De cadet (2)

In zijn boek over de Mercator publiceert Gust Vandegoor een “Pleidooi door commandant Van de Sande voor de keuze van een maritieme loopbaan”, dat dateert van 1955. Het bevat tal van gegevens over de toenmalige opleiding tot officier ter lange omvaart. Vermoedelijk was dat in grote lijnen ook de informatie die de Zeevaartschool aan Roger stuurde in antwoord op zijn brief.

Zo zal de Zeevaartschool ongetwijfeld hebben vermeld dat wie zeeofficier wil worden, moet slagen in een “toelatingsproef” die plaatsvindt in de tweede helft van september. Daar moeten de kandidaten examens wiskunde, natuurkunde, aardrijkskunde, Nederlands en Frans afleggen, gebaseerd op de leerstof van het laatste jaar Grieks-Latijnse humaniora.
De kandidaten moeten ook een uitstekende gezondheid hebben en bedeeld zijn met scherpe ogen die niet kleurenblind mogen zijn. Wie slaagt, mag begin oktober aanmonsteren op de Mercator. Daar leren de cadetten ontzaglijk veel namen van de zeilen, masten, knopen, touwen, instrumenten… op een barkentijn en hoe zo’n driemaster in een samenspel met een hulpmotor wordt bestuurd en wie waarvoor wanneer verantwoordelijk is. Ze geraken er gewend aan het leven aan boord, met zijn verplichtingen, taken, klussen, vrije momenten en de voortdurende rol van de wachtbeurten, terwijl het schip slechts aan de kade in het dok ligt. In de haven krijgen ze ook praktisch onderricht in roeien en zeilen met kleine boten. Ergens in december volgt dan het hoogtepunt van het eerste studiejaar, een zeereis van vier maanden met het schoolschip. Ik stel me voor hoe mijn vader al wegdroomt als hij alleen nog maar leest wat een avontuur hem enkele maanden later zou kunnen wachten.

Hoeveel de opleiding juist kost, verklapt Van de Sande in zijn pleidooi niet en noteert Roger ook niet in zijn boekje. De commandant zegt alleen dat er een normaal kostgeld wordt gevraagd voor de maaltijden en het verblijf aan boord van het schoolschip. Behalve voor de niet-Belgen, heet het onderwijs zelfs kosteloos te zijn. Maar de uitgaven voor de uitzet en de uniformen zijn wel ten laste van de cadet. Dat kostgeld en de uitzet moeten toch erg hoog geweest zijn, want volgens de woorden van commandant Van de Sande “worden door de Staat studiebeurzen toegekend aan leerlingen van minder kapitaalkrachtige ouders, en eveneens een tussenkomst voor het aankopen van hun uitrusting, op voorwaarde dat op het gedrag en de vlijt van deze cadetten niets aan te merken valt.”
Wellicht bevatte de brief van de Zeevaartschool tenslotte de garantie op werkzekerheid die een met succes afgeronde opleiding halverwege de jaren vijftig bood. In het boek van Vandegoor verwoordt commandant Van de Sande dit als volgt: “Vrees niet dat u na het behalen van uw diploma of brevet, thuis zult moeten wachten tot er een plaats vrij komt. Hoegenaamd niet!”   

