Geen piloot

Zolang ik mijn vader heb gekend, schreef hij elke avond de gebeurtenissen van de dag op in een boekje. Wat hij schreef, bleef duizenden dagen een groot geheim. Tot zijn overlijden in 1998 heeft hij zo tientallen boekjes vol gepend, van die kleine jaaragenda’s uit de tijd dat er nog geen smartphones bestonden.

Die boekskes, zoals we als kind die agenda’s leerden te benoemen, hebben sinds mijn vaders dood in een stalen koffer gerust in de slaapkamer van mijn ouders in ons ouderlijk huis. Nu is de koffer mee verhuisd naar het appartement waar mijn moeder woont. Na verschillende keren vragen, niet te vaak en niet te gretig, en gespreid over meerdere jaren om haar niet te froisseren, heeft ze me eindelijk inzage verleend. In de twee eerste boekjes, van 1955 en 1956. Al sinds ik blog op deze pagina’s, speel ik immers met het idee om met die boekjes van papa ooit iets te doen.

het eerste boekje, 1955

Het eerste boekje heeft een versleten bordeauxrood lederen kaftje. Zo’n agenda van de jaren vijftig is op zich al een curiosum. Op de pagina’s van de binnenomslag staan de toenmalige verkeersborden afgedrukt, met lekker ouderwetse tekeningen in het bord. Er is op de volgende pagina’s veel ruimte vrijgemaakt voor tal van persoonsgegevens die de eigenaar kan invullen. Vandaag doen die de wenkbrauwen fronsen: je kan er de afmetingen van de banden van je auto of moto invullen, de maat van je handschoenen, schoenen, boord (“col” in het Frans) en hoed. Onder die toenmalige essentialia kan de eigenaar van de agenda invullen op welk adres men moet verwittigd worden als hij of zij een ongeval is overkomen. Mijn toekomstige vader heeft die plaats leeg gelaten.

Bij de pagina’s met ruimte voor adressen heeft hij wel verschillende namen ingevuld die mij niets zeggen, op die van André na, de vriend waarmee hij studeerde aan het Sint-Leocollege in Brugge. Ik ken hem omdat mijn vader met die inmiddels ook overleden vriend en zijn gezin heel zijn leven lang contact heeft gehouden. Het was altijd prettig om met die familie met vijf kinderen samen te komen en kattenkwaad uit te steken.

Uit de eerste summiere schrijfsels in het boekje leid ik af dat mijn vader in 1955 in het laatste jaar van zijn secundair onderwijs aan Sint-Leo zat. Hij woonde nog bij zijn ouders in de Poelweg in Sint-Pieters Brugge.

Op de tweede pagina voor adressen staan nog enkele andere namen waarbij telkens een nummer met vijf cijfers staat vermeld. Ik neem aan dat het om telefoonnummers gaat. Het moge duidelijk zijn dat de meeste gewone mensen thuis toen nog geen telefoon hadden. Ook bij mijn vader thuis was er geen telefoon. Als hij wilde telefoneren, ging hij naar kennissen die wel zo’n toestel in huis hadden.

Bovenaan het lijstje van contactpersonen met een nummer staat de Koninklijke Villa. Die ken ik uit zijn oudste fotoalbums. Het was het restaurant in het Knokse Zwin waar mijn vader vooraleer hij ging varen, elke schoolvakantie als kelner werkte. In zijn agenda hield hij dagelijks bij hoeveel fooi hij daar opstreek, naast zijn gewoon loon.

Die villa werd in 1934 gebouwd door koning Leopold III, die er vaak kwam verpozen met zijn geliefde koningin Astrid, tot zij een jaar later in het Zwitserse Küssnacht bij een verkeersongeval het leven liet. In 1952 maakte graaf Léon Lippens van het Zwin het eerste natuurreservaat van België. In de Koninklijke Villa bracht hij een restaurant onder, met daarrond een hele resem kooien voor een keur van bewonderenswaardige vogels.

Volgens De Standaard van 18 april 2009 was dat in de jaren vijftig een revolutionair concept. De bezoekers van het Zwin konden een exquis hapje eten in het restaurant en daarna wat kuieren tussen de kooien, waar de vogels zich gevankelijker lieten spotten dan op het strand, vooraleer ze zich verder gingen vermeien in de duinen en pannen van het grote vogelreservaat. Bij de vernieuwing van het Zwin in 2009 werd de Koninklijke Villa afgebroken.

Na de contactpersonen bevat het boekje nog talrijke pagina’s met de heiligen- en maankalender, maten en gewichten, zelfs de Engelse, summiere tips voor eerste hulp bij brandwonden, armbreuken, beenbreuken, bewusteloosheid en verdrinking, een overzicht van de feestdagen tot 1964, tijdstabellen voor andere tijdzones, autokenletters van Europese landen, kleurenkaartjes en stadsplannen van Antwerpen, Brussel en Luik. Met als uitsmijter een maattabel voor het gewicht van mannen, vrouwen en kinderen, op basis van hun lengte. Daarin kon mijn vader aflezen dat hij voor zijn lengte van 1 meter 72 tussen de 68 en de 73 kilogram mocht wegen. “Het gewicht van een volwassene”, zo staat er geschreven, “moet ongeveer met het getal in cm. boven 1 m. voor de mannen en 1,03 m. voor de vrouwen overeenkomen.”

Maar de grootste verrassing vernam ik op het einde van het inleidende gedeelte van de agenda, op de bladzijde waar nota’s kunnen worden toegevoegd. Mijn vader had daar erg beknopt wat gegevens opgeschreven over pilotenopleidingen: voor zweefvliegen moest je in St-Hubert zijn en de opleiding van piloot bij Sabena gebeurde in Grimbergen. Toen ik mijn moeder verbaasd vroeg of papa dan piloot had willen worden in plaats van zeeman, antwoordde ze: “ja, hij wel. Maar de Zeevaartschool moest hij al zelf betalen, piloot worden was bij hem thuis dus helemaal onbespreekbaar en onbetaalbaar.”     

Dit bericht werd geplaatst in familie, geschiedenis en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Geen piloot

  1. Anoniem zegt:

    Toffe lectuur! Nu maak je ons allen heel nieuwsgierig …
    Katrien

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s