De Muts (9): Wartet, 2 december 1985

Rudy Vuylsteke werd als paracommando in de wieg gelegd. Zijn vader was onderofficier in het 1ste bataljon. Het stond in de sterren geschreven dat Rudy hem zou volgen naar het moederbataljon van het Regiment. Rudy heeft er nooit moeite mee om een van zijn eerste herinneringen op te roepen, aan de hand van zijn vader door de bogen van de Citadel in Diest stappend, het imposante fort dat als kazerne van 1 Para dienst deed. Toen hij er jaren later op zijn beurt als sergeant binnenkwam, werd een droom werkelijkheid. Maar misschien was hij wel nog liever instructeur in de Instructiecompagnie van de paracommando’s in Wartet. Hij is vrijgezel en verblijft in het onderofficierenverblijf van Marche-les-Dames. Daardoor kan hij ‘s avonds nog onverwachts bij zijn peloton binnenvallen. Dat is wat hij de eerste avond meteen doet. De luitenant had hen gezegd dat ze de rest van de avond vrij waren. Vrij? Dan kennen ze de Rudy nog niet. Van zodra hij de auto van de luitenant op weg naar huis ziet passeren, neemt hij zijn kaki schoudertas met folders en stuift hij de Golgotha weer op naar Wartet. Hij zal de zenuwachtige groep nog wat nuttig bezig houden. Met plezier stelt hij de verrassing vast op de gezichten van zijn nieuwe jongens. Hij deelt de folders uit, een lijst met de militaire graden en een organigram met de structuur van het leger.
‘Iedereen kent dat schema en de militaire graden tegen het einde van de week van buiten, begrepen!’ Protest komt er niet, maar hij ziet sommigen met de ogen rollen en tandenknarsen. Nu moeten ze in het leger ook nog studeren, denken ze.
De sergeant laat iedereen voor hem op de vloer zitten en neemt zelf schrijlings plaats op het uiteinde van een bank. Hij vertelt het verhaal van hun regiment. Ditmaal zonder schreeuwen. Hij brengt de bevrijding van Europa van het nazisme in herinnering. En de rol van de parachutisten en commandotroepen daarbij. Vooral over de heldendaden van de Engelse SAS, de Special Air Service, is hij goed geïnformeerd. Van deze elitetroepen hebben de Belgische para’s zowat alles afgekeken, zo blijkt. Te beginnen met de kleur van de muts. Hij licht de structuur van het Regiment toe. Met het tweetalige 1 Para in zijn Citadel in Diest en het 3de, Vlaamse bataljon Parachutisten uit Tielen dat zijn sporen heeft verdiend bij de VN-troepen in de Koreaanse burgeroorlog. En natuurlijk het Waalse 2de bataljon Commando uit Flawinne. Dat heeft de mosterd en zijn groene mutsen bij de commandotroepen van de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog gehaald.
De sergeant haalt een stapel zelfklevers van zijn oude compagnie in 1 Para uit zijn tas. Op een zwarte achtergrond prijkt in het goud het mooie embleem van 1 Para, met de geweldige strijdkreet Who dares wins, gekopieerd van de SAS. Iedereen krijgt een sticker. De kandidaat-para’s van 12N hangen aan de lippen van de man die hen naar hun muts zal leiden. Van trots stijgt het bloed Vuylsteke naar de wangen. Hij vindt het geweldig om de bleukes in te wijden. Hij realiseert zich weer hoe zeer hij ervan houdt om die stukken menselijke klei tot een hechte troep parate para’s te boetseren. Hij neemt nog even de tijd om van de bewondering in hun ogen te genieten.
‘Tot daar het ontspannende luik van de avond.’ Hij werpt zich in een vlotte beweging in voorligsteun. ‘Komaan papzakken, ga zoals ik het jullie voordoe voor jullie bed liggen, we gaan nog wat pompen.’ Hij zal niet in de val trappen te vroeg te familiair om te gaan met deze jonge kerels. Ze moeten nog veel bewijzen vooraleer hij ze zijn sympathie zal schenken. ‘Allez, is iedereen nu bijna klaar om te beginnen? Ik ga jullie eens deftig leren pompen.’ De manier waarop sergeant Vuylsteke wil dat er gepompt wordt, is niet met de ellebogen open, zodat het lichaam van boven gezien een kruisvorm krijgt, maar tegen de romp geklemd.