Op 24 januari schrijft Roger voor het eerst in zijn boekje dat hij naar de zwemkom gaat. Ik vermoed dat de leerling-officieren ook moeten kunnen zwemmen vooraleer ze met het schoolschip het ruime sop mogen kiezen. Dat is een les die de Zeevaartschool heeft geleerd na het drama met een ouder schoolschip, de driemaster Comte de Smet de Naeyer. Op dat schip voeren de verse cadetten meteen de haven uit om op zee te worden opgeleid. Maar onderweg naar Zuid-Afrika verging de Comte de Smet de Naeyer op 19 april 1906 op 300 mijl van de Franse kust in de bij zeelui beruchte Golf van Gascogne. Er kwamen 33 opvarenden om, onder wie 18 cadetten.  
Roger trok met zijn zwembroek en handdoek naar het eerste overdekte zwembad in Brugge, het fraaie Jan Guilinibad, vlakbij de Ezelspoort. Als kind ben ik ook nog in dat 25 meter-bad gaan zwemmen met mijn moeder en mijn grootouders. Het bad, geopend in 1930, heeft een mooi interieur in art deco en bestaat nog altijd. Pas na de tweede wereldoorlog kreeg het zijn huidige naam, naar een gewezen Belgisch zwemkampioen en verzetsheld. Jan Guilini hielp bij de redding van vijf Engelse vliegeniers die voor de kust van Blankenberge in zee waren gestort. Korte tijd later werd hij gearresteerd en op 22 mei 1944 terechtgesteld. Begin vorig jaar kwam het zwembad nog eens in het nieuws omdat het zich wil toeleggen op wellnessfaciliteiten.

Jan Guilinibad, foto Stefaan Debreuck

Op die januaridag heeft Roger voor zijn eerste zwembeurt zijn trouwe schoolvriend André D’Hoore opgetrommeld. Het zou lange tijd bij dat ene bezoek aan het zwembad blijven. Misschien was het wel een ontgoochelende belevenis, want ik denk dat geen van de twee vrienden al kon zwemmen. Maar dat Roger voor het eerst in zijn boekje schreef dat hij gaat zwemmen, doet me wel besluiten dat er in de Poelweg een knoop is doorgehakt: hij mag van zijn ouders proberen binnen te geraken in de Zeevaartschool. De voorwaarde die hij zal moeten vervullen als hij slaagt in de ingangsproef, zal hij geen enkele keer expliciet opschrijven. Maar toch wordt die in de maanden die volgen vóór het examen, klaar als het water uit de pomp in de keuken.

Het is vrijwel zeker dat de Zeevaartschool in de Poelweg vanaf januari 1956 een regelmatig terugkerend gespreksonderwerp is geworden. Begin februari schrijft Roger bijvoorbeeld een brief naar de Belgische Redersvereniging. Daarin polst hij naar de lonen van de zeeofficieren. Ik kan me de discussie met zijn ouders aan tafel levendig voorstellen: “zo’n peperdure opleiding en je weet niet eens hoeveel zo’n zeeofficier verdient.” Vijf dagen later krijgt de aspirant-cadet van de vereniging al de loonschema’s toegestuurd.

Pas begin mei neemt hij de draad van zijn zwemopleiding terug op. Hij neemt twee zwemlessen, die hem twintig frank kosten. Twee lessen vindt hij blijkbaar genoeg om te weten hoe je je in het water moet bewegen om niet te verdrinken. Dat hij diezelfde week op eigen kracht nog twee keer gaat oefenen in het Guilinibad, illustreert zijn vastberadenheid. Op 18 mei noteert hij juichend: vandaag voor de eerste maal gezwommen zonder band en het gaat!!

Vanaf dan tot de zomervakantie aanbreekt en hij weer als garçon aan de slag gaat aan de kust, trekt hij twee keer per week naar de zwemkom. Hij wil duidelijk conditioneel paraat zijn als zwemmer en ik begrijp hem. Toen ik na mijn studies voor een legerdienst als paracommando koos, waar je vooraf een medische keuring moest ondergaan en in fysieke toelatingsproeven moest slagen, oefende ik ook vooraf al met lopen, sit-ups, pompen en optrekjes aan de schommel in de tuin. In de eerste week van mijn opleiding tot paracommando in Wartet behaalde ik bij de Militaire Test voor Lichamelijke Geschiktheid 99/100. Zo maak je een statement bij de andere kandidaat-para’s en het kader. Er was één proef waar ik enkele seconden te kort kwam om het maximum te halen: zwemmen. Daar had ik niet op getraind.

Dit bericht werd geplaatst in familie, geschiedenis, uit de boekjes van mijn vader en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s