Roadtrip van Haacht naar Zuid-Spanje en terug (2)

Op 2 januari vertrokken we om half tien uit Figeac en reden we naar het zuidelijker gelegen bedevaartsoord Lourdes. Tja, als kind leerden we allebei in onze katholieke lagere school wel over Bernadette Soubirous, het meisje dat visioenen zag van moeder Maria en een hele mirakelkermis begon.

Van in mijn kleutertijd herinner ik me dat mijn meter in haar slaapkamer op haar nachttafel een flesje had staan waarin wijwater zat. Dat flesje, vertelde ze devoot, had ze ooit meegebracht uit Lourdes. Het flesje zag er helemaal niet uit als een flesje. Het had het postuur van moeder Maria, de Heilige Maagd. Mijn meter hield me met geheven wijsvinger voor om zeker niet te drinken van dat heilig water.

Voor ons begon de reis naar Lourdes niet zo voorspoedig als we hadden gehoopt. Onderweg liepen we al snel vertraging op wegens een zwaar verkeersongeval. Toen de weg terug vrijgemaakt was, vergaten we nog een weesgegroetje te prevelen om Maria te bedanken.

Eens in Lourdes is het bijkans onmogelijk je te onttrekken aan de Mariakermis. Het was nochtans bar koud buiten, maar dat weerhield er de bedevaarders uit alle hoeken van de wereld niet van om naar de religieuze markt te stromen. Overal liepen bedevaarders en religieuzen, mensen met een handicap, kinderen en bejaarden naar de drie basilieken, naar de bidplaatsen op de banken aan de grot, naar altaren en crypten. Vooral de plek waar voortdurend weesgegroetjes worden gepreveld is populair.

Daar laait de hoop op voor gelovigen met en zonder krukken, voor blinden met een stok en blinden met een begeleider, en voor allerlei rolstoelgebruikers. Wie weet zullen ze wel een mirakel beleven. Natuurlijk konden ook wij niet wegblijven aan de grot, een kijkje nemen in de basiliek en de crypten.

Op de grote religieuze markt passeren ook de meeste bedevaarders, zelfs wij. Je vindt er kaarsen in alle formaten, Moeder Maria’s van piepklein tot levensgroot en andere producten van het commerciële katholicisme, evenwel zonder tollenaars in de buurt. De handelaars in religieuze producten en parafernalia afficheren zelfs hun magistrale talenkennis. In een van de grote religieuze winkels hangen bordjes boven de koopwaren in een tiental talen, waarop we lezen dat de Nederlanders Hollands spreken en de Vlamingen Vlaams.

Doorheen de stad wemelt het van restaurants, om al die internationale magen te vullen. We stellen vast dat er heel veel gelovigen rondstruinen uit verre landen, waar het katholicisme nog een godsdienst die veel gelovigen telt. Misschien daarom dat Lourdes zoveel restaurants telt als er nationaliteiten onder de bedevaarders zijn, die allemaal op zeker ogenblik hun voeten onder tafel willen schuiven.

Aan eten geen tekort dus. Een doordeweeks café daarentegen, is moeilijker te vinden. Dichtbij de basiliek stuiten we op een café dat de naam “Brouwershof” draagt. Helaas, het is gesloten. Maar dr Google vindt natuurlijk alles. Hij brengt ons naar een cafeetje dat er van buitenaf gewoon gezellig uitziet, de Bar PTT. Eens we in het kleine, ijskoude kroegje gezeten zijn, overvalt ons de slonzige armoedigheid waarin we ondergedompeld worden. De cafébazin heeft zich in vele kledinglagen gewapend tegen de kou. Hoewel pannenkoeken, wafels en warme dranken als koffie, thee en warme chocolademelk op de kaart staan, zijn er alleen koude dranken verkrijgbaar. Ik bestel dan maar een blonde Grimbergen, een Vlaams patersbier waarmee ik wat in de religieuze sfeer blijf.

Handenwringend van de kou in de Bar vinden we dat we Lourdes verder wel voor bekeken kunnen houden. Tot we aan twee ouderwetse musea passeren, die – wat dacht je – om de heilig verklaarde Bernadette Soubirous draaien, het meisje van de visioenen waarmee alles in deze stad begon. We lopen er even binnen en lezen verbaasd de antieke bordjes waarop het verhaal van de heilige Bernadette wordt verteld. De uitleg op de afgeleefde bordjes kon zomaar uit de jaren vijftig stammen.

Maar intussen slaan onze magen aan het rammelen. Gelukkig waren we zo wijs geweest om onderweg nog wat mondvoorraad in te slaan in een Lidl. Daarna was het tijd voor een sanitaire stop. Ook in de vele katholieke WC’s rond de basilieken stinkt de urine.

We stappen terug in de auto en rijden langs de Pyreneeën om de wegenis over de besneeuwde bergen te vermijden. Het uitzicht op de bergen in de sneeuw is wel mooi. We rijden nu gezwind naar Pontacq, een dorp waar Marianne een chambre d’hôtes heeft gereserveerd. De vriendelijke uitbaatster is 87 jaar oud. Koken doet ze niet meer, maar voor ons avondmaal laat ze ons de keuze tussen een restaurant of een afhaal-pizzeria een halve kilometer verder in het dorp.

Onze hospita woont in een huis dat deels dateert van de 16de eeuw en deels van de 14de eeuw. De slaapkamer die ze ons toewees, was ongezond warm gestookt. Marianne zette de verwarming al snel terug op uit. Na een lekker ontbijt praatten we nog lang over de Franse politiek met onze gastvrouw, die ooit directrice was geweest in een middelbare school in een voorstad van Parijs. Ze vertelde hoe ze geleidelijk aan de voorsteden van de hoofdstad zag verkleuren. Na haar pensionering koos ze ervoor om haar oude dag in Pontacq door te brengen, gelegen tussen Pau en Lourdes. Dan wordt het tijd om te vertrekken. We zwaaien nog eens en rijden naar Guéthary, aan de Atlantische Oceaan.

Dit bericht werd geplaatst in cultuur, Frankrijk, reizen, Spanje, Uncategorized, vriendschap, vrije tijd, wandelen en getagd met , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie