De Muts (5): Wartet, 2 december 1985

Peter Verbraeken had verwacht bij de kleinsten en de jongsten te zijn. Dat laatste klopt ook, maar dat kon hij de eerste dag nog niet weten. Het eerste klopt niet. Rond zich ziet hij wel een stuk of tien jongemannen kleiner dan zijn eigen 1,77 meter. Een van hen herkent hij als Stille Mario. Mario was de snelste op de veldloop in Flawinne, tijdens de fysieke selectieproeven enkele maanden geleden. Alle dienstplichtigen die in het CRS voor het Regiment Paracommando kozen, moeten vooraleer ze toegelaten worden tot de opleiding, bijkomende proeven afleggen, zoals hardlopen tegen de tijd. Tijdens die veldloop had Peter lang gelijke tred kunnen houden met Mario, tot die de laatste tweehonderd meter versnelde en hem er onverbiddelijk afliep. Na de cross kwamen er niet meer woorden uit Mario’s mond dan ervoor, daarom had Peter hem Stille Mario gedoopt. En nu zit hij hier opnieuw, schuw naar beneden kijkend op het bed rechtover hem aan de overkant van de zaal. Peter is zelf geen roeper maar tegenover Mario kost het hem niet zoveel moeite zijn schuchterheid te overwinnen. Hij zwaait en roept ‘Hey, dag Mario! Alles ok?’
‘Ja.’ Dat woord en een flauwe glimlach van herkenning, daar kan Peter het mee stellen. De ongemakkelijke stilte die hij verwacht, krijgt de kans niet te vallen want van enkele bedden verder borrelen ho’s en he’s op. Een johnny in wit T-shirt en jeans zuigt iedereens aandacht naar zich toe. Lachend stroopt hij zijn korte mouwen wat hoger en laat hij zijn biceps rollen. Ongelooflijk, we zijn hier vijf minuten en er staat al eentje te pronken met zijn spierballen, denkt hij. De lach van de macho schalt door de zaal. Hij schijnt zich al helemaal thuis te voelen. Een andere kerel schiet er naar toe, onbedwingbaar en met uitgestoken hand. Peter spitst zijn oren.
‘Hallo, ik ben Frank.’
‘Hey man, ik ben De Greef Alain, maar zeg gerust Alain.’
De twee drukken elkaars hand krachtig en dat is blijkbaar niet genoeg. Ze slaan elkaar nog uitbundig op de schouder, blij dat ze elkaar gevonden hebben. Nog geen minuut later zetten ze het op een zingen. ‘Steek een kaars in je aars vannacht…’ Peter moet denken aan de verhalen van Dirk over de cantussen in Leuven. Zouden ze daar ook zo’n liedjes hebben gezongen? Daar volgt ‘hoe sterk is de eenzame neuker die kromgebogen over zijn vrouw het gat niet vindt…’ Luide bijval. Ook Mario is rechtgestaan en stevent op de zangers af. Peter wrijft over de puist op zijn kin. Zijn broer Dirk zingt nu niet meer. Hij zucht.
‘Wel, is alles ok?’
Het is een tengere kerel met een brilletje die hem aanspreekt. Hij knikt kort en wendt de blik dan dankbaar naar de meezingers die zich wat verderop rond De Greef Alain hebben verzameld en luidruchtig met elkaar kennis maken.
‘Hoe heet je?’ Hij kijkt terug naar de brillenkas en zegt na een kleine aarzeling zijn naam: ‘Peter.’
‘Dag Peter, ik ben Marc.’ Ze schudden elkaars hand.
‘Hoe ben jij hier terechtgekomen?’
‘Euh, waar kan ik beginnen? Ik heb net de humaniora af.’
‘Welke richting?’
‘Latijn-wiskunde.’
‘Dat is toch geen stop-richting? Waarom studeer je niet verder?’
‘Ik wist niet wat doen. Waarom niet eerst naar het leger gaan, dacht ik zo.’ Hij pulkt aan zijn neus en kijkt naar zijn voeten. Hij ritst zijn sporttas open. Een oortje van zijn walkman wipt eruit en een van de cassetjes valt op zijn bed.
‘Waw, een walkman. Mag ik eens zien ?’ vraagt Marc. Peter wil hem zijn cassetterecordertje met de oortjes geven.
‘Neen, die cassetjes’. Het zijn audiocassetjes waarop lp’s zijn opgenomen. Marc leest de titels op de rug van de doosjes: Wish you were here/Pink Floyd, Decade/Neil Young, Blonde on blonde/Bob Dylan, Blood on the tracks/Bob Dylan, Born to run/Bruce Springsteen en Lou Reed/Live.
‘Man, wat een goeie platen! Maar…’
‘O, als je soms eens naar muziek wil luisteren, vraag maar’.
‘Graag’, knikt Marc hem toe. ‘Je hebt een goede smaak.’ In de ogen van Peter verschijnen lichtjes.
‘Mag ik eens proberen?’
‘Hier.’ Hij reikt Marc de walkman aan. ‘Zeg me eens welk liedje er begint.’
Marc zet het lichte boogje uit aluminium dat de twee oortjes verbindt voorzichtig op zijn hoofd. Hij drukt de play-toets van de Sony-walkman in. Een bas komt aangewandeld. Een makkelijke.
Walk on the wild side’. Dat ken ik al een hele tijd.’
‘Holly came from Miami FLA.’ Peter begint het liedje fluisterend mee te zingen, zonder oortjes. Marc trekt het schelpje van zijn linkeroor om beter te kunnen horen wat Peter amper hoorbaar zingt. Hij kijkt hem geamuseerd aan.
‘Hitch-hiked her way across the U.S.A
Plucked her eyebrows on the way
Shaved her legs and then he was a she’
En dan fluistert Marc mee:
‘She said, hey baby, take a walk on the wild side‘
Ze lachen. Marc drukt op de stoptoets, haalt het laatste oortje van zijn oor en geeft de walkman terug. Hij klopt even op de schouder van Peter.
‘Waw, jij kent die tekst van buiten!’
‘Oh, mijn grote broer heeft eens de tijd genomen om me dat liedje uit te leggen.’
Marc trekt zijn wenkbrauwen op.
‘Ah ja? En over wat gaat het dan precies volgens hem?’
‘Euh, over de scène van de homo-prostitutie in New York. Of… Waarover dacht jij misschien dat het ging?’
‘Oh, dat weet ik eigenlijk niet. Ik heb er nooit bij stilgestaan, bij die tekst… Maar wat je zegt zal wel kloppen zeker?’
Een antwoord komt er niet meer van Peter. De deur zwaait open en een militair stapt de slaapzaal binnen.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in De Muts. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s