De Muts (7): Wartet, 2 december 1985

Door de geopende deur ziet Peter Verbraeken een militair met een rode muts op zijn hoofd en een bril met een licht metalen montuur op de neus de slaapzaal betreden. Het geroezemoes verstomt. Ze kijken allemaal naar de man in uniform. Hij steekt zijn rechterhand op met drie gestrekte vingers. ‘Drie strepen’, zegt de man overdreven luid als hij zijn vingers op zijn linkerschouder legt waar zich de strepen in kwestie situeren, ‘dat betekent dat ik sergeant ben.’
De sergeant met de bordeaux baret roept dat hij samen met de pelotonscommandant, een officier waarmee de kennismaking nog even op zich laat wachten, het peloton zal opleiden. De sergeant heet Rudy Vuylsteke. Hij ziet er snugger uit. Maar het werkt Peter op de zenuwen dat die Vuylsteke niet als een gewone mens spreekt. Hij schreeuwt. Hij schreeuwt elk woord dat hij uitspreekt. Permanent. ‘Dat luitenant Vande Putte direct de kamer zal binnenkomen! Dat die luitenant officier is! Dat hij hun pelotonsoverste is! Dat, áls de luitenant de slaapzaal betreedt, de sergeant “Ter orde!” zal roepen! Dat iedereen dan stokstijf en onbeweeglijk recht moet staan! Met de armen en handen gestrekt naar beneden en de pink op de naad van de broek! Voor het bed! Dat die houding “Geef acht!” heet!’ De schreeuwerd hapt even naar adem.
‘En als ík in ‘t vervolg de kamer binnenkom’, tiert Vuylsteke terwijl hij voor alle duidelijkheid met zijn wijsvinger op zijn borstkast duwt, ‘moet de eerste die dat ziet niet luid “Ter orde!” roepen, maar “Geef acht!”’ Zo maak je een verschil tussen een officier en een onderofficier! En als er een soldaat binnenkomt, moet je niets doen! Soldaten hebben immers geen bevelen te geven, enkel uit te voeren!’, roept hij. ‘We zullen eens oefenen!’ Hij steekt kinnen omhoog, trekt schouders achteruit, port zijn vingers in uitstekende buiken en plaatst voeten op de milimeter naast elkaar. Een andere militair met een rode muts op stapt met gedecideerde pas en strenge blik de kamer binnen. ‘Ter… Orde!’ roept Vuylsteke prompt. ‘Onbeweeglijk!’ bijt de officier iemand toe die beweegt. ‘Onbeweeglijk!’ schreeuwt de officier nog eens omdat iemand het waagt zijn hoofd mee te draaien als hij monsterend de dubbele rij van ongeüniformeerde burgers die uit alle macht acht trachten te geven, voorbij stapt. ‘Twintig keer pompen, iedereen. En luidop tellen!’ Ze stommelen onzeker op handen en knieën, buigen in voorligsteun voorover, wie niet weet hoe te pompen, kijkt rond en doet na wat anderen voordoen. De Greef Alain telt luid om de kadans aan te geven, de anderen volgen. Sommigen hebben het al moeilijk om aan twintig push ups te komen. Na de krachtinspanning geven ze terug acht voor de bedden. De officier blijft zwijgend rondkijken. Peter ziet hoe de jongeman die op de korte tijdsspanne in de slaapzaal al zowat aan iedereen zijn zakmes heeft getoond, aan zijn oor krabt. Hoe stom kun je nu zijn.
‘Onbeweeglijk heb ik gezegd! Hoe is uw naam bougnoul?’
‘Frank Voormeulen, meneer.’
‘Luitenant! Ik ben luitenant! Geen meneer!’ Oei, de officier lijkt wel buiten zinnen van woede om de verkeerde aanspreking. ‘In een kazerne zijn geen meneren, ezel! Iedereen terug twintig!’ Enkele diepe zuchten ontsnappen. Ze zijn een voorbode voor gehijg, gekreun, gesteun. ‘Vergeten te tellen, stommeriken!’ onderbreekt de officier. ‘Begin maar opnieuw. Sergeant, geef de cadans eens aan.’ Vuylsteke telt luidop. Peter constateert dat heel wat jongens de twintig niet halen en uitgeput op hun buik blijven liggen. De luitenant keurt vergenoegd de blozende kaken rond zich. Plotsklaps met een montere, niet langer onvriendelijke stem, steekt hij van wal.