‘En denk eraan, het lichaam moet gestrekt zijn!’ Hij is zonder het zelf te beseffen terug beginnen roepen. ‘Je moet de grond niet bevruchten of uw gat in de lucht steken om uw kameraden op vuile gedachten te brengen.’ Hij leert hen ook variaties: op de vingertoppen, op de knokkels, met één been in de lucht, op één hand, in snelle of in trage cadans. De sergeant is in topconditie, dat is wel duidelijk, niemand kan pompen zoals hij. Als iedereen uitgeput is, roept hij ‘houden zo!’ op het moment dat het peloton met de ellebogen in een rechte hoek gebogen voorover ligt. Hier en daar ligt een gezicht rood aangelopen op de grijze balatumvloer al stof in te ademen. Als er nog enkelen het hebben opgegeven, zegt hij het verlossende ‘en… goed zo’, nu niet schreeuwend maar met een stem zo rustig alsof hij luilekker aan het strand ligt. Een zucht van opluchting ontsnapt de kelen. ‘Amai, pompen lijkt wel zo gevarieerd als neuken’, lacht Alain De Greef, een van de eersten die terug op adem is gekomen. Wat een franke muil, denkt de onderofficier, maar hij reageert niet. Die De Greef is duidelijk een van de fitsten. Zeker in het begin niet te veel op de besten kappen. Die moet je immers eerst meekrijgen, weet hij.
De sergeant heeft nog een onaangename boodschap: verboden te roken in het kwartier, behalve in de kantine. ‘Roken is ongezond en dus schadelijk voor para’s. En zeker schadelijk voor mannen die aan hun opleiding tot para bezig zijn’, zegt hij overtuigd. ‘Dus voor al wie rookt: grijp de kans die we u hier bieden om er van af te geraken!’ De Greef vraagt of ze nog even naar de kantine mogen. Die kans om De Greef even op zijn plaats te zetten, laat de sergeant niet liggen. ‘Wat denk jij wel zatlap, je hebt hier nog niet eens een nacht geslapen en je wil al naar de kantine? Je moet er niet aan denken om de eerste weken, misschien wel maanden naar de kantine te gaan! Pas als de luitenant en ik vinden dat jullie het verdienen, mogen jullie eens naar de kantine. En ik kan u maar meteen waarschuwen, hoe meer je daarover zaagt, hoe minder goesting ik heb om jullie toestemming te geven!’ De sergeant roept het met een uitgestreken gelaat. Hij ziet aan de gezichten rond hem dat hij indruk heeft gemaakt. Zich beheerst opwinden, hij kan het goed. ‘Dezelfde regels gelden voor de bibliotheek, de filmzaal of avondvergunningen. Jullie moeten je tijdens deze eerste weken en maanden uitsluitend concentreren op de opleiding’, pepert hij de rekruten in. ‘En nog iets: het reglement schrijft voor dat alle verplaatsingen van de soldaten in looppas gebeuren. Behalve als je je in peloton verplaatst en zingt. Om niet zelf de hele tijd te moeten lopen als ik jullie ergens naar toe breng, zullen we al een liedje leren.’
Uit zijn tas haalt Vuylsteke kopies met de tekst van Captain Jack. Hij leert het soldatenlied aan, ironisch en ernstig tegelijk, zoals goede jeugdleiders dat kunnen. Captain Jack is een simpel liedje waarin het peloton een voorzanger nazingt. Het soldatenlied gaat over een kapitein die zich ontpopt tot een schietende, drinkende, moordende, neukende en marcherende man. In het laatste couplet, met een baby in de hand, vervelt Captain Jack tot een droevig man. Vader worden brengt een soldaat ongeluk.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in De Muts. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s