De Muts (2): Leuven, 2 december 1985

Marc Gillis kijkt omhoog en ziet wolken in antraciet en lood. Het kan elk moment beginnen regenen. Gelukkig is het voor de tijd van het jaar zacht, denkt hij. Met een kordate ruk aan de aluminium leuning trekt hij zich de donkergroene trein in. Jef Peeters had hem beklaagd toen hij vertelde dat hij op 2 december binnen moest. Zijn vriend was nu twee maanden bij de stormfuseliers in Leopoldsburg. Wat had hij al afgezien, daar bij de karpatten. Volgens Jef zijn de stormfuseliers fysiek even goed getraind als de para’s. Ze doen alleen niet aan valschermspringen en rotsklimmen. Net om dat springen en klimmen had Marc voor de para’s gekozen. En ook omdat karpatten nu eenmaal geen para’s zijn, wat Jef daar ook over beweert. Bijvoorbeeld: bij de para’s moet je vijftien maanden kloppen en bij de karpatten slechts tien. De laatste vijf maanden als paracommando krijg je dan het loon van een tijdelijk vrijwilliger in plaats van soldij, maar toch schrikken vooral die extra maanden veel jongens af. Want wie wil nu vijftien maanden naar het leger als je er ook van af bent met tien? Of acht zelfs, als je het vaderland vanuit Duitsland dient? Hij zwiert zijn oude sporttas met de Olympische ringen in het bagagerek en installeert zich aan het raam.
Zijn vrienden op de faculteit Sociale Wetenschappen begrepen er geen bal van. De para’s? Was jij geen pacifist? En die rakettenbetogingen dan? Tja, hoe leg je dat uit? Meestal maakte hij zich er snel van af. Maar niet bij Bert en Patricia. Hij vertelde natuurlijk dat het avontuur hem aantrekt. Inclusief het risico, de kans op de sensatie van een echte operatie. De enige troepen in het hele Belgische leger die binnen de 24 uur overal in actie kunnen komen, zijn de paracommando’s. Van kindsaf was hij het die eerst durfde, als er ergens af gesprongen moest worden, van een dak, een boom of een brug. Hij ademt diep in. Hij herinnert zich hoe de schrik op de Trambrug zijn maag wee maakte maar hem toch niet belette het kanaal in te springen. Vandaag tintelt de opwinding van het groot avontuur. Door het raam ziet hij aan de toog van het stationsbuffet pendelaars een eerste Stella drinken. Hij ziet zich fronsen in de weerspiegeling van het raam. Er is nog een reden waarom hij vandaag op deze trein zit. Dat was zelfs de eerste reden die hij bij Bert en Patricia had opgedist. Hij vertelde dat hij bij de para’s ging om er een boek over te schrijven.
‘Vertel’, zei Bert en hij schoof de gele, rode, blauwe en groene mannetjes van Vredeseilanden die hij op de salontafel aan het sorteren was terzijde.
‘Wel, je hebt twee soorten verhalen over de para’s’, legde hij uit, breed zwaaiend met zijn armen vanop een stoel tegenover de divan waarop Bert en Patricia onderuit gezakt lagen. ‘Langs de ene kant de verhalen van heldenmoed en kameraadschap en langs de andere kant de verhalen van mentale verkrachting en kadaverdiscipline. Ik wil ontrafelen hoe de oversten een troep rekruten tot een vechtmachine kneden.’ In het venster verschijnt een glimlach, af en toe kan hij zich echt aanstellen, in zijn Leuvense pose van de geëngageerde intellectueel. In ieder geval, de onverwachte keuze voor de para’s vindt hij van zichzelf moedig. ‘Eens ondertekend, is er geen weg terug’, waarschuwde de selectieofficier in het Centrum voor Rekrutering en Selectie in Neder-over-Heembeek, net voor hij zijn handtekening plaatste.
De trein naar Namen geraakt langzaam gevuld. Enkele oude wijven kwetteren luid aan de andere kant van het gangpad. Hij kijkt zo onopvallend mogelijk rond. Nergens een knappe griet. Of misschien toch, twee banken verder. Is dat niets? Een meisje met donker lang haar zit een tijdschrift te lezen. Hij kan haar gezicht niet goed zien. Alsof ze voelt dat ze wordt aangegaapt, licht ze haar hoofd en kijkt hem onbeschaamd in de ogen. Wat een lelijke trien! Hij wendt net te laat zijn blik af naar de jonge gast die op dat moment rechtover hem neerploft. Een grote, stevige manskerel. Hij haalt een walkman uit zijn weekendtas, zet hem op zijn hoofd en sluit zijn ogen. Gillis kijkt terug naar buiten. De conducteur ijsbeert op het perron. Hij kijkt op zijn uurwerk en heeft zijn fluitje al tussen de lippen. Nog even en de trein zal in beweging komen, zijn onzekere toekomst tegemoet. Zal hij die rode muts wel halen? Zal hij dat Regiment vol macho’s en fighters binnen de kortste keren niet hartsgrondig vervloeken?
De conducteur trekt zijn uniformbroek omhoog en fluit. Dan draait hij zich om, roept iets naar de toog waar de drinkebroers lachen en hun hand opsteken en verdwijnt uit zijn gezichtsveld. Over enkele seconden zullen de deuren sluiten. In stilte begint Gillis te tellen. Vóór hij aan twintig is, moeten ze in beweging zijn. Al van in zijn kindertijd telt hij in gedachten als hij ergens op wacht. Of om zichzelf ertoe te brengen iets te durven. Zoals die keer dat iedereen hem van beneden aanstaarde, eenzaam en hoog op de oude Trambrug boven de vaart. De aanblik van de diepte onder hem gaf hem draaiingen. Behoedzaam steun zoekend met zijn handen ging hij op zijn achterste op de rand van de brug zitten, de benen naar beneden. Hij keek recht voor zich uit over de bossen, telde tot tien en duwde zich met zijn handen af. Met een gedempte klap hoort hij de deuren van de trein sluiten.
‘En wat ga je doen als het tegenvalt? Kan je daar dan terug weg?’ Die ambetante vraag kwam van Patricia.
‘Ik weet het niet. Ik ben gewoon benieuwd of het me zal lukken. Ik ben er ergens van overtuigd van wel.’ De trein staat nog altijd stil. Zal hij alvast een sigaret rollen? Waarom is die trein nu nog niet vertrokken? Omdat de juiste woorden hem niet te binnenvielen, was hij tegen Patricia weer over dat boek begonnen.
‘En ik hoop dat ik ook kan ontleden hoe de legerleiding van een hoop jonge mannen een peloton soldaten maakt.’
‘Je wil dus de participerende observatie van Dobbelaere beoefenen’, merkte Bert op. Karel Dobbelaere was in de eerste kandidatuur hun prof sociologie geweest. ‘Dat zal niet gemakkelijk zijn. Is er daar wel tijd voor?’ De woorden van Bert waren een mooi aanloopje voor zijn verzoek. Hij steekt zijn sigaret aan. Met een schokje komt de trein in beweging.
‘Tja, dat weet ik nog niet. Ik kan proberen een dagboek bij te houden. De weekends mogen we normaal gesproken naar huis. Dan kan ik alleszins tijd maken. En ik kan brieven schrijven. Hé, da’s een idee. Ik zal jullie schrijven en jullie schrijven af en toe eens terug. Zo kunnen jullie mij motiveren om door te doen en voel ik me sterker verplicht om bij te houden wat ik beleef. En na mijn legertijd geven jullie me mijn brieven terug.’
Hij staat recht en vist uit zijn tas briefpapier en de Watermanvulpen met de lichtblauwe inkt. Met de sigaret in zijn mond schroeft hij het dopje van zijn pen. Aan wie zou hij nu al een brief schrijven? De pen blijft even zweven boven het papier. De sigarettenrook irriteert zijn ogen. Hij opent het klepje van de asbak en legt de sigaret op het roostertje. En wat heeft hij op dit moment al te vertellen?
‘Kaartjes alstublieft.’

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in De Muts. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s