Onder katharen, zonder corona (3)

Met een fris hoofd en uitgeslapen benen in een korte broek stappen we ’s ochtends de deur van La Taverne in Cubières-sur-Cinoble uit om de beklimming van de Pech (of Pic) de Bugarach, 1.230 meter hoog, aan te vatten.


We hebben een pokkensteile klauterpartij voor de boeg, de kroon van de Bugarach verheft zich immers nagenoeg loodrecht boven de boomgrens. Maar ook de luswandeling die we hebben uitgestippeld is bijzonder lang: 1.150 meter klimmen en 600 meter dalen, gespreid over een afstand van ruim 24 kilometer.

Wij, dat zijn Bart, Kristel en ik, want Ward zag het Bugarach-avontuur niet zitten. Met zijn zwakke knie verkoos hij gezapig langs de flanken van de berg te wandelen. Het eerste deel van het parcours legden we wel gezamenlijk af. Later in de namiddag zouden we Ward dan treffen aan een vijvertje waar hij enkele uurtjes heerlijk in het zonnetje kon lezen, zwemmen en van de natuur genieten.

Twee minuten na ons vertrek wandelen we op de Pont Vieux over de Cinoble en laten we het dorp van minder dan honderd inwoners achter ons om wat verder de asfaltweg te verlaten en een kleiner bruggetje te passeren, ditmaal over de Agly. Het riviertje dat wat hogerop afgedamd is verleidt Ward meteen tot een zwempartij. We kunnen hem er net nog van weerhouden zijn schoenen en sokken uit te trekken. Als we hem aan elke beekje laten pootjebaden, zouden we nooit het diner in La Taverne halen.

De Sentier Cathare Nord loopt flink omhoog maar we beseffen dat deze stijging nog maar een voorsmaakje is van wat ons nog te wachten staat. Terwijl we de lippen weer opeen persen tegen de vliegen, steken vijftig meter voor ons plots twee everbiggen het pad over. We spitsen de ogen om tijdig de aanstormende kolossen van hun ouders te spotten, maar die laten zich zien noch horen, gelukkig maar.

Even rusten aan de splitsing waar Ward zijn eigen weg gaat.

Dorpjes liggen er voor de Pic niet op onze route. We doorkruisen vooral ruige bossen en af en toe een meer open vlakte. Aan de splitsing waar Ward zijn eigen weg gaat, houden we even halt. We eten er een hapje met als gevolg dat er even verderop tussen de bosjes een grote boodschap gedeponeerd dient te worden. Net op dat moment kruist de eerste wandelaar van de dag ons pad. Hij trekt prompt zijn mondmasker voor zijn neus.

Al gauw gaat het pad, voorlopig nog tussen lage bomen en doornige struiken op de helling van de Bugarach, steiler omhoog. Het wordt ook drukker. Rond de voet van de berg liggen verschillende parkings. Zo kunnen toeristen hun uitstap beperken tot de eigenlijk klim naar de top, nog altijd een pittige wandeling waarvoor je in vorm moet zijn. Af en toe moeten we ook opzij voor trailrunners, die de berg op of af rennen, een sport in opgang.

Boven de boomgrens begint het klauteren pas echt.

Wanneer we iets boven de 900 meter geklommen zijn, verdwijnt de vegetatie. Vanaf nu zijn het alleen rotsen waarop we omhoog klauteren en af en toe een kort stukje steenpuin waarlangs het pad naar boven kronkelt. Het pad laat zich lezen van gele markering naar gele markering. Waar twijfel mogelijk is of je links of rechts af moet, staat in de foute richting op een stuk rots een dubbele streep met een kruis erdoor geschilderd. Op gevaarlijke plekken staat een genummerd bordje met een telefoonnummer voor noodgevallen, zodat de redders meteen weten waar juist langs het bergpad ze in actie moeten komen.

De laatste meters omhoog tot op de top zijn bijzonder zwaar maar ook spannend. De klim brengt ons 300 meter hoger op een afstand van 400 meter in vogelvlucht. Het beeld van dat laatste stukje parcours op de wandelapps is een hallucinante wirwar van  het gelopen parcours. Ineens zien we boven ons de “Fenêtre”, het beroemde gat in de rotsen bijna boven op het rotsplateau van de berg. Die rotspartij ronden vergt durf. Ook voor wie doorgaans weinig hoogtevrees heeft voelt het benauwelijk om naar beneden te kijken.

Op de top zelf is het druk en nog behaaglijk warm. Ook hier hangen de vliegen in wolken rond de toeristen. De wind die er gewoonlijk hard blaast, heeft een rustdag genomen. Sommige wandelaars hebben hun mondmasker opgezet. We horen er haast uitsluitend Frans spreken. Vooral binnenlandse toeristen houden in de streek langs de Sentier Cathare stay-cation.

Kristel kruipt naar La Fenêtre.

