Op veldtocht tegen de slavenhandel

Naast het sedert de onthanding historisch zeer betekenisvol geworden beeldhouwwerk van de gebroeders Courtens aan de Drie Gapers in Oostende, bevindt zich nog een merkwaardige bronzen plaquette. Ze bewijst eer aan Aristide Doorme, een in 1905 overleden officier, omschreven als de “Held der veldtochten tegen de Arabieren en de Batetelas”.

Van die veldtochten hebt u wellicht nog nooit gehoord, nietwaar? Wel, het zijn militaire campagnes die Leopold II in de Afrikaanse jungle liet ondernemen tegen Arabische slavenhandelaars. Het was één van de drie beloften van Leopold II die David Van Reybrouck aanhaalt in zijn onvolprezen meesterwerk Congo, een geschiedenis, op grond waarvan onze baardigste vorst in 1885 Congo als privéterrein verwierf.

Aan België beloofde de koning nooit geld te vragen voor zijn persoonlijk project in Afrika. En aan de Conferentie van Berlijn beloofde hij twee dingen: in Congo de vrijhandel te respecteren en de slavenhandel te bestrijden. Zo’n vijf jaar later, toen de vorst quasi bankroet was door de investeringen die hij in de infrastructuur van zijn Vrijstaat Congo had moeten laten uitvoeren, verbrak hij twee van die beloften.

Hij smeekte België om geld en dwarsboomde de vrijhandel waar hij maar kon. Dat laatste deed hij door alle Congolese grond die niet verbouwd of bewoond werd eigendom van de Vrijstaat te noemen, inclusief de ondergrond en de dieren en planten erin, erop of erboven, die soms lucratieve handelswaar opleverden, neem nu koper, ivoor of rubber. Die nationalisatie betrof zo’n 99% van het grondgebied. ‘Een pygmee die een olifant schoot en de slagtanden verkocht, voorzag niet langer op legitieme wijze in zijn onderhoud, maar beroofde de staat’, schrijft Van Reybrouck.

Aan de belofte om de slavenhandel te bestrijden, hield Leopold II zich wel. Volgens Van Reybrouck verschafte die hem een ideale dekmantel voor zijn expansiedrift. De krijgsverrichtingen tegen de slavenhandelaars concentreerden zich in Katanga, Oost-Congo en Zuid-Soedan. Eerst werd Katanga, het rijk van zo’n slavenhandelaar, vrij makkelijk veroverd. Leopold liet daar haast mee maken omdat hij wist dat de Brit Cecil Rhodes vanuit Zuid-Afrika ook zijn oog op Katanga had laten vallen, met de bedoeling om de Engelse koloniale bezittingen in Afrika aaneen te rijgen van de Kaap tot Kaïro.

De strijd om de andere gebieden was geen wandeling in Leopolds park. Zeker die om Zuid-Soedan. Leopold was betoverd door de Nijl, na zijn huwelijksreis naar Caïro in 1855. Als hij Zuid-Soedan zou kunnen veroveren, bedacht hij, zou hij de bovenloop van de Nijl controleren. Een regio die rijk aan ivoor heette te zijn. Leopold zette enkele expedities op touw, geleid door Belgische officieren, onder wie de Oostendse held Aristide.

Een leger van zwarte miliciens

Al die expedities mislukten. Dat kwam vooral omdat de soldaten van de Force Publique, het leger van de Vrijstaat dat bestond uit blanke officieren en zwart voetvolk, massaal aan het muiten sloegen. In de Vrijstaat had Leopold een nogal middeleeuws systeem van gedwongen rekruteringen ingevoerd voor zijn privéleger, de Force Publique.

De dorpshoofden en de missieposten moesten allemaal enkele jonge mannen afstaan voor het leger, waar die dan zeven jaar militaire dienst moesten kloppen. Wie ooit in ons land verplicht was om zijn militaire dienst te doen, was afhankelijk van de periode, zo’n acht tot twaalf maanden milicien. En die herinnert zich wellicht dat niet elke dienstplichtige met volle overgave zijn diensten aan het vaderland leverde.

In Congo Vrijstaat dus ook niet. Bovendien namen de soldaten vaak hun vrouwen, kinderen en ouderen mee op veldtocht met de Force Publique. Die veldtocht mogen de ex-miliciens niet vergelijken met een of ander militair kamp in Elsenborn of Leopoldsburg. Op die jungletochten in Leopoldland was zelfs voor de troepen geen ravitaillering geregeld. Dus nam de bonte bende wat men nodig had in de dorpen die het leger passeerde, nog zo’n middeleeuws gebruik.

De soldaten van de Force Publique en ook de dorpen waaruit ze stamden of waar ze door trokken, waren op die manier allesbehalve bevrijd van de slavernij. Integendeel: de militairen werden ziek, ze geraakten ondervoed, ze waren nauwelijks getraind, sommigen vochten met een geweer, anderen hadden alleen hun speer.

Hoeft het te verbazen dat er in de Force Publique muiterij uitbrak? Vier jaar zou die opstand duren, aangevuurd door de Batetela, lees ik bij Van Reybrouck. Meer dan zesduizend soldaten en hulptroepen zouden zich tegen hun commandanten hebben gekeerd, waarbij er tien Belgische officieren vermoord werden.

De officieren, onder leiding van hun commandant baron Dhanis, traden daar toen ook wat strenger op dan de instructeurs en bevelhebbers van ons leger onder de dienstplicht, die stoute miliciens wel eens tien keer lieten pompen of ze zelfs een weekend in de kazerne durfden te houden. Veelzeggend was al de bijnaam van commandant Dhanis, Fimbo Nyingi, wat betekent: ‘veel zweepslagen’.

Wat niet wil zeggen dat alleen de zweep voor de zwarte soldaten een straf was. Ook aframmelingen en de dood door ophanging of executie waren op weg naar Zuid-Soedan schering en inslag. Dorpshoofden die zich weerbarstig gedroegen, dreigden levend te worden begraven, hun hoofd net boven de grond, indien mogelijk in volle zon of nabij een mierenhoop.

Was Aristide Doorme een van de vermoorde officieren op die onmenselijke veldtocht? Wellicht niet. De veldtocht was in 1905, toen Doorme volgens de plaquette in Oostende overleed, al stopgezet. Maar zekerheid hierover heb ik in de me onmiddellijk beschikbare bronnen niet gevonden. Wie meer over Aristide of de opstand van de Batetela weet, mag het me altijd signaleren.

Van Aristide Doorme heb ik alleen een spoor teruggevonden in La mutinerie militaire au Kasai en 1895, een rapport van Marcel Storme voor de Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen uit 1970 dat als pdf te googelen is. Doorme wordt erin vermeld als de commandant van het kamp van Kasongo, op de rechteroever van de Lualaba, één van de vier zones die een belangrijke rol zouden spelen in de strijd tegen de Batetela.

In Congo doet Van Reybrouck het relaas van de 92-jarige Martin Kabuya, een kleinzoon van zo’n recalcitrant hoofd uit een dorpje nabij de Soedanese grens, die hij in Kinshasa sprak. Ook Martins grootvader werd levend begraven. Alle kinderen van zijn opa, ook zijn vader, werden daarop door de gebroeders maristen meegenomen naar het internaat van Buta, zeshonderd kilometer meer naar het westen. Daar werd zijn vader op de missiepost katholiek, huwde er en kreeg drie kinderen. Martin was van het gezin de laatste overlevende.

Het vaderland dienen, beschaving brengen en het geloof verspreiden, het waren harde stielen in de tijd van Leopolds Vrijstaat.

Dit bericht werd geplaatst in geschiedenis, vrije tijd en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s