De Muts (1): Otterburn Training Area, 14 oktober 1998

De wind waait woest als altijd door de Wilkwoodvallei en kouder nog over de kale heuvelkruin waarop een tent staat opgesteld. In een geïmproviseerde commandopost achter klapperende dekzeilen in camouflagekleuren, wachten hoge officieren er de actie op het operatietoneel af. Naast de tent trotseert een enkele militair de storm. Bij hem staat een burger te kleumen met een notaboekje in de hand. De tweede burger in het gezelschap van de militairen, een jonge, mooie vrouw van een jaar of dertig met een gebruinde huid en blinkend zwart haar, is de barre plek net ontvlucht. Beide burgers zijn een klein uurtje eerder per Agusta-helikopter vanuit Bierset nabij Luik het noorden van Engeland ingevlogen. Voor ze zich naar de beschutting van een jeep liet begeleiden, vervloekte de vrouw haar baas die haar op deze missie naar een negorij tegen de Schotse grens had gestuurd. In het spoor dan nog van wat volgens haar de meest barbaarse eenheid zou zijn die het Belgische leger telt, mocht daarvan een rangschikking worden bijgehouden. Ze verschuilt zich samen met persofficier Jimmy Ostyn tegen de klauwende wind in de wat bergaf geparkeerde jeep waarmee de burgers van de heli-strip naar de Wilkwoodvallei zijn gevoerd. De twee burgers zijn journalisten. Ze zijn ingegaan op de uitnodiging van de stafchef van de Landmacht om de manoeuvres in het trainingskamp van Otterburn bij te wonen. De hoge officieren maken deel uit van de staven van Belgische eenheden, het 3de Para uit Tielen, de batterij Paracommando uit Brasschaat en het 18de bataljon antitankhelikopters uit Bierset. Samen met enkele officieren in een uniform van de luchtmacht superviseren ze een gecombineerde oefening van lichte infanterie met lucht- en artilleriesteun, beneden in de vallei. Die zullen ze als een film aan de toeschouwers presenteren.
De burger op de top houdt een klein notablokje paraat om de woorden van de stafchef op te schrijven. De wind plakt zijn jeansbroek als een natte dweil tegen zijn benen, een onaangenaam gevoel dat op deze plek spoort met herinneringen van een dozijn jaren oud. Nog een geluk dat hij zijn bergschoenen en zijn lederen jack aan heeft. Een geruite sjaal, half onder en half boven de jas, zwalkt rond zijn nek. Op zijn hoofd draagt hij een chocoladekleurige fleece muts met oorkleppen en een grijze voering. Dat Erika beschutting heeft gezocht in de jeeps, vindt hij een opportuniteit waarvan hij gebruik moet maken. Erika Clarysse is reporter voor De Morgen, de concurrent van zijn krant De Standaard. Als de luitenant-generaal nu nog iets nieuwswaardigs te vertellen had. Het is al een spannende namiddag geweest. Dankzij de helikoptervlucht, maar ook omdat hij nerveus was bij het vooruitzicht na zoveel jaren terug te keren naar dat onherbergzame oord. Hij hoopt dat hij niet opeens de plaats zal herkennen waar het drama zich exact twaalf jaar en vier maanden geleden heeft afgespeeld. Neen, die kans is klein. Als hij het goed heeft, was dat niet in de Wilkwoodvallei maar aan Quickening Cote. Hij roept liever de verse herinnering op aan die heerlijke, avontuurlijke helikoptervlucht over het Kanaal. De eerste keer in zijn leven dat hij een helikoptervlucht had gemaakt, was in Schaffen. Toen er zo’n Amerikaanse Chinook op bezoek was, een transportheli met twee schroeven, was hij er zelfs met zijn valscherm langs de brede achterdeur uit gesprongen, iets wat maar weinig dienstplichtige paracommando’s voor elkaar hebben gekregen.
Enkele woorden van de generaal trekken zijn aandacht. Hij concentreert zich terug op de uitleg van de grijsaard die hij hier voor zich alleen heeft. ‘Pas over enkele jaren, als de leeftijdspiramide terug gezond is, zullen we de effectieven van onze gevechtseenheden op peil kunnen brengen door volop te rekruteren’, zegt de stafchef wat decibels harder dan hij gewoon is, om verstaanbaar te blijven boven de gierende wind. ‘Tot dan moet er in heel het leger vooral buiten de gevechtstroepen ouder personeel afvloeien. Nu brandt de rekrutering door onze budgettaire restricties op een laag pitje. Dat houdt in dat we ook in de infanterie vandaag met soldaten zitten die eigenlijk te oud zijn. De oudste para-infanterist die straks in actie moet komen, is 35. In het peloton mortieren zit er zelfs eentje van 42.’
De journalist kent de achtergrond bij het verhaal van de stafchef. De regering heeft enkele jaren geleden de militaire dienstplicht opgeschort. De omvorming van de Belgische strijdkrachten naar een performant beroepsleger zonder instroom van jonge, tijdelijke dienstplichtigen, zal in een strak financieel keurslijf jaren volgehouden inspanningen vergen.
‘Over hoeveel jaren precies verwacht u dat dit probleem opgelost zal zijn?’
‘Ten vroegste tegen 2002, denk ik.’ De journalist ziet meteen de kop boven zijn scoop: ‘Leger pas in 2002 terug op sterkte’. Ha, hij zou die Erika even een poepje laten ruiken.
‘Tot dan blijven we ook in onze meest operationele eenheden zoals het paracommando-bataljon dat u hier zo meteen in actie zal zien komen, met personeelstekorten kampen. Niets aan te doen. Enfin, je zal een bataljonsaanval bijwonen met twee compagnieën in plaats van drie, elk bestaande uit twee pelotons in plaats van drie.’ Net als mijn laatste compagnie-aanval, bedenkt de journalist. ‘De organisatietabel van het bataljon 3 Para telt circa 450 manschappen. Maar vandaag heeft het slechts 337 effectieven, van wie er 261 meekwamen naar hier.’
‘Generaal, is het toegestaan? De CP vraagt me u te melden dat ze eraan komen!’ Een jonge luitenant is aan komen lopen. Hij hijgt nog. De generaal knikt.
‘Tot uw orders, generaal.’ De officier salueert en maakt rechtsomkeer. De journalist ziet hoe eerste luitenant Ostyn galant de deur van de jeep openhoudt. Erika Clarysse dribbelt haastig de heuvel terug op, gevolgd door haar chaperon. ‘Het spektakel gaat beginnen’, meldt Ostyn overbodig als ze de heuveltop zijn opgeklommen. De generaal kijkt hem geërgerd aan.
‘Begin uw briefing dan maar snel’, beveelt hij.
‘Hier beneden ligt de Wilkwoodvallei waar net een colonne vijandelijke tanks is binnengereden’, licht de persofficier toe. ‘We gaan zo meteen zien hoe deze colonne in de dodelijke val loopt die onze troepen hebben uitgezet.’ Erika Clarysse begrijpt er niets van. Ze kijkt haar ogen uit, maar ziet geen enkele tank, laat staan een vijandelijke colonne. De persofficier kijkt haar met pretoogjes aan. ‘Om de colonne te zien, moet je wat verbeelding hebben. Ze wordt gesimuleerd. Stel je voor dat je in het midden van een grote klok staat. Wat je recht voor je ziet, ligt zo op 12 uur en wat recht achter ons is te zien, bevindt zich op 6 uur. Kijk dan in de richting van wat op die klok 11 uur moet zijn, en je zal in de verte enkele hopen schroot zien.’ Jimmy Ostyn wijst voor alle duidelijkheid ook nog met zijn arm in de goede richting tot Erika de karkassen diep in de vallei ziet liggen. De vijandelijke colonne tanks.
Hoge knallen klinken uit het oosten. ‘Dat zijn Milan-antitankraketten’, zegt de persvoorlichter. ‘Ze zijn begonnen.’ Wat zijn PR-officieren toch sterk in het geven van overbodige informatie, denkt de journalist. De hoofden draaien zich naar het geluid van het schietkraam in de vallei. Een beetje meer links volgen gedempte bonken. Kleine rookpluimen stijgen op aan de rand van een bosje, enkele kilometer verder aan de andere kant van de vallei. Het zijn de mortieren van de rode mutsen. Ze slaan seconden later in op de vijand. Terwijl de echo uitsterft, rollen nieuwe zware slagen over de vallei. Vanuit het westen is ook de batterij in actie getreden. De granaten van de vier houwitsers slaan in rond het schroot. De zogenaamde vijandelijke tanks krijgen de volle laag. De journalist draait zich naar zijn vrouwelijke collega. ‘Nogal een lawaai hé’. Met de handen tegen haar oren slaat ze de ogen ten hemel. Ze vindt het maar niks, interpreteert hij haar gebaren. Wat verder schreeuwen de bevelhebbers van de operatie op de commandopost hun orders in de radio. De journalist met het bruine hoofddeksel wordt plots getroffen door de stentor die een fractie van een seconde boven de wind uittorent. Hij herkent de stem uit een tafereel van meer dan tien jaar geleden, ook in deze Cheviot heuvels. Hij hoort diezelfde man tekeer gaan, met de benen wijd open en de handen in de zij, tegen een dienstplichtige soldaat die van schrik wat dieper in het natte gras wegkruipt.
‘Moet ik u in uw kloten stampen, stukske bougnoul, of ga je uw dekking verzorgen? Ga daar midden in die plas liggen, daar ben je veilig!’ Duchatelet. Hij reikhalst om een glimp van de man op te vangen maar trekt het hoofd in een reflex tussen de schouders als een schicht voorbijschiet. Onmiddellijk gevolgd door een razend geluid dat zijn handen naar de flappen van zijn bruine muts jaagt. Hij voelt de adrenaline gieren. Alsof hij terug wankelend met zijn bergham en Lee Enfield op de smalle balk boven de kloof hoog op de rotsen van Marche-les-Dames schuifelt. De Alpha Jet duikt de vallei in en bestookt op zijn beurt de tanks. Het geluid is nog niet uitgestorven als opnieuw de zware knallen en doffe bonken van houwitsers en mortieren de oren teisteren. Als het gedonder uitdooft, horen de journalisten weer de opgewonden bevelen in de radio’s op de commandopost. Luitenant Ostyn tikt hem op de schouder, draait zich een kwartslag en wijst. ‘Kijk daar, net boven de horizon’. Zonder ze te horen, zien de waarnemers in het westen drie stippen, de A109-antitankhelikopters zoals de militairen de Agusta’s noemen. Strak in de formatie van hun tactische vlucht, glijden ze zo laag mogelijk over de aardbodem de vallei binnen en dan blijven ze hangen, nog ver van de schroothopen. ‘Waarom blijven die helikopters daar…’, vraagt de vrouw. Ze onderbreekt haar zin als de A109’s het vuur openen. ‘Normaal vuren ze draadgeleide precisieraketten af’, schreeuwt Ostyn terug. ‘Dat kunnen ze dan van een veel grotere afstand doen, zonder verontrust of zelfs opgemerkt te worden door de vijand. Maar dat is hier in Otterburn verboden. Daarom simuleren we die raketten met machinegeweren.’
Nu is het pandemonium van de JAAT, het Joint Air and Artillery Team, compleet. De Wilkwoodvallei is al een killing ground geworden als minuscule mannetjes oprukken en er nog wat flauwe pop-pop-pops opstijgen uit hun geweren en mitrailleurs. Het zijn de tot dat ogenblik onzichtbaar gebleven infanteristen van 3 Para die nu beneden in de vallei als muizen uit de grond lijken te zijn gekropen en elastisch vooruit bewegen om, voor zover het nog nodig zou zijn, de laatste weerstand van de vijand te breken. Aan die vorderingstechnieken is niets veranderd, stelt de man van De Standaard vast. Hoe lang zouden ze daar perfect gecamoufleerd in de kou en nattigheid hebben liggen wachten zonder te verroeren, om het hoge bezoek met hun plotse verschijning te kunnen verrassen? Zouden ze fuseliersputjes hebben moeten graven? Schieten ze met scherp? Zouden ze nog droge kleren hebben, bruikbare rantsoenen? Hebben ze vannacht geslapen? Zo ja, in een tent, onder een poncho of in een schuur? Of mogen ze tegenwoordig overnachten in een paviljoen?
‘Het is ’14-’18 niet meer’, schreeuwt de stafchef van de landmacht. ‘Toen moest de infanterie veel meer forceren. Nu hebben we de JAAT. Wat vond je van de show?’
‘Geweldig.’ Maar de blik van de journalist glijdt van de luitenant-generaal naar de CP, waaruit een lange slungel tevoorschijn is gekropen. Op de epauletten van zijn camouflagevest draagt hij een gouden ster met een streep eronder.
‘Wie is die lange man?’
‘Die majoor? Dat is de tweede bevelhebber van het 3de bataljon Para.’ Luid lachend met de commandant van het 18de bataljon antitankhelikopters loopt Duchatelet met enorme passen terug naar de jeeps. De majoor van 3 Para heeft geen aandacht voor de clown met zijn oormuts maar stoot zijn collega-officier aan. Samen gapen ze onbeschroomd de vrouwelijke journaliste aan als was ze het meest begerenswaardige schepsel dat de voorbije weken hun blikveld heeft gekruist. Duchatelet heeft nog altijd die lange hangsnor, ziet hij, de nonchalante stap en brutale blik.
‘Maar waarom moeten jullie voor zo’n oefening helemaal naar de Schotse grens komen? Heeft het leger in de Ardennen ook geen oefenterreinen?’ Erika doet haar best onverschillig te blijven onder de blikken van de macho’s.
‘Het terrein van de Otterburn Training Area’, doceert de stafchef, ‘heeft op zijn uitersten een oppervlakte van ongeveer zestien bij achttien kilometer. Hier kunnen we een infanterieaanval uitvoeren op het echelon bataljon, met scherpe munitie. Zoiets kunnen we op geen enkel militair terrein in België oefenen. Bovendien vormen de aard van het landschap, de barre natuur en de doorgaans abominabele weersomstandigheden in deze streek voor onze troepen op zich een beproeving die voor hun operationaliteit zo waardevol is, dat we hen er regelmatig aan blootstellen. Kortom mevrouw Clarysse, Otterburn is een vrij uniek oefenterrein in Europa.’ De stafchef knikt naar zijn aide de camp en beent naar de jeeps. Nog net ziet de journalist de flits van een knipoog die Jimmy Ostyn naar Erika Clarysse uitstuurt. Ze bedankt de luitenant met haar mooiste glimlach.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in De Muts. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s