De Muts (4): Wartet, 2 december 1985

De stoptrein van Namen naar Luik rijdt bij het naderen van Marche-les-Dames over de smalle oeverstrook tussen de Maas en de steile rotsen die koning Albert I op 17 februari 1934 een fatale loer hebben gedraaid.
‘Wisten jullie dat koning Albert naar het schijnt nauwelijks een voet heeft gezet in de loopgraven ?’ Marc vindt niet dat ze de beroemde rotsen zonder meer kunnen passeren. Er moet iets historisch in herinnering worden gebracht, al was het maar een mythe. Johan en Frank reageren niet. Met de ogen van schelvissen reikhalzen ze naar de grote kaki tenten en het paradeplein van de Kampcompagnie van het Trainingscentrum voor Commando’s, langsheen het spoor, vlak voor het station. Voor hun tent poetsen enkele soldaten hun schoenen. Als de trein remt, zien ze achter de tenten tussen de beuken een kasteeltje liggen. ‘Kijk, het kasteel van de Prinsen van Arenberg’, wijst Johan. Het kasteel en zijn omgeving doen sedert september 1945 dienst als legerplaats van de commando’s. Johan, Marc en Frank hebben ogen te kort als ze tussen andere kort geschoren jongens afstappen en de weg van het station naar Wartet inslaan. In de Rue du Roi Chevalier die langs de Maas en de spoorweg loopt, staan slechts enkele huizen, een restaurant en een café. Later zullen ze ontdekken dat het café uitgerust is met een toonbank vol snoep, om op suiker beluste soldaten in opleiding ter wille te zijn. Van de Rue du Roi Chevalier slingert naast het kasteel Arenberg de Rue Notre Dame du Vivier de flank van de Maasvallei op naar het plateau van Wartet. Dat gehucht draagt dezelfde naam als het kwartier waar de kandidaat-paracommando’s hun basisopleiding krijgen. Zingend marcheert een peloton de weg voor het kasteel op. De groentjes houden eerbiedig halt om de passerende aspirant-para’s in hun bruin-groen gevlekte tenue beter te kunnen bekijken. Overrompelend zingen ze hun strijdlied terwijl ze in een urenlang gedrillde uniformiteit van de kleinste van hun bewegingen voorbij dokkeren op de cadans van combathielen die hakken op de macadam. De trots in de blik van de soldaten bezorgt Marc kippenvel. ‘Zo waar als ijs, als vuur’, prevelt hij. Frank kijkt hem niet begrijpend aan.
Het leger is alomtegenwoordig in Marche-les-Dames. Boven op de klippen en over de ravijnen hangen, vanaf de begane grond nagenoeg onzichtbaar, de hoogte- en risicopistes van de commando-opleiding. Op de loodrechte rotsen staan klimsporen uitgezet. Twee deathrides landen in de buurt van het gerestaureerde kasteel, fraai als een postkaart in sepia. Van uit garages en depots langs weerszijden van de weg omhoog naar Wartet keuren de anciens onbeschaamd als veehandelaars de nieuwkomers. Wat verscholen links ligt de Coêtquidan, meer dan tweehonderd jaar geleden gebouwd als gerieflijk landhuis van de meestersmid, vandaag de kwartierbibliotheek en het verblijf van de onderofficieren. Verder omhoog tussen de Rue Notre Dame du Vivier en de Gelbressée bevinden zich de Kantine Troep en de filmzaal. De Gelbressée, een flink uit de kluiten gewassen beek die haar eigen valleitje heeft uitgesleten vooraleer ze zich in de Maas stort, stroomt nog wat hoger door een vijver. Aan de overkant van de plas staat een loods neergepoot. Van de straat loopt links een verharde zijweg met een brugje over de beek naar die constructie in snelbouwstenen. De Kampcompagnie bewaart er haar dinghy’s, stevige rubberboten met peddels. Aan de rand van de vijver tiert iemand op de bemanning van twee boten. Maar voor de groentjes die het tafereel hongerig aanstaren, zonder merkbaar effect. Vanuit de mess in Hotel Belle-Vue, een statig herenhuis aan de rechterkant van de straat, hebben de officieren een mooi uitzicht op het water en de deathride die erover is gespannen. De verharde zijweg loopt aan de rechterkant van de Rue Notre Dame du Vivier over in de Golgotha, een voetpad dat steil de beboste rotshelling op kronkelt naar het boven op het plateau gelegen deel van het kwartier. Voertuigen bereiken Wartet via de straat, een omweg. De miliciens worden doorgaans beneden aan de Golgotha gedropt om verder te voet naar hun nieuwe thuis te klimmen.
‘Is ‘t wel langs hier ?’ roept Frank als een haantje de voorste zonder aarzelen de beklimming van het rotspad aanvat. Johan bevestigt dat ze goed zitten. Hij is met zijn vader al op een opendeurdag in Marche-les-Dames geweest.
‘Pas maar op voor uw kuiten, dat pad is steil’, waarschuwt hij. Het pad is ook glibberig. Hier en daar zijn trappen aangelegd. Op Franks voorhoofd parelen de zweetdruppels als hij met zijn valies eindelijk boven is geraakt. Op de heuvelkam stoten ze op het wachtlokaal en de blokken van de Schoolcompagnie, waar de dienstplichtige officieren en onderofficieren worden opgeleid. Een wachtpost stuurt hen door naar de Instructiecompagnie. ‘Officieren en onderofficieren krijgen scholing’, zegt Johan, ‘soldaten krijgen instructies.’ Vlakbij het wachtlokaal bevindt zich een klein doorzichtig eenpersoonskamertje waar op vrijdagavond soms een lange rij van gestraften staat aan te schuiven: de telefooncel. Achter de barakken van de Schoolcompagnie gaat de koordenpiste schuil. Van hieraf voert een betonweg de nieuwelingen nog een klein beetje hoger, met links de nieuwe sportzaal en het door weiden en akkers omgeven paradeplein waar de drills geoefend worden en rechts de hindernissenbaan met haar spectaculaire obstakels. De straat loopt uit op een verzameling blokken in cellenbeton: de ziekenboeg, het wapenmagazijn, de keuken, de refter, het sanitair en de slaapzalen van de Instructiecompagnie. Hun bestemming.
In een van die slaapzalen moet de kleurrijke troep wachten op verdere instructies. Langs beide lange wanden van de ruimte staan twaalf grijs of zwart geschilderde gietijzeren stapelbedden, getatoeëerd met roestplekken, met hoge stalen kasten ertussen. Het overige meubilair bestaat uit één houten tafel met twee banken, een oud schoolbord aan de verste smalle muur en een grote plastieken vuilnisemmer naast de dubbele buitendeur. De verwarming in de grijze zaal blaast veel te hoog. De grote, kale ruimte ruikt onaangenaam intiem als een huis waarvan je je gelukkig prijst dat je niet met de bewoners onder één dak moet wonen. Iedereen claimt een bed door er zijn valies of tas op te leggen. Vrienden zo vers als een treinrit leggen hun reisgoed in elkaars buurt. Pas nu ziet Gillis dat aan de weekendtas die Adriaenssens op het onderste stapelbed zwiert, een sleutelhanger van Vredeseilanden hangt. Die piepkleine hanger maakt de spartaanse zaal ineens veel vertrouwder. De 48 nieuwelingen van peloton 12N, twaalf voor de maand december, N voor Nederlandstalig, druppelen nu volop binnen.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in De Muts. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s