Een man is geconcentreerd aan het pendelen. Hier en daar liggen askringen van kampvuurtjes op de grote bult. De Bugarach is al jaren een bedevaartsoord voor hippies, new agers, esoterici en doemdenkers. Die geloofden dat op 21 december 2012 het einde van de wereld eraan kwam en dat de aliens die zich in de berg verstopt hadden het volk dat zich in en rond Bugarach had verzameld, mee zouden nemen in hun ruimtetuig.

Blije gezichten op de Pic.

Op de top krijgen we een prachtig uitzicht 360° in het rond. Bart speurt de horizon af met zijn kleine verrekijker. We zien de hogere Spaanse Pyreneeën en de Canigou verder naar het zuiden. Helemaal in het oosten, waar de katharenburchten Peyrepertuse en Queribus nog op ons wachten, ligt de Middellandse Zee. We durven er nog geen eed op zweren dat het echt de kust is die we aan de einder zien, al zou dat bij zeer helder weer van op de Bugarach mogelijk zijn.

De top van de Bugarach kan je langs twee paden beklimmen. Wij kozen voor het pad dat langs de Fenêtre naar de top loopt. Afdalen doen we langs het pad aan de andere kant van de top, dat uitkomt op een parking langs de D14 tussen het dorpje Bugarach en Camps-sur-Agly. De afdaling doen we elk op ons eigen tempo. Zo ren ik voorop de berg af, zo snel als ik durf en mijn niet meer zo jonge benen het toelaten.

Ward geniet van een zwempie.

Wanneer ik ergens uit het struikgewas een hoek omgedraaid kom, veroorzaak ik paniek bij een vijftig meter verder gezeten kwartet jonge vrouwen. Zij hadden, voor zover ik uit hun gehannes met kledingstukken kan afleiden, van een lekker plekje op de afdaling gebruik gemaakt om topless te zonnen. Nog vóór ik hen speurend naar konijnen aan de draad passeer, hebben ze allemaal hun kleren gefatsoeneerd. Een van hen roept me na: Vive les Diables Rouges! Het blijken Belgen te zijn, die mijn rode T-shirt van de nationale ploeg hebben herkend. Ik laat hen meteen galant voorgaan.

Als de laatste van de kolonne vrouwen wat verderop ineens onderuit gaat op de losliggende stenen van het scherp dalende pad, help ik haar terug op de been. Dank u wel, zegt ze in gebroken Nederlands. Intussen hebben Bart en Kristel me ook bijgehaald en we geraken met haar aan de praat. Het meidengroepje is van Sint-Genesius-Rode, de Vlaamse faciliteitengemeente die de corridor vormt tussen het Brussels en het Waals Gewest. Helaas vertrekken ze ’s anderendaags al terug naar België.

Beneden aan de parking laat Ward via sms weten dat hij aan een geweldig zwemvijvertje op ons ligt te wachten. Hij heeft het al de hele namiddag alleen voor zichzelf gehad. Maar ik zou liever eerst naar Camps-sur-l’Agly stappen om te zien of daar geen café met terras is, want ik ben wel aan een biertje toe. Dat vindt Kristel ook een beter idee. We voelen de dagtocht al diep in onze spieren.

Ward dan toch in het bassin aan de dam over de Agly.

Onderweg aan een hoeve laten we onze drinkbussen bijvullen, want een liter water voor zo’n dag was echt te weinig. Even verder slaat Bart het wegje naar de vijver van Ward in. We spreken af dat we vanuit Camps zullen bellen als er bier te krijgen is. Helaas valt er in dat gat van 55 inwoners niets te beleven.

Kristel en ik beslissen de laatste kilometers via de D14 naar Cubières te stappen. Een saai sluitstuk voor die bewogen lange dagmars, maar op de asfaltweg hoef je tenminste niet voortdurend uit te kijken waar je je voeten zet.

Michèle redt de dorstige die beweert 32 km te hebben gewandeld.

Uitgeput en scheel van de goesting in iets lekkers belanden we in de gelagzaal van Michèle, waar we ijskoude cola en bier bestellen. Mijn polar beweert dat ik 32 kilometer in de benen heb. Kristel haar fitbit geeft echter maar een kilometer of 26 op de teller. We hebben wel heel veel extra meters kronkelend naar boven gekropen, voer ik aan. Straks zal de polar van Bart wel uitsluitsel geven. Op Michèle heb ik alvast indruk gemaakt.

Anderhalf uur en enkele biertjes later arriveren Ward en Bart in La Taverne. Ze hebben niet alleen uitgebreid gezwommen in het meertje, maar zijn ook nog in het bassin aan het brugje over de Agly een duik gaan nemen. Hebben jullie geen zin in een ijsje, vragen ze opgewekt, want ze hebben bij God een cremerie in Cubières gespot. Ik ga douchen, antwoord ik. Dat had ik trouwens al veel eerder moeten doen, in plaats van zo lang op die twee te zitten wachten.

Dit bericht werd geplaatst in Katharen, reizen en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s