‘Oké, sta maar terug recht, in geef acht, voor zover dat al gaat. Goeiedag allemaal, welkom in de Instructiecompagnie van het Regiment Paracommando. Mijn naam is Olivier Vande Putte. Mijn graad is onderluitenant maar je spreekt me aan met luitenant. Begrepen? Ik ben de komende drie maanden jullie pelotonscommandant. Jullie krijgen hier in Wartet en Marche-les-Dames een opleiding om deel uit te maken van de eenheid met de beste soldaten van het hele Belgische leger. Jullie zullen begrijpen dat wij zomaar niet Janneke en Mieke toelaten. Jullie moeten daarvoor inspanningen leveren! Jullie moet het verdienen paracommando te mogen worden!’ Hij wacht even om zijn woorden goed te laten doordringen. ‘Het eerste wat jullie hier zullen leren is dat paracommando’s niemand in de steek laten. Jullie zullen de komende maanden vaak voor stommeriken, papventen of klootzakken uitgemaakt worden. Denk eraan: jullie zijn geen klootzakken.’ Heel even waait een aanmoedigende glimlach over zijn mond. Dan kijkt hij weer ernstig en kwaad. ‘Jullie zijn een bende klootzakken! En jullie moeten één bende klootzakken worden! Met de nadruk op één!’
Peter voelt een hoestbui aan komen kriebelen in zijn keel. Geen krimp geven nu! De luitenant waarschuwt dat ze zullen moeten slagen in een zware maar progressieve lichamelijke en geestelijke opleiding.
‘Progressief betekent hier niet vooruitstrevend of zachtaardig, maar geleidelijk.’ De luitenant doet moeite om zich verstaanbaar uit te drukken, maar kan hij niet wat opschieten, die kriebel wordt zo stilaan onbeheersbaar.
‘Ik zeg u nu al dat niet iedereen zal slagen. Ik weet uit ervaring dat minstens één op drie van jullie nooit zijn muts zal halen. Maar het belangrijkste voor ieder van u is te wíllen slagen. Bij die twee op de drie willen zijn! Bij de elite van het leger die de para’s zijn, wíllen behoren! De rode of groene muts wíllen halen!’ De luitenant zwijgt even en kijkt rond of hij niemand ziet bewegen. Niemand. ‘Het opleidingsprogramma is erop gericht om u zo ver te brengen. Het is gradueel’. Van de Putte temporiseert weer, hij lijkt naar de juiste woorden te zoeken. ‘We gaan dus uw grenzen telkens verleggen’, verduidelijkt hij. Peter laat zijn adem langzaam en onhoorbaar ontsnappen. Hij heeft de kriebel onder controle. Nu krijgt hij het pas echt op zijn zenuwen van die dwaas die zeven keer met andere woorden hetzelfde zegt. Hij ziet hoe de grote struise die Johan heet en goed lijkt op te schieten met Marc buiten het blikveld van de luitenant met zijn ogen rolt, zijn tong uitsteekt en ze dan vliegensvlug weer intrekt. Sergeant Vuylsteke, die tijdens de toespraak met de benen wijd, handen op de rug en rode muts uitdagend op het hoofd indruk staat te wekken, is het niet ontgaan.
‘Jij daar, stukske mislukte clown, twintig keer! Hoe is uw naam?’
‘Adriaenssens Johan, sergeant!’ Johan zegt het onverwacht luid, gearticuleerd en beslist.
‘Wel Adriaenssens, twintig keer! En luidop tellen!’ Onderluitenant Vande Putte doet of hij de korte interruptie niet heeft gehoord en gaat verder met zijn betoog terwijl Johan luidop tellend aan zijn opdrukjes begint. Gelukkig moeten we weer niet allemaal mee pompen, denkt Peter. ‘De sergeant zal u straks een folder geven met meer uitleg over de opleiding en over het kwartier waar u de komende drie maanden zult doorbrengen. Vandaag moet iedereen ook nog naar de kapper. Dat is verplicht om hygiënische én militaire redenen. Hygiënisch, omdat de lange ervaring die het leger met vuilaards als jullie heeft opgedaan, geleerd heeft dat er sneller beestjes zitten in lang dan in kort haar. Militair omdat de vijand een kaalgeschoren soldaat niet aan zijn haar kan trekken.’ Peter ziet pretlichtjes in de ogen van de officier twinkelen. Die kerel staat hen gewoon voor zot te houden!
‘Jullie zullen ook één voor één bij mij worden geroepen voor een persoonlijke kennismaking’, gaat hij verder. ‘Morgen om vier punt dertig uur wekken om uw militaire kledij, basisuitrusting en korpsmateriaal te gaan halen. Daarna MTLG-test. Dat is de Militaire Test voor Lichamelijke Geschiktheid. Alle miliciens moeten die afleggen. Maar ik verwacht van iemand die paracommando wil worden nu al dat hij minstens zeventig op honderd haalt. De sergeant zal u nog een en ander uitleggen wat u moet weten. Doe verder.’ De officier draait zich om en beent de slaapzaal uit. Maar zo heeft één van de kandidaat-paracommando’s het niet begrepen. Om de aandacht van de luitenant te trekken steekt hij zwaaiend zijn arm in de lucht.
‘Luitenant ik ben thuis al naar de coiffeur…’ Vande Putte laat hem niet uitspreken.
‘Heel het peloton nog twintig keer, dankzij u, luizenkop’, draait hij zich naar de onverlaat.
‘Hoe is uw naam, dat ik hem goed in mijn oren knoop?’
‘Ronny.’ De luitenant bliksemt met zijn ogen. ‘…Palmans, meneer! Euh… luitenant!’
‘Wel paljas, laat de sergeant u uitleggen hoe je een officier iets mag vragen.’ De luitenant trekt de deur met een klap achter zich dicht.
‘Sergeant, is het toegestaan?’ Verwonderd kijken de ontredderde jongens naar de waaghals met de Turkse hangsnor wiens gestrekte arm, hand en wijsvinger de lucht in priemen alsof hij op de schoolbank zit. ‘Dat is toch niet eerlijk, die jongen weet helemaal niet…’ Sergeant Vuylsteke ontploft. ‘Wat durf jij nu nog protocollen, Verheusden? Iedereen in voorligsteun! Twintig keer voor de luitenant! En jij, stukske bougnoul met uw lelijke moustache, twintig keer extra voor mij! Het zal u leren een bevel van de luitenant in twijfel te trekken!’ Het peloton legt zich opnieuw in voorligsteun. Peter geraakt met veel moeite nog aan 20. Rond hem liggen ze halfweg al uitgeput met het gezicht in het stof te hijgen. De kerel met de moustache van wie de sergeant blijkbaar de naam al kent, krijgt ook de twintig opdrukjes niet meer voor elkaar, laat staan de twintig extra. Vuylsteke komt wijdbeens voor hem staan. ‘Wel, stoere, wat scheelt er? Groot woord maar pap in uw armen? Zie maar dat je er morgen bij de MTLG-test iets van maakt, want je weet dat ik je speciaal in het oog hou!’ Wat een dictator, denkt Peter. Waar ben ik toch aan begonnen! Maar ik ga me hier niet laten kennen. Hij kijkt zo minachtend mogelijk naar die paljas van een Palmans. De sergeant sommeert iedereen naar buiten, om in een formatie die van ver op een peloton lijkt naar de kapper te wandelen, want marcheren kunnen ze natuurlijk nog niet. Het kapsalon blijkt het wachtlokaal te zijn, waar in het midden een houten tabouret werd opgewaardeerd tot kapstoel. In Marche-les-Dames is de kapper een dienstplichtige die men een oude, enorme tondeuse met een pinkdikke elektrische draad in de handen heeft gestopt. De anciens die van wacht zijn, grijpen zoals in alle legers van alle tijden de gelegenheid om zich vrolijk te maken over de groentjes. Het peloton moet de hele tijd stokstijf acht blijven geven voor het wachtlokaal, terwijl Vuylsteke de rekruten één voor één naar de schopstoel beveelt om geschoren te worden. Als het zijn beurt is om het lokaal te betreden, moet Peter Verbraeken zijn walging onderdrukken. Rond de tabouret ligt een vieze, zachte en pluizige berg, een vale massa waarin bij nader toezien alle mogelijke tinten van de menselijke haargroei te onderscheiden zijn, wemelend als ratten als de rond het hoofd op de stoel struinende kapper met zijn combats de hoop in verwarring brengt. Als hij terug in het gelid stapt, ziet hij de rekruten die geschoren zijn als klonen van elkaar bijeen staan. Hoewel de uniform kaalgeknipte schedels de gelaatstrekken en gezichtsuitdrukking sterker prononceren, verloren de rekruten met hun haar een deel van hun identiteit. Morgen, met uniformen aan, zullen ze er helemaal als gelijken uitzien. En er als gelijken uitzien, dat is nog maar het begin, vreest hij. Roerloos kleumend voor het wachtlokaal bedenkt hij dat in de onbekende wereld die ze als blinden binnenstapten, het tweede uur nog niet heeft geslagen of drie waaghalzen lieten zich reeds opmerken: Ronny Palmans uit domheid, Johan Adriaenssens uit impulsiviteit en die Verheusden met zijn moustache uit edelmoedigheid. Hun moeilijk te beheersen aanleg om op te vallen is ze alledrie slecht bekomen. Dat is een eerste les, prent hij zich in: hou je gedrukt, neem het tegenover een meerdere niet op voor een ander maar ook niet voor jezelf.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in De Muts. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s