Redelijk stinkend bezweet en verregaand vermoeid bellen we aan bij de Chambres d’Hôtes Vert Bocage in Maroilles. Een Franse vrouw van middelbare leeftijd opent de deur. Marie-France Vilbas, zo heet onze gastvrouw, lees ik op de naamkaartjes die we later die avond zullen meenemen. Marie-France is een rot in het vak. Ze baat al meer dan twintig jaar de tot Chambres d’Hôtes verbouwde hoeve uit.
Gelukkig trekt ze geen neus op voor de stinkerds die ze nu moet ontvangen. Ze had ons al verwacht, zegt ze. Zet jullie stokken maar in het rek, zegt ze nog. Die stokken moeten daar tijdens ons verblijf blijven staan. We vertellen over onze lange wandeling van Maubeuge langs de Samber tot aan haar Chambres d’Hôtes. De vele kronkelingen van de Samber hebben onze tocht langer gemaakt dan verwacht, zegt mijn broer. We hebben dik meer dan 30 kilometers gestapt.
Hebben jullie geen dorst?, vraagt ze. Natuurlijk wel, denken we, ons water is trouwens zo goed als op en onze tongen smaken naar karton. Hebt u misschien een pintje in huis, vraagt mijn broer. O jawel, antwoordt de vrouw, en ze komt met twee ijskoude pilsjes aandraven en twee halve literflesjes water. Ze is ’s anderendaags zo vriendelijk om die pintjes niet op de rekening te zetten.
In Vert Bocage wordt er geen avondmaal geserveerd. Maar onze gastvrouw raadt ons wel een zeer goed pizza-restaurant aan. Het is maar een kleine kilometer lopen. We kunnen Pizzeria Gio niet missen, het is een van de eerste neringen die we in het dorpscentrum tegenkomen. Er zijn volgens mevrouw Vilbas nog tal van andere restaurants en cafés in het dorp. De bakker bevindt zich vijftig meter verder langs de overkant van de straat, gaat ze verder. Daar kunnen jullie dan morgenochtend een lunchpakketje kopen.


We moeten volgens Marie-France zeker ook de kerk bezoeken, de watermolen en de abdij, waar nog altijd renovatiewerken plaatsvinden. Na onze douche trekken we propere kleren aan en wandelen we nog een kilometertje verder naar de dorpskom. Van ver zien we het terras van pizzeria Gio al liggen. Er zit een jong koppel te eten. Ze drinken Duvel. U leest het goed: ze drinken Duvel. We zwaaien het koppel toe met een vriendelijke goeiedag. En ja hoor, de man antwoordt ons in het Nederlands. Maar we gaan eerst een kijkje nemen in de kerk.
Maroilles blijkt een dorp met een geweldig oude geschiedenis te zijn. De voormalige abdij van Maroilles was een klooster van benedictijner monniken, gesticht halverwege de zevende eeuw. De abdij werd tijdens de Franse Revolutie geplunderd en helaas deels verwoest. De watermolen en de tiendenschuur bleven wel overeind. Die laatste werd fraai gerenoveerd tot toeristisch centrum, dat al gesloten is als wij er passeren.
Dus lopen we even de Saint-Humbertkerk binnen. Voor de kerk ligt er al een Sint-Jacobsschelp in de plavuizen van het kerkplein. In de kerk hangen er raadgevingen voor de pelgrims op: waar ze kunnen overnachten, wie ze daarvoor kunnen bellen en wanneer. Informatie die wij natuurlijk niet meer nodig hebben.
In de kerk staat een maquette van de abdij in haar gloriejaren. We stuiten er op nog andere merkwaardige dingen. In de rechter zijbeuk staat een gouden schrijn waarin we achter een glazen raampje een schedel ontwaren. U raadt het: die van de Heilige Saint-Humbert, de heilig verklaarde abt. In de linkerzijbeuk staat een grappig beeld van een priester in zijn misgewaad. Ik vertaal even het bordje dat onder zijn sokkel hangt: ‘laat een parochie tien jaar zonder priester en men zal er de beesten vereren’, wat een gezegde was van pastoor d’Ars. Bij het buitengaan port de parochie de kerkbezoekers nog aan om mee te doen aan een inzamelingsactie voor de missies. Op een bordje staat een bril getekend, met de boodschap: ‘hier kan u uw oude bril brengen voor de missies. Merçi.’


We hebben honger gekregen, dus keren we weer naar de pizzeria. Het jonge koppel zit er nog. Ze zwaaien eens naar ons, of zijn het de wespen die rond hun pizza zoemen waar ze vanaf proberen te geraken? We zetten ons neer naast hun tafeltje en kiezen een pizza uit het menu. Ik kies een vierkazenpizza. Eén van de kazen is een kaas waar ik nog nooit van heb gehoord: een Maroilles.
De gemeente Maroilles blijkt in het noorden van Frankrijk welbekend om zijn Maroilles-kaas, een AOP-kaas (Appellation d’Origine Protégée) die een eeuw geleden door de monniken van de abdij werd gecreëerd. De zachte kaas heeft een gewassen korst en is gemaakt van koemelk. Op de pizza smaakt hij heerlijk romig en melkachtig. De abt liet overigens niet alleen zijn kaas en zijn schedel na, maar je vindt zijn naam ook terug op de flesjes witbier van de ambachtelijke brouwerij van Saint-Humbert.
Sociaal als we zijn, geraken we aan de praat met de twee Duvel drinkende Vlamingen naast ons. Het verbaast me eerlijk gezegd dat de jonge vrouw ook aan de Duvel zit. Op de drankenkaart van Gio wemelt het van Vlaamse bieren. Nu ik dit schrijf heb ik spijt dat ik van die bierkaart geen foto heb gemaakt. Los uit mijn geheugen herinner ik me dat ongeveer alle trappistenbieren erop vermeld waren, en zeker ook Karmeliet, Cornet en Paix Dieu.
Kris en Jaen, onze Vlaamse buren op het terras, zijn al een tijdje samen, vertellen ze. Kris was vooraleer hij met Jaen een koppel vormde godsdienstleerkracht in Ronse. Jaen is van Turkse origine. Ze leerde Kris kennen tijdens een Erasmusstage in Gent, waar ze een opleiding tolken volgde. Jaen spreekt vlekkeloos Nederlands. De twee werden verliefd op elkaar en nu hebben ze trouwplannen. Ze verhuisden van Ronse en Gent naar Leuze, een dorp in de buurt van Maroilles, waar ze een huis hebben gekocht dat ze aan het renoveren zijn.
Kris stelt ons een vraag die we niet hadden verwacht: zijn jullie gelovig? Tja, dat is relatief, antwoord ik terwijl ik mijn broer aankijk. Wij zijn allebei in een katholiek gezin opgegroeid. We zijn zelfs lang misdienaar geweest. Maar echt gelovig, neen, ik denk niet dat wij dat nog zijn. En jullie, kaats ik de bal terug. Wij zijn wel gelovig, zegt Kris. Om dat te staven zegt hij dat hij heel de bijbel heeft gelezen. En Jaen is nu ook het heilig boek beginnen lezen. Zij is inderdaad in Gent tot het katholiek geloof bekeerd. Ze hebben intussen al een tijdje hun pizza achter de kiezen en nemen afscheid.
Bart en ik lopen nog wat rond in het dorp, op zoek naar een cafeetje om nog een pint te drinken. Maar alle restaurants en cafés zijn al dicht, of staan op sluiten. Alleen op het terras van de cafetaria aan de abdij is er nog leven: aan drie tafeltjes zitten er nog klanten. Ook op die kaart staan tal van Belgische bieren. Bart bestelt nog een Duvel maar dan zie ik dat er ook Paix Dieu van het vat op de kaart staat. Ik kan hem nog net van de Duvel redden. En gelukkig maar, want de Paix Dieu bestaat in drie inhoudsmaten, 25 cl, 33 cl en 50 cl. Bart komt terug met twee Paix Dieus. Ik denk dat het mooie engeltje dat er de bar deed, erover heeft gewaakt dat onze bestelling dichter bij de halve liter lag dan bij de 33 cl.


Als ons bierglas leeg is, wandelen we terug naar de Vert Bocage. Nu we in de andere richting stappen, merken we onderweg een koffiehuis op. Het is natuurlijk ook al gesloten, maar de naam doet ons glimlachen: Chez Georgette. Moest onze moeder mee op tocht naar Compostella geweest zijn, dan zou ze voor ons wel opengedaan hebben, zegt ze, voor tv gezeten in haar zetel.