden. De smalle straatjes lopen omhoog ofwel omlaag. Marianne heeft er een kamer met ontbijt gereserveerd in de Parada del Carmen.

Voorzichtig wagen we ons in het doolhof van steile steegjes. Albarracín is rijk aan prachtige gevels daterend uit de middeleeuwen of renaissance. Het kleine stadje behoort in tegenstelling tot de steden Baeza en Segovia nochtans niet tot het werelderfgoed van Unesco. Maar ’s anderendaags in het toerismebureau vernemen we wel dat het bij de gemeenten hoort die voor een erkenning genomineerd zijn. Als sinds 1961 is Albarracín een Nationaal Monument, dat wordt beschouwd als een van de best bewaarde middeleeuwse dorpen van Spanje.

We kijken uit naar een restaurant waar we kunnen dineren, maar die lijken wel allemaal gesloten. Aangezien onze slaapplaats vlakbij het hoogste deel van de moorse omwalling ligt, verkennen we eerst dit deel van het stadje. Uiteindelijk dalen we steeds verder af, tot we diep verscholen in de vallei de rivier Guadalaviar bereiken, die langs een klooster stroomt.

Wat verderop zien we eindelijk iets dat op een eetgelegenheid lijkt. Het blijkt een tapasbar te zijn. Op de uurregeling zien we dat die pas over ruim een half uur opengaat. Uit de keuken van het restaurant komt er een jonge vrouw aan. We zwaaien eens. Ze opent de deur en zegt dat ze eigenlijk pas over een half uur opengaat. Maar omdat het buiten zo koud is, mogen we al binnen komen zitten. We bestellen een glas Ribera del Duero en krijgen er enkele tapa’s bij die van de middagshift zijn blijven liggen. Een kwartiertje later komen er nog twee keukenhulpen aan, die meteen in de keuken aan de slag gaan. Schoorvoetend kloppen nu ook andere hongerige toeristen aan. Vooraleer het restaurant officieel opengaat, zit het al meer dan half vol.

We bestellen nog een rode wijn en wat tapa’s, die worden geserveerd door een mannelijke collega. Hij spreekt ons in het Engels aan en vraagt van welk land we zijn. Als hij België hoort, siert een grote lach zijn gelaat. Hij vertelt dat hij getrouwd is met een Vlaamse vrouw, afkomstig uit Duffel. Zelfs in een wondermooi dorpje als Alberracín blijkt de wereld klein te zijn.

Voor alle zekerheid passeren we de volgende ochtend eens bij de bakker, waar we wat koffiekoeken inslaan voor de volgende dagen, en reserveren we aan een restaurant waarvan de deur openstaat alvast ons avondmaal. We hebben onze bergschoenen nog eens aangetrokken om een mooie wandeling in de natuur rond Albarracín te maken. Het natuurpark waarin we ons bevinden is eeuwenoud. Het herbergt talrijke prehistorische afbeeldingen op de rotswanden. Helaas zijn sommige tekeningen onherkenbaar geworden.

Het park heeft nog andere troeven. Het telt tal van rotsen die zeer geschikt zijn om te boulderen. Eigenlijk is het verboden om er die sport te beoefenen. Toch zien we op verschillende plaatsen klimmers deze dynamische klimsport beoefenen, waarbij ze op lage wanden, tot een meter of vier hoog, korte routes beklimmen zonder touwen of gordel.

We zien in de late namiddag de zon zakken en dalen terug langzaam af van de bergen naar de Rio Guadalaviar. Bij de daling heb ik vooral oog voor het spektakel van vijftien vale gieren die op de thermiek boven Albarracín zweven. Het is eens wat anders dan het gerampetamp van het jong koppel dat de kamer boven onze kamer heeft betrokken. ’s Avonds lopen we de vrouw en de man in kwestie op het lijf in het restaurant. Ze bezetten in de gelagzaal een tafeltje vlakbij, al gaan ze, wellicht uit schaamte, achter de wand zitten die ons scheidt.

Dit bericht werd geplaatst in cultuur, geschiedenis, natuur, reizen, Spanje, vrije tijd, wandelen en getagd met , , , